BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
14 september 2016 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring — Aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming (‚Halloumi’ of ‚Hellim’) — Besluit tot bekendmaking in het Publicatieblad, reeks C, van een aanvraag tot registratie van een beschermde oorsprongsbenaming overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van verordening (EU) nr. 1151/2012 — Voorbereidende handeling — Handeling die niet vatbaar is voor beroep — Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑584/15,
Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA), gevestigd te Latsia (Cyprus), vertegenwoordigd door N. Korogiannakis, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Lewis en J. Guillem Carrau als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2015, C 246, blz. 9) van de door de Republiek Cyprus ingediende registratieaanvraag CY/PDO/0005/01243, voor zover daarin is vastgesteld dat deze aanvraag voldeed aan de voorwaarden van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz. 1), zoals bepaald in artikel 50, lid 1, van deze verordening,
geeft
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro, president, S. Gervasoni en L. Madise (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
1
Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 4 bevat verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB 2012, L 343, blz.1) een regeling voor beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, waarvoor bepaalde landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen in aanmerking kunnen komen.
2
Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 definieert een „oorsprongsbenaming” als een naam die een product aanduidt dat afkomstig is uit een bepaalde plaats, een bepaalde streek of, in uitzonderlijke gevallen, een bepaald land, waarvan de kwaliteit of de kenmerken hoofdzakelijk of uitsluitend zijn toe te schrijven aan de specifieke geografische omgeving met haar eigen door natuur en mens bepaalde factoren, en waarvan alle productiestadia in het afgebakende geografische gebied plaatsvinden.
3
De registratie als beschermde oorsprongsbenaming (BOB) van de naam van een landbouwproduct of een levensmiddel, dat moet voldoen aan de door verordening nr. 1151/2012 gestelde voorwaarden en in het bijzonder in overeenstemming moet zijn met het productdossier zoals bepaald in artikel 7 van deze verordening, verleent aan die naam een bescherming op het niveau van de Europese Unie. Deze bescherming wordt omschreven in artikel 13, lid 1, van deze verordening.
4
De registratieprocedure verloopt in twee fasen. In een eerste fase wordt de aanvraag tot registratie van namen onderzocht op nationaal niveau. Deze fase wordt geregeld door artikel 49 van verordening nr. 1151/2012, dat luidt als volgt:
„1. Alleen groeperingen die werken met de producten met de te registreren naam kunnen een aanvraag tot registratie van namen krachtens de in artikel 48 bedoelde kwaliteitsregelingen indienen. [...]
2. [...D]e aanvraag wordt gericht tot de autoriteiten van die lidstaat.
De lidstaat onderzoekt de aanvraag op gepaste wijze om te controleren of deze gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van de desbetreffende regeling voldoet.
3. De lidstaat voorziet als onderdeel van het in lid 2, tweede alinea, van dit artikel bedoelde onderzoek in een nationale bezwaarprocedure die een adequate openbaarmaking van de aanvraag garandeert en voorziet in een redelijke termijn waarbinnen elke natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die op het grondgebied van de lidstaat is gevestigd of woonachtig is, bezwaar tegen de aanvraag kan aantekenen.
De lidstaat toetst de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften [...].
4. Indien de lidstaat, na de beoordeling van eventueel ontvangen bezwaarschriften, oordeelt dat aan de vereisten van deze verordening is voldaan, kan hij een gunstig besluit nemen en bij de Commissie een aanvraagdossier indienen. De lidstaat stelt de Commissie in dat geval in kennis van de ontvankelijke bezwaarschriften welke in ontvangst zijn genomen van natuurlijke of rechtspersonen die de desbetreffende producten legaal op de markt hebben gebracht waarbij zij de desbetreffende benamingen gedurende minstens vijf jaar vóór de in lid 3 bedoelde datum van openbaarmaking onafgebroken hebben gebruikt.
De lidstaat zorgt ervoor dat zijn gunstige besluit openbaar wordt gemaakt en dat elke betrokken natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang de gelegenheid krijgt beroep aan te tekenen.
