BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
15 juni 2015 ( *1 )
„Kort geding — Overheidsopdrachten voor werken — Aanbestedingsprocedure — Bouw van een energiecentrale — Afwijzing van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver — Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging — Geen spoedeisendheid”
In zaak T‑259/15 R,
SA Close, gevestigd te Harzé-Aywaille (België),
Cegelec, gevestigd te Brussel (België),
vertegenwoordigd door J.‑M. Rikkers en J.‑L. Teheux, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Rantala, M. Mraz en F. Poilvache als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van 19 maart 2015 waarbij het Parlement de offerte van verzoeksters in het kader van aanbesteding INLO-D-UPIL-T‑14‑A04 inzake de overheidsopdracht voor werken betreffende perceel nr. 73 (energiecentrale) van het „project voor het uitbreiden en moderniseren van het gebouw Konrad Adenauer in Luxemburg” heeft afgewezen, en van het besluit van dezelfde dag waarbij de betrokken opdracht is gegund aan een andere inschrijver,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
1
In het kader van aanbesteding INLO-D-UPIL-T‑14‑A04, uitgeschreven door het Europees Parlement in juli 2014 voor de overheidsopdracht „project voor het uitbreiden en moderniseren van het gebouw Konrad Adenauer in Luxemburg”, hebben verzoeksters, SA Close en Cegelec, een tijdelijke vennootschap gevormd en in die hoedanigheid een offerte ingediend voor perceel nr. 73 (energiecentrale).
2
Bij brief van 27 maart 2015, die verzoeksters op dezelfde dag hebben ontvangen, heeft het Parlement hun meegedeeld dat hun offerte niet was geselecteerd, aangezien zij niet de laagste prijs hadden voorgesteld. Op 19 maart 2015 was deze offerte afgewezen en was de betrokken opdracht aan een andere inschrijver gegund.
[omissis]
Procedure en conclusies van partijen
9
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 mei 2015, hebben verzoeksters een beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 19 maart 2015 waarbij hun offerte is afgewezen, en van het besluit van dezelfde dag waarbij de betrokken opdracht is gegund aan de tijdelijke vennootschap Énergie KAD, die werd gevormd door de vennootschappen X en Y (hierna: „bestreden besluiten”).
10
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, hebben verzoeksters het onderhavige verzoek in kort geding ingediend, waarmee zij de president van het Gerecht in wezen verzoeken de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten op te schorten.
11
In haar opmerkingen over het verzoek in kort geding, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 juni 2015, heeft het Parlement de president van het Gerecht in wezen verzocht:
—
het verzoek in kort geding af te wijzen;
—
overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering te beslissen ten aanzien van de proceskosten in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.
In rechte
[omissis]
Spoedeisendheid
[omissis]
35
Uit al het bovenstaande volgt dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarde inzake spoedeisendheid.
36
De president van het Gerecht heeft evenwel recentelijk op het gebied van overheidsopdrachten geoordeeld dat het om de hierboven uiteengezette systemische redenen in de regel bijzonder moeilijk is voor de niet-gekozen inschrijver om het vereiste bewijs van onherstelbare schade te leveren [zie in die zin beschikking van 4 december 2014, Vanbreda Risk & Benefits/Commissie, T‑199/14 R, Jurispr. (uittreksels), EU:T:2014:1024, punt 157]. De vicepresident van het Hof heeft hieruit afgeleid dat van de niet-gekozen inschrijver niet kan worden verlangd dat hij aantoont dat afwijzing van zijn verzoek in kort geding dreigt hem onherstelbare schade te berokkenen, mits hij erin slaagt een bijzonder ernstige fumus boni juris aan te tonen, omdat anders op buitensporige en ongerechtvaardigde wijze afbreuk zou worden gedaan aan de daadwerkelijke rechtsbescherming die hij geniet krachtens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punt 41).
37
Deze versoepeling van de voorwaarden die gelden bij de beoordeling van de spoedeisendheid, die is gerechtvaardigd door het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming, kan evenwel niet eindeloos ver gaan, aangezien de belangen van de niet-gekozen inschrijver dienen te worden verzoend met de belangen van de aanbestedende dienst en die van de geselecteerde onderneming. De betrokken versoepeling geldt dus slechts tijdens de precontractuele fase, voor zover de in artikel 171, lid 1, van verordening (EU) nr. 1268/2012 vastgestelde opschortende termijn – die, naargelang van de omstandigheden, tien of veertien kalenderdagen bedraagt – in acht is genomen. Aangezien de aanbestedende dienst de overeenkomst met de opdrachtnemer heeft gesloten nadat die termijn was verstreken en voordat het verzoek in kort geding werd ingediend, is bovengenoemde versoepeling niet meer gerechtvaardigd (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punten 34 en 42).
38
Wanneer bovengenoemde opschortende termijn – die de aanbestedende dienst belet om vóór het verstrijken ervan tot de contractuele fase over te gaan en die ertoe strekt de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen de gunning van een overheidsopdracht in rechte te betwisten voordat de overeenkomst wordt gesloten – daadwerkelijk is verstreken vóór de sluiting van de overeenkomst, kan het feit dat de niet-gekozen inschrijver nog enkel schadevergoeding kan vorderen voor de Unierechter immers niet als een schending van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming worden aangemerkt (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punten 36, 37 en 39).
39
Wat de toepassing van deze beginselen op het onderhavige geval betreft, blijkt uit de stukken ten eerste dat de betrokken opdracht op 19 maart 2015 is gegund aan de tijdelijke vennootschap Énergie KAD, die bestaat uit de vennootschappen X en Y, en dat verzoeksters op 27 maart 2015 zijn ingelicht over de afwijzing van hun offerte, en ten tweede dat de tussen deze tijdelijke vennootschap en de vastgoedonderneming bâtiment Konrad Adenauer van het Parlement gesloten overeenkomst inzake de uitvoering van werken met betrekking tot perceel nr. 73 (energiecentrale), met als referentienummer INLO‑D‑UPIL-T‑14‑A04, is ondertekend op 24 april 2015.
