BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
24 april 2015 ( *1 )
„Kort geding — Inschrijving van een beschermde geografische aanduiding — ‘Piadina romagnola/piada romagnola’ — Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging — Geen spoedeisendheid”
In zaak T‑43/15 R,
CRM Srl, gevestigd te Modena (Italië), vertegenwoordigd door G. Forte, C. Marinuzzi en A. Franchi, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Bianchi en J. Guillem Carrau als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1174/2014 van de Commissie van 24 oktober 2014 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [piadina romagnola/piada romagnola (BGA)] (PB L 316, blz. 3),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoekster, CRM Srl, is een Italiaanse onderneming die sinds 1974 broodproducten vervaardigt, inzonderheid verschillende soorten piadine romagnole. De piadina romagnola, een Italiaanse culinaire specialiteit, is een dun, plat brood op basis van tarwemeel, reuzel of olijfolie, zout en water, traditioneel gebakken op een platte aardewerken schotel of op een metalen of stenen plaat. Het dunne, platte brood wordt dubbelgevouwen en kan worden gevuld met zoete of hartige vulling. Verzoekster beschrijft zichzelf als een toonaangevende onderneming in de levensmiddelensector, bekend als de grootste producent van piadine in Italië. Zij verhandelt haar producten onder haar eigen merknaam of onder de merknamen van andere distributeurs en telt de belangrijkste grootwinkelbedrijven in Italië onder haar klanten.
2
Verzoekster vreest dat uitvoeringsverordening (EU) nr. 1174/2014 van de Commissie van 24 oktober 2014 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [piadina romagnola/piada romagnola (BGA)] (PB L 316, blz. 3; hierna: „bestreden verordening”), door het gebruik van de naam „romagnola” voor te behouden aan piadine/piade die zijn vervaardigd in het beschermde geografische gebied, het haar onmogelijk zal maken haar gewone economische activiteit uit te oefenen, aangezien haar productielocatie zich buiten dit gebied bevindt.
3
De procedure voor de inschrijving van een beschermde geografische aanduiding (hierna: „BGA”) bestaat uit twee fasen en werd in de periode waarin de feiten van de onderhavige zaak spelen, geregeld door verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 93, blz. 12) en door verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343, blz. 1). De eerste fase speelt zich af in de lidstaat waaruit het betrokken levensmiddel afkomstig is. Deze lidstaat leidt de procedure in met een verzoek om registratie en het opstellen van de documentatie die noodzakelijk is om het verband tussen het product en het beschermde gebied aan te tonen. Daarop volgt een tweede fase waarin de criteria voor de aanvraag worden gecontroleerd en geverifieerd door de Europese Commissie. Zij omvat een onderzoek van de registratieaanvraag en de bekendmaking ervan met het oog op een mogelijke bezwaarprocedure. De administratieve procedure wordt afgesloten door de bekendmaking van de BGA in het Publicatieblad van de Europese Unie of door weigering van deze bekendmaking.
4
De aanvraag tot registratie van de BGA „piadina romagnola/piada romagnola” (hierna: „piadina romagnola” of, in het meervoud, „piadine romagnole”) is in 2011 ingediend bij de Italiaanse autoriteiten krachtens verordening nr. 510/2006 door een groepering die de afzet van dit product bevordert. De Italiaanse autoriteiten hebben een openbare bijeenkomst gehouden om na te gaan of het voorgestelde productdossier in overeenstemming was met de authentieke methoden voor het verkrijgen van het betrokken product en hebben de registratieaanvraag vervolgens bekendgemaakt in de Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana (GURI, het publicatieblad van de Italiaanse Republiek) van 28 januari 2012.
5
Deze bekendmaking is de aanleiding geweest tot een groot aantal bezwaren door organisaties van ambachtelijke producenten van piadine die deze in stands op straat verkopen. Deze organisaties zijn opgekomen tegen de gelijkstelling, voor de aangevraagde BGA, van industrieel vervaardigde piadine en ambachtelijk vervaardigde, in stands op straat verkochte piadine. Niettemin hebben de Italiaanse autoriteiten op 11 december 2012 de verklaring van registratie van de bestreden BGA en het productdossier bij de Commissie ingediend.
6
Bij verzoekschrift van 29 maart 2013 heeft verzoekster beroep ingesteld bij het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (hierna: „TAR”) tot nietigverklaring van de Italiaanse handelingen in het kader van de procedure voor registratie, met name het productdossier van de piadina romagnola, op grond van schending van verordening nr. 510/2006, aangezien er geen verband is tussen het beschermde gebied en de industrieel vervaardigde piadina romagnola noch tussen dat industriële product en het ambachtelijke product. In de loop van de procedure voor het TAR hebben de Italiaanse autoriteiten het productdossier vervangen door een nieuwe versie.
