10.9.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 319/3
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 juli 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas — Litouwen) — „Spika” UAB, „Senoji Baltija” AB, „Stekutis” UAB, „Prekybos namai Aistra” UAB/Žuvininkystės tarnyba prie Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerijos
(Zaak C-540/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk visserijbeleid - Verordening (EU) nr. 1380/2013 - Artikel 16, lid 6, en artikel 17 - Toewijzing van vangstmogelijkheden - Nationale wetgeving die voorziet in een op objectieve en transparante criteria berustende methode - Ongelijke concurrentievoorwaarden tussen marktdeelnemers - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 16 en 20 - Vrijheid van ondernemerschap - Gelijke behandeling - Evenredigheid])
(2018/C 319/03)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen:„Spika” UAB, „Senoji Baltija” AB, „Stekutis” UAB, „Prekybos namai Aistra” UAB
Verwerende partij: Žuvininkystės tarnyba prie Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerijos
in tegenwoordigheid van: Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerija, „Sedija” BUAB, V. Malinausko gamybinė-komercinė firma „Stilma”, „Starkis” UAB, „Banginis” UAB, „Baltijos šprotai” UAB, „Monistico” UAB, „Ramsun” UAB, „Rikneda” UAB, „Laivitė” AB, „Baltijos jūra” UAB, „Baltlanta” UAB, „Grinvita” UAB, „Strimelė” UAB, „Baltijos žuvys” BUAB
Dictum
Artikel 16, lid 6, en artikel 17 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, en de artikelen 16 en 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij deze lidstaat een methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden vaststelt die, ook al is deze gebaseerd op een transparant en objectief verdelingscriterium, kan leiden tot een ongelijke behandeling van marktdeelnemers die beschikken over vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, voor zover die methode één of meerdere door de Europese Unie erkende algemene belangen nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.
(1) PB C 6 van 9.1.2017.
Full & Egal Universal Law Academy