11.12.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 424/6
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 oktober 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hamburg — Duitsland) — Merck KGaA / Merck & Co. Inc., Merck Sharp & Dohme Corp, MSD Sharp & Dohme GmbH
(Zaak C-231/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 207/2009 - Uniemerk - Artikel 109, lid 1 - Civiele vorderingen op grond van Uniemerken en nationale merken - Litispendentie - Begrip „dezelfde handelingen” - Gebruik van de term „Merck” in domeinnamen en op sociale media - Op een nationaal merk gebaseerde vordering, gevolgd door een op een Uniemerk gebaseerde vordering - Onbevoegdverklaring - Omvang])
(2017/C 424/08)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Merck KGaA
Verwerende partijen: Merck & Co. Inc., Merck Sharp & Dohme Corp, MSD Sharp & Dohme GmbH
Dictum
1)
Artikel 109, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk moet aldus worden uitgelegd dat slechts is voldaan aan de aldaar gestelde voorwaarde inzake het bestaan van „dezelfde handelingen” wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen wegens inbreuk worden ingesteld die respectievelijk op een nationaal merk en een Uniemerk zijn gebaseerd, voor zover deze vorderingen betrekking hebben op een vermeende inbreuk op een nationaal merk en een gelijk Uniemerk op het grondgebied van dezelfde lidstaten.
2)
Artikel 109, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen wegens inbreuk worden ingesteld, waarbij de eerste vordering is gebaseerd op een nationaal merk en betrekking heeft op een vermeende inbreuk op het grondgebied van een lidstaat, en de tweede vordering is gebaseerd op een Uniemerk en betrekking heeft op een vermeende inbreuk op het gehele grondgebied van de Europese Unie, de rechterlijke instantie waarbij de zaak het laatst is aangebracht zich onbevoegd dient te verklaren voor het deel van het geding dat betrekking heeft op het grondgebied van de lidstaat waarop de vordering wegens inbreuk voor de eerst aangezochte rechterlijke instantie ziet.
3)
Artikel 109, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 moet aldus worden uitgelegd dat niet langer is voldaan aan de aldaar gestelde voorwaarde inzake het bestaan van „dezelfde handelingen” wanneer de betrokken vorderingen niet langer een vermeende inbreuk op een nationaal merk en een gelijk Uniemerk op het grondgebied van dezelfde lidstaten betreffen, omdat een verzoekende partij op rechtsgeldige wijze gedeeltelijk heeft afgezien van een op een Uniemerk gebaseerde vordering wegens inbreuk die oorspronkelijk strekte tot het verbod van gebruik van dit merk op het grondgebied van de Europese Unie, waarbij een dergelijke afstand betrekking heeft op het grondgebied van de lidstaat waarop de vordering voor de eerst aangezochte rechterlijke instantie ziet, die is gebaseerd op een nationaal merk en strekt tot het verbod van gebruik van dit merk op het nationale grondgebied.
4)
Artikel 109, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 moet aldus worden uitgelegd dat bij gelijkheid van de merken de rechterlijke instantie waarbij de zaak het laatst is aangebracht zich enkel onbevoegd hoeft te verklaren ten gunste van de eerst aangezochte rechterlijke instantie voor zover die merken voor dezelfde waren of diensten gelden.
(1) PB C 279 van 1.8.2016.