4.9.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 293/11
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 juli 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Bayerische Motoren Werke AG/Acacia Srl
(Zaak C-433/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Intellectuele eigendom - Gemeenschapsmodellen - Verordening (EG) nr. 6/2002 - Artikelen 81 en 82 - Rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk - Bevoegdheid van de rechtbanken voor Gemeenschapsmodellen van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft])
(2017/C 293/15)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bayerische Motoren Werke AG
Verwerende partij: Acacia Srl
Dictum
1)
Artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een aan onbevoegdheid van de aangezochte rechter ontleende exceptie die in het eerste verweerschrift subsidiair ten opzichte van andere — in datzelfde geschrift opgeworpen — procedurele excepties is opgeworpen, niet kan worden aangemerkt als een aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter en bijgevolg niet leidt tot een bevoegdheidsaanwijzing krachtens dat artikel.
2)
Artikel 82 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, moet aldus worden uitgelegd dat rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van die verordening, in gevallen waarin de gedaagde zijn woonplaats heeft in een lidstaat van de Europese Unie, aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van die lidstaat, tenzij er sprake is van aanwijzing van bevoegdheid in de zin van artikel 23 of artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en onverminderd de in die verordeningen bedoelde gevallen van aanhangigheid en samenhang.
3)
De in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel is niet van toepassing op rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk, als bedoeld in artikel 81, onder b), van verordening nr. 6/2002.
4)
De in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 neergelegde bevoegdheidsregel is niet van toepassing op vorderingen tot vaststelling van misbruik van machtspositie en oneerlijke concurrentie die samenhangen met een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een Gemeenschapsmodel, voor zover toewijzing van deze vorderingen de voorafgaande toewijzing van deze rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk veronderstelt.
(1) PB C 410 van 7.11.2016.