8.1.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 5/13
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 9 november 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — „Wind Inovation 1” EOOD, in liquidatie / Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia
(Zaak C-552/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Ontbinding van een vennootschap leidend tot schrapping uit het register inzake belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Verplichting de btw over de aanwezige activa te berekenen en de berekende btw aan de staat af te dragen - Handhaving of wijziging van de wet die ten tijde van toetreding tot de Europese Unie bestond - Artikel 176, tweede alinea - Gevolgen voor het recht op aftrek - Artikel 168))
(2018/C 005/17)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Wind Inovation 1” EOOD, in liquidatie
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia
Dictum
1)
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen nationale wetgeving op grond waarvan verplichte schrapping uit het register inzake belasting over de toegevoegde waarde („btw”) van een vennootschap waarvan de ontbinding bij rechterlijke beslissing is gelast, de verplichting met zich brengt de op het moment van ontbinding van deze vennootschap over de aanwezige activa verschuldigde btw of reeds voldane voorbelasting te berekenen en de te betalen belasting aan de staat over te maken, op voorwaarde dat zij vanaf haar ontbinding geen economische werkzaamheden meer verricht.
2)
Richtlijn 2006/112, en in het bijzonder artikel 168 daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen nationale wetgeving zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan verplichte schrapping uit het btw-register van een vennootschap waarvan de ontbinding bij rechterlijke beslissing is gelast, de verplichting met zich brengt de op het moment van deze ontbinding over de aanwezige activa verschuldigde btw of reeds voldane voorbelasting te berekenen en de te betalen belasting aan de staat over te maken, zelfs indien deze vennootschap in de loop van haar liquidatieprocedure economische werkzaamheden blijft verrichten, en welke nationale wetgeving het recht op aftrek aldus afhankelijk stelt van deze verplichting.
(1) PB C 22 van 23.1.2017.