21.8.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 277/16
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 juni 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Saale Kareda/Stefan Benkö
(Zaak C-249/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Artikel 7, punt 1 - Begrippen „verbintenissen uit overeenkomst” en „overeenkomst tot levering van diensten” - Regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst - Bepaling van de plaats van uitvoering van de kredietovereenkomst))
(2017/C 277/21)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Saale Kareda
Verwerende partij: Stefan Benkö
Dictum
1)
Artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het in die bepaling bedoelde begrip „verbintenissen uit overeenkomst” valt.
2)
Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een kredietovereenkomst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is gesloten tussen een kredietinstelling en twee hoofdelijke medeschuldenaren, moet worden aangemerkt als een in die bepaling bedoelde „overeenkomst voor de verstrekking van diensten”.
3)
Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een kredietinstelling een krediet heeft toegekend aan twee hoofdelijke medeschuldenaren, de „plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden” in de zin van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, de vestigingsplaats van deze instelling is, mede om de relatieve bevoegdheid te bepalen van de rechter bij wie de regresvordering wordt ingesteld.
(1) PB C 305 van 22.8.2016.