Zaak C-525/16: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão — Portugal) — MEO — Serviços de Comunicações e Multimédia SA/Autoridade da Concorrência [Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Misbruik van machtspositie — Artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU — Begrip „nadeel bij de mededinging” — Discriminerende prijzen op de stroomafwaartse markt — Vennootschap voor het beheer van de naburige rechten van het auteursrecht — Vergoeding verschuldigd door nationale leveranciers van betaaldiensten voor het uitzenden van televisiesignalen en de inhoud ervan]
C2002018NL720120180419NL00087282
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão — Portugal) — MEO — Serviços de Comunicações e Multimédia SA/Autoridade da Concorrência
(Zaak C-525/16) ( 1 )
„[Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Misbruik van machtspositie — Artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU — Begrip „nadeel bij de mededinging” — Discriminerende prijzen op de stroomafwaartse markt — Vennootschap voor het beheer van de naburige rechten van het auteursrecht — Vergoeding verschuldigd door nationale leveranciers van betaaldiensten voor het uitzenden van televisiesignalen en de inhoud ervan]”2018/C 200/08Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: MEO — Serviços de Comunicações e Multimédia SA
Verwerende partij: Autoridade da Concorrência
in tegenwoordigheid van: GDA — Cooperativa de Gestão dos Direitos dos Artistas Intérpretes ou Executantes, CRL
Dictum
Het begrip „nadeel bij de mededinging” in de zin van artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het, in het geval waarin een onderneming met een machtspositie discriminerende prijzen toepast op haar handelspartners op de stroomafwaartse markt, ziet op de situatie waarin deze gedraging een verstoring van de mededinging tussen deze handelspartners tot gevolg kan hebben. Voor de vaststelling van een dergelijk „nadeel bij de mededinging” is geen bewijs van een daadwerkelijke en kwantificeerbare verslechtering van de mededingingspositie vereist, maar die vaststelling moet worden gebaseerd op een analyse van alle relevante omstandigheden van het concrete geval die de slotsom rechtvaardigt dat die gedraging invloed heeft op de kosten, winsten, of enig ander relevant belang van een of meer van voornoemde partners, zodat deze gedraging die mededingingspositie kan aantasten.
( 1 ) PB C 14 van 16.1.2017.
Full & Egal Universal Law Academy