De lidstaat zorgt ervoor dat de versie van het productdossier waarop het gunstig besluit betrekking heeft, wordt bekendgemaakt, en dat het productdossier elektronisch toegankelijk is.
Met betrekking tot beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen zorgt de lidstaat ook voor adequate openbaarmaking van de versie van het productdossier waarop de Commissie haar besluit uit hoofde van artikel 50, lid 2, neemt.”
5
In een tweede fase wordt de aanvraag onderzocht door de Europese Commissie en, wanneer aan de door verordening nr. 1151/2012 vastgestelde voorwaarden is voldaan, wordt de aanvraag openbaar gemaakt ten behoeve van bezwaar. Deze in het onderhavige beroep aan de orde zijnde procedure voor de Commissie wordt geregeld door artikel 50, met als opschrift „Onderzoek door de Commissie en openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, dat luidt als volgt:
„1. De Commissie onderzoekt op gepaste wijze alle door haar uit hoofde van artikel 49 ontvangen aanvragen om te controleren of de aanvraag gerechtvaardigd is en aan de voorwaarden van de toepasselijke regeling voldoet. [...]
2. Indien de Commissie op grond van het uit hoofde van lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek van oordeel is dat aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, maakt zij in het Publicatieblad van de Europese Unie het volgende bekend:
a)
voor aanvragen krachtens de in titel II beschreven regeling [beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen] het enig document en de publicatiegegevens van het productdossier.
[...]”
6
De bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie activeert een „[b]ezwaarprocedure” overeenkomstig artikel 51 van verordening nr. 1151/2012, dat het volgende preciseert:
„1. Binnen drie maanden na de datum van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie kunnen de autoriteiten van een lidstaat of van een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon die een rechtmatig belang heeft en in een derde land is gevestigd, bij de Commissie een aankondiging van bezwaar indienen.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een rechtmatig belang heeft en is gevestigd of woonachtig is in een andere lidstaat dan de lidstaat vanwaar de aanvraag is ingediend, kan, binnen een termijn die de tijdige indiening van een aankondiging van bezwaar uit hoofde van de eerste alinea toelaat, een aankondiging van bezwaar indienen bij de lidstaat waarin hij is gevestigd.
Een aankondiging van bezwaar bevat een verklaring dat de aanvraag een inbreuk op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden kan behelzen. [...]
De Commissie stuurt de aankondiging van bezwaar onverwijld door naar de autoriteit die of [naar] het orgaan dat de aanvraag heeft ingediend.
2. Indien bij de Commissie een aankondiging van bezwaar wordt ingediend die binnen twee maanden wordt gevolgd door een met redenen omkleed bezwaarschrift, onderzoekt de Commissie of dit met redenen omklede bezwaarschrift ontvankelijk is.
3. Binnen twee maanden na ontvangst van een ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift verzoekt de Commissie de autoriteit of de persoon die bezwaar heeft aangetekend en de autoriteit die of het orgaan dat de aanvraag heeft ingediend, op gepaste wijze overleg te plegen gedurende een redelijke periode van ten hoogste drie maanden.
De autoriteit of de persoon die bezwaar heeft gemaakt en de autoriteit die of het orgaan dat de aanvraag heeft ingediend, vangen het gepaste overleg zonder onnodige vertraging aan. Zij verstrekken elkaar de gegevens die relevant zijn om te beoordelen of de registratieaanvraag aan de voorwaarden van deze verordening voldoet. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, worden de gegevens ook aan de Commissie verstrekt.
[...]
4. Indien naar aanleiding van het in lid 3 van dit artikel bedoelde gepaste overleg de overeenkomstig artikel 50, lid 2, bekendgemaakte gegevens ingrijpend zijn gewijzigd, herhaalt de Commissie het in artikel 50 bedoelde onderzoek. [...]”
