17.9.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 328/6
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 juli 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Serin Alheto / Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite
(Zaak C-585/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming - Normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten - Richtlijn 2011/95/EU - Artikel 12 - Uitsluiting van de vluchtelingenstatus - Personen die zijn geregistreerd bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) - Bestaan van een „eerste land van asiel” voor een Palestijnse vluchteling in het gebied waar de UNRWA opereert - Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning van de internationale bescherming - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 46 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Volledig en ex nunc onderzoek - Omvang van de bevoegdheden van de rechter in eerste aanleg - Onderzoek door de rechter van de behoeften aan internationale bescherming - Onderzoek van de gronden van niet-ontvankelijkheid])
(2018/C 328/07)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Serin Alheto
Verwerende partij: Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite
Dictum
1)
Artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een persoon die bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) is geregistreerd, onderzoek vereist naar de vraag of deze persoon daadwerkelijk bescherming of bijstand van deze organisatie geniet, op voorwaarde dat dit verzoek eerder niet is afgewezen op basis van een niet-ontvankelijkheidsgrond of een andere uitsluitingsgrond dan die welke is genoemd in artikel 12, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2011/95.
2)
Artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, en artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 moeten aldus worden uitgelegd dat:
—
zij zich verzetten tegen een nationale regeling die niet voorziet in de reden van beëindiging van de toepassing van de grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus als genoemd in die bepalingen, dan wel deze onjuist omzet;
—
zij rechtstreekse werking hebben, en
—
zij kunnen worden toegepast, zelfs indien de persoon die om internationale bescherming verzoekt zich hier niet uitdrukkelijk op heeft beroepen.
3)
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instantie van een lidstaat waarbij in eerste aanleg een beroep tegen een beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming is ingediend, verplicht is zowel de elementen, feitelijