BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
16 juli 2015 ( *1 )
„Kort geding — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie — Bevriezing van tegoeden — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris — Belangenafweging — Geen spoedeisendheid”
In zaak T‑207/15 R,
National Iranian Tanker Company, gevestigd te Teheran (Iran), vertegenwoordigd door T. de la Mare, QC, M. Lester, J. Pobjoy, barristers, R. Chandrasekera, S. Ashley en C. Murphy, solicitors,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door N. Rouam en M. Bishop als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit (GBVB) 2015/236 van de Raad van 12 februari 2015 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 39, blz. 18), en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/230 van de Raad van 12 februari 2015 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 39, blz. 3), voor zover die handelingen verzoekster betreffen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die zijn ingevoerd om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van vectoren voor kernwapens te staken.
[omissis]
7
Verzoekster, National Iranian Tanker Company, een Iraanse onderneming die gespecialiseerd is in het vrachtvervoer van aardolie en aardgas en een grote vloot dubbelwandige olietankers exploiteert, heeft een aantal brieven tot de Unie gericht waarin zij uiting geeft aan haar bezorgdheid over de weerslag van de ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran vastgestelde maatregelen op haar vloot. In dat verband heeft verzoekster ontkend dat zij betrokken is bij het Iraanse nucleaire programma en heeft zij gepreciseerd dat zij reeds in 2000 was geprivatiseerd.
8
Op 15 oktober 2012 heeft de Raad niettemin verzoeksters naam daadwerkelijk opgenomen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn.
9
In de eerste plaats heeft de Raad namelijk besluit 2012/635/GBVB van 15 oktober 2012 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB (PB L 282, blz. 58) vastgesteld. Volgens overweging 16 van besluit 2012/635 dienden beperkende maatregelen te worden vastgesteld ten aanzien van met name de entiteiten die eigendom zijn van de Iraanse Staat en die actief zijn in de olie-en-gas-sector, aangezien die entiteiten een substantiële bron van inkomsten voor de Iraanse regering vormden. Bijgevolg heeft artikel 1, lid 8, onder a), van besluit 2012/635 artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 aldus gewijzigd dat beperkende maatregelen zouden worden vastgesteld ten aanzien van „andere niet onder bijlage I vallende personen of entiteiten die de regering van Iran steun bieden en entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van deze of aan hen geassocieerde personen of entiteiten, als opgesomd in bijlage II”. Artikel 2 van besluit 2012/635 heeft verzoeksters naam opgenomen in bijlage II bij besluit 2010/413 die de lijst bevat met de namen van de „[p]ersonen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen”.
10
In de tweede plaats heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 van 15 oktober 2012 houdende uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 (PB L 282, blz. 16) vastgesteld. Artikel 1 van verordening nr. 945/2012 heeft verzoeksters naam opgenomen in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, die de lijst bevat met de namen van „[b]ij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen”.
11
Verzoeksters naam is op voornoemde lijsten opgenomen op grond van een in beide gevallen identieke motivering: „Feitelijk onder zeggenschap van de Iraanse regering. Verleent financiële steun aan de regering van Iran via de aandeelhouders die banden hebben met de regering.”
12
Besluit 2012/635 en verordening nr. 945/2012 zijn bij brief van 16 oktober 2012 aan verzoekster meegedeeld.
13
Op 27 december 2012 heeft verzoekster bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van die twee handelingen, voor zover zij op haar betrekking hadden.
14
In zijn arrest van 3 juli 2014, National Iranian Tanker Company/Raad (T‑565/12, Jurispr., EU:T:2014:608; hierna: „arrest NITC”), heeft het Gerecht het middel aanvaard waarmee wordt aangevoerd dat de Raad blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door verzoeksters naam op voornoemde lijsten op te nemen. Dientengevolge heeft het Gerecht het beroep toegewezen en besluit 2012/635 en verordening nr. 945/2012 nietig verklaard, voor zover die handelingen verzoekster betroffen.
15
Aangaande de gevolgen in de tijd van het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), heeft het Gerecht geoordeeld dat, indien de bestreden handelingen met onmiddellijke ingang nietig zouden worden verklaard, verzoekster al haar tegoeden of een deel ervan buiten de Unie zou kunnen brengen, zonder dat de Raad in voorkomend geval tijdig de vastgestelde onregelmatigheden kan verhelpen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de doeltreffendheid van besluiten tot bevriezing van tegoeden die de Raad in de toekomst eventueel jegens verzoekster zou vaststellen, op ernstige en onomkeerbare wijze wordt aangetast. Volgens het Gerecht kan namelijk niet meteen worden uitgesloten dat verzoeksters naam opnieuw op een lijst wordt geplaatst, aangezien de Raad in het kader van een nieuw onderzoek immers de mogelijkheid heeft om verzoeksters naam opnieuw op een lijst te plaatsen op basis van rechtens genoegzaam gestaafde redenen.
16
Derhalve heeft het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), de gevolgen van besluit 2012/635 en uitvoeringsverordening nr. 945/2012 ten aanzien van verzoekster gehandhaafd tot op de datum waarop de in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde termijn voor het indienen van een verzoek om hogere voorziening verstrijkt of, indien binnen die termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, tot op het moment waarop de hogere voorziening wordt afgewezen.
17
De Raad heeft geen hogere voorziening ingesteld tegen het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608).
18
In plaats daarvan heeft de Raad, nadat hij verzoekster bij brief van 23 oktober 2014 had ingelicht dat hij voornemens was haar naam opnieuw op te nemen op voornoemde lijsten en nadat briefwisseling tussen partijen was gevoerd, op 12 februari 2015 besluit (GBVB) 2015/236 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB L 39, blz. 18) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/230 houdende uitvoering van verordening nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 39, blz. 3) vastgesteld, waarbij verzoeksters naam opnieuw is opgenomen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn (hierna: „bestreden handelingen”).
19
Die nieuwe plaatsing van verzoekster op een lijst is gebaseerd op de volgende motivering, die in beide gevallen identiek is:
„[Verzoekster] verleent financiële steun aan de regering van Iran via haar aandeelhouders het Iranian State Retirement Fund, de Iranian Social Security Organization en het Oil Industry Employees Retirement and Savings Fund, welke entiteiten onder zeggenschap staan van de staat. Voorts is [verzoekster] een van de grootste exploitanten van ruwe-olietankers ter wereld en een van de grootste vervoerders van Iraanse ruwe olie. [Verzoekster] levert aldus logistieke steun aan de regering van Iran via het vervoer van Iraanse olie.”
20
Bij brief van 16 februari 2015 heeft de Raad verzoekster een kopie van de bestreden handelingen gezonden.
Procesverloop en conclusies van partijen
21
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 april 2015, heeft verzoekster beroep ingesteld waarmee zij het Gerecht verzoekt de bestreden handelingen nietig te verklaren, voor zover zij haar betreffen, en, subsidiair, artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413, zoals gewijzigd, en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, niet op haar van toepassing te verklaren bij wege van een exceptie van onwettigheid op grond van artikel 277 VWEU. Ter ondersteuning van haar beroep voert zij in wezen aan dat de Raad, door opnieuw maatregelen ten aanzien van haar vast te stellen op basis van dezelfde verwijten als die welke in het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608) van de hand zijn gewezen, haar het recht op een doeltreffende voorziening in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft ontzegd en daarenboven het gezag van gewijsde en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Voorts heeft de Raad blijk gegeven van kennelijk onjuiste beoordelingen en verzoeksters rechten van verdediging geschonden alsmede haar grondrecht op eigendom.
22
Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, waarmee zij de president van het Gerecht in wezen verzoekt:
—
de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen, voor zover zij haar betreffen, op te schorten tot het Gerecht uitspraak doet op het beroep in de hoofdzaak;
—
de Raad te verwijzen in de kosten.
[omissis]
In rechte
[omissis]
Fumus boni juris
[omissis]
39
In dit verband moet worden benadrukt dat volgens vaste rechtspraak, die door de Raad in herinnering is gebracht, wanneer een door een instelling van de Unie vastgestelde handeling nietig is verklaard wegens vormgebreken of inhoudelijke gebreken, die instelling het recht heeft om – met inachtneming van de betrokken vormvoorschriften en mits zij erover waakt dat de nieuwe handeling niet dezelfde inhoudelijke gebreken vertoont – opnieuw een identieke handeling vast te stellen (zie in die zin arresten van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, Jurispr., EU:T:2008:461, punten 65 en 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 13 december 2012, Griekenland/Commissie, T‑588/10, EU:T:2012:688, punten 476 en 478).
40
Wat voorts meer in het bijzonder de onderhavige zaak betreft, heeft het Gerecht, na in herinnering te hebben gebracht dat de redenen voor de initiële plaatsing van verzoeksters naam op de betrokken lijsten niet met voldoende bewijsmateriaal werden gestaafd, in punt 77 van het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), erop gewezen dat de Raad de mogelijkheid had om verzoeksters naam opnieuw op een lijst te plaatsen op basis van rechtens genoegzaam gestaafde redenen.
41
Volgens de Raad betekent dit in wezen dat hij zich in casu mocht baseren op documenten die dateerden van vóór de initiële plaatsing van verzoekster op een lijst, ook al had hij die documenten ter rechtvaardiging van de initiële plaatsing op een lijst niet voorgelegd, en dat hij die „oude” documenten mocht gebruiken ter staving van nieuwe redenen voor plaatsing op een lijst, zoals de aan de Iraanse regering verleende „logistieke steun”, temeer daar hij juist op die manier had gehandeld om te voldoen aan de kritieken die waren geformuleerd in het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), en hij nieuwe bewijzen aanbracht waaruit bleek dat verzoekster inderdaad „logistieke steun” aan die regering verleende.
42
Verzoekster is daarentegen van mening dat de Raad, zonder haar grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte te schenden, in de onderhavige zaak geen redenen voor de plaatsing op een lijst mocht aanvoeren die hij bij de initiële plaatsing van verzoekster op een lijst in oktober 2012 reeds had kunnen aanvoeren en hij evenmin bewijzen mocht aanbrengen die op de datum van die plaatsing op een lijst reeds in zijn bezit waren, temeer daar volgens verzoekster de feitelijke beweringen die aan de bestreden handelingen ten grondslag liggen in wezen overeenkomen met die welke ten grondslag lagen aan haar initiële plaatsing op een lijst en welke in het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), van de hand zijn gewezen.
43
De kortgedingrechter is van oordeel dat de tussen partijen gevoerde discussie een belangrijk juridisch twistpunt aan het licht brengt over de strekking van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, waarin het recht op een effectief rechtsmiddel, dat wil zeggen een recht op een doeltreffende voorziening in rechte „zowel in de praktijk als in rechte” (arrest EHRM, Ramadhi e.a./Albanië, § 48, 13 november 2007), zijn neergelegd. Nagegaan moet worden of de Raad, gelet op dat recht op een effectief rechtsmiddel, zich kan beroepen op de in de punten 39 en 40 hierboven aangehaalde rechtspraak om de vastgestelde onrechtmatigheden te verhelpen die tot de nietigverklaring van een beperkende maatregel hebben geleid, door een nieuwe maatregel vast te stellen die dezelfde praktische uitwerking heeft als de vorige en dit in een feitelijke context die in wezen niet is veranderd.
44
Die vraag ligt met name gevoelig omdat de beperkende maatregelen die de Raad in de vorm van een verordening heeft vastgesteld, het beschermend effect genieten dat wordt verleend door artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, zodat de nietigverklaring van een dergelijke verordening eerst in werking treedt na afloop van de termijn voor het instellen van een hogere voorziening of, indien binnen die termijn een verzoek tot hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek door het Hof is verworpen (zie punten 55‑57 hieronder). Indien de Raad werkelijk op de in punt 43 hierboven beschreven wijze kon handelen, zou hij dus – ondanks het feit dat elk van de door hem achtereenvolgens vastgestelde verordeningen tot vaststelling van beperkende maatregelen ten aanzien van eenzelfde onderneming nietig zijn verklaard omdat de aangevoerde redenen voor plaatsing op een lijst onrechtmatig waren of de bewijzen niet toereikend waren – door systematisch hogere voorziening in te stellen, een ononderbroken reeks van dergelijke maatregelen in stand kunnen houden, zelfs indien de feitelijke context die aan die maatregelen en die nietigverklaringen ten grondslag ligt, in wezen niet is gewijzigd.
45
De vraag rijst dan ook of de eerbiediging van het grondrecht op een effectief rechtsmiddel niet vereist dat in de opeenvolging van gerechtelijke procedures die tegen eenzelfde onderneming kunnen worden ingesteld een mechanisme van verval van recht wordt ingevoerd. De Raad moet dan in zijn eerste dossier inzake beperkende maatregelen alle redenen voor plaatsing op een lijst en alle bezwarende bewijzen aanvoeren waarover hij op de datum van samenstelling van het dossier gemakkelijk kan beschikken, en, indien het Gerecht die redenen en die bewijzen van de hand wijst, mag hij zich daar niet op beroepen om een nieuwe plaatsing van die onderneming op een lijst te rechtvaardigen. Daaruit volgt dat een dergelijke nieuwe plaatsing op een lijst alleen kan worden overwogen in geval van nieuwe en relevante feiten of bewijzen en de Raad zich bij latere nieuwe plaatsingen op een lijst niet mag beroepen op gegevens die hij weliswaar nog niet had aangevoerd, doch op het tijdstip van de eerste plaatsing op een lijst had kunnen aanvoeren.
46
Het onderhavige geval lijkt de noodzaak te illustreren om in een dergelijk mechanisme van verval van recht te voorzien: de economische activiteit van verzoekster, te weten het vervoer van Iraanse olie, is tussen oktober 2012, datum van haar initiële plaatsing op een lijst, en de datum van de in casu bestreden handelingen, niet gewijzigd. Het gaat derhalve duidelijk om logistieke dienstverlening aan klanten die opdracht tot dat vervoer hebben gegeven. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat de Raad de initiële plaatsing op een lijst niet reeds had kunnen baseren op de reden betreffende „logistieke steun”. Dat geldt ook voor de samenstelling van verzoeksters aandeelhouderschap, die tussen 2012 en 2015 niet lijkt te zijn gewijzigd. De Raad, die in de loop van de procedure die aanleiding heeft gegeven tot het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608, punt 51), de exacte structuur daarvan had uiteengezet, heeft niet aangevoerd dat de reden betreffende „financiële steun” die op dat aandeelhouderschap was gebaseerd, niet kon worden aangevoerd bij de initiële plaatsing van verzoekster op een lijst in oktober 2012. Als bewijzen ter staving van de bestreden handelingen, heeft de Raad in zijn opmerkingen (voetnoot 28) slechts vijf documenten vermeld. Vier van die documenten dateren echter van vóór oktober 2012, terwijl het enige document dat van na die datum dateert (februari 2014) geen relevante nieuwe elementen aan het licht lijkt te brengen, aangezien daarin verzoeksters rol als vervoerder van Iraanse olie en het belang van die rol voor de Iraanse economie worden uiteengezet, wat door niemand is betwist.