7
Artikel 52 van verordening nr. 1151/2012, met als opschrift „Besluit inzake registratie”, bepaalt het volgende:
„1. Indien de Commissie, op basis van de informatie waarover zij beschikt, naar aanleiding van het krachtens artikel 50, lid 1, eerste alinea, verrichte onderzoek, oordeelt dat niet aan de registratievoorwaarden wordt voldaan, stelt zij uitvoeringshandelingen vast waarbij de aanvraag wordt verworpen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 57, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
2. Indien de Commissie geen aankondiging van bezwaar of geen ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift krachtens artikel 51 ontvangt, stelt zij zonder de in artikel 57, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast waarbij de naam wordt geregistreerd.
3. Indien de Commissie een ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift ontvangt, doet zij, na het in artikel 51, lid 3, bedoelde gepaste overleg en rekening houdend met de resultaten van dat overleg, het volgende:
a)
ofwel registreert zij, indien er een overeenstemming is bereikt, de naam door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 57, lid 2, bedoelde procedure, en wijzigt zij, indien nodig, de krachtens artikel 50, lid 2, bekendgemaakte informatie, mits deze wijzigingen niet ingrijpend zijn;
b)
ofwel stelt zij, indien er geen overeenstemming is bereikt, uitvoeringshandelingen vast waarbij over de registratie wordt besloten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 57, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
4. Registratieakten en besluiten inzake verwerping worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.”
8
Artikel 57 van verordening nr. 1151/2012 luidt als volgt:
„1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité inzake de kwaliteit van landbouwproducten. Dat comité is een comité in de zin van verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.”
9
Artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB 2011, L 55, blz. 13) bepaalt het volgende:
„1. Wanneer de onderzoeksprocedure van toepassing is, brengt het comité zijn advies uit met de meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 16, leden 4 en 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en, indien van toepassing, artikel 238, lid 3, van het [Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie], voor handelingen die op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité overeenkomstig genoemde artikelen gewogen.
2. Indien het advies positief is, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling aan.
3. Indien het advies negatief is, neemt de Commissie, onverminderd artikel 7, de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan. Wanneer een uitvoeringshandeling noodzakelijk wordt geacht, kan de voorzitter binnen twee maanden na het uitbrengen van het negatieve advies een gewijzigde versie van die ontwerpuitvoeringshandeling bij hetzelfde comité indienen of de ontwerpuitvoeringshandeling binnen een maand na het uitbrengen van het negatieve advies ter verdere bespreking aan het comité van beroep voorleggen.
4. Indien geen advies is uitgebracht, kan de Commissie, behoudens de in de tweede alinea bedoelde gevallen, de ontwerpuitvoeringshandeling aannemen. Wanneer de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aanneemt, kan de voorzitter een gewijzigde versie daarvan aan het comité voorleggen.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
10
Verzoekster, Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA), is een organisatie van rundveehouders die koemelk en vlees produceren. Zij werd opgericht en geregistreerd in 2004 en telt 157 leden, wat overeenstemt met ongeveer 75 % van alle Cypriotische producenten van koemelk. In Cyprus wordt jaarlijks gemiddeld 54 miljoen liter van deze melk gebruikt bij het productieproces van de zogenoemde „halloumi”-kaas. Dit betreft een bijzondere soort Cypriotische kaas, die op een bepaalde manier wordt gemaakt en een bijzondere smaak, textuur en bijzondere culinaire eigenschappen bezit. Verzoekster is de belangrijkste Cypriotische producent van koemelk die wordt gebruikt bij de vervaardiging van halloumi. Via een 100 % dochtermaatschappij, Papouis Dairies Ltd, is zij tevens actief in de productie van halloumi-kaas onder haar eigen merknamen en voor distributiemerken.
11
Op 5 april 2012 hebben verschillende Cypriotische vennootschappen en organisaties die actief zijn binnen de sector van de kaasproductie, met name van de productie van halloumi, bij de Cypriotische overheden een aanvraag ingediend tot registratie van halloumi als BOB. Deze aanvraag was gebaseerd op de Cypriotische vervaardigingsnorm van 1985 (hierna: „norm van 1985”) en beoogde dat deze norm aldus zou worden uitgelegd dat de producenten van halloumi de verplichting hadden meer dan 50 % schapen- of geitenmelk te gebruiken. Met andere woorden, wanneer koemelk zou worden toegevoegd aan schapen- of geitenmelk of aan een mengeling van deze twee melksoorten, zou het voor de vervaardiging van halloumi niet toegestaan zijn een grotere hoeveelheid koemelk te gebruiken dan de hoeveelheid schapen- of geitenmelk of de mengeling van beide melksoorten.
12
In casu heeft verzoekster, na de bekendmaking van de registratieaanvraag in de Episimi Efimerida tis Kypriakis Dimokratias (staatsblad van de Republiek Cyprus) op 30 november 2012 overeenkomstig artikel 49 van verordening nr. 1151/2012 bezwaren aangetekend in het kader van de nationale bezwaarprocedure, waarbij zij opkwam tegen het verbod om bij de vervaardiging van halloumi een grotere hoeveelheid koemelk te gebruiken dan de hoeveelheid schapen- of geitenmelk. Verzoekster heeft in dit verband gesteld dat, met toepassing van de norm van 1985, halloumi met een overheersend aandeel koemelk kon worden geproduceerd, wanneer niet-verwaarloosbare hoeveelheden schapen- of geitenmelk werden gebruikt.
13
Op 14 november 2013 heeft een vergadering plaatsgevonden tussen de Cypriotische autoriteiten en de entiteiten die bezwaar hadden aangetekend, zonder dat er een akkoord kon worden bereikt.
14
Op 9 juli 2014 heeft de Cypriotische minister van Landbouw de aangetekende bezwaren verworpen, en op diezelfde dag heeft hij de aanvraag tot registratie van halloumi als BOB bekendgemaakt in de Episimi Efimerida tis Kypriakis Dimokratias.
15
Op 17 juli 2014 hebben de Cypriotische autoriteiten bij de Commissie de aanvraag met nummer CY/PDO/0005/01243 ingediend tot registratie van halloumi als BOB (hierna: „aanvraag”), waarbij werd verduidelijkt dat het productdossier, wat de vereiste samenstelling van de melk betreft, verwees naar een overheersend aandeel schapen- of geitenmelk of een mengeling van de twee melksoorten.
16
Na de verwerping van haar bezwaren door de Cypriotische minister van Landbouw heeft verzoekster op 22 juli 2014 beroep ingesteld bij de Anatato Dikastirio tis Kypriakis Dimokratias (hoogste rechterlijke instantie, Cyprus).
17
Bij brieven van 25 maart en 25 juni 2015 heeft verzoekster haar bezorgdheid medegedeeld aan het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Commissie. In haar brief van 25 maart 2015 stelt verzoekster dat de uitlegging van de norm van 1985 in de aanvraag onjuist was, doordat zij op onjuiste en niet-gestaafde wetenschappelijke bewijzen was gebaseerd.
18
Bij brief van 20 juli 2015 heeft de Commissie verzoekster ervan op de hoogte gebracht dat zij enkel via de nationale bezwaarprocedure kon interveniëren in de registratieprocedure en dat daarom de verwerping van haar bezwaar op nationaal niveau niet door de Commissie kon worden onderzocht.
19
Na onderzoek van de aanvraag heeft de Commissie op 28 juli 2015 (PB 2015, C 246, blz. 9; hierna: „bestreden handeling”) besloten tot bekendmaking van de aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van verordening nr. 1151/2012 door indiening van een samenvatting van het productdossier dat door de Cypriotische autoriteiten werd overgelegd met het oog op de registratie van halloumi als BOB. Door deze bekendmaking werd de tweede fase van de administratieve procedure voor de Commissie ingeleid, namelijk de in artikel 51 van verordening nr. 1151/2012 neergelegde grensoverschrijdende bezwaarprocedure.
Procedure en conclusies van partijen
20
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 oktober 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Zij concludeert tot:
—
nietigverklaring van de bestreden handeling;
—
verwijzing van de Commissie in de kosten.
21
Bij op 8 oktober 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster bij de president van het Gerecht een verzoek in kort geding ingediend, in wezen strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling met inbegrip van de inleiding van de in artikel 51 van verordening nr. 1151/2012 neergelegde bezwaarprocedure, of van ieder ander later besluit met betrekking tot de registratie van halloumi als BOB overeenkomstig artikel 52 van deze verordening, en tot aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.
22
Bij beschikking van 7 december 2015 heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen omdat er geen sprake was van spoedeisendheid. De beslissing omtrent de kosten werd aangehouden.
23
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 januari 2016, heeft de Commissie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
24
Op 9 maart 2016 heeft verzoekster opmerkingen ingediend met betrekking tot de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Verzoekster vraagt het Gerecht:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren;
—
de zaak ten gronde te behandelen;
—
de bestreden handeling nietig te verklaren;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
In rechte
25
Ingevolge artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien het door een partij bij afzonderlijke akte wordt verzocht om over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid uitspraak te doen zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.
26
In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht om te beslissen zonder de behandeling voort te zetten.
27
De Commissie voert aan dat het door verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is omdat de bestreden handeling in de eerste plaats niet voor beroep vatbaar is aangezien het gaat om een voorbereidende handeling die het standpunt van de Commissie niet definitief vastlegt, en in de tweede plaats verzoeksters rechtspositie of procedurele rechten niet rechtens genoegzaam raakt.
28
Verzoekster betwist dat de bestreden handeling voorbereidend is. Volgens haar kan de bestreden handeling worden onderworpen aan rechterlijke controle gelet op het feit dat het gaat om een maatregel die bestaat in een „besluit” van de Commissie volgens hetwelk de aanvraag tot registratie van de benaming Halloumi aan alle criteria van verordening nr. 1151/2012 voldoet opdat deze benaming als BOB wordt geregistreerd, en die bindende rechtsgevolgen heeft.
29
Om te kunnen oordelen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, dient om te beginnen te worden bepaald of de bestreden handeling, zoals de Commissie stelt, een handeling is ter voorbereiding van het eindbesluit, zodat zij niet voor beroep vatbaar is.
30
Vooraf moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep [kan] instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen”.
31
Om vast te stellen of de bestreden maatregelen handelingen zijn als bedoeld in artikel 263, vierde alinea, VWEU, dient men te zien naar wat zij in wezen inhouden (arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9).
32
Als voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU vatbare handelingen of besluiten zijn in dat verband enkel te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arrest van 19 januari 2010, Co-Frutta/Commissie, T‑355/04 en T‑446/04, EU:T:2010:15, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Handelingen die in een uit verscheidene fasen bestaande interne procedure tot stand komen, zijn in beginsel slechts vatbaar voor beroep wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van de procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen. Hiertoe behoren dus niet de voorlopige maatregelen ter voorbereiding van het eindbesluit; eventuele gebreken van die maatregelen kunnen worden aangevoerd in een beroep tegen dat eindbesluit (zie beschikking van 3 september 2015, Spanje/Commissie, T‑676/14, EU:T:2015:602, punt 13en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In casu strekt, volgens artikel 50, lid 2, van verordening nr. 1151/2012, het besluit van „openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, zoals het opschrift ervan aangeeft, ertoe de bezwaarprocedure die is voorzien in artikel 51 van deze verordening in te leiden en op die manier het in artikel 52 van deze verordening bedoelde „[b]esluit inzake registratie”, dat het eindbesluit blijft, voor te bereiden.
35
Hieruit vloeit voort dat het in artikel 50, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 bedoelde besluit van „openbaarmaking ten behoeve van bezwaar” wordt genomen ter voorbereiding van het „[b]esluit inzake registratie” zodat enkel dit laatste besluit rechtsgevolgen kan sorteren die de belangen van verzoekster raken en derhalve vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU (zie in deze zin beschikking van 10 september 2014, Zentralverband des Deutschen Bäckerhandwerks/Commissie, T‑354/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:775, punt 30).
36
Voorts kunnen eventuele gebreken in een dergelijke voorbereidende handeling zinvol worden aangevoerd tot staving van een beroep tegen de eindhandeling ter voorbereiding waarvan zij is genomen (zie in deze zin, arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 12), voor zover verzoekster overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU aantoont dat aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep is voldaan.
37
In het licht van het voorgaande vormt het besluit van „openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, als bedoeld in artikel 50, lid 2, van verordening nr. 1151/2012, geen voor beroep vatbare handeling.
38
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.
39
Ten eerste betoogt verzoekster dat de bestreden handeling voor haar bindende rechtsgevolgen alsook zeer negatieve economische gevolgen heeft. Zij benadrukt dat de bestreden handeling, uit juridisch oogpunt, haar producten onmiddellijk onverenigbaar maakt met de norm van 1985 zodat vanaf het moment van openbaarmaking van de betrokken registratieaanvraag deze producten niet meer als „aanvaardbaar” zullen worden beschouwd op de markt en door de consumenten niet meer als „traditionele” producten zullen worden waargenomen. In dat verband voert zij aan dat, zelfs wanneer de Commissie de benaming Halloumi niet als BOB registreert, de bestreden handeling haar zal hebben geraakt doordat daarin is bepaald dat de betrokken registratieaanvraag voldoet aan de in verordening nr. 1151/2012 gestelde voorwaarden. Bovendien voert zij een aanzienlijke financiële schade aan, met name als gevolg van het verlies van marktaandelen, klanten en overeenkomsten voor de verkoop van koemelk die wordt verwerkt bij de vervaardiging van halloumi-kaas. Zij betoogt dat indien de bestreden handeling niet nietig wordt verklaard, bijna 30 miljoen liter van de door haar leden geproduceerde melk onmiddellijk overbodig wordt, wat onvermijdelijk tot de verdwijning van deze leden zal leiden.
40
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat verzoeksters argumenten het niet mogelijk maken het bestaan vast te stellen van rechtsgevolgen die haar belangen kunnen raken. Om te beginnen heeft de bestreden handeling, daar het gaat om een voorbereidende handeling, immers geen enkel bindend rechtsgevolg dat de juridische conformiteit van haar producten met de norm van 1985 kan aantasten. Meer specifiek heeft de handeling tot doel noch tot gevolg om op zichzelf bindende werking te geven aan de daarin opgenomen uitlegging van die norm. Voorts kan het door verzoekster aangevoerde financiële nadeel, gesteld dat dit nadeel is aangetoond, geen invloed hebben op de beoordeling van het rechtskarakter van het bestreden besluit (zie in deze zin en naar analogie beschikking van 3 september 2015, Spanje/Commissie, T‑676/14, EU:T:2015:602, punt 18).
41
Ten tweede dient de door verzoekster gesuggereerde analogie tussen enerzijds het op basis van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 genomen besluit tot verwerping van de registratieaanvraag, dat zou volgen op het in artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 bedoelde onderzoek en definitief zou zijn, en anderzijds het in artikel 50, lid 2, van deze verordening bedoelde besluit van „openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, dat eveneens zou volgen op dit onderzoek, als ongegrond van de hand te worden gewezen.
42
Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 en artikel 50, lid 2, van deze verordening, sluit het in het eerste artikel bedoelde besluit tot verwerping van de registratieaanvraag immers de registratieprocedure af, terwijl het in het tweede artikel bedoelde besluit van „openbaarmaking ten behoeve van bezwaar” daarentegen een nieuwe fase van deze procedure inleidt.
