BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
24 juni 2016 ( *1 )
„Beroep wegens nalaten, beroep tot nietigverklaring en beroep tot schadevergoeding — Verzoek om een onderzoek naar een vermeende inbreuk op het Unierecht in te stellen — Besluit van de voorzitter van de EIOPA om geen onderzoek in te stellen — Besluit van de bezwaarcommissie om de betwisting niet-ontvankelijk te verklaren — Beroepstermijnen — Handeling die niet voor beroep vatbaar is — Schending van vormvereisten — Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk rechtens ongegrond”
In zaak T‑590/15,
Onix Asigurări SA, gevestigd te Boekarest (Roemenië), vertegenwoordigd door M. Vladu,
verzoekster,
tegen
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA), vertegenwoordigd door C. Coucke en S. Dispiter als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamman, advocaat,
verweerster,
betreffende, enerzijds, primair een vordering krachtens artikel 265 VWEU tot vaststelling dat de EIOPA op onrechtmatige wijze heeft nagelaten een besluit te nemen tegen de onjuiste toepassing van de bepalingen van artikel 40, lid 6, van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB 1992, L 228, blz. 1), door de Istituto per la Vigilanza sulle Assicurazioni (IVASS, Italiaanse toezichthoudende autoriteit op het gebied van particuliere verzekeringen) en subsidiair een vordering krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit EIOPA-14‑267 van de voorzitter van de EIOPA van 6 juni 2014 betreffende het instellen van een onderzoek krachtens artikel 17 van verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 48) en van besluit BOA 2015 001 van de bezwaarcommissie van 3 augustus 2015, waarbij het bezwaar van Onix Asigurări krachtens artikel 60 van verordening nr. 1094/2010 niet-ontvankelijk is verklaard, en, anderzijds, een vordering krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden door dit nalaten en de vaststelling van die besluiten,
geeft
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), president, S. Gervasoni en L. Madise, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
1
De Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) is opgericht bij verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 48).
2
Volgens artikel 1, leden 2 en 3, van verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PB 2010, L 331, blz. 1) vormt de EIOPA een onderdeel van het Europees systeem voor financieel toezicht (ESFS), dat tot doel heeft te zorgen voor het toezicht op het financiële stelsel van de Europese Unie.
3
Het ESFS omvat ook twee andere Europese toezichthoudende autoriteiten, te weten de Europese Bankautoriteit (EBA), opgericht bij verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 12), en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM), opgericht bij verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 84). Het ESFS bestaat voorts uit het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten en de bevoegde of toezichthoudende autoriteiten in de lidstaten.
4
Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1094/2010 bepaalt dat de EIOPA handelt overeenkomstig de haar bij deze verordening toegekende bevoegdheden en binnen de werkingssfeer van de in die bepaling bedoelde handelingen, waaronder richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB 1992, L 228, blz. 1). Overeenkomstig artikel 1, lid 6, van die verordening heeft de EIOPA als doelstelling de collectieve belangen te beschermen door bij te dragen tot de stabiliteit en doeltreffendheid van het financiële stelsel op de korte, middellange en lange termijn, in het belang van de economie, de burgers en het bedrijfsleven van de Unie.
5
Artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 voorziet in een mechanisme dat de EIOPA toestaat inbreuken op het Unierecht door de nationale autoriteiten bij hun toezichtpraktijken te behandelen. Artikel 17, leden 2, 3 en 6, van verordening nr. 1094/2010 voorziet daartoe in een mechanisme in drie stappen. Artikel 17, leden 1 en 2, van deze verordening bepaalt:
„1. Ingeval een bevoegde autoriteit de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen, waaronder begrepen de overeenkomstig artikel 10 tot en met 15 vastgestelde technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen, niet heeft toegepast of heeft toegepast op een wijze die in strijd is met het Unierecht, met name door niet te verzekeren dat een financiële instelling de in die handelingen vastgestelde eisen vervult, handelt de [EIOPA] overeenkomstig de in de leden 2, 3 en 6 van dit artikel genoemde bevoegdheden.
2. Op verzoek van een of meer bevoegde autoriteiten, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, van de desbetreffende Stakeholdergroep, of op eigen initiatief, en na de betrokken bevoegde autoriteit op de hoogte te hebben gebracht, kan de [EIOPA] de aangevoerde inbreuk op of niet-toepassing van het Unierecht onderzoeken.
Onverminderd de in artikel 35 vastgestelde bevoegdheden verstrekt de bevoegde autoriteit aan de [EIOPA] onverwijld alle informatie die de [EIOPA] nodig acht voor haar onderzoek.”
6
Artikel 60 van verordening nr. 1094/2010 regelt de bezwaren die voor de bezwaarcommissie van de Europese toezichthoudende autoriteiten kunnen worden gebracht (hierna: „bezwaarcommissie”). Deze bepaling luidt als volgt:
„1. Elke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van een bevoegde autoriteit, kan bezwaar aantekenen tegen een in de artikelen 17, 18 en 19 bedoeld besluit van de [EIOPA] en tegen andere door de [EIOPA] overeenkomstig de in artikel 1, lid 2, bedoelde handelingen van de Unie genomen besluiten die gericht zijn tot die persoon, of tegen een besluit dat van rechtstreeks en individueel belang is voor die persoon, ook als het tot een andere persoon is gericht.
[...]
