Zaak C-565/16: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Eirinodikeio Lerou Leros — Griekenland) — procedure ingeleid door Alessandro Saponaro, Kalliopi-Chloi Xylina [Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat waar een verzoek tot machtiging om een nalatenschap namens een minderjarig kind te verwerpen is ingediend — Bevoegdheid in ouderlijke zaken — Prorogatie van rechtsmacht — Artikel 12, lid 3, onder b) — Aanvaarding van de bevoegdheid — Voorwaarden]
C2002018NL1010120180419NL0012101112
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Eirinodikeio Lerou Leros — Griekenland) — procedure ingeleid door Alessandro Saponaro, Kalliopi-Chloi Xylina
(Zaak C-565/16) ( 1 )
„[Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat waar een verzoek tot machtiging om een nalatenschap namens een minderjarig kind te verwerpen is ingediend — Bevoegdheid in ouderlijke zaken — Prorogatie van rechtsmacht — Artikel 12, lid 3, onder b) — Aanvaarding van de bevoegdheid — Voorwaarden]”2018/C 200/12Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Eirinodikeio Lerou Leros
Partijen in het hoofdgeding
Alessandro Saponaro, Kalliopi-Chloi Xylina
Dictum
In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, moet artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, aldus worden uitgelegd dat:
—
uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;
—
het openbaar ministerie, dat volgens het nationale recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan het akkoord van die partij worden geacht impliciet te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en
—
uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke aan gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.
( 1 ) PB C 22 van 23.1.2017.
Full & Egal Universal Law Academy