26.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 72/13
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy — Polen) — Polkomtel sp. z o.o. / Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej
(Zaak C-277/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Richtlijn 2002/21/EG - Artikelen 8 en 16 - Richtlijn 2002/19/EG - Artikelen 8 en 13 - Exploitant die is aangemerkt als onderneming met aanmerkelijke marktmacht - Prijscontrole - Door de nationale regelgevende instanties opgelegde verplichtingen - Verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen - Prijzen die lager worden vastgesteld dan de kosten die de betrokken exploitant maakt voor de levering van de afgiftedienst op mobiele netwerken - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 16 - Vrijheid van ondernemerschap - Evenredigheid))
(2018/C 072/16)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Najwyższy
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Polkomtel sp. z o.o.
Verwerende partij: Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej
in tegenwoordigheid van: Krajowa Izba Gospodarcza Elektroniki i Telekomunikacji
Dictum
1)
Artikel 8, lid 4, en artikel 13 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt, door een nationale regelgevende instantie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen wordt opgelegd, deze nationale regelgevende instantie met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor de diensten die door deze verplichting worden bestreken een prijs kan vaststellen op een niveau dat lager ligt dan de kosten die voor het verrichten van die diensten door deze exploitant worden gemaakt indien deze kosten hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
2)
Artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt en op wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen rust, kan verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en deze prijzen en de gegevens die deze prijzen onderbouwen voorafgaand aan de toepassing ervan ter toetsing aan haar voor te leggen, op voorwaarde dat dergelijke verplichtingen zijn gegrond op de aard van het vastgestelde probleem en evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
3)
Artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant op basis van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, deze exploitant kan worden verplicht zijn prijzen aan te passen voordat of nadat hij deze is gaan toepassen.
(1) PB C 335 van 12.9.2016.