4. Indien het bezwaar ontvankelijk is, onderzoekt de bezwaarcommissie of het gegrond is. De raad nodigt de partijen in de bezwaarprocedure uit om binnen een bepaalde termijn opmerkingen te maken naar aanleiding van de kennisgevingen van de raad zelf of de mededelingen van de andere partijen in de bezwaarprocedure. Het is partijen in de bezwaarprocedure toegestaan een mondelinge uiteenzetting te geven.
[...]”
7
Artikel 61, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 1094/2010 luidt:
„1. Overeenkomstig artikel 263 VWEU kan bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep worden ingesteld tegen beslissingen van de bezwaarcommissie of, bij ontbreken van recht op bezwaar bij de bezwaarcommissie, tegen beslissingen van de [EIOPA].
2. Overeenkomstig artikel 263 VWEU kunnen de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks beroep instellen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tegen besluiten van de [EIOPA].
3. Ingeval de [EIOPA] verplicht is een besluit te nemen en dat nalaat, kan overeenkomstig artikel 265 VWEU bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep wegens nalaten worden ingesteld.”
Voorgeschiedenis van het geding
8
Verzoekster, Onix Asigurări SA, is een verzekeringsmaatschappij naar Roemeens recht, met zetel in Roemenië. Zij verricht haar activiteiten in verschillende lidstaten van de Unie, met name in Italië.
9
Bij besluit van 20 december 2013 heeft de Istituto per la Vigilanza sulle Assicurazioni (IVASS, Italiaanse toezichthoudende autoriteit op het gebied van particuliere verzekeringen) verzoekster voor onbepaalde duur verboden nieuwe verzekeringsovereenkomsten in Italië te sluiten (hierna: „besluit van de IVASS”). Dit besluit, vastgesteld overeenkomstig artikel 193, lid 4, van de Codice delle assucurazioni private (wetboek van private verzekeringen), dat uitvoering geeft aan artikel 40 van de derde richtlijn schadeverzekering, was ingegeven door de ernstige bezorgdheid van de IVASS betreffende de reputatie van de enige aandeelhouder van verzoekster.
10
Verzoekster heeft op 5 februari 2014 een brief naar de EIOPA gestuurd. Bij die brief heeft zij deze autoriteit met name geïnformeerd over het besluit van de IVASS en toegelicht waarom volgens haar dat besluit strijdig was met het Unierecht. Zij voerde in wezen aan dat de IVASS niet bevoegd was om de reputatie van haar aandeelhouder te beoordelen en dat artikel 40, lid 6, van de derde richtlijn schadeverzekering niet van toepassing was. De EIOPA heeft die brief als een klacht in de zin van artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 behandeld.
11
Nadat verzoekster en de EIOPA tussen maart en mei 2014 verschillende e-mails hadden uitgewisseld, heeft de voorzitter van de EIOPA op 6 juni 2014 twee besluiten vastgesteld.
12
Enerzijds is de klacht van verzoekster ontvankelijk verklaard, bij besluit EIOPA-14‑266, betreffende de ontvankelijkheid van een vordering krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010.
13
Anderzijds heeft de voorzitter van de EIOPA, bij besluit EIOPA-14‑267, betreffende de instelling van een onderzoek op grond van artikel 17 van verordening nr. 1094/2010, besloten geen onderzoek in te stellen naar de mogelijke inbreuk op het Unierecht door de IVASS (hierna: „weigeringsbesluit”). Uit de motivering van dat besluit blijkt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, overeenkomstig artikel 40, lid 6, van de derde richtlijn schadeverzekering, in dringende gevallen passende maatregelen kunnen treffen om inbreuken op hun grondgebied te voorkomen, maar dat de omvang en de grenzen van die bevoegdheid naar nationaal recht worden afgebakend, onder het toezicht van de nationale rechters. Bovendien gaf dat besluit aan dat er geen enkele reden was om schending door de IVASS van de bepalingen van de derde richtlijn schadeverzekering aan te voeren.
14
Die besluiten zijn aan verzoekster meegedeeld bij e-mail van 12 juni 2014.
15
Op 18 juni 2014 heeft verzoekster de voorzitter van de EIOPA, in antwoord op zijn weigeringsbesluit, een brief gestuurd, met verzoek dat besluit in te trekken en een onderzoek in te stellen krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 wegens inbreuk op het Unierecht door de IVASS. Verzoekster heeft in wezen haar standpunt herhaald dat de IVASS niet bevoegd was om de reputatie van haar aandeelhouder te beoordelen, aangezien die beoordeling tot de uitsluitende bevoegdheid van de Roemeense autoriteiten behoorde.
16
Van juni tot en met november 2014 hebben verzoekster en de EIOPA verschillende e-mails uitgewisseld. De EIOPA heeft met name bij e-mail van 2 oktober 2014 de door verzoekster ten gronde aangevoerde argumenten beantwoord en het in de weigeringsbesluit uiteengezette standpunt verduidelijkt. Verzoekster heeft bij brief van 8 oktober 2014 geantwoord.
17
Bij e-mail van 3 november 2014 heeft verzoekster de EIOPA gemeld dat zij bij gebreke van een antwoord vóór 15 november 2014 betreffende de instelling van een procedure krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010, overeenkomstig artikel 61 van deze verordening bij het Hof van Justitie van de Europese Unie beroep zou instellen.
18
Bij brief van 24 november 2014 heeft de EIOPA, verwijzend naar verzoeksters brief van 8 oktober 2014, „opnieuw bevestigd dat [haar] standpunt [...] betreffende het [weigeringsbesluit] onveranderd [bleef]”.