47
Hieraan zij toegevoegd dat het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), waarbij verzoeksters initiële plaatsing op een lijst nietig is verklaard, gezag van gewijsde heeft. Het gezag van gewijsde geldt echter alleen voor de punten, feitelijk en rechtens, die in de betrokken rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht en kan slechts worden ingeroepen indien in het beroep dat tot het betrokken arrest heeft geleid, dezelfde partijen tegenover elkaar stonden, het beroep hetzelfde voorwerp had en op dezelfde middelen berustte (zie in die zin arrest van 25 februari 2015, Walton/Commissie, T‑261/14 P, JurAmbt., EU:T:2015:110, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoekster kan zich bijgevolg met betrekking tot de bestreden handelingen niet beroepen op het gezag van gewijsde van het arrest NITC in de strikte zin, aangezien die handelingen betrekking hebben op een ander tijdvak van economische activiteit van verzoekster dan dat waarop de bij dat arrest nietig verklaarde handelingen betrekking hadden. Evenwel kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat die activiteit van verzoekster, te weten het vervoer van Iraanse olie, in wezen ongewijzigd is gebleven, en dat het verschil in tijdvakken waarop de maatregelen betrekking hebben, het gevolg is van de nieuwe plaatsing van verzoekster op een lijst, waarbij de Raad is uitgegaan van een feitelijke grondslag die in wezen evenmin is gewijzigd. Bijgevolg kan worden aangenomen dat in de onderhavige zaak de toepassing van het begrip „gezag van gewijsde” alleen is uitgesloten omdat de Raad de aan verzoekster opgelegde beperkende maatregelen kunstmatig verlengt door vandaag elementen aan te voeren die bij de initiële plaatsing van verzoekster op een lijst hadden kunnen worden aangevoerd. Een dergelijke handelwijze, als zij al niet als strijdig met het begrip „gezag van gewijsde” wordt beschouwd, zou hoe dan ook ertoe kunnen leiden dat verzoeksters recht op een effectief rechtsmiddel wordt geschonden.
48
Vanuit het oogpunt van het recht op een effectief rechtsmiddel kan het dus noodzakelijk zijn de in de punten 39 en 40 hierboven aangehaalde rechtspraak strikt uit te leggen, in de in punt 45 hierboven aangegeven zin.
49
Tegen een dergelijke strikte uitlegging kan evenwel worden ingebracht dat de omvang van het recht op een effectief rechtsmiddel, waarover een onderneming die het slachtoffer van beperkende maatregelen is, beschikt, niet zonder geldige reden mag worden beperkt tot het instellen van een beroep tot nietigverklaring, tezamen met een verzoek om opschorting van de uitvoering, ook al kan die onderneming de onrechtmatigheid van de opgelegde maatregelen aanvoeren in het kader van een beroep tot schadevergoeding strekkende tot het herstel door de Raad van de wegens die onrechtmatigheid geleden schade. In een andere context – die van het aanbestedingsrecht – heeft de Unierechter geoordeeld dat moest worden aangenomen dat het recht van de afgewezen inschrijver op een effectief rechtsmiddel was geëerbiedigd, zelfs al had hij zich niet tegen het verlies van de betrokken opdracht kunnen verzetten door het instellen van een beroep tot nietigverklaring, tezamen met een verzoek om opschorting van de uitvoering, aangezien hij schadevergoeding kon verkrijgen door een schadevordering in te stellen [zie in die zin beschikking van 23 april 2015, Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, C‑35/15 P(R), Jurispr., EU:C:2015:275, punten 34, 35 en 38]. De kortgedingrechter is van oordeel dat het aan de rechter ten gronde zal staan om, in voorkomend geval, na te gaan of er dwingende redenen zijn die zich ertegen verzetten dat die rechtspraak tevens wordt toegepast op geschillen inzake beperkende maatregelen.
50
Gelet op een en ander dient de conclusie te luiden dat er een belangrijk juridisch twistpunt bestaat waarvan de oplossing niet voor de hand ligt en dus een grondig onderzoek verdient dat tijdens de procedure ten gronde dient te worden uitgevoerd, zodat het beroep niet op het eerste gezicht een redelijke grond mist (zie in die zin beschikking Commissie/Pilkington Group, EU:C:2013:558, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Belangenafweging
[omissis]
52
Wat geschillen inzake beperkende maatregelen betreft, is herhaaldelijk geoordeeld dat een opschorting van de tenuitvoerlegging van beperkende maatregelen zou kunnen beletten dat deze nog volle werking krijgen wanneer het hoofdberoep wordt verworpen en er dus toe zou kunnen leiden dat de situatie onomkeerbaar is. Een dergelijke opschorting zou de entiteit waarop die maatregelen van toepassing zijn, namelijk de gelegenheid bieden onmiddellijk haar tegoeden weg te halen bij de banken die deze moesten bevriezen en haar bankrekeningen leeg te maken vóór de uitspraak ten gronde. Op die manier zou zij het doel van de beperkende maatregelen tegen haar – de Islamitische Republiek Iran onder druk zetten om haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten stop te zetten – kunnen omzeilen, terwijl de bij de rechter in kort geding gevorderde voorlopige maatregelen niet op voorhand de gevolgen moeten neutraliseren van de beslissing die later in de procedure ten gronde moet worden gegeven [zie in die zin beschikkingen van 14 juni 2012, Qualitest FZE/Raad, C‑644/11 P(R), EU:C:2012:354, punten 73‑77, en Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad, EU:T:2013:118, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de Raad, doordat hij geen hogere voorziening tegen het arrest NITC, punt 14 supra (EU:T:2014:608), heeft ingesteld, verzoekster in staat heeft gesteld ten volle voordeel te trekken uit de gevolgen van de nietigverklaring bij dat arrest van de beperkende maatregelen die haar op 15 oktober 2012 waren opgelegd (zie punten 9 en 10 hierboven) doordat zij tussen midden september 2014 en midden februari 2015 vrij kon beschikken over haar tegoeden naar aanleiding van de ontdooiing van haar bankrekeningen. Gelet op die feitelijke situatie kan de Raad dus moeilijk aanvoeren dat er een gevaar bestaat dat het doel van de vastgestelde beperkende maatregelen wordt omzeild.
54
Die redenering geldt evenwel enkel voor de oude beperkende maatregelen die de Raad op 15 oktober 2012 had vastgesteld. Wat daarentegen de nieuwe beperkende maatregelen betreft die bij de bestreden handelingen aan verzoekster zijn opgelegd, kan niet meteen worden uitgesloten dat de rechter ten gronde weigert de in punt 48 hierboven uiteengezette strikte uitlegging te volgen en het door verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring verwerpt. In die omstandigheden moet opnieuw het doel van die maatregelen in aanmerking worden genomen en moet worden voorkomen dat verzoekster onmiddellijk de tegoeden zou kunnen weghalen die zij eventueel op haar bankrekeningen heeft bijeengebracht tijdens de vijf maanden waarin er geen beperkende maatregelen golden.
55
Hoe dan ook lijken verordeningen tot vaststelling van beperkende maatregelen, zoals verordening nr. 2015/230 (zie punt 18 hierboven), volgens vaste rechtspraak zowel op handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name tegoeden ter beschikking te stellen van personen en entiteiten wier namen in de bijlagen daarbij voorkomen, als op een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, Jurispr., EU:C:2008:461, punten 241‑243; van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C‑548/09 P, Jurispr., EU:C:2011:735, punt 45, en van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, Jurispr., EU:C:2013:258, punt 56). Dat verbod om tegoeden ter beschikking te stellen is namelijk gericht tot alle personen die de betrokken tegoeden in materiële zin in bezit kunnen hebben (zie in die zin arrest van 22 januari 2015, Bank Tejarat/Raad, T‑176/12, EU:T:2015:43, punt 68). Dat de betrokken handeling individueel moet worden meegedeeld aan degenen wier tegoeden zijn bevroren, doet niet af aan de algemene toepasselijkheid van die handeling op eenieder die dergelijke tegoeden bezit (zie conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaken Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, Jurispr., EU:C:2015:130, en Raad/Bank Saderat Iran, C‑200/13 P, Jurispr., EU:C:2015:134, punt 177).
56
Zoals in punt 44 hierboven reeds is uiteengezet, bepaalt artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof met betrekking tot de gevolgen in de tijd van de nietigverklaring van een verordening tot vaststelling van beperkende maatregelen, dat de beslissingen van het Gerecht waarbij een dergelijke handeling nietig is verklaard, eerst in werking treden na afloop van de termijn voor het instellen van een hogere voorziening of, indien binnen die termijn een verzoek tot hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek door het Hof is verworpen. Een dergelijke handhaving van de geldigheid van dergelijke maatregelen, die wordt gerechtvaardigd door de noodzaak, de Raad de kans te geven de vastgestelde onrechtmatigheid te verhelpen door nieuwe maatregelen vast te stellen, is stelselmatig tot besluiten houdende vaststelling van beperkende maatregelen uitgebreid, op grond van artikel 264, tweede alinea, VWEU, dat het Gerecht de mogelijkheid biedt te bepalen welke gevolgen van de nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd. Die grond is ontleend aan het argument dat het bestaan van een verschil tussen de datum waarop de nietigverklaring van een verordening tot vaststelling van een bepaalde beperkende maatregel en die waarop een besluit tot vaststelling van een soortgelijke maatregel effect sorteert, tot een ernstige aantasting van de rechtszekerheid kan leiden (zie in die zin beschikking Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad, punt 51 supra, EU:T:2013:118, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Mocht het Gerecht aan het einde van de hoofdprocedure verordening nr. 2015/230 nietig verklaren met de in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof bedoelde schorsende werking, zou het dus eveneens besluit 2015/236 (zie punt 18 hierboven) nietig verklaren. Daarbij gaat die nietigverklaring naar alle waarschijnlijkheid overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU, op hetzelfde tijdstip in als die van verordening nr. 2015/230. Zelfs indien de gevolgen in de tijd van een nietigverklaring van besluit 2015/236 niet waren afgestemd op die van een nietigverklaring van verordening nr. 2015/230, is het hoe dan ook essentieel dat de krachtens die verordening ten aanzien van verzoekster vastgestelde beperkende maatregelen overeenkomstig artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof behouden blijven na de datum waarop het arrest tot nietigverklaring is uitgesproken, zodat verzoeksters naam in geen geval op grond van dat arrest onmiddellijk van de lijst zou worden geschrapt.
58
Het is vaste rechtspraak dat de procedure in kort geding louter accessoir is aan de hoofdprocedure waarop zij is geënt, en slechts tot doel heeft de volle werking van de toekomstige beslissing ten gronde te waarborgen (zie beschikkingen van 16 november 2012, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑345/12 R, Jurispr., EU:T:2012:605, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 16 juni 2015, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15 R, EU:T:2015:389, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en dat krachtens artikel 158, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering elke door de rechter in kort geding gegeven voorlopige maatregel automatisch zijn kracht verliest terstond nadat het eindarrest is uitgesproken. Het belang van verzoekster bij tijdelijke ontdooiing van haar tegoeden is dus gericht op een voordeel dat zij zelfs niet met een arrest houdende nietigverklaring zou kunnen krijgen. Een dergelijk arrest zou immers de door verzoekster gewenste praktische gevolgen – te weten schrapping van haar naam van de lijst met entiteiten waarvan de tegoeden zijn bevroren – pas doen intreden op een latere datum dan die van de uitspraak van dat arrest, terwijl op die datum de kortgedingrechter in eerste aanleg niet langer ratione temporis bevoegd is en verzoeksters naam in elk geval op die lijst zou kunnen worden gehandhaafd op grond van een nieuwe beperkende maatregel die, binnen de in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof gestelde termijn, de nietig verklaarde maatregelen zou hebben vervangen. In die omstandigheden kan verzoeksters belang om in kort geding de tijdelijke ontdooiing van haar tegoeden te verkrijgen niet worden beschermd door de rechter in kort geding (zie in die zin beschikking Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad, punt 51 supra, EU:T:2013:118, punt 40).
59
De afweging van de verschillende belangen in de onderhavige zaak valt dus niet in het voordeel van verzoekster uit.
Spoedeisendheid
[omissis]
63
In de onderhavige zaak moet meteen worden vastgesteld dat blijkens de door verzoekster in haar memorie van 4 juni 2015 verstrekte toelichtingen de gestelde schade van financiële aard is. Hoewel verzoekster in die memorie cijfers betreffende haar economische activiteit heeft verstrekt, heeft zij evenwel niet het minste schriftelijke bewijs geleverd om die cijfers te staven.
[omissis]
66
Wat de vraag betreft of die schade onherstelbaar is, volgt uit vaste rechtspraak dat financiële schade, behoudens uitzonderlijke gevallen, niet als onherstelbaar of moeilijk herstelbaar kan worden aangemerkt, aangezien er later in het algemeen een geldelijke vergoeding voor kan worden geboden. In een dergelijk geval is de gevraagde voorlopige maatregel slechts gerechtvaardigd wanneer blijkt dat de partij die erom verzoekt zich anders in een situatie zou bevinden die haar financiële voortbestaan in gevaar kan brengen voordat de eindbeslissing in de hoofdprocedure wordt gegeven of wanneer haar marktaandelen op onherstelbare en belangrijke wijze worden gewijzigd, gelet op met name de omvang van haar onderneming (zie in die zin beschikking Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad, punt 51 supra, EU:T:2013:118, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
Wat de onderhavige zaak betreft, is hierboven reeds vastgesteld dat verzoekster naar aanleiding van de ten aanzien van haar vastgestelde beperkende maatregelen al haar marktaandelen in de scheepvaartsector in de Unie was kwijtgeraakt. Dat verlies is evenwel precies een van de doelstellingen die met die maatregelen worden nagestreefd en toont juist aan dat zij doeltreffend zijn. In dat opzicht kan een dergelijk verlies in het kader van geschillen inzake beperkende maatregelen dus slechts van belang zijn, indien het onherstelbaar is. Verzoekster heeft daar evenwel niets over gezegd. Zij heeft met name niet aangetoond dat er structurele of juridische belemmeringen zijn waardoor het voor haar onmogelijk zou zijn om een aanzienlijk aandeel van die verloren marktaandelen terug te winnen. De schade die zij op die grond stelt te hebben geleden, kan dus niet als onherstelbaar worden beschouwd [zie in die zin beschikking van 24 maart 2009, Cheminova e.a./Commissie, C‑60/08 P(R), EU:C:2009:181, punt 64].