[omissis]
8
Bij vonnis van 15 mei 2014 heeft het TAR het beroep van verzoekster toegewezen en onder meer het productdossier nietig verklaard en de Italiaanse autoriteiten gelast dat dossier opnieuw op te stellen. Volgens het TAR had enkel de ambachtelijke en niet de industriële productie van het betrokken levensmiddel een faam die als beschermenswaardig kon worden erkend. Overeenkomstig het geldende Italiaanse recht was dat vonnis onmiddellijk uitvoerbaar.
9
Enkele dagen na de uitspraak van dit vonnis, op 21 mei 2014, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van verordening nr. 1151/2012 de registratieaanvraag van de bestreden BGA bekendgemaakt (PB C 153, blz. 9), waarbij zij heeft vermeld dat de bekendmaking het recht verleende om op grond van artikel 51 van die verordening bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag. Bij e-mail van 22 mei 2014 heeft verzoekster de Commissie ervan in kennis gesteld dat het TAR bij vonnis van 15 mei 2014 het productdossier van de Italiaanse autoriteiten nietig had verklaard, zodat de Italiaanse autoriteiten dat dossier opnieuw moesten opstellen, waarbij de omvang van de BGA moest worden beperkt tot de ambachtelijk vervaardigde piadina romagnola. Derhalve moest de bekendmaking van de aanvraag van 21 mei 2014 volgens verzoekster worden ingetrokken. Op dit schrijven heeft de Commissie op 10 juni 2014 geantwoord dat de registratieaanvraag was bekendgemaakt met het oog op eventuele bezwaren en dat de mogelijke implicaties van de beslissing van de Italiaanse rechter moesten worden beoordeeld door de bevoegde Italiaanse autoriteiten.
10
In het kader van een daaropvolgende briefwisseling tussen verzoekster, de Commissie en de Italiaanse autoriteiten over met name de gevolgen van het vonnis van het TAR van 15 mei 2014 voor de procedure tot registratie van de bestreden BGA hebben deze autoriteiten bevestigd dat zij voornemens waren deze procedure voort te zetten en uiteengezet dat zij bij de Consiglio di Stato in hoger beroep waren gegaan tegen het vonnis van het TAR, en een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging ervan hadden ingediend. In de loop van de hogerberoepsprocedure heeft de Consiglio di Stato het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis van het TAR gevoegd met de hoofdzaak en te kennen gegeven dat hij het verzoek van CSM Srl om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof niet zou inwilligen.
11
Daarop heeft de Commissie op 24 oktober 2014 de bestreden verordening vastgesteld, die tot gevolg heeft dat verzoekster de naam „piadina romagnola” niet meer mag gebruiken voor haar in Modena (Italië) vervaardigde producten, omdat deze stad buiten het beschermde geografische gebied ligt. De bestreden verordening is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 4 november 2014.
Procesverloop en conclusies van partijen
[omissis]
13
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 februari 2015, heeft verzoekster het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, waarin zij, zakelijk weergegeven, de president van het Gerecht verzoekt:
—
de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening krachtens artikel 105, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te schorten totdat de onderhavige procedure in kort geding zal zijn afgerond, en hoe dan ook totdat het Gerecht uitspraak zal hebben gedaan in de hoofdzaak.
[omissis]
In rechte
[omissis]
21
Verzoekster voert aan dat zij ernstige en onherstelbare schade zou lijden als het onderhavige verzoek in kort geding niet wordt toegewezen. Doordat de bestreden verordening uitvoerbaar is, is het haar namelijk verboden piadine met de vermelding „romagnole” te vervaardigen en te distribueren. Verzoekster meent dat de resulterende schade niet uitsluitend vermogensrechtelijk van aard is, omdat de bestreden verordening ook haar imago en het recht op bescherming van haar naam aantast, naast haar mogelijkheden om overeenkomsten te sluiten, wat zich vertaalt in een onomkeerbaar verlies van klanten en marktaandeel. Volgens verzoekster gaat het om ongeveer 40 % van haar omzet.