19
Verzoekster heeft op 22 december 2014 bezwaar in de zin van artikel 60 van verordening nr. 1094/2010 bij de bezwaarcommissie gemaakt. Dit bezwaar was gericht tegen de „[brief] van de EIOPA van 24 november 2014, die het [weigeringsbesluit] bevestigde”. Ter ondersteuning van haar bezwaar voerde verzoekster in wezen aan dat de EIOPA een onderzoek had moeten instellen aangezien de IVASS, door een standpunt in te nemen over de reputatie van haar enige aandeelhouder, inbreuk op het Unierecht had gemaakt. Volgens haar had de IVASS aldus de bevoegdheden van de Roemeense autoriteiten met voeten getreden. Bovendien kon het besluit van de IVASS niet geldig worden gebaseerd op artikel 40, lid 6, van de derde richtlijn schadeverzekering. Als bijlage bij de in de procedure voor de bezwaarcommissie ingediende memorie was met name de brief van verzoekster van 18 juni 2014 gevoegd.
20
Bij besluit van 3 augustus 2015 (hierna: „besluit van de bezwaarcommissie” en samen met het weigeringsbesluit: „bestreden besluiten”) heeft de bezwaarcommissie het bezwaar van verzoekster afgewezen omdat het niet-ontvankelijk was, aangezien het tegen een handeling was gericht die buiten haar bevoegdheid viel. Zij heeft in wezen geoordeeld dat de brief van de EIOPA van 24 november 2014 het weigeringsbesluit louter bevestigde en daarom geen besluit was waartegen bij haar bezwaar kon worden gemaakt. Bovendien heeft zij opgemerkt dat verzoekster geen bezwaar had aangetekend tegen het weigeringsbesluit en dat verzoekster hoe dan ook haar recht om tegen dat besluit te betwisten had verwerkt, aangezien het bezwaar op 22 december 2014 was gemaakt.
21
Het besluit van de bezwaarcommissie is aan verzoekster op dezelfde dag meegedeeld. Op vraag van verzoekster is een materiële fout in dat besluit rechtgezet, hetgeen aan verzoekster is gemeld op 13 augustus 2015.
Procedure en conclusies van partijen
22
Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Gerecht op 12 oktober 2015, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
23
Op 18 januari 2016 heeft de EIOPA haar memorie van antwoord ter griffie van het Gerecht ingediend.
24
Verzoekster concludeert tot:
—
vaststelling dat de EIOPA heeft nagelaten te handelen door geen besluit vast te stellen tegen de onjuiste toepassing van artikel 40, lid 6, van de derde richtlijn schadeverzekering door de IVASS;
—
subsidiair, nietigverklaring van de bestreden besluiten;
—
vaststelling van de aansprakelijkheid van de EIOPA voor de schade die zij heeft geleden enerzijds door het nalaten van de EIPOA een besluit vast te stellen en anderzijds door de vaststelling van de bestreden besluiten;
—
verwijzing van de EIOPA in de kosten.
25
De EIOPA verzoekt het Gerecht:
—
primair, het beroep wegens nalaten, het beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, deze beroepen in hun geheel ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
26
Krachtens artikel 126 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op voorstel van de rechter-rapporteur beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.
27
Het Gerecht acht zich in de gegeven omstandigheden door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
Vordering wegens nalaten
28
Verzoekster vordert in wezen dat het Gerecht vaststelt dat de EIOPA onrechtmatig heeft nagelaten een besluit vast te stellen betreffende haar verzoek om een procedure krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 in te stellen. Inzake de ontvankelijkheid merkt zij in haar verzoekschrift op dat de in artikel 265, lid 2, VWEU gestelde beroepstermijn is ingegaan op 3 augustus 2015, zijnde de datum waarop het besluit van de bezwaarcommissie aan haar is meegedeeld. Het is immers pas met dat besluit dat de onzekerheid is weggenomen over het antwoord van de EIOPA op haar brief van 18 juni 2014, waarbij zij de EIOPA had gevraagd een besluit vast te stellen en een onderzoek naar de inbreuk op het Unierecht door de IVASS in te stellen.
29
De EIOPA repliceert dat die vordering niet-ontvankelijk is.
30
Opgemerkt dient te worden dat krachtens artikel 61, lid 3, van verordening nr. 1094/2010 een beroep wegens nalaten overeenkomstig artikel 265 VWEU kan worden ingesteld als de EIOPA moet handelen en nalaat een besluit te nemen.
31
De beroepsgang krachtens artikel 265 VWEU is gegrond op de gedachte dat het in geval van onrechtmatig stilzitten van een instelling voor de belanghebbenden mogelijk moet zijn om zich tot de Unierechter te wenden om te doen verklaren dat dit stilzitten in strijd is met het VWEU. Dit artikel ziet op nalaten door het verzuim een beslissing te nemen of een standpunt te bepalen, en niet op het verrichten van een andere handeling dan die welke de verzoekende partij wenst of noodzakelijk acht (arrest van 19 november 2013, Commissie/Raad, C‑196/12, EU:C:2013:753, punt 22; zie ook in die zin arresten van 24 november 1992, Buckl e.a./Commissie, C‑15/91 en C‑108/91, EU:C:1992:454, punt 17, en 16 februari 1993, ENU/Commissie, C‑107/91, EU:C:1993:56, punt 10).
