12.11.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 408/5
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 13 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative — Luxemburg) — UBS Europe SE, voorheen UBS (Luxembourg) SA, Alain Hondequin e.a.
(Zaak C-358/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Richtlijn 2004/39/EG - Artikel 54, leden 1 en 3 - Omvang van de verplichting van nationale autoriteiten die financieel toezicht uitoefenen om het beroepsgeheim te eerbiedigen - Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er niet langer sprake is van toereikende beroepsintegriteit - Gevallen die onder het strafrecht vallen - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 47 en 48 - Rechten van de verdediging - Toegang tot het dossier))
(2018/C 408/03)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour administrative
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: UBS Europe SE, voorheen UBS (Luxembourg) SA, Alain Hondequin e.a.
in tegenwoordigheid van: DV, EU, Commission de surveillance du secteur financier (CSSF), Orde van advocaten bij de balie te Luxemburg
Dictum
Artikel 54 van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat:
—
de in artikel 1 en 3 van dit artikel opgenomen woorden „gevallen die onder het strafrecht […] vallen” niet zien op een situatie waarin de door de lidstaten voor de vervulling van de in deze richtlijn vastgelegde taken aangewezen autoriteiten een maatregel vaststellen waarmee zij, zoals het geval is bij de maatregel die in het hoofdgeding aan de orde is, een persoon verbieden om binnen een onder toezicht staande onderneming een bestuurs- of andere functie te vervullen die alleen met goedkeuring kan worden uitgeoefend en hem bevelen om al zijn functies zo snel mogelijk neer te leggen, omdat deze persoon niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake beroepsintegriteit van artikel 9 van deze richtlijn, welke maatregel behoort tot de maatregelen die de bevoegde autoriteiten moeten nemen bij de uitoefening van de bevoegdheden waarover zij krachtens de bepalingen van titel II van deze zelfde richtlijn beschikken. Voornoemde bepaling, waarin is bepaald dat de verplichting het beroepsgeheim te eerbiedigen bij wijze van uitzondering in een dergelijk geval buiten toepassing kan worden gelaten, heeft immers betrekking op de doorgifte of het gebruik van vertrouwelijke gegevens met het oog op overeenkomstig het nationale strafrecht ingestelde vervolgingen dan wel dienovereenkomstig opgelegde sancties;
—
de nakoming van de in lid 1 van dit artikel, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vastgelegde verplichting het beroepsgeheim te eerbiedigen, zodanig moet worden gewaarborgd en deze verplichting zodanig ten uitvoer moet worden gelegd dat de verdedigingsrechten op hiermee verenigbare wijze in acht worden genomen. Bijgevolg staat het aan de bevoegde nationale rechterlijke instantie om, wanneer een bevoegde autoriteit op grond van de genoemde verplichting weigert bij haar berustende informatie door te geven die niet is opgenomen in het dossier over de persoon tegen wie een bezwarende handeling is gericht, te toetsen of deze informatie objectief verband houdt met de tegen deze persoon geuite beschuldigingen en, indien dit zo is, het belang van de betrokken persoon om te beschikken over de noodzakelijke informatie waarmee zijn verdedigingsrechten ten volle kunnen worden uitgeoefend en de belangen verbonden aan de handhaving van de vertrouwelijkheid van informatie die valt onder de verplichting het beroepsgeheim te eerbiedigen, tegen elkaar af te wegen alvorens een besluit te nemen over de doorgifte van elk van de gevraagde gegevens.
(1) PB C 335 van 12.9.2016.
Full & Egal Universal Law Academy