BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
9 november 2016 ( *1 )
„Arbitragebeding — Personeel van internationale missies van de Unie — Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Verzoek tot schadevergoeding — Kennelijke onbevoegdheid — Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑602/15,
Liam Jenkinson, wonende te Killarney (Ierland), vertegenwoordigd door N. de Montigny en J.‑N. Louis, advocaten,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Vitro en M. Bishop als gemachtigden,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en S. Bartelt als gemachtigden,
Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door S. Marquardt, É. Chaboureau en G. Pasqualetti als gemachtigden,
en
Eulex Kosovo, gevestigd te Pristina (Kosovo), vertegenwoordigd door D. Fouquet en E. Raoult, advocaten,
verweerders,
betreffende, primair, een vordering krachtens artikel 272 VWEU om ten eerste de contractuele verhouding van verzoeker te herkwalificeren als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en om de schade te vergoeden die verzoeker heeft geleden doordat misbruik is gemaakt van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten en verzoeker onrechtmatig is ontslagen, en ten tweede te verklaren dat de Raad, de Commissie en de EDEO verzoeker hebben gediscrimineerd en hen bijgevolg te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, en, subsidiair, een vordering gebaseerd op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese instellingen,
geeft
HET GERECHT (Eerste kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová (rapporteur) en E. Buttigieg, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1
Verzoeker, Liam Jenkinson, Iers staatsburger, is aanvankelijk op basis van een reeks tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 20 augustus 1994 tot en met 5 juni 2002 werkzaam geweest voor de Waarnemersmissie van de Europese Unie, die is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2000/811/GBVB van de Raad van 22 december 2000 betreffende de Waarnemersmissie van de Europese Unie (PB 2000, L 328, blz. 53).
2
Hij is vervolgens op basis van een reeks tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 17 juni 2002 tot en met 31 december 2009 werkzaam geweest voor de politiemissie van de Europese Unie die is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2002/210/GBVB van de Raad van 11 maart 2002 inzake de politiemissie van de Europese Unie (PB 2002, L 70, blz. 1).
3
Ten slotte is verzoeker op basis van elf opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 5 april 2010 tot en met 14 november 2014 werkzaam geweest voor de Missie Eulex Kosovo. De Missie Eulex Kosovo is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, Eulex Kosovo (PB 2008, L 42, blz. 92). Het gemeenschappelijk optreden is herhaaldelijk verlengd. Het is verlengd tot en met 14 juni 2016 bij besluit 2014/349/GBVB van de Raad van 12 juni 2014 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124 (PB 2014, L 174, blz. 42), dat in dit geval van toepassing is.
4
Het gemeenschappelijk optreden is ten laatste verlengd tot en met 14 juni 2018 bij besluit 2016/947/GBVB van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124 (PB 2016, L 157, blz. 26).
5
Tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst die liep van 15 juni tot en met 14 oktober 2014 is verzoeker bij brief van het hoofd van de Missie Eulex Kosovo van 26 juni 2014 meegedeeld dat zijn missie zou worden beëindigd en zijn arbeidsovereenkomst na 14 november 2014 niet zou worden vernieuwd.
6
Een laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst is tussen Eulex Kosovo en verzoeker afgesloten voor de periode van 15 oktober tot en met 14 november 2014 (hierna: „laatste overeenkomst”), en deze is niet vernieuwd. In artikel 21 van deze laatste overeenkomst is bepaald dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 272 VWEU bevoegd is om kennis te nemen van alle geschillen inzake die overeenkomst.
Procedure
7
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 oktober 2015, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
8
Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2016 voor de Europese Commissie, 3 mei 2016 voor Eulex Kosovo en 4 mei 2016 voor de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad van de Europese Unie, hebben verweerders excepties van niet-ontvankelijkheid uit hoofde van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht opgeworpen.
9
Verzoeker heeft op 27 juli 2016 zijn opmerkingen over de excepties van niet-ontvankelijkheid ingediend.
