17.9.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 328/5
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 25 juli 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — „ТТL” ЕООD / Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia
(Zaak C-553/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Vrij verrichten van diensten - Vennootschapsbelasting - Betalingen die een ingezeten vennootschap aan niet-ingezeten vennootschappen verricht voor de huur van ketelwagens - Verplichting tot inhouding van een bronbelasting over de binnenlandse inkomsten die aan een niet-ingezeten vennootschap worden uitgekeerd - Niet-nakoming - Verdragen ter voorkoming van dubbele belasting - Heffing van vertragingsrente bij de ingezeten vennootschap wegens niet-betaling van de bronbelasting - Rente verschuldigd vanaf het verstrijken van de wettelijke betalingstermijn tot de datum van overlegging van het bewijs van toepasselijkheid van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting - Niet-terugvorderbare rente))
(2018/C 328/06)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„ТТL” ЕООD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i danachno-osiguritelna praktika” — Sofia
in tegenwoordigheid van: Varhovna administrativna prokuratura
Dictum
Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, volgens welke de betaling van inkomsten door een ingezeten vennootschap aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap in beginsel is onderworpen aan een bronbelasting, tenzij anders is bepaald in het tussen die twee lidstaten gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, indien deze regeling bepaalt dat de ingezeten vennootschap die deze bronbelasting heft noch doorstort aan de belastingautoriteiten van eerstbedoelde lidstaat, niet-terugvorderbare vertragingsrente moet betalen voor de periode tussen het verstrijken van de termijn voor betaling van de inkomstenbelasting en de datum waarop de niet-ingezeten vennootschap bewijst dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, ook wanneer overeenkomstig dat verdrag de niet-ingezeten vennootschap in eerstbedoelde lidstaat geen belasting verschuldigd is of het bedrag ervan lager is dan het bedrag dat normaal gesproken verschuldigd zou zijn overeenkomstig het belastingrecht van die lidstaat.
(1) PB C 22 van 23.1.2017.
Full & Egal Universal Law Academy