22.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 68/34
Beroep ingesteld op 12 december 2015 — Klyuyev/Raad
(Zaak T-731/15)
(2016/C 068/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Sergiy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordigers: R. Gherson, Solicitor, B. Kennelly, barrister, en T. Garner, solicitor)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit 2015/1781/GBVB van de Raad van 5 oktober 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1777 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne, voor zover zij van toepassing zijn op verzoeker, en
—
verweerder verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.
1.
Eerste middel: de Raad heeft geen passende rechtsgrondslag genoemd. Artikel 29 VEU was geen passende rechtsgrondslag voor het bestreden besluit, omdat de klacht tegen verzoeker hem niet heeft geïdentificeerd als een persoon die de rechtstaat of de mensenrechten (in de zin van de artikelen 21, lid 2, VEU en 23 VEU) in Oekraïne heeft ondermijnd. Doordat het bestreden besluit ongeldig was, kon de Raad zich niet op artikel 215, lid 2, VWEU verlaten om de bestreden verordening vast te stellen. Toen de beperkende maatregelen werden opgelegd, was er tegen verzoeker geen sprake van een tenlastelegging in het kader van gerechtelijke procedures, volgens welke zijn activiteiten in Oekraïne de rechtsstaat dreigden te ondermijnen of mensenrechten schonden. De beperkende maatregelen bekrachtigen in feite een schending van de rechtsstaat door de Oekraïense autoriteiten door de wijze waarop zij verzoeker behandelen.
2.
Tweede middel: de Raad heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door vast te stellen dat verzoeker voldeed aan het criterium voor opneming in de lijst. De door het kabinet van de procureur-generaal voor de Raad aangevoerde beschuldigingen waren veel te algemeen en niet gesteund door enig (en nog minder door „concreet”) bewijs van enige gerechtelijke procedure tegen verzoeker. Verzoeker heeft gewezen op de gebreken in de beschuldigingen voorafgaande aan de beperkende maatregelen en de Raad is er niet in geslaagd van de Oekraïense autoriteiten antwoorden en het nodige bewijs te krijgen. De Raad heeft ten onrechte de beschuldigingen als zodanig aanvaard, niet in de laatste plaats vanwege het ontbreken van een rechtsgang in Oekraïne die beantwoordt aan Europese standaarden.
3.
Derde middel: de Raad heeft verzoekers recht van verdediging en recht op een doeltreffende bescherming in rechte geschonden. In een heraanwijzingszaak heeft de Raad een verzwaarde plicht om volledig onderzoek te doen naar de verzoekende autoriteiten en die informatie aan de aangewezen persoon te verschaffen. Die plicht werd in dit geval geschonden.
4.
Vierde middel: de Raad heeft verzoeker ontoereikende redenen voor zijn opneming op de lijst meegedeeld. De gegeven redenen waren onvoldoende gedetailleerd en nauwkeurig.
5.
Vijfde middel: de Raad heeft verzoekers grondrecht op eigendom en op zijn goede naam ernstig geschonden. De beperkende maatregelen waren opgelegd zonder passende waarborgen voor verzoeker om zijn zaak doeltreffend voor te leggen aan de Raad. De beperkende maatregelen zijn niet beperkt tot enige bepaalde eigendom die beweerdelijk verduisterde overheidsmiddelen vertegenwoordigt, of zelfs niet beperkt tot het bedrag aan middelen die beweerdelijk zijn verduisterd.
6.
Zesde middel: voor zover de Raad gelijk heeft dat de aanwijzingscriteria van toepassing kunnen zijn op een onderzoek dat geen verband houdt met een rechtsgang, zijn de criteria onevenredig en onwettig.
Full & Egal Universal Law Academy