Conclusies van partijen
10
In het verzoekschrift vordert verzoeker:
—
primair:
—
wat betreft de rechten uit de privaatrechtelijke overeenkomst:
—
dat zijn contractuele verhouding wordt geherkwalificeerd als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;
—
dat wordt vastgesteld dat verweerders hun contractuele verplichtingen hebben geschonden, met name de verplichting tot opzegging in het kader van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, en dat verweerders bijgevolg als vergoeding voor de geleden schade wegens misbruik van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten met als gevolg voortdurende onzekerheid en schending van de verplichting tot opzegging van een overeenkomst:
—
worden veroordeeld om aan verzoeker een vervangende opzegvergoeding van 176601,55 EUR te betalen, berekend op basis van de duur van zijn dienstverband bij de door de Unie opgezette missies;
—
subsidiair, worden veroordeeld om hem een vervangende opzegvergoeding van 45985,15 EUR te betalen, berekend op basis van de duur van zijn dienstverband bij Eulex Kosovo;
—
dat voor recht wordt verklaard dat zijn ontslag onrechtmatig is en verweerders bijgevolg worden veroordeeld om hem een schadevergoeding te betalen die naar redelijkheid en billijkheid wordt begroot op 50000 EUR;
—
dat wordt vastgesteld dat verweerders niet de wettelijke administratieve ontslagdocumenten hebben opgesteld:
—
dat zij worden veroordeeld om hem een bedrag van 100 EUR per dag vertraging te betalen, te rekenen vanaf de instelling van dit beroep;
—
dat zij worden veroordeeld om de administratieve ontslagdocumenten toe te zenden;
—
dat verweerders worden veroordeeld om over de bovenbedoelde bedragen rente te betalen, berekend volgens het Belgische wettelijke tarief;
—
wat betreft het misbruik van bevoegdheid en de bestaande discriminatie:
—
dat wordt verklaard dat EDEO, de Raad en de Commissie hem tijdens zijn dienstverband bij de door hen opgezette missies zonder objectieve rechtvaardiging hebben gediscrimineerd op het punt van zijn beloning, zijn pensioenrechten en gerelateerde voordelen alsmede op het punt van de garantie van toekomstige tewerkstelling;
—
dat wordt vastgesteld dat hij als tijdelijk functionaris van de EDEO, de Raad of de Commissie had moeten worden aangeworven;
—
dat de EDEO, de Raad en de Commissie worden veroordeeld om hem schadevergoeding te betalen voor zijn derving van inkomsten, pensioen, vergoedingen en voordelen, zoals veroorzaakt door de bovengenoemde schendingen van het Unierecht, en dat zij worden veroordeeld om hem over deze bedragen rente te betalen, berekend volgens het Belgische wettelijke tarief;
—
dat aan partijen een termijn wordt gesteld om de hoogte van deze schadevergoeding vast te stellen, rekening houdend met de rang en salaristrap waarin hij had moeten worden aangesteld, de gemiddelde stijging van de beloning, zijn loopbaanontwikkeling, de toelagen die hij dan uit hoofde van die overeenkomst van tijdelijke functionaris had moeten ontvangen, en om de uitkomst hiervan te vergelijken met de beloning die hij feitelijk heeft ontvangen;
—
subsidiair:
—
dat wordt vastgesteld dat verweerders hun verplichtingen hebben geschonden;
—
dat zij worden veroordeeld om de hierdoor ontstane schade te vergoeden, die naar redelijkheid en billijkheid wordt begroot op 150000 EUR;
—
in elk geval verweerders te verwijzen in de kosten.
11
De Raad verzoekt het Gerecht:
—
zich onbevoegd te verklaren voor zover het beroep ziet op de gevolgen van het samenstel van overeenkomsten zoals ondertekend door verzoeker;
—
subsidiair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het tegen hem is gericht;
—
verzoeker te verwijzen in de kosten.
12
De Commissie verzoekt het Gerecht:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het tegen haar is gericht;
—
verzoeker te verwijzen in de kosten.
13
De EDEO verzoekt het Gerecht:
—
zich onbevoegd te verklaren;
—
in ieder geval het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het tegen hem is gericht;
—
verzoeker te verwijzen in de kosten.
14
Eulex Kosovo verzoekt het Gerecht:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het tegen haar is gericht;
—
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
15
Krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op voorstel van de rechter-rapporteur beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.
16
Het Gerecht acht zich in de gegeven omstandigheden door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
Primaire vorderingen
17
Met het eerste deel van zijn primaire vorderingen vordert verzoeker dat het Gerecht zijn contractuele verhouding herkwalificeert als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, vaststelt dat verweerders hun contractuele verplichtingen, met name de verplichting tot opzegging in het kader van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, hebben geschonden, vaststelt dat zijn ontslag onrechtmatig was en dat het hen bijgevolg veroordeelt om de schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van het misbruik van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten, de schending van de verplichting tot opzegging en een onrechtmatig ontslag.
