24.7.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 239/15
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 18 mei 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — „Latvijas dzelzceļš” VAS/Valsts ieņēmumu dienests
(Zaak C-154/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Communautair douanewetboek - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Artikel 94, lid 1, en artikel 96 - Regeling extern communautair douanevervoer - Aansprakelijkheid van de aangever - Artikelen 203, 204 en artikel 206, lid 1 - Ontstaan van de douaneschuld - Onttrekking aan het douanetoezicht - Niet-nakoming van een van de verplichtingen die voortvloeien uit het gebruik van een douaneregeling - Algehele vernietiging of onherstelbaar verlies van de goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht - Artikel 213 - Hoofdelijke betaling van de douaneschuld - Richtlijn 2006/112/EG - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Artikel 2, lid 1, en artikelen 70 en 71 - Belastbaar feit en verschuldigdheid van de belasting - Artikelen 201, 202 en 205 - Personen die de belasting moeten voldoen - Vaststelling van het ontbreken van vracht door het douanekantoor van bestemming - Incorrect afgesloten of beschadigde onderste losinstallatie van de tankwagon])
(2017/C 239/19)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākā tiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Latvijas dzelzceļš” VAS
Verwerende partij: Valsts ieņēmumu dienests
Dictum
1)
Artikel 203, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond.
2)
Artikel 204, lid 1, onder a), van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen is aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, zoals afdoende is aangetoond, die situatie in beginsel een douaneschuld bij invoer doet ontstaan voor het deel van de goederen dat niet bij dat kantoor is aangebracht, aangezien er sprake is van niet-nakoming van een van de verplichtingen van die regeling, namelijk het aanbrengen van ongeschonden goederen op het douanekantoor van bestemming. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of een omstandigheid zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu beantwoordt aan de criteria die gelden voor de begrippen overmacht en toeval in de zin van artikel 206, lid 1, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, namelijk of zij abnormaal is voor een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen en een omstandigheid buiten zijn toedoen is, en of die gevolgen niet hadden kunnen worden vermeden ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid. In het kader van dat onderzoek moet deze rechter met name rekening houden met de naleving door marktdeelnemers zoals de aangever en de vervoerder van de regels en voorschriften die gelden op het vlak van de technische staat van tanks en de veiligheid van het vervoer van vloeibare stoffen zoals solvent.
3)
Artikel 2, lid 1, onder d), en de artikelen 70 en 71 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is voor het geheel vernietigde of onherstelbaar verloren gegane deel van goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst.
4)
Artikel 96, lid 1, onder a), juncto artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten aldus worden uitgelegd dat de aangever gehouden is tot betaling van de douaneschuld die is ontstaan voor onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen, ook al is de vervoerder de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 96, lid 2, van deze verordening, in het bijzonder de verplichting om deze goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan te brengen op het douanekantoor van bestemming.
5)
Artikel 96, lid 1, onder a), en lid 2, artikel 204, lid 1, onder a), en lid 3, en artikel 213 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, moeten aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit van een lidstaat niet verplicht is om de vervoerder die naast de aangever moet worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld, hoofdelijk aan te spreken.
(1) PB C 191 van 30.5.2016.