18.12.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 437/6
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 26 oktober 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen — België) — Argenta Spaarbank NV / Belgische Staat
(Zaak C-39/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Vennootschapsbelasting - Richtlijn 90/435/EEG - Artikel 1, lid 2, en artikel 4, lid 2 - Moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten - Gemeenschappelijke fiscale regeling - Aftrekbaarheid van de belastbare winst van de moedermaatschappij - Nationale bepalingen die de dubbele belasting van door de dochterondernemingen uitgekeerde winsten beogen op te heffen - Feit dat geen rekening wordt gehouden met het bestaan van een link tussen de interesten van leningen en de financiering van de deelneming die tot de dividenduitkering heeft geleid))
(2017/C 437/08)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Argenta Spaarbank NV
Verwerende partij: Belgische Staat
Dictum
1)
Artikel 4, lid 2, van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling als artikel 198, 10o, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat is gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, op grond waarvan de interesten die een moedermaatschappij in het kader van een lening heeft betaald niet kunnen worden afgetrokken van haar belastbare winst tot een bedrag gelijk aan dat van de — reeds fiscaal aftrekbare — dividenden die zij ontvangt uit deelnemingen in het kapitaal van dochterondernemingen die zij minder dan één jaar in bezit heeft, hoewel deze interesten geen betrekking hebben op de financiering van deze deelnemingen.
2)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 90/435 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet toestaat om een nationale bepaling als artikel 198, 10o, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat is gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, toe te passen voor zover deze bepaling verder gaat dan nodig is om fraude en misbruiken te bestrijden.
(1) PB C 136 van 18.4.2016.