15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/11
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — Valsts ieņēmumu dienests/„Veloserviss” SIA
(Zaak C-47/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Communautair douanewetboek - Artikel 220, lid 2, onder b) - Navordering van invoerrechten - Gewettigd vertrouwen - Toepassingsvoorwaarden - Vergissing van de douaneautoriteiten - Verplichting van de importeur om te goeder trouw te handelen en de omstandigheden na te gaan waaronder het certificaat van oorsprong „formulier A” is afgegeven - Bewijsmiddelen - Verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)])
(2017/C 151/15)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākā tiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Valsts ieņēmumu dienests
Verwerende partij:„Veloserviss” SIA
Dictum
1)
Artikel 220, lid 2, onder b), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, moet aldus worden uitgelegd dat een importeur, onder aanvoering van zijn goede trouw, slechts een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling kan aanvoeren om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van invoerrechten, wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Allereerst moet inning van deze rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf, vervolgens moet die vergissing van dien aard zijn dat een belastingschuldige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet had kunnen ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle geldende voorschriften hebben voldaan. Van een dergelijk gewettigd vertrouwen is met name geen sprake wanneer een importeur, hoewel hij duidelijke redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van een certificaat van oorsprong „formulier A”, niet ertoe is overgegaan om, binnen de mate van hetgeen voor hem mogelijk was, de omstandigheden inzake de afgifte van dat certificaat te onderzoeken teneinde na te gaan of die twijfels gegrond waren. Een dergelijke verplichting betekent evenwel niet dat een importeur algemeen gehouden is om systematisch de omstandigheden te controleren waaronder de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer een certificaat van oorsprong „formulier A” hebben afgegeven. Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van alle concrete elementen van het hoofdgeding te beoordelen of in casu aan die drie voorwaarden is voldaan.
2)
Artikel 220, lid 2, onder b), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet aldus worden uitgelegd dat in een zaak als die in het hoofdgeding, uit de gegevens in een verslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan worden afgeleid dat een importeur zich niet kan beroepen op een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van de invoerrechten. Wanneer een dergelijk verslag slechts een algemene beschrijving van de betrokken situatie bevat, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan, kan dit verslag op zichzelf echter niet volstaan om rechtens genoegzaam aan te tonen dat in alle opzichten daadwerkelijk aan die voorwaarden is voldaan, met name wat betreft de relevante gedraging van de exporteur. In dat geval staat het in beginsel aan de douaneautoriteiten van de staat van invoer om, middels aanvullend bewijsmateriaal, te bewijzen dat de afgifte van een onjuist certificaat van oorsprong „formulier A” door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, te wijten is aan de onjuiste voorstelling van de feiten door de exporteur. Wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer dat bewijs niet kunnen leveren, staat het in voorkomend geval echter aan de importeur om te bewijzen dat het certificaat is opgesteld op basis van een juiste weergave van de feiten door de exporteur.
(1) PB C 111 van 29.3.2016.