12.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 52/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 december 2017 [verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk] — Avon Cosmetics Ltd / Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
(Zaak C-305/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Zesde richtlijn (77/388/EEG) - Artikel 11, A, lid 1, onder a) - Maatstaf van heffing - Artikel 17 - Recht op aftrek - Artikel 27 - Bijzondere afwijkende maatregelen - Beschikking 89/534/EEG - Verkoopsysteem op basis van goederenleveringen via niet-belastingplichtige personen - Belastingheffing over de normale waarde van het goed die wordt bepaald in het laatste stadium van de verkoop - Inaanmerkingneming van de door deze personen gedragen kosten])
(2018/C 052/08)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
First-tier Tribunal (Tax Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Avon Cosmetics Ltd
Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Dictum
1)
De artikelen 17 en 27 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/7/EG van de Raad van 20 januari 2004, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een van artikel 11, A, lid 1, onder a), van de Zesde richtlijn afwijkende maatregel als die in het hoofdgeding, die op grond van artikel 27 van deze richtlijn is toegestaan bij beschikking 89/534/EEG van de Raad van 24 mei 1989 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd om ten aanzien van bepaalde leveranties aan niet-belastingplichtige wederverkopers een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 11, [A, lid 1], onder a), van de Zesde richtlijn, en krachtens welke de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor een vennootschap voor directe verkoop gelijk is aan de normale waarde van de verkochte goederen in het stadium van het eindverbruik wanneer deze goederen worden verkocht via niet-belastingplichtige wederverkopers, ook al wordt in deze afwijkende maatregel niet op de een of andere manier rekening gehouden met de voldane voorbelasting over de demonstratieproducten die deze wederverkopers bij deze vennootschap aankopen.
2)
Bij het onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van beschikking 89/534 kunnen aantasten.
3)
Artikel 27 van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/7, moet aldus worden uitgelegd dat van de lidstaat die verzoekt om machtiging om af te wijken van artikel 11, A, lid 1, onder a), van deze richtlijn, niet wordt verlangd dat hij de Europese Commissie ervan in kennis stelt dat niet-belastingplichtige wederverkopers de btw dragen over de aankoop van voor hun economische activiteit gebruikte demonstratieproducten van een vennootschap voor directe verkoop, opdat met deze voldane voorbelasting op de een of andere manier rekening wordt gehouden in de uitvoeringsregels van de afwijkende maatregel.
(1) PB C 270 van 25.7.2016.