[omissis]
29
Het is vaste rechtspraak dat de toekenning van voorlopige maatregelen in geval van een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van de Unie slechts gerechtvaardigd is indien de betrokken handeling de doorslaggevende oorzaak van de gestelde ernstige en onherstelbare schade is [zie beschikking van 7 maart 2013, EDF/Commissie, C‑551/12 P(R), Jurispr., EU:C:2013:157, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In die context is geoordeeld dat dat nadeel moet voortvloeien uit de gevolgen die de bestreden verordening sorteert en niet het gevolg mag zijn van een gebrek aan zorgvuldigheid van degene die om de voorlopige maatregel verzocht (beschikking van 15 juli 2008, CLL Centres de langues/Commissie, T‑202/08 R, EU:T:2008:293, punt 73; zie in die zin ook beschikkingen van 28 mei 1975, Könecke/Commissie, 44/75 R, Jurispr., EU:C:1975:72, punt 3, en van 22 april 1994, Commissie/België, C‑87/94 R, Jurispr., EU:C:1994:166, punten 38 en 42). Volgens dezelfde rechtspraak moet degene die om de maatregel verzoekt, als hij geen blijk geeft van de van een omzichtige en oplettende onderneming vereiste zorgvuldigheid, zelfs de schade dragen die beweerdelijk zijn voortbestaan in gevaar kan brengen of zijn marktpositie kan wijzigen op een manier die niet ongedaan kan worden gemaakt (zie in die zin beschikkingen van 1 februari 2001, Free Trade Foods/Commissie, T‑350/00 R, Jurispr., EU:T:2001:37, punten 50, 51 en 59, en CLL Centres de langues/Commissie, reeds aangehaald, punt 74).
30
In casu blijkt uit het dossier dat de gestelde ernstige en onherstelbare schade, zowel financieel als immaterieel, berust op de veronderstelling dat de bestreden verordening verzoekster verbiedt de naam „romagnole” te gebruiken voor de verkoop van haar piadine, waardoor zij benadeeld wordt ten opzichte van haar concurrenten die gevestigd zijn in het geografische gebied dat door die verordening wordt beschermd en die deze naam kunnen blijven gebruiken voor de verkoop van hun piadine.
31
Vastgesteld moet worden dat verzoekster in casu niet de van een omzichtige en oplettende marktdeelnemer te verwachten redelijke zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd. Zij heeft namelijk geen gebruik gemaakt van de gelegenheid die nochtans in de toepasselijke regeling wordt geboden om toestemming te verkrijgen de naam „romagnole” gedurende een overgangsperiode te blijven gebruiken voor de verkoop van haar piadine.
32
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de nationale procedure voor de registratie van de bestreden BGA, zoals is onderstreept in het vonnis van het TAR van 15 mei 2014 (zie punt 8 supra), dat herhaaldelijk door verzoekster is aangehaald, in 2011 is ingeleid voor de Italiaanse autoriteiten en op 11 december 2012 door hen is afgerond, toen zij het dossier aan de Commissie hebben toegezonden (zie de punten 4 en 5 supra). In deze nationale procedure was ratione temporis verordening nr. 510/2006 van toepassing. Uit hoofde van artikel 5, leden 5 en 6, van deze verordening was de Italiaanse Republiek verplicht te voorzien in een bezwaarprocedure – die overigens daadwerkelijk heeft plaatsgevonden – waarin elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang bezwaar tegen de registratieaanvraag kon aantekenen. In deze procedure had de Italiaanse Republiek verzoekster voorlopig op nationaal niveau bescherming kunnen toestaan voor het gebruik van de naam „romagnole” en een overeenkomstige aanpassingsperiode, mits verzoekster haar piadine legaal onder die benaming in de handel had gebracht tijdens de vijf voorgaande jaren en zij dit punt „tijdens de [...] nationale bezwaarprocedure aan de orde [had] gesteld”.
33
Het TAR heeft in zijn vonnis van 15 mei 2014 echter uitdrukkelijk vastgesteld dat verzoekster, anders dan andere marktdeelnemers, niet had deelgenomen aan de nationale bezwaarprocedure en dat elke eventuele toekenning van een aanpassingsperiode door dit verzuim onmogelijk was geworden. Zij had haar bijzondere vereisten immers niet naar voren gebracht in de daarvoor bedoelde procedure. Dientengevolge heeft verzoekster, die naar eigen zeggen sinds meerdere decennia allerlei soorten piadine romagnole vervaardigt en dus kennelijk voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, leden 5 en 6, de kans voorbij laten gaan om zelf de schade te voorkomen die zij zegt te vrezen. Nadat het betrokken dossier bij de Commissie was ingediend, was op de door de Commissie gevoerde procedure ratione temporis verordening nr. 1151/2012, in werking getreden op 3 januari 2013, van toepassing. In het kader van haar contacten met de Commissie had verzoekster haar krachtens artikel 15, leden 1 en 2, juncto artikel 49, lid 3, van deze verordening, kunnen verzoeken om een overgangsperiode, die kon oplopen tot 15 jaar, om te profiteren van een de facto verlenging van de aanpassingsperiode die de Italiaanse autoriteiten na de genoemde nationale bezwaarprocedure hadden kunnen toekennen. Nu verzoekster heeft nagelaten aan deze nationale procedure deel te nemen, heeft zij de kans gemist om haar piadine onder de naam „romagnole” te blijven verkopen. Ofschoon deelname aan de nationale procedure geen noodzakelijke voorwaarde is voor het verlenen van voorlopige bescherming door de Commissie, moet worden vastgesteld dat hoe dan ook niet uit het dossier blijkt dat verzoekster zich met een verzoek van die strekking tot de Commissie heeft gewend of een dergelijk verzoek is afgewezen.
34
Daaruit volgt dat verzoekster, nu zij geen blijk heeft gegeven van de van een omzichtige en oplettende onderneming vereiste zorgvuldigheid, zelf de schade moet lijden, zowel financieel als immaterieel, die zij in casu zegt te vrezen.
[omissis]
44
Daarnaast heeft verzoekster in haar verzoek in kort geding zelf vermeld dat zij over een dochteronderneming beschikt, namelijk de vennootschap Commerciale Europa, waarover zij via haar financieringsmaatschappij Finrec zeggenschap heeft en die derhalve tot dezelfde groep behoort. De rechter in kort geding kan daaruit enkel concluderen dat verzoekster behoort tot een groep vennootschappen. Onder die omstandigheden was het aan verzoekster de omvang, de totale omzet en de kenmerken van de groep waartoe zij behoort, uiteen te zetten, als zij zich met vrucht wilde beroepen op het risico ernstige en onherstelbare schade te lijden.
45
De beoordeling van de exacte financiële situatie van verzoekster hangt immers af van de vraag of zij objectief beschikt over aanvullende financiële middelen afkomstig van met name de groep waartoe zij behoort. De structuur van verzoeksters groep vormt dus een wezenlijk gegeven voor het onderzoek van de spoedeisendheid van het onderhavige verzoek in kort geding (zie in die zin beschikking van 10 juni 2014, Stahlwerk Bous/Commissie, T‑172/14 R, EU:T:2014:558, punt 21). Verzoekster is in haar verzoek in kort geding niet ingegaan op de financiële capaciteit van haar groep noch op de structuur van haar kapitaal of haar eigendomsstructuur, hoewel een toelichting daarop noodzakelijk was geweest, temeer daar uit via internet toegankelijke bronnen naar voren komt dat een vennootschap Finrec SpA, gevestigd te Modena op hetzelfde adres als verzoekster, daadwerkelijk lijkt te bestaan en actief lijkt te zijn op de markt.
[omissis]
47
Aangezien de rechter in kort geding niet over bruikbaar vergelijkingsmateriaal beschikt, kan hij niet vaststellen of de beweerde daling met 40 % van de omzet het financiële voortbestaan van verzoekster kan bedreigen of een aanzienlijk verlies van marktaandeel kan meebrengen in verhouding tot de financiële macht van de groep waartoe zij behoort.
[omissis]
51
Hoe het ook zij, ook al is het mogelijk dat verzoekster op problemen stuit bij de exacte berekening van haar financiële schade, zij zet niet uiteen waarom zij niet in staat is vast te stellen, in detail te omschrijven en aan de hand van bewijsstukken aan te tonen hoeveel zij gedurende een passend referentietijdvak heeft omgezet met de verkoop van piadine romagnole en dat cijfer af te zetten tegen de totale omzet van haar groep tijdens dit tijdvak voor alle producten en economische activiteiten samen, zodat kan worden vastgesteld hoe groot de procentuele schade zou zijn ingeval de betrokken markt geheel zou wegvallen.
52
Overigens zou het Gerecht in een latere schadevergoedingszaak bevoegd zijn bij wege van (abstracte) schatting de aan verzoekster berokkende schade te berekenen op basis van de waarschijnlijke ontwikkeling, volgens de gangbare loop der dingen, van haar marktaandeel en winst (zie in die zin beschikking van 5 juni 2013, Rubinum/Commissie, T‑201/13 R, EU:T:2013:296, punt 50). Bij een dergelijke kwantificatie van de schade kan het Gerecht de feiten soeverein waarderen en beschikt het over een beoordelingsmarge bij de keuze van de methode om de omvang van een schadevergoeding vast te stellen (zie in die zin arrest van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, Jurispr., EU:C:2008:107, punten 72, 74 en 76). In casu zou het Gerecht zelfs genoegen kunnen nemen met schattingen op basis van gemiddelde statistische waarden, mits verzoekster de gegevens waarop deze schattingen zijn gebaseerd, kan bewijzen (zie in die zin arrest van 28 april 2010, BST/Commissie, T‑452/05, Jurispr., EU:T:2010:167, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
[omissis]
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 24 april 2015.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Jaeger
( *1 ) Procestaal: Italiaans.
( 1 ) Enkel de punten van deze beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy