23.4.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 142/3
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 27 februari 2018 [verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court) — Verenigd Koninkrijk] — The Queen, op verzoek van: Western Sahara Campaign UK / Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs, Secretary of State for Environment, Food and Rural Affairs
(Zaak C-266/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko - Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden waarin bij deze overeenkomst is voorzien - Handelingen waarbij de sluiting van de overeenkomst en van het protocol wordt goedgekeurd - Verordeningen waarbij de in het protocol vastgestelde vangstmogelijkheden over de lidstaten worden verdeeld - Rechterlijke bevoegdheid - Uitlegging - Geldigheid uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU en van het volkenrecht - Toepasselijkheid van die overeenkomst en van dat protocol op het grondgebied van de Westelijke Sahara en op de wateren die daaraan grenzen))
(2018/C 142/03)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (England & Wales), Queen’s Bench Division (Administrative Court)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: The Queen, op verzoek van: Western Sahara Campaign UK
Verwerende partijen: Commissioners for Her Majesty’s Revenue & Customs, Secretary of State for Environment, Food and Rural Affairs
in tegenwoordigheid van: Confédération marocaine de l’agriculture et du développement rural (Comader)
Dictum
Aangezien noch de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, noch het Protocol tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, van toepassing is op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara, is bij het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening (EG) nr. 764/2006 van de Raad van 22 mei 2006 betreffende de sluiting van deze overeenkomst, besluit 2013/785/EU van de Raad van 16 december 2013 betreffende de sluiting van dit protocol of verordening (EU) nr. 1270/2013 van de Raad van 15 november 2013 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden krachtens dat protocol, aantasten uit het oogpunt van artikel 3, lid 5, VEU.
(1) PB C 260 van 18.7.2016.
Full & Egal Universal Law Academy