18
Met het tweede deel van zijn primaire vorderingen vordert verzoeker dat het Gerecht verklaart dat de Raad, de Commissie en de EDEO hem tijdens zijn dienstverband bij de missies hebben gediscrimineerd op het punt van zijn beloning, zijn pensioenrechten en overige voordelen, vaststelt dat hij als tijdelijke functionaris van een van hen had moeten worden aangeworven, en dat het hen bijgevolg veroordeelt tot schadevergoeding.
19
In hun excepties van niet-ontvankelijkheid betogen verweerders ten eerste dat de voorgaande arbeidsovereenkomsten met verzoeker een bevoegdheidsbeding ten gunste van de rechtbanken van Brussel (België) bevatten voor geschillen met betrekking tot die overeenkomsten, zodat het Gerecht niet bevoegd is te oordelen over de gevolgen van die overeenkomsten. Ten tweede betoogt elk van de verwerende partijen dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het jegens haar is ingesteld.
20
De bevoegdheid van het Gerecht is geregeld in artikel 256 VWEU, zoals uitgewerkt in artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Overeenkomstig deze bepalingen is het Gerecht alleen krachtens een arbitragebeding bevoegd om in eerste aanleg uitspraak te doen over bij hem aanhangig gemaakte contractuele geschillen. Zonder een dergelijk beding zou het Gerecht zijn rechterlijke bevoegdheid uitbreiden tot andere geschillen dan die welke ingevolge artikel 274 VWEU exclusief tot zijn kennisneming behoren, aangezien die bepaling de gewone bevoegdheid inzake geschillen waarbij de Unie partij is, aan de nationale rechterlijke instanties voorbehoudt (beschikkingen van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑186/96, EU:T:1997:149, punt 47, en 30 september 2014, Bitiqi e.a./Commissie e.a., T‑410/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:871, punt 26).
21
In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat tussen partijen vaststaat dat alle voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen de missies en verzoeker een beding bevatten dat uitdrukkelijk de rechtbanken van Brussel bevoegd verklaart voor geschillen die voortvloeien uit of verband houden met die overeenkomsten.
22
Enkel de laatste overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk, in artikel 21, dat geschillen die voortvloeien uit of verband houden met die overeenkomst, op grond van artikel 272 VWEU tot de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoren.
23
Dat betekent dat, nu het voorliggende beroep is ingesteld op grond van artikel 272 VWEU, het Gerecht enkel bevoegd is ten aanzien van de laatste overeenkomst op basis van het daarin opgenomen arbitragebeding. Het Gerecht is kennelijk onbevoegd om te oordelen over geschillen die zouden kunnen voortvloeien uit de uitvoering van de voorafgaand aan de laatste overeenkomst met verzoeker gesloten arbeidsovereenkomsten, waarin uitdrukkelijk de Belgische rechtbanken bevoegd worden verklaard, zodat het Gerecht kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het voorliggende beroep voor zover het betrekking heeft op de gevolgen van die overeenkomsten.
24
Voorts kan verzoeker in zijn opmerkingen over de excepties van niet-ontvankelijkheid niet met vrucht betogen dat als gevolg van het in de laatste overeenkomst opgenomen bevoegdheidsbeding ten gunste van het Hof van Justitie van de Europese Unie de bedingen in de voorgaande overeenkomsten waarbij de Belgische rechtbanken bevoegd worden verklaard, zijn komen te vervallen.
25
Er moet immers aan worden herinnerd dat de bevoegdheid van het Gerecht krachtens artikel 272 VWEU een afwijking vormt van het gemene recht en dus beperkt moet worden uitgelegd (arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, EU:T:1986:501, punt 11). Het Gerecht kan dus over een contractueel geschil slechts uitspraak doen wanneer de partijen uitdrukkelijk hun wil te kennen hebben gegeven om hem die bevoegdheid te verlenen (arrest van 24 oktober 2014, Technische Universität Dresden/Commissie, T‑29/11, EU:T:2014:912, punt 50; zie in die zin beschikking van 3 oktober 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑186/96, EU:T:1997:149, punt 46).
26
De reikwijdte van het bevoegdheidsbeding ten gunste van het Hof van Justitie van de Europese Unie is uitdrukkelijk beperkt tot geschillen met betrekking tot de laatste overeenkomst en kan niet worden uitgebreid tot de eerdere overeenkomsten waarin andere rechters bevoegd zijn verklaard.
27
Voorts dient eraan te worden herinnerd dat verzoeker de arbeidsovereenkomsten met de missies vrijwillig is aangegaan tegen de hem voorgestelde voorwaarden. Volgens artikel 1 van die overeenkomsten heeft hij de daarin geformuleerde voorwaarden en uitgangspunten uitdrukkelijk aanvaard, met inbegrip van de daarin gestipuleerde rechtsgang en de bedingen waarbij uitdrukkelijk de Belgische rechtbanken bevoegd zijn verklaard.
28
Tevens dient de stelling van Eulex Kosovo te worden verworpen waarmee zij betoogt dat het bevoegdheidsbeding ten gunste van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de laatste overeenkomst het gevolg is van een administratieve misslag en dat verzoeker met zijn ontvangstbevestiging van de brief van het hoofd van de Missie Eulex Kosovo van 26 juni 2014 – waarin hem werd meegedeeld dat zijn overeenkomst na 14 november 2014 niet zou worden vernieuwd – stilzwijgend de bevoegdheid van de rechtbanken van Brussel heeft erkend.
29
Ten eerste volstaat het namelijk te constateren dat Eulex Kosovo als werkgever partij is bij de laatste overeenkomst en dat verzoeker zich jegens haar dus op het arbitragebeding kan beroepen, zelfs al zou dat beding voortvloeien uit een administratieve misslag. Ten tweede kan de loutere ontvangstbevestiging van een brief waarbij verzoeker wordt meegedeeld dat zijn overeenkomst na 14 november 2014 niet wordt vernieuwd, de inhoud van het bevoegdheidsbeding in de laatste, na die brief getekende overeenkomst niet wijzigen.
30
In de tweede plaats dient erop te worden gewezen dat alleen de partijen bij een overeenkomst die een arbitragebeding bevat, partij kunnen zijn bij het op grond van artikel 272 VWEU ingestelde beroep (zie arrest van 16 december 2010, Commissie/Arci Nuova associazione comitato di Cagliari en Gessa, T‑259/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:536, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Opgemerkt dient te worden dat de laatste overeenkomst is gesloten door verzoeker en Eulex Kosovo als werkgever, zoals verzoeker erkent.
32
Bij besluit 2014/349 is het gemeenschappelijk optreden 2008/124 gewijzigd door invoering van het volgende artikel 15 bis: „Eulex Kosovo heeft de bevoegdheid diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden en haar schulden te vereffenen, en in rechte op te treden, zoals vereist om uitvoering te geven aan dit gemeenschappelijk optreden.”
33
Bij besluit 2014/349 is voorts een artikel 16, lid 5, ingevoerd, dat als volgt luidt: „Eulex Kosovo is met ingang van 15 juni 2014 verantwoordelijk voor eventuele vorderingen en verplichtingen die uit de uitvoering van het mandaat voortvloeien, met uitzondering van vorderingen met betrekking tot ernstig wangedrag van het hoofd van de missie, waarvoor de verantwoordelijkheid op laatstgenoemde blijft rusten.”
34
Artikel 15 bis van gemeenschappelijk optreden 2008/124, van toepassing met ingang van 12 juni 2014, zijnde de datum van zijn inwerkingtreding, heeft Eulex Kosovo de bevoegdheid gegeven overeenkomsten te sluiten en in rechte op te treden, waarmee haar handelingsbekwaamheid is toegekend.
35
Er dient op te worden gewezen dat waar de voorgaande arbeidsovereenkomsten waren gesloten tussen verzoeker en het hoofd van de Missie Eulex Kosovo, de laatste overeenkomst op 15 oktober 2014 is gesloten tussen verzoeker en Eulex Kosovo als werkgever. Deze laatste overeenkomst verwijst uitdrukkelijk naar artikel 15 bis van gemeenschappelijk optreden 2008/124.
36
Anders dan Eulex Kosovo in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid opmerkt, bezit zij derhalve rechtspersoonlijkheid als gevolg van de bij besluit 2014/349 aangebrachte wijzigingen, en kan zij verwerende partij zijn in een procedure bij de rechters van de Unie.
37
In dit verband beroept Eulex Kosovo zich in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid ten onrechte op de beschikkingen van 4 juni 2013, Elitaliana/Eulex Kosovo (T‑213/12, EU:T:2013:292), en 23 april 2015, Chatzianagnostou/Raad e.a. (T‑383/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:246), alsmede op het arrest van 12 november 2015, Elitaliana/Eulex Kosovo (C‑439/13 P, EU:C:2015:753), om te betogen dat zij niet bekwaam is om verwerende partij te zijn in een procedure bij de rechters van de Unie. Het volstaat immers te constateren dat deze zaken niet van belang zijn omdat zij feiten betreffen van vóór de bij besluit 2014/349 bewerkstelligde wijziging van de rechtspositie van Eulex Kosovo, en verder sprake was van beroepen tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU. Aangezien het beroep in dit geval is ingesteld op grond van artikel 272 VWEU, volstaat het dat de overeenkomst met het arbitragebeding is getekend door Eulex Kosovo „voor rekening van de Unie”, en is het, anders dan zij stelt, niet nodig dat zij een „orgaan of instelling van de Unie” is in de zin van artikel 263 VWEU.
38
De bevoegdheid van het Gerecht op grond van artikel 272 VWEU geldt enkel voor de laatste overeenkomst die tussen verzoeker en Eulex Kosovo is gesloten.
39
Ten eerste blijkt uit het voorgaande dat het Gerecht kennelijk onbevoegd is om te oordelen over het eerste deel van de primaire vorderingen. De eerste vordering, die ertoe strekt dat de gehele contractuele betrekking tussen verzoeker en de verschillende missies die zijn achtereenvolgende werkgevers zijn geweest, wordt geherkwalificeerd als overeenkomst voor onbepaalde tijd, veronderstelt dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgaande arbeidsovereenkomsten tussen die missies en verzoeker, waarin uitdrukkelijk de Belgische rechtbanken bevoegd zijn verklaard. Aangezien de bevoegdheid van het Gerecht zich beperkt tot de laatste overeenkomst, kan het op grond daarvan niet oordelen over deze vordering. Het Gerecht is ook kennelijk onbevoegd ten aanzien van de nevenvorderingen die ertoe strekken dat wordt vastgesteld dat verweerders hun verplichting tot opzegging in het kader van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben geschonden, en dat zijn ontslag onrechtmatig is. Derhalve is het Gerecht ook kennelijk onbevoegd om te oordelen over de met die vorderingen samenhangende nevenvorderingen tot schadevergoeding die strekken tot vergoeding van de schade als gevolg van het misbruik van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten, de schending van de verplichting tot opzegging en een onrechtmatig ontslag.
40
Ten tweede is het Gerecht kennelijk onbevoegd om te oordelen over het tweede deel van de primaire vorderingen, voor zover deze ertoe strekken dat wordt verklaard dat de EDEO, de Raad en de Commissie verzoeker tijdens zijn dienstverband bij de missies hebben gediscrimineerd op het punt van zijn beloning, zijn pensioenrechten en overige voordelen en dat hij als tijdelijke functionaris van een van hen had moeten worden aangeworven, en ertoe strekken dat hem de daaruit voortvloeiende schade wordt vergoed. Deze vorderingen zijn immers gericht tegen de Raad, de Commissie en de EDEO, die geen partij zijn bij de laatste overeenkomst, zodat deze vorderingen zien op eerdere contractuele betrekkingen waarvoor het Gerecht niet bevoegd is.
41
Wat betreft de stelling van verzoeker inzake een beweerde schending van zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte ingeval zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, dient te worden opgemerkt dat het feit dat de Belgische rechtbanken niet bevoegd zijn ten aanzien van de laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst, anders dan verzoeker lijkt te betogen, niet tot gevolg kan hebben dat zij niet meer bevoegd zijn ten aanzien van geschillen met betrekking tot de voorgaande arbeidsovereenkomsten tussen verzoeker en de missies. De onbevoegdheid van het Gerecht om te beslissen op de primaire vorderingen vanwege het feit dat zij gericht zijn op de beoordeling van de gevolgen van de aan de laatste overeenkomst voorafgaande overeenkomsten, leidt er niet toe dat verzoeker het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt onthouden, aangezien hij de mogelijkheid heeft om zich te wenden tot de nationale rechter die in de arbitragebedingen van deze overeenkomsten bevoegd is verklaard.
Subsidiaire vordering
42
Subsidiair vordert verzoeker schadevergoeding op basis van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de „Europese instellingen”. Hij betoogt dat verweerders in het kader van de contractuele verhouding die zij hem hebben opgelegd, het rechtzekerheidsbeginsel, het beginsel van eerbiediging van verworven rechten en het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen, het recht op behoorlijk bestuur, het beginsel van bestuurlijke transparantie, de zorgplicht, het beginsel van bescherming van particulieren en de Europese Code van goed administratief gedrag hebben geschonden. Hij betoogt dat, indien het primaire beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard of zou worden verworpen, dit zou aantonen dat verweerders die beginselen hebben geschonden, aangezien verzoeker niet in staat is geweest te bepalen aan welk recht zijn overeenkomsten waren onderworpen en binnen welke termijnen en in welke omvang een beroep kon worden gedaan op die rechten of tegen de schending daarvan kon worden opgekomen. De beslissing van het Gerecht om zijn primaire beroep niet-ontvankelijk te verklaren of te verwerpen, zou voor hem dus een bedrag aan schade veroorzaken dat hij begroot op 150000 EUR.
43
Vooraf dient te worden opgemerkt dat het voorliggende beroep uitsluitend op grond van artikel 272 VWEU is ingesteld. Verzoeker stelt evenwel uitdrukkelijk dat hij zich baseert op de niet-contractuele aansprakelijkheid van verweerders voor het geval zijn primaire vorderingen, die stoelen op de contractuele aansprakelijkheid van verweerders, mochten worden afgewezen.
44
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het beroep tot schadevergoeding een zelfstandige rechtsgang is die binnen het stelsel van de beroepsmogelijkheden zijn eigen functie heeft. Het beoogt de vergoeding van schade die het gevolg is van een aan een instelling toe te rekenen onrechtmatige handeling of handelwijze (zie arrest van 18 december 2009, Arizmendi e.a./Raad en Commissie, T‑440/03, T‑121/04, T‑171/04, T‑208/04, T‑365/04 en T‑484/04, EU:T:2009:530, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Niet kan worden uitgesloten dat een instelling van de Unie tegelijkertijd zowel contractueel als niet-contractueel aansprakelijk is jegens een van haar medecontractanten.
46
In dit geval voert verzoeker in zijn subsidiaire vordering tot schadevergoeding geen schending aan van contractuele verplichtingen of regels inzake contractuele verplichtingen, maar van beginselen die de instellingen bij de uitoefening van hun bestuurlijke verantwoordelijkheden in acht moeten nemen. Deze subsidiaire vordering strekt ertoe verweerders aansprakelijk te stellen in hun hoedanigheid van bestuurlijke autoriteiten en niet in die van medecontractanten.
47
Derhalve moet verzoekers subsidiaire vordering tot schadevergoeding zo worden opgevat dat deze ertoe strekt verweerders uit hoofde van hun niet-contractuele aansprakelijkheid aan te spreken, ook al voert verzoeker artikel 268 VWEU en artikel 340 VWEU niet uitdrukkelijk aan als grondslag voor die vordering.
48
Er zij aan herinnerd dat op grond van artikel 21, eerste alinea, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere aanduiding van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduiding moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken. Om aan deze vereisten te voldoen moet een beroep tot vergoeding van de door een instelling van de Unie beweerdelijk veroorzaakte schade meer in het bijzonder de gegevens bevatten die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoekende partij aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoekende partij meent dat er tussen de gedraging en de schade die hij stelt te hebben geleden, een causaal verband bestaat, alsmede de aard en de omvang van die schade (zie arrest van 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, EU:T:2010:54, punt 132en aldaar genoemde rechtspraak; beschikking van 5 oktober 2015, Grigoriadis e.a./Parlement e.a., T‑413/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:786, punt 30).
49
In dit geval kan aan de hand van het verzoekschrift, ook in zijn geheel beschouwd, niet met de vereiste duidelijkheid en precisie worden bepaald of er een voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de beweerdelijk door verweerders begane schendingen en de door verzoeker aangevoerde schade die zou ontstaan doordat het Gerecht zijn primaire vorderingen afwijst.
50
Verzoeker stelt namelijk enerzijds dat verweerders bepaalde beginselen die zij als bestuurlijke autoriteiten in acht moeten nemen hebben geschonden, en beperkt zich er anderzijds toe schade aan te voeren die zou ontstaan doordat het Gerecht zijn primaire vorderingen afwijst. Het Gerecht ziet niet in hoe zijn beslissing om de primaire vorderingen wegens kennelijke onbevoegdheid af te wijzen, haar oorsprong zou kunnen vinden in een gedraging van verweerders.
51
Daaruit volgt dat de subsidiaire vorderingen niet voldoen aan de eisen van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, zodat zij kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
52
Gelet op een en ander dient het beroep deels wegens kennelijke onbevoegdheid en deels wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid te worden verworpen.
Kosten
53
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de Raad, de Commissie, EDEO en Eulex Kosovo in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT (Eerste kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Liam Jenkinson wordt verwezen in de kosten.
De griffier
E. Coulon
De president
H. Kanninen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy