15.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 59/24
Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2015 door Patrick Wanègue tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 september 2015 in zaak F-21/15, Wanègue/Comité van de Regio’s
(Zaak T-682/15 P)
(2016/C 059/27)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirerende partij: Patrick Wanègue (Dilbeek, België) (vertegenwoordiger: M.-A. Lucas, advocaat)
Andere partij in de procedure: Comité van de Regio’s van de Europese Unie
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
—
te vernietigen, de beschikking van 15 september 2015 in zaak F-21/15 waarbij het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) het op 5 februari 2015 door rekwirant tegen het Comité van de Regio’s ingestelde beroep deels kennelijk rechtens ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;
—
uitspraak te doen over het beroep en rekwirants vorderingen toe te wijzen;
—
het Comité van de Regio’s te verwijzen in de kosten van de beide procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij vijf middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van de artikelen 51, lid 1, en 53, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken (GVA) alsmede van het beginsel dat partijen in de procedure gelijk zijn, aangezien de termijn van twee maanden voor de indiening van het verweerschrift, vermeerderd met de termijn wegens afstand van tien dagen, is berekend vanaf de ontvangst van de betekening van de regularisatie van het verzoekschrift, en niet vanaf die van de betekening van het verzoekschrift, zodat het verweerschrift van het Comité van de Regio’s (CvR) in het procesdossier is opgenomen, ofschoon het te laat was ingediend, het Gerecht zich voor de verwerping van het beroep bij op artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering gebaseerde beschikking op die memorie heeft gebaseerd en rekwirant de mogelijkheid is ontnomen om op basis van artikel 121 van het Reglement voor de procesvoering om een verstekvonnis te vragen.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van het beginsel dat de bepalingen van het recht van de Europese Unie worden uitgelegd door rekening te houden met hun context alsmede van de motiveringsplicht, aangezien het GVA in de punten 64 tot en met 70 van zijn beschikking artikel 56 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie heeft uitgelegd zonder rekening te houden met artikel 55 ervan noch met de besluiten die het CvR op die basis heeft vastgesteld en niet heeft geantwoord op de argumenten die rekwirant aan die bepalingen ontleende. Dit middel is eveneens ontleend aan rechtsdwalingen, aangezien de strekking en het doel zijn miskend van de artikelen 55 en 56 van het Statuut en van artikel 3 van bijlage VI erbij alsmede van de artikelen 2 en 4 van besluit nr. 048/03 betreffende de modaliteiten voor de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor overuren van bepaalde ambtenaren van de categorieën C en D die op regelmatige basis verplicht zijn om overuren te maken (hierna: „besluit nr. 48/03”).
3.
Derde middel, ontleend aan schending van de beginselen dat de statutaire bepalingen moeten worden uitgelegd conform het Handvest van de grondrechten en artikel 31 van het Handvest conform besluit nr. 48/03, alsmede van de verplichting om arresten te motiveren en van het vertrouwen dat processtukken moeten genieten, aangezien het GVA in de punten 71 tot en met 74 van zijn beschikking voor de uitlegging van artikel 31, lid 2, van het Handvest geen rekening heeft gehouden met artikel 6 van besluit nr. 48/03, niet rechtens genoegzaam heeft geantwoord op het betoog dat rekwirant aan die bepalingen had ontleend en het voorwerp en de grond van zijn beroep heeft miskend.
4.
Vierde middel, ontleend aan schending van het vertrouwen dat processtukken moeten genieten en van het beginsel dat beroepen moeten worden beoordeeld op basis van de elementen die ten tijde van de vaststelling van de bestreden handeling bestonden, aangezien het GVA in punt 77 van zijn beschikking heeft vastgesteld dat rekwirant zijn betoog ontleend aan het beginsel van gelijke behandeling baseerde op de gevolgen van het betwiste besluit en het in elk geval op basis van die gevolgen heeft afgewezen, alsmede aan schending van de motiveringsplicht, van het beginsel dat de statutaire bepalingen conform het beginsel van gelijke behandeling moeten worden uitgelegd en van dat beginsel, aangezien het GVA in de punten 77 en 78 tot en met 80 van zijn beschikking rekwirants betoog niet rechtens genoegzaam heeft beantwoord.
5.
Vijfde middel, ontleend aan enerzijds schending van het vertrouwen dat de processtukken moeten genieten en van artikel 50, lid 1, onder e), van het Reglement voor de procesvoering van het GVA, aangezien dat GVA in punt 82 van zijn beschikking heeft geoordeeld dat de door rekwirant opgeworpen exceptie van onwettigheid, in strijd met die bepaling, niet werd onderbouwd door enig betoog en dus kennelijk niet-ontvankelijk was en, anderzijds, daaruit voortvloeiende onwettigheid van de punten 54 tot en met 57 van de bestreden beschikking.
Full & Egal Universal Law Academy