40
De opschortende termijn die van toepassing is krachtens artikel 171, lid 1, is dus in casu hoe dan ook in acht genomen, ongeacht of hij tien dan wel veertien kalenderdagen bedraagt, aangezien het afwijzende besluit op 27 maart 2015 ter kennis is gebracht van verzoeksters en de betrokken overeenkomst is gesloten op 24 april 2015. Voorts hebben verzoeksters hun beroep tot nietigverklaring en het onderhavige verzoek in kort geding ingediend op 26 mei 2015, dat wil zeggen één maand na de sluiting van die overeenkomst. In die omstandigheden is het in beginsel niet gerechtvaardigd om de voorwaarde inzake de spoedeisendheid te versoepelen.
41
Evenwel moet worden opgemerkt dat de opschortende termijn de belanghebbenden slechts in staat kan stellen zich vóór de sluiting van de overeenkomst in rechte te verzetten tegen de gunning van de opdracht, indien zij over voldoende gegevens beschikken om te bepalen of het gunningsbesluit onrechtmatig is (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punt 47).
42
De opschortende termijn kan niet worden geacht in acht te zijn genomen in een situatie waarin de afgewezen inschrijver niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om vóór de sluiting van de overeenkomst een beroep en, gelijktijdig daarmee, een verzoek in kort geding in te dienen, doordat hij gedurende deze termijn niet kon beschikken over voldoende gegevens om dergelijke vorderingen in te stellen, omdat in dat geval het principiële recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou worden geschonden (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punt 48).
43
Gelet op de uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereisten moet deze uitzondering op de louter mechanische toepassing van de opschortende termijn evenwel worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen waarin de afgewezen inschrijver vóór de sluiting van de overeenkomst met de geselecteerde onderneming geen enkele reden had om aan te nemen dat het besluit tot gunning van de opdracht onrechtmatig was (zie in die zin beschikking Commissie/Vanbreda Risk & Benefits, punt 31 supra, EU:C:2015:275, punt 49).
44
Bijgevolg dient te worden onderzocht of verzoeksters over voldoende informatie beschikten om nuttig gebruik te kunnen maken van de opschortende termijn teneinde een beroep tot nietigverklaring van de bestreden besluiten in stellen en een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging ervan in te dienen vóór de sluiting van de overeenkomst tussen het Parlement en de tijdelijke vennootschap Énergie KAD op 24 april 2015.
45
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoeksters het Parlement reeds op 3 april 2015, dat wil zeggen geruime tijd vóór de sluiting van deze overeenkomst, hebben ingelicht over de twijfels die zij koesterden omtrent de regelmatigheid van de door de aanbestedende dienst geselecteerde offerte (zie punt 3 hierboven), en in dat verband hebben aangevoerd dat een van de Luxemburgse vennootschappen die samen de tijdelijke vennootschap Énergie KAD vormden, niet voldeed aan de geldende Luxemburgse wettelijke regeling en evenmin aan de criteria van het bestek inzake het financiële en economische vermogen van de inschrijvers. Zoals blijkt uit de stukken, worden diezelfde twijfels in wezen herhaald in het tweede middel tot nietigverklaring dat in het verzoek in kort geding op grond van de fumus boni juris is aangevoerd.
46
Hieruit volgt dat verzoeksters reeds op 3 april 2015 specifieke kritiek op de bestreden besluiten hebben kunnen uiten. Hadden zij die kritiek aangevoerd in het kader van een middel tot nietigverklaring, dan hadden zij tijdig, binnen de opschortende termijn, een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen en tegelijkertijd een verzoek in kort geding kunnen indienen om te beletten dat de overeenkomst tussen het Parlement en de tijdelijke vennootschap Énergie KAD zou worden gesloten. Met een dergelijk, tijdig ingediend, verzoek hadden verzoeksters op grond van artikel 105, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering een beschikking kunnen verkrijgen waarbij de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten voor de duur van de kortgedingprocedure werd opgeschort, nog voordat de wederpartij haar opmerkingen zou hebben voorgedragen. Voorts stond niets eraan in de weg dat verzoeksters de draagwijdte van hun beroep en van hun verzoek in kort geding uitbreidden op basis van de door het Parlement verstrekte informatie, zolang de beroepstermijn van artikel 263, zesde alinea, VWEU, verlengd met de in artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde termijn wegens afstand, niet was verstreken (zie punten 5 en 8 hierboven). Verzoeksters kunnen overigens krachtens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zelfs nieuwe middelen aanvoeren in de loop van het geding, mits deze middelen steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling voor het Gerecht is gebleken.
47
Bijgevolg is de opschortende termijn van artikel 171, lid 1, van verordening nr. 1268/2012 in casu ten volle in acht genomen, zodat de versoepeling van de voorwaarde inzake de spoedeisendheid op het gebied van overheidsopdrachten in casu niet kan worden toegepast.
48
Gelet op het bovenstaande dient het verzoek in kort geding te worden afgewezen, zonder dat de voorwaarde inzake het bestaan van fumus boni juris hoeft te worden onderzocht en zonder dat de verschillende betrokken belangen hoeven te worden afgewogen.
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 juni 2015.
De griffier
E. Coulon
De president
M. Jaeger
( *1 ) Procestaal: Frans.
( 1 ) Enkel de punten van de beschikking waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Full & Egal Universal Law Academy