68
Daaraan moet worden toegevoegd dat verzoekster niet aanvoert dat haar financiële voortbestaan in gevaar is gebracht. Integendeel, zij stelt in haar memorie van 4 juni 2015 dat zij momenteel commerciële activiteiten ontplooit, te weten het vervoer van Iraanse olie naar China, Indië, Zuid-Korea, Taiwan en Turkije, dat haar totale omzet in 2013 ongeveer 895 miljoen USD bedroeg en dat die omzet, naar eigen schatting, voor het lopende jaar gelijkaardig zal zijn.
69
Verzoekster voert voorts aan dat het voor haar moeilijk is om op voorhand de schade te bewijzen die rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden handelingen, gelet op de technische moeilijkheden om een onderscheid te maken tussen de schade die door de oude handelingen of door ruimere internationale sanctieregelingen is veroorzaakt en die welke door de bestreden handelingen is veroorzaakt. Volgens verzoekster vereist dit gedetailleerde technische deskundigenonderzoeken, die niet op voorhand op basis van voorspellingen kunnen worden verstrekt. Van haar verlangen dat zij die bewijzen in dit stadium levert, zou een onoverkomelijke hindernis kunnen vormen voor het verkrijgen van voorlopige maatregelen. De schade die verzoekster wegens de bestreden maatregelen heeft geleden is dus minstens gedeeltelijk onherstelbaar, aangezien zij niet op passende wijze kan worden becijferd. Een beroep tot schadevergoeding zou verzoekster dus geen doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten bieden.
70
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak financiële schade als onherstelbaar kan worden beschouwd indien deze schade, zelfs wanneer zij zich voordoet, niet kan worden becijferd [beschikkingen Commissie/Pilkington Group, punt 30 supra, EU:C:2013:558, punt 52, en EDF/Commissie, C-551/12 P(R), EU:C:2013:157, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
71
De onzekerheid over de vergoeding van een financiële schade in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding is op zichzelf niet te beschouwen als een omstandigheid waardoor deze schade onherstelbaar wordt. In de fase van het kort geding is het immers per definitie onzeker of achteraf vergoeding van geldelijke schade zal kunnen worden verkregen in het kader van een eventueel beroep tot schadevergoeding, dat kan worden ingesteld na een eventuele nietigverklaring van de bestreden handelingen. De procedure in kort geding heeft echter niet tot doel een dergelijk beroep tot schadevergoeding te vervangen om deze onzekerheid weg te nemen. Het enige doel ervan is de volle werking te garanderen van de toekomstige definitieve uitspraak in de procedure ten gronde waarop de kortgedingprocedure betrekking heeft en waarin in casu een beroep tot nietigverklaring is ingesteld [zie in die zin beschikkingen Commissie/Pilkington Group, punt 30 supra, EU:C:2013:558, punt 53, en van 14 december 2011, Alcoa Trasformazioni/Commissie, C‑446/10 P(R), EU:C:2011:829, punten 55‑57].
72
De situatie is daarentegen anders wanneer reeds bij de beoordeling door de rechter in kort geding duidelijk blijkt dat de aangevoerde schade, gelet op de aard ervan en op de wijze waarop zij zich naar verwachting zal voordoen, niet op passende wijze zal kunnen worden vastgesteld en becijferd indien zij optreedt, en dat zij dus in de praktijk niet via een beroep tot schadevergoeding zal kunnen worden hersteld (beschikking Commissie/Pilkington Group, punt 30 supra, EU:C:2013:558, punt 54).
73
In de onderhavige zaak blijkt niet dat verzoekster, indien de bestreden handelingen worden nietig verklaard, geen geldelijke vergoeding kan verkrijgen van de financiële schade die zij wegens die handelingen heeft geleden, door overeenkomstig de artikelen 268 VWEU en 340 VWEU een beroep tot schadevergoeding tegen de Raad in te stellen, aangezien de loutere omstandigheid dat een dergelijk beroep kan worden ingesteld volstaat om aan te tonen dat de betrokken financiële schade in beginsel herstelbaar is [zie in die zin beschikking van 14 december 2001, Commissie/Euroalliages e.a., C‑404/01 P(R), Jurispr., EU:C:2001:710, punten 70‑75].
74
Het is de rechter in kort geding namelijk niet duidelijk waarom verzoekster de financiële schade die zij wegens de bestreden handelingen heeft geleden, niet naar behoren kan becijferen door de inkomsten te becijferen die zij heeft gehaald uit de economische activiteiten die zij gedurende een referentiejaar in de Unie heeft uitgeoefend, voordat de eerste beperkende maatregelen aan haar werden opgelegd, en die inkomsten te vergelijken met de inkomsten die zij na de vaststelling van de bestreden handelingen heeft verkregen, met dien verstande dat, in het geval dat die inkomsten reeds tot nul waren herleid in de jaren voorafgaand aan de vaststelling van die handelingen, de op grond van die handelingen veroorzaakte schade bestaat in de handhaving van die situatie en dus kan worden becijferd aan de hand van een gemiddelde jaarlijkse referentiewaarde.
75
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat verzoekster in haar memorie van 4 juni 2015 zelf dergelijke cijfers heeft verstrekt. Zo heeft zij de bruto inkomsten opgegeven die zij uit haar activiteiten in de Unie heeft gehaald, te weten haar handelsbetrekkingen met de grootste oliemaatschappijen van de Unie en met handelaars van de Unie, voor de jaren 2009 tot en met 2013. Daaruit blijkt dat die inkomsten in voortdurende daling waren, van 500 miljoen USD (2009) naar 160 miljoen USD (2010), 100 miljoen USD (2011), 40 miljoen USD (2012) en 0 USD (2013).
76
Overigens zou het Gerecht in een latere schadevergoedingszaak bevoegd zijn bij wege van abstracte schatting de door de bestreden handelingen aan verzoekster berokkende schade te berekenen op basis van de waarschijnlijke ontwikkeling, volgens de gangbare loop der dingen, van haar marktaandeel en winst indien de aan de Raad verweten onrechtmatigheden niet waren begaan (zie in die zin beschikking van 5 juni 2013, Rubinum/Commissie, T‑201/13 R, EU:T:2013:296, punt 50). Bij een dergelijke kwantificatie van de schade kan het Gerecht de feiten soeverein waarderen en beschikt het over een beoordelingsmarge bij de keuze van de methode om de omvang van een schadevergoeding vast te stellen (zie in die zin arrest van 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, Jurispr., EU:C:2008:107, punten 72, 74 en 76). In casu zou het Gerecht zelfs genoegen kunnen nemen met schattingen op basis van gemiddelde statistische waarden, mits verzoekster de gegevens waarop deze schattingen zijn gebaseerd, kan bewijzen (zie in die zin arrest van 28 april 2010, BST/Commissie, T‑452/05, Jurispr., EU:T:2010:167, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
In elk geval lijkt op grond van een rechtspraak van de president van het Hof te kunnen worden vastgesteld dat een onderneming die het slachtoffer is van beperkende maatregelen, niet op goede gronden kan stellen dat zij onherstelbare financiële schade lijdt, aangezien zij zich kan beroepen op de specifieke bepalingen van de regeling van de Unie houdende bevriezing van tegoeden of economische middelen die de bevoegde nationale autoriteiten de mogelijkheid bieden om bij wijze van afwijking toe te staan dat bepaalde bevroren tegoeden worden vrijgegeven. Die bepalingen maken het mogelijk noodzakelijke uitgaven en behoeften te dekken of contractuele verbintenissen die zijn aangegaan vóór de inwerkingtreding van die bevriezing na te komen [beschikking van 11 maart 2013, North Drilling/Raad, T‑552/12 R, EU:T:2013:120, punt 21; zie tevens in die zin beschikkingen Qualitest FZE/Raad, punt 52 supra, EU:C:2012:354, punten 41, 42 en 44, en van 25 oktober 2012, Hassan/Raad, C‑168/12 P(R), EU:C:2012:674, punt 39].
78
Die afwijkingsbepalingen verzekeren namelijk dat er een evenwicht bestaat tussen enerzijds de met de beperkende maatregelen nagestreefde doelstelling, te weten het risico van nucleaire proliferatie te herleiden, en anderzijds de noodzaak om het voortbestaan van de op een lijst geplaatste onderneming te waarborgen. Bijgevolg hangt de beslissing die inzake een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van beperkende maatregelen moet worden gegeven, af van de toepassing in het concrete geval van die afwijkende procedures inzake toestemming voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden (zie in die zin beschikking Qualitest FZE/Raad, punt 52 supra, EU:C:2012:354, punten 45 en 66).
79
In de onderhavige zaak wordt in artikel 20, leden 3 tot en met 4 bis, 6 en 7, van besluit 2010/413, zoals gewijzigd, en in de artikelen 24 tot en met 28 ter van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, voorzien in een aantal afwijkingen op grond waarvan tegoeden van verzoekster in specifieke omstandigheden kunnen worden vrijgegeven. Verzoekster heeft echter enkel betwist dat die afwijkingsmogelijkheden relevant waren voor de onderhavige zaak, doch zich niet uitgesproken over voornoemde rechtspraak van de president van het Hof. Zij heeft meer bepaald niet aangegeven of zij bij de bevoegde nationale autoriteiten een verzoek had ingediend om de bevroren tegoeden te mogen gebruiken, dan wel met moeilijkheden of weigeringen is geconfronteerd waardoor zij daartoe geen toestemming van die autoriteiten heeft kunnen krijgen.
80
Bijgevolg is niet aan de voorwaarde van spoedeisendheid voldaan.
81
Gelet op het voorgaande moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 16 juli 2015.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Jaeger
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van deze beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy