14.5.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 166/6
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 maart 2018 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Marc Jacob / Ministre des Finances et des Comptes publics (C-327/16), Ministre des Finances et des Comptes publics / Marc Lassus (C-421/16)
(Gevoegde zaken C-327/16 en C-421/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Directe belastingen - Vrijheid van vestiging - Fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten - Richtlijn 90/434/EEG - Artikel 8 - Aandelenruil - Meerwaarden uit deze transactie - Uitstel van belastingheffing - Minderwaarden bij de latere overdracht van de ontvangen effecten - Heffingsbevoegdheid van de woonstaat - Verschil in behandeling - Rechtvaardiging - Handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten))
(2018/C 166/07)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Marc Jacob (C-327/16), Ministre des Finances et des Comptes publics (C-421/16)
Verwerende partijen: Ministre des Finances et des Comptes publics (C-327/16), Marc Lassus (C-421/16)
Dictum
1)
Artikel 8 van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten, zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, aangepast bij besluit 95/1/EG, Euratom, EGKS van de Raad van de Europese Unie van 1 januari 1995, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de meerwaarde uit een onder deze richtlijn vallende effectenruil wordt vastgesteld naar aanleiding van die transactie, maar de belastingheffing erover wordt uitgesteld tot het jaar waarin de gebeurtenis plaatsvindt die een einde maakt aan dat belastinguitstel, in casu de overdracht van de bij de ruil ontvangen effecten.
2)
Artikel 8 van richtlijn 90/434, zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, aangepast bij besluit 95/1, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke over de meerwaarde uit een effectenruil waarvoor uitstel van belastingheffing is verleend, belasting wordt geheven bij de latere overdracht van de bij de ruil ontvangen effecten, ook al valt deze overdracht niet binnen de heffingsbevoegdheid van deze lidstaat.
3)
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, ingeval de latere overdracht van de bij de ruil ontvangen effecten niet binnen de heffingsbevoegdheid van deze lidstaat valt, naar aanleiding van deze overdracht belasting wordt geheven over de meerwaarde waarvoor uitstel van belastingheffing is verleend, zonder dat rekening wordt gehouden met een eventuele minderwaarde die bij deze overdracht is geleden, terwijl met een dergelijke minderwaarde wel rekening wordt gehouden wanneer de belastingplichtige effectenhouder zijn fiscale woonplaats in die lidstaat heeft op de datum van deze overdracht. Het staat aan de lidstaten om, met eerbiediging van het Unierecht en in casu inzonderheid van de vrijheid van vestiging, de nadere regels voor verrekening en berekening van deze minderwaarde vast te stellen.
(1) PB C 305 van 22.8.2016.
PB C 392 van 24.10.2016.
Full & Egal Universal Law Academy