Zaak C-517/16: Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 30 mei 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Gdańsku — Polen) — Stefan Czerwiński/Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku (Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels — Verordening (EG) nr. 883/2004 — Materiële werkingssfeer — Artikel 3 — Verklaring van de lidstaten overeenkomstig artikel 9 — Brugpensioen — Kwalificatie — Wettelijke stelsels voor vervroegde uittreding — Uitsluiting van de regel van samentelling van de tijdvakken uit hoofde van artikel 66)
C2592018NL710120180530NL00087171
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 30 mei 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Apelacyjny w Gdańsku — Polen) — Stefan Czerwiński/Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku
(Zaak C-517/16) ( 1 )
„(Prejudiciële verwijzing — Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels — Verordening (EG) nr. 883/2004 — Materiële werkingssfeer — Artikel 3 — Verklaring van de lidstaten overeenkomstig artikel 9 — Brugpensioen — Kwalificatie — Wettelijke stelsels voor vervroegde uittreding — Uitsluiting van de regel van samentelling van de tijdvakken uit hoofde van artikel 66)”2018/C 259/08Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Apelacyjny w Gdańsku
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Stefan Czerwiński
Verwerende partij: Zakład Ubezpieczeń Społecznych Oddział w Gdańsku
Dictum
1)
De classificatie van een uitkering onder een van de in artikel 3 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels genoemde takken van sociale zekerheid door de bevoegde nationale autoriteit in de verklaring van een lidstaat krachtens artikel 9, lid 1, van deze verordening is niet definitief. Een uitkering kan door de betrokken nationale rechterlijke instantie autonoom en op basis van de constitutieve elementen ervan worden gekwalificeerd. In voorkomend geval kan aan het Hof een prejudiciële vraag worden gesteld.
2)
Een uitkering als aan de orde in het hoofdgeding moet worden beschouwd als een uitkering bij ouderdom in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 883/2004.
( 1 ) PB C 22 van 23.1.2017.
Full & Egal Universal Law Academy