32
Volgens artikel 265, tweede alinea, VWEU is een beroep wegens nalaten slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is opgeroepen. Deze aanmaning aan de instelling is een wezenlijk vormvereiste en heeft tot gevolg dat de termijn van twee maanden ingaat waarbinnen de instelling haar standpunt moet bepalen, en bovendien dat wordt bepaald binnen welke grenzen het beroep dient te blijven dat kan worden ingesteld ingeval de instelling geen standpunt bepaalt. Er zijn weliswaar geen bijzondere vormvoorschriften voor de aanmaning, maar zij dient toch voldoende ondubbelzinnig en nauwkeurig te zijn om de verwerende instelling in staat te stellen, concreet de inhoud te kennen van het besluit dat van haar wordt verlangd en duidelijk te maken dat zij ertoe strekt de verwerende instelling te dwingen een standpunt te bepalen (zie arrest van 3 juni 1999, TF1/Commissie, T‑17/96, EU:T:1999:119, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 27 november 2012, H-Holding/Parlement, T‑672/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:628, punt 12en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikking van 10 juli 2014, Kafetzakis e.a./Parlement e.a., T‑38/14, niet gepubliceerd, EU:T:2014:685, punt 26).
33
Overeenkomstig artikel 265, tweede alinea, VWEU kan, indien de instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de oproep tot handelen, haar standpunt nog niet heeft bepaald, het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering moet die termijn worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.
34
Verzoekster heeft in de onderhavige zaak in wezen aangevoerd dat zij bij brief van 18 juni 2014 de EIOPA tot handelen heeft opgeroepen (zie punt 28 hierboven). Zij verwijst in haar schrifturen echter niet naar een andere, desgevallend recentere, handeling waarbij zij de EIOPA tot handelen heeft opgeroepen en zij heeft evenmin aangevoerd dit te hebben gedaan.
35
Bij brief van 18 juni 2014 heeft verzoekster de voorzitter van de EIOPA verzocht het weigeringsbesluit in te trekken en een onderzoek in te stellen krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010.
36
Enerzijds moet worden opgemerkt dat, als verzoeksters brief van 18 juni 2014 moet worden gekwalificeerd als een oproep tot handelen in de zin van de rechtspraak waaraan in punt 32 hierboven is herinnerd, uit de elementen van het dossier noch zelfs uit verzoeksters betoog blijkt dat de EIOPA een standpunt heeft bepaald binnen de in artikel 265 VWEU gestelde termijn van twee maanden. Het is dus bij het verstrijken van die termijn, te weten op 18 augustus 2014, dat de beroepstermijn van twee maanden en tien dagen, waarbinnen verzoekster beroep wegens nalaten bij het Gerecht had moeten instellen, is ingegaan. Het onderhavige beroep is pas op 12 oktober 2015 ingesteld, zodat dient te worden vastgesteld dat het kennelijk te laat is.
37
Anderzijds zij in elk geval vastgesteld dat de EIOPA bij e-mail van 2 oktober 2014 in wezen heeft geantwoord op de door verzoekster met name in haar brief van 18 juni 2014 aangevoerde argumenten. Zij heeft haar standpunt opnieuw bevestigd bij brief van 24 november 2014. Verzoekster heeft in die zin, in de uiteenzetting van de feiten van het geding in haar verzoekschrift, trouwens erop gewezen dat de EIOPA haar standpunt heeft „verduidelijkt” in haar brief van 2 oktober 2014 en „de motivering van haar [weigeringsbesluit] in detail heeft toegelicht” in haar brief van 24 november 2014. Dus blijkt dat het door verzoekster aangevoerde nalaten hoe dan is beëindigd, zij het na het verstrijken van de termijn van twee maanden waarbinnen de EIOPA een standpunt moest bepalen. Gelet op de in punt 31 hierboven aangehaalde rechtspraak is deze conclusie onvermijdelijk, ook al heeft de EIOPA in deze e-mail en in deze brief haar weigering om een onderzoek in te stellen krachtens artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1094/2010 gehandhaafd.
38
Daaruit volgt dat de vordering wegens nalaten kennelijk niet-ontvankelijk is.
39
Die conclusie komt niet in het gedrang door het argument van verzoekster dat de termijn voor het beroep wegens nalaten is ingegaan op 3 augustus 2015, zijnde de datum waarop het besluit van de bezwaarcommissie aan verzoekster is meegedeeld. Volgens verzoekster heeft dat besluit de onzekerheid weggenomen omtrent het antwoord van de EIOPA op haar brief van 18 juni 2014 (zie punt 28 hierboven).
40
In dat verband zij ten eerste erop gewezen dat verzoeksters betoog is gebaseerd op de premisse dat vóór de vaststelling van het besluit van de bezwaarcommissie de EIOPA haar brief van 18 juni 2014 heeft beantwoord, waarbij dit antwoord volgens verzoekster evenwel onzekerheid deed ontstaan. Volgens de rechtspraak is de weigering om te handelen overeenkomstig een oproep tot handelen op grond van artikel 265 VWEU een standpuntbepaling die een einde maakt aan het nalaten en die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring [zie in die zin beschikking van 4 mei 2005, Holcim (France)/Commissie, T‑86/03, EU:T:2005:157, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Ten tweede zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de procestermijnen van openbare orde zijn, aangezien zij zijn ingesteld om de duidelijkheid en de zekerheid van rechtssituaties te verzekeren en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en dat de Unierechter ambtshalve dient na te gaan of zij zijn geëerbiedigd (beschikking van 14 december 2006, Smanor en Ségaud/Commissie, T‑150/06, niet gepubliceerd, EU:T:2006:402, punt 14; zie ook in die zin beschikking van 13 december 2000, Sodima/Commissie, C‑44/00 P, EU:C:2000:686, punt 51).
42
Daarom moet worden vastgesteld dat verzoekster, na de termijn voor een beroep wegens nalaten te hebben laten verstrijken (zie punt 36 hierboven), niet kan beschikken over een nieuwe termijn te rekenen vanaf de datum waarop, volgens haar, een einde is gemaakt aan de onzekerheid omtrent het standpunt van de EIOPA in antwoord op haar brief van 18 juni 2014. Evenmin kan zij de niet-ontvankelijkheid van haar vordering wegens nalaten, doordat zij te laat is ingediend en een standpunt is bepaald, omzeilen door een geheel van brieven en betwistingen van het door de EIOPA bepaalde standpunt te versturen naar de EIOPA.
43
Gelet op de voorgaande overwegingen dient de vordering wegens nalaten kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Vorderingen tot nietigverklaring
44
Achtereenvolgens dienen de vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit en de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de bezwaarcommissie te worden onderzocht.
Vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit
45
Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit voert verzoekster in wezen één middel aan, te weten ontoereikende motivering. Betreffende de ontvankelijkheid van die vordering merkt zij in haar verzoekschrift op dat de beroepstermijn pas op 13 augustus 2015 is ingegaan, zijnde de datum waarop het besluit van de bezwaarcommissie definitief is geworden, na de rectificatie van materiële fouten. In de procedure voor de bezwaarcommissie is immers geen rekening gehouden met haar brief van 18 juni 2014. Bovendien is de termijn voor het beroep tot nietigverklaring geschorst tijdens de procedure voor de bezwaarcommissie.
46
De EIOPA voert aan dat de vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit niet-ontvankelijk is. Allereerst is die vordering te laat ingesteld. Voorts is het weigeringsbesluit geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU. Het enige ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde middel is hoe dan ook ongegrond.
47
Los van de vraag of, gelet op inzonderheid verzoeksters argumenten zoals samengevat in punt 45 hierboven, de vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit te laat is ingesteld en los van de eventuele gevolgen van een procedure voor de bezwaarcommissie voor de mogelijkheid om dat besluit bij het Gerecht aan te vechten, moet vooraf worden nagegaan of dat besluit een voor beroep vatbare handeling is in de zin van artikel 263 VWEU.
48
Allereerst dient in dat verband eraan te worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat als voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 263 VWEU worden aangemerkt alle door de instellingen, organen en instanties van de Unie vastgestelde bepalingen, ongeacht de vorm, die tot doel hebben dwingende rechtsgevolgen tot stand te brengen (arrest van 31 maart 1971, Commissie/Raad, 22/70, EU:C:1971:32, punt 42; zie ook arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Wanneer het beroep tot nietigverklaring door een natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie wordt ingesteld, heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat dit beroep enkel openstaat indien de handeling bindende rechtsgevolgen in het leven roept die de belangen van de verzoeker aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9; zie ook arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die rechtspraak is ontwikkeld in het kader van door natuurlijke personen of rechtspersonen bij de Unierechter ingestelde beroepen tegen handelingen die tot hen waren gericht. Wanneer door een niet-geprivilegieerde verzoekende partij beroep tot nietigverklaring tegen een niet tot haar gerichte handeling wordt ingesteld, valt het vereiste dat de bindende rechtsgevolgen van de bestreden maatregel de belangen van de verzoekende partij aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, samen met de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarden (arrest van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 38).
50
Ten slotte zij naar analogie erop gewezen dat het Hof heeft geoordeeld dat een besluit om geen maatregel te nemen in de zin van artikel 106, lid 3, VWEU, geen handeling is waartegen kan worden opgekomen, aangezien uit de bewoordingen van dat lid 3 en uit de opzet van de bepalingen van dat artikel voortvloeit dat de Commissie niet verplicht is een maatregel te nemen. Particulieren kunnen daarom niet eisen dat zij een bepaald standpunt inneemt. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat een brief waarmee de Commissie een klager meedeelde dat zij niet van plan was om op te treden, niet kon worden geacht bindende rechtsgevolgen te sorteren, zodat deze brief geen voor beroep vatbare handeling opleverde, zonder dat het feit dat een particulier desgevallend het recht had een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een besluit van de Commissie, gericht tot een lidstaat op grond van artikel 106, lid 3, VWEU, als de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU waren vervuld, hieraan iets afdeed (zie in die zin arrest van 22 februari 2005, Commissie/max.mobil, C‑141/02 P, EU:C:2005:98, punten 68‑70).
51
In casu staat vast dat verzoekster bij de EIOPA een verzoek op grond van artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 heeft ingediend. Die bepaling voorziet in een mechanisme dat de EIOPA toestaat inbreuken op het Unierecht door nationale autoriteiten bij het verrichten van hun toezicht te behandelen. Lid 1 van dat artikel bepaalt immers dat „[i]ngeval een bevoegde autoriteit de in artikel 1, lid 2, genoemde handelingen, waaronder begrepen de overeenkomstig artikel 10 tot en met 15 vastgestelde technische reguleringsnormen en technische uitvoeringsnormen, niet heeft toegepast of heeft toegepast op een wijze die in strijd is met het Unierecht, met name door niet te verzekeren dat een financiële instelling de in die handelingen vastgestelde eisen vervult, [...] de [EIOPA] overeenkomstig de in de leden 2, 3 en 6 van dit artikel genoemde bevoegdheden [handelt]”.
52
Artikel 17, leden 2, 3 en 6, van verordening nr. 1094/2010 omschrijft de drie stappen van dat mechanisme. Artikel 17, lid 2, van de verordening bepaalt in het bijzonder dat „[o]p verzoek van een of meer bevoegde autoriteiten, van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, van de desbetreffende Stakeholdergroep, of op eigen initiatief, en na de betrokken bevoegde autoriteit op de hoogte te hebben gebracht, [...] de [EIOPA] de aangevoerde inbreuk op of niet-toepassing van het Unierecht [kan] onderzoeken”.
53
Aldus blijkt uit die bepaling, en in het bijzonder uit het gebruik van het werkwoord „kunnen”, dat de EIOPA inzake onderzoeken over een beoordelingsmarge beschikt, zowel wanneer zij handelt op verzoek van een van de in artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1094/2010 expliciet genoemde entiteiten als wanneer zij zelf het initiatief neemt (zie naar analogie arrest van 9 september 2015, SV Capital/ABE, T‑660/14, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2015:608, punt 47).
54
Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster in de context van haar beroep wegens nalaten heeft aangevoerd, de EIOPA geenszins verplicht is te handelen krachtens artikel 17 van verordening nr. 1904/2010.
55
Die lezing is trouwens in overeenstemming met de doelstellingen en de opdrachten van de EIOPA alsmede met de opzet van het bij artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 ingestelde mechanisme. Overeenkomstig artikel 1, lid 6, van die verordening heeft de EIOPA immers als doelstelling de collectieve belangen te beschermen door bij te dragen tot de stabiliteit en doeltreffendheid van het financiële stelsel op de korte, middellange en lange termijn, in het belang van de economie, de burgers en het bedrijfsleven van de Unie. Uit overweging 26 van deze verordening blijkt bovendien dat het mechanisme dat door artikel 17 van diezelfde verordening is ingesteld, strekt tot het verzekeren van de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van de financiële markten, de stabiliteit van het financiële stelsel en neutrale concurrentievoorwaarden voor de financiële instellingen in de Unie. Het verzekeren van de juiste en volledige toepassing van het Unierecht is daarvoor een basisvoorwaarde. Met andere woorden, zoals de EIOPA trouwens opmerkt, heeft het mechanisme niet als doelstelling een individuele bescherming of schadevergoeding toe te kennen in de gedingen tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon en de bevoegde nationale autoriteit.
56
In het licht van die elementen zij opgemerkt dat met een verzoek als dat van verzoekster geen bijzondere rechtsband tussen verzoekster en de EIOPA ontstaat en de EIOPA niet ertoe kan worden verplicht een onderzoek te voeren krachtens artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1094/2010.
57
In die omstandigheden dient, naar analogie met de in punt 50 hierboven uiteengezette rechtspraak, te worden geoordeeld dat het weigeringsbesluit geen dwingende rechtsgevolgen tot stand brengt. Aangezien verzoekster van de EIOPA namelijk niet kon eisen dat zij een onderzoek instelde in de zin van artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1094/2010, is de weigering van de EIOPA om hoe dan ook een dergelijke procedure in te stellen niet van dien aard dat haar belangen worden aangetast doordat haar rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd.
58
Het weigeringsbesluit kan dan ook niet als een voor beroep vatbare handeling worden aangemerkt.
59
Gelet op wat voorafgaat, is de vordering tot nietigverklaring van het weigeringsbesluit kennelijk niet-ontvankelijk, zonder dat de argumenten van de partijen inzake de naleving van de beroepstermijn hoeven te worden onderzocht.
Vordering tot nietigverklaring van het besluit van de bezwaarcommissie
60
Ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de bezwaarcommissie, die ontvankelijk is doordat verzoekster de vereiste procesbevoegdheid bezit en de beroepstermijn in acht is genomen, voert verzoekster in wezen één middel aan, te weten schending van een wezenlijk vormvoorschrift doordat deze commissie heeft verzuimd zich over het gehele voorwerp van het geding uit te spreken. Verzoekster merkt op dat haar bezwaar bij die commissie weliswaar slechts tegen de brief van de EIOPA van 24 november 2014 was gericht, maar zij meent dat deze commissie desondanks rekening had moeten houden met de argumenten die verzoekster had uiteengezet in haar brief van 18 juni 2014, waarbij zij om intrekking van het weigeringsbesluit verzocht en die als bijlage bij het bezwaar was gevoegd.
61
De EIOPA repliceert in wezen dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de bezwaarcommissie niet-ontvankelijk is, aangezien dat besluit geen voor beroep vatbare handeling is in de zin van artikel 263 VWEU, en dat het enige middel dat verzoekster aanvoert hoe dan ook faalt.
62
Volgens de rechtspraak dient het Gerecht te beoordelen of het in de omstandigheden van het geval in het belang van een goede rechtsbedeling is, de grieven van verzoekster inzake de gegrondheid van het besluit van de bezwaarcommissie ten gronde af te wijzen, zonder uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de onderhavige vordering tot nietigverklaring (zie in die zin arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punt 52).
63
Om proceseconomische redenen dient in casu van die mogelijkheid gebruik te worden gemaakt, aangezien met verzoeksters enige middel kennelijk niet kan worden aangetoond, om de hierna uiteengezette motieven, dat het besluit van de bezwaarcommissie onwettig is.
64
Er zij aan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 60, lid 4, van verordening nr. 1094/2010, „[i]ndien het bezwaar ontvankelijk is, de bezwaarcommissie [onderzoekt] of het gegrond is”. Krachtens artikel 9, lid 1, van haar reglement voor de procesvoering beoordeelt de bezwaarcommissie de ontvankelijkheid van het bezwaar alvorens de gegrondheid te onderzoeken, wanneer de verwerende partij aanvoert dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.
65
In de onderhavige zaak blijkt uit de elementen van het dossier dat de EIOPA op 25 juni 2015 een verweerschrift bij de bezwaarcommissie heeft ingediend, waarin uitsluitend de ontvankelijkheid aan de orde is. In dat verweerschrift concludeert de EIOPA tot afwijzing van het bezwaar op grond dat het niet-ontvankelijk is.
66
De bezwaarcommissie heeft bij haar besluit het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard, in wezen omdat het niet was gericht tegen een handeling waarvoor zij bevoegd is. Volgens de bezwaarcommissie is de brief van de EIOPA van 24 november 2014 immers een loutere bevestiging van het weigeringsbesluit. Bovendien heeft zij opgemerkt dat verzoekster geen bezwaar tegen het weigeringsbesluit had gemaakt en dat verzoekster, doordat het bezwaar was gemaakt op 22 december 2014, hoe dan ook het recht had verwerkt om dat besluit aan te vechten.
67
Aangezien de bezwaarcommissie het bezwaar heeft afgewezen op grond van niet-ontvankelijkheid, heeft zij zich daarentegen niet uitgesproken over de gegrondheid van verzoeksters bezwaar. Aldus heeft zij gehandeld in overeenstemming met artikel 9, lid 1, van haar reglement voor de procesvoering, hetgeen verzoekster trouwens niet betwist.
68
Ten eerste moet worden vastgesteld dat verzoekster voor het Gerecht geen enkel middel of argument heeft aangevoerd waarmee zij de gegrondheid van de beoordeling door de bezwaarcommissie van de ontvankelijkheid van het bij haar gemaakte bezwaar beoogt in twijfel te trekken.
69
Met haar enige middel verwijt verzoekster de bezwaarcommissie immers in wezen dat zij heeft verzuimd zich uit te spreken over de argumenten die verzoekster in haar brief van 18 juni 2014 heeft uiteengezet. Die argumenten, zo blijkt uit die brief, strekten ertoe inbreuk op het Unierecht door de IVASS aan te tonen, hetgeen volgens verzoekster kan rechtvaardigen dat een onderzoek krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010 werd ingesteld.
70
Daaruit volgt dat het enige middel ter ondersteuning van de onderhavige vordering uitsluitend ziet op de beoordeling van de gegrondheid van de weigering een onderzoek in te stellen krachtens artikel 17 van verordening nr. 1094/2010, waarbij vaststaat dat de bezwaarcommissie deze beoordeling evenwel niet heeft verricht.
71
Het enige middel moet daarom worden afgewezen omdat het kennelijk niet kan slagen.
72
Ten tweede dient in elk geval te worden opgemerkt dat verzoekster in haar schrifturen erkent „dat [zij] in haar op 22 december 2014 gemaakt bezwaar enkel de [brief van de EIOPA] van 24 november 2014 heeft vermeld als bestreden besluit”. Aldus moet worden aangenomen dat verzoekster erkent dat het bij de bezwaarcommissie gemaakt bezwaar als enig voorwerp de brief van de EIOPA van 24 november 2014 had. Die vaststelling vloeit ook voort uit de stukken van het dossier, meer bepaald bij lezing van het bezwaar dat verzoekster bij de bezwaarcommissie heeft gemaakt, waarin duidelijk „de [brief] van de EIOPA van 24 november 2014 tot bevestiging van het [weigeringsbesluit]” als voorwerp werd omschreven, alsmede bij lezing van de door verzoekster bij de bezwaarcommissie ingediende memorie, waarin verzoekster concludeerde dat die brief, die het weigeringsbesluit bevestigde, strijdig met het Unierecht was.
73
Vast staat dat de bezwaarcommissie zich heeft uitgesproken over het tegen de brief van de EIOPA van 24 november 2014 gemaakte bezwaar door het niet-ontvankelijk te verklaren. Aldus heeft zij het voorwerp van het geding uitgeput, dat gelegen lag in de wettigheid van uitsluitend die brief, zoals uit de overwegingen hierboven blijkt.
74
Het is dan ook kennelijk ten onrechte dat verzoekster aanvoert dat de bezwaarcommissie zich slechts gedeeltelijk heeft uitgesproken over het voorwerp van het geding, door te hebben verzuimd zich over haar brief van 18 juni 2014 uit te spreken.
75
Deze conclusie is onvermijdelijk, ook al was de brief van verzoekster van 18 juni 2014 als bijlage gevoegd bij de memorie die zij in de procedure voor de bezwaarcommissie heeft ingediend en ook al heeft verzoekster in die memorie gepreciseerd dat de bijlagen integraal deel uitmaakten van haar redenering. Ongeacht de vraag of de bezwaarcommissie zich bij de beoordeling ten gronde van een bezwaar niet alleen moet uitspreken over de argumenten die in de ingediende memories worden aangevoerd, maar ook over de uitsluitend in de bijlagen bij die memories aangevoerde argumenten, dient immers te worden geoordeeld dat deze brief weliswaar als bijlage bij verzoeksters memorie was gevoegd, maar dat dit het voorwerp van het geding voor de bezwaarcommissie niet kan wijzigen, en dat het voorwerp van dit geding duidelijk was beperkt tot de brief van de EIOPA van 24 november 2014.
76
Zelfs in de veronderstelling dat verzoekster de EIOPA beoogt te verwijten haar brief van 18 juni 2014 niet als een krachtens artikel 60 van verordening nr. 1094/2010 gemaakt bezwaar te hebben behandeld of zich niet te hebben uitgesproken over het bij die brief gemaakte bezwaar, is het bovendien van belang hieraan toe te voegen dat uit die brief geenszins blijkt dat verzoekster een dergelijk bezwaar bij de bezwaarcommissie wenste te maken. Deze aan de voorzitter van de EIOPA gerichte brief waarin verzoeksters argumenten ter aanvechting van het weigeringsbesluit waren uiteengezet, bevatte hoogstens een vordering die ertoe strekte dat de voorzitter van de EIOPA dit besluit introk en een onderzoek krachtens artikel 17 van diezelfde verordening instelde.
77
Het enige middel ter ondersteuning van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de bezwaarcommissie moet daarom worden afgewezen omdat het kennelijk niet kan slagen en in elk geval kennelijk ongegrond is.
78
Deze vordering moet daarom kennelijk rechtens ongegrond worden verklaard.
Vordering tot schadevergoeding
79
Verzoekster verzoekt het Gerecht om „vaststelling van de aansprakelijkheid van de [EIOPA]” voor de schade die zij heeft geleden wegens het nalaten een besluit te nemen en het vaststellen van de bestreden besluiten. Zij verwijst met name naar de in haar beroep wegens nalaten en haar beroep tot nietigverklaring aangevoerde argumenten, en voert aan dat de EIOPA de artikelen 17 en 60 van verordening nr. 1094/2010 en de bepalingen van de derde richtlijn schadeverzekering, die ertoe strekken rechten aan verzoekster toe te kennen, op voldoende ernstige wijze heeft geschonden. Die onwettigheden hebben haar niet alleen materiële schade berokkend, doordat haar omzetcijfer voor de in Italië gesloten polissen tussen 2013 en 2014 met 59 % is gedaald en winstderving en kosten zijn ontstaan doordat de opening van een bijkantoor in Italië op de lange baan is geschoven, maar ook reputatie- en imagoschade. Aangaande het oorzakelijk verband is verzoekster van mening dat de keten van de oorzakelijkheid is ontstaan door het besluit van de IVASS, maar dat de EIOPA desondanks op doorslaggevende wijze heeft bijgedragen tot de instandhouding van de gevolgen van dat besluit.
80
De EIOPA repliceert dat de vordering tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk en subsidiair kennelijk ongegrond is.
81
Het is van belang eraan te herinneren dat volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Om aan deze vereisten te voldoen, moet een verzoekschrift in een beroep tot vergoeding van de door een instelling van de Unie veroorzaakte schade de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade (arresten van 18 september 1996, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑387/94, EU:T:1996:120, punten 106 en 107, en 6 mei 1997, Guérin automobiles/Commissie, T‑195/95, EU:T:1997:66, punten 20 en 21). Daartegenover staat dat een verzoek tot toekenning van een niet nader gepreciseerde schadevergoeding onvoldoende is bepaald en derhalve niet-ontvankelijk moet worden geacht (arrest van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad, 5/71, EU:C:1971:116, punt 9).
82
Een verzoeker hoeft het bedrag van de gestelde schade weliswaar niet te becijferen, zolang hij maar duidelijke gegevens ter beoordeling van de aard en de omvang van de schade verstrekt, zodat de verweerder in staat is zich te verdedigen. In dergelijke omstandigheden tast het gebrek aan cijfergegevens in het verzoekschrift de rechten van de verdediging van de wederpartij niet aan (beschikking van 22 juli 2005, Polyelectrolyte Producers Group/Raad en Commissie, T‑376/04, EU:T:2005:297, punt 55).
83
In casu heeft verzoekster evenwel op vage wijze verwezen naar zowel materiële schade, bestaande in een vermindering met 59 % van haar omzetcijfer voor de in Italië gesloten polissen, winstderving en kosten doordat de opening van een bijkantoor in Italië op de lange baan is geschoven, als reputatie- en imagoschade, zonder die beweringen enigszins te onderbouwen. Verzoekster heeft aldus verzuimd de nodige elementen aan te voeren teneinde het Gerecht en de EIOPA in staat te stellen de aard en de omvang van de geleden schade te beoordelen.
84
Bovendien heeft verzoekster ook verzuimd op afdoende wijze toe te lichten waarom zij meent dat er een oorzakelijk verband is tussen de aan de EIOPA verweten gedragingen en de beweerde geleden schade. Zij heeft zich immers beperkt tot de opmerking „[d]at het [klopt] dat de keten van oorzakelijkheid die [heeft] geleid tot de door [haar] geleden schade [is] ontstaan door het besluit van de IVASS, maar [dat] de EIOPA, door geen besluit vast te stellen of door besluiten met inhoudelijke gebreken vast te stellen, desondanks op doorslaggevende wijze [heeft] bijgedragen tot de instandhouding van de gevolgen van [dat] besluit [...] en tot het verzuim een maatregel te nemen die deze beperking verhelpen”. Dergelijke vage en niet-onderbouwde beweringen beantwoorden niet aan de in punt 81 hierboven in herinnering gebrachte vereisten.
85
De vordering tot schadevergoeding moet in die omstandigheden kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
86
Gelet op hetgeen voorafgaat, inzonderheid de conclusies die zijn getrokken in de punten 43, 59, 78 en 85 hierboven, moet het onderhavige beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk rechtens ongegrond worden verklaard.
Kosten
87
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de EIOPA te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Tweede kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Onix Asigurări SA wordt in haar eigen kosten verwezen en in die van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA).
Luxemburg, 24 juni 2016.
De griffier
E. Coulon
De president
M. E. Martins Ribeiro
( *1 ) Procestaal: Roemeens.
Full & Egal Universal Law Academy