26.2.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 72/24
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 20 december 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht -Oostenrijk) — Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen / Agrarmarkt Austria
(Zaak C-516/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van de markten - Operationeel programma in de sector groenten en fruit - Verordening (EG) nr. 1234/2007, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 361/2008 - Artikelen 103 ter, 103 quinquies en 103 octies - Financiële steun van de Europese Unie - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 - Artikel 60 en bijlage IX, punt 23 - Investeringen in bedrijven en/of bedrijfsruimten van de producentenorganisatie - Begrip - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid])
(2018/C 072/32)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Erzeugerorganisation Tiefkühlgemüse eGen
Verwerende partij: Agrarmarkt Austria
Dictum
1)
De verwijzing in punt 23 van bijlage IX bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft, naar investeringen „in […] bedrijven en/of bedrijfsruimten […] van de producentenorganisatie” moet aldus worden uitgelegd dat:
—
het loutere feit dat een investering in het kader van een operationeel programma als bedoeld in artikel 60, lid 1, van deze verordening is gedaan op een terrein dat eigendom is van een derde en niet van de betrokken producentenorganisatie, volgens de eerstgenoemde bepaling in beginsel geen grond is om de uitgaven die deze producentenorganisatie voor die investering heeft gedaan, niet voor steun in aanmerking te laten komen;
—
punt 23 van bijlage IX ziet op investeringen in bedrijven en/of bedrijfsruimten waarover deze producentenorganisatie zowel rechtens als feitelijk de uitsluitende zeggenschap heeft, zodat elk gebruik van deze investeringen ten behoeve van een derde is uitgesloten.
2)
Het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteit in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, enerzijds weigert het saldo te betalen van de financiële steun die door een producentenorganisatie was aangevraagd voor een investering die uiteindelijk op grond van punt 23 van bijlage IX bij uitvoeringsverordening nr. 543/2011 als niet-subsidiabel is aangemerkt en anderzijds deze producentenorganisatie verzoekt de reeds voor deze investering ontvangen steun terug te betalen.
3)
In omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het, bij gebreke van beperking van de werking in de tijd van het onderhavige arrest, zich er niet tegen verzet dat het rechtszekerheidsbeginsel in aanmerking wordt genomen om de terugvordering van onverschuldigd betaalde steun uit te sluiten, mits de gestelde voorwaarden dezelfde zijn als die voor de terugvordering van financiële prestaties met een zuiver nationaal karakter, ten volle met het belang van de Europese Unie rekening wordt gehouden en de goede trouw van de begunstigde is aangetoond.
(1) PB C 462 van 12.12.2016.