43
Ten derde betoogt verzoekster dat het door de Commissie op basis van artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1151/2012 gevoerde onderzoek definitief is, gelet op het feit dat de Commissie, overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur, rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, na de bezwaarprocedure de registratie alleen kan weigeren op grond van supplementaire informatie die zij in het kader van deze procedure heeft verkregen, zodat het op basis van dit onderzoek krachtens artikel 50, lid 2, van deze verordening genomen besluit zelf definitief is. In dit verband gebruikt verzoekster als argument dat het op grond van artikel 50, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 genomen besluit niet kan worden gewijzigd door de Commisie zelf.
44
Desalniettemin hebben deze elementen geen invloed op de vaststelling in punt 35 hierboven, namelijk dat het in artikel 50, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 bedoelde besluit een louter voorbereidende handeling is. Voorts is in dit stadium van de registratieprocedure geenszins uitgesloten dat de Commissie, op basis van artikel 52, lid 3, onder b), van verordening nr. 1151/2012, aan het einde van de bezwaarprocedure de registratieaanvraag verwerpt in het kader van de door artikel 57, lid 2, van deze verordening georganiseerde adviesprocedure van het comité inzake de kwaliteit van landbouwproducten.
45
In dit verband vormt, anders dan verzoekster stelt, de verplichting om het eindbesluit af te wachten om eventuele gebreken in een voorbereidende handeling aan te vechten, geen „verspilling van tijd en middelen”. Wanneer zou worden aanvaard dat tegen een dergelijke voorbereidende handeling beroep kan worden ingesteld, zou dit onverenigbaar zijn met het stelsel van bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de rechter van de Unie en met het stelsel van rechtsmiddelen van het Verdrag, alsook met de vereisten van een goede procesgang en een regelmatig verloop van de administratieve procedure (zie in deze zin arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Tot slot belet de omstandigheid dat de Commissie op basis van artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1151/2012 of van artikel 52, lid 3, onder a), van deze verordening over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt om de registratieaanvraag te verwerpen en gehouden is tot registratie van de aangevraagde benaming, niet dat de registratiehandeling voor beroep vatbaar is, en ontzegt zij verzoekster niet haar recht op een effectieve rechtsbescherming overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eventuele gebreken in een voorbereidende handeling zoals de bestreden handeling kunnen immers zinvol worden aangevoerd tot staving van een beroep tegen de eindhandeling, en op die manier wordt een afdoende rechterlijke bescherming gewaarborgd (zie in deze zin beschikking van 27 november 2013, MAF/EIOPA, T‑23/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:632, punt 33en aangehaalde rechtspraak).
47
Ten vierde dient te worden vastgesteld, voor zover verzoekster onder verwijzing naar het arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, EU:C:1981:264, punt 11), stelt dat de bestreden handeling „onderscheiden” is van handelingen die op grond van artikel 52 van verordening nr. 1151/2012 kunnen worden genomen omdat zij voorafgaat aan deze handelingen die zijn vastgesteld na de bezwaarprocedure en onafhankelijk ervan is, dat, in tegenstelling tot de in artikel 11 van het geciteerde arrest gestelde vereisten, de bestreden handeling niet het „resultaat van een speciale en afzonderlijke procedure” is, maar integendeel het resultaat is van een stadium in de procedure, namelijk de fase van het „onderzoek door de Commissie en [de] openbaarmaking ten behoeve van bezwaar”, zoals voorzien in artikel 50 van verordening nr. 1151/2012 (zie punt 34 hierboven).
48
Bijgevolg dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, zonder dat het tweede door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden onderzocht.
Kosten
49
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in alle kosten, met inbegrip van de kosten van het kort geding.
HET GERECHT (Tweede kamer),
beschikt:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA) zal haar eigen kosten alsook die van de Europese Commissie dragen, met inbegrip van de kosten van het kort geding.
Luxemburg, 14 september 2016.
De griffier
E. Coulon
De president
M. E. Martins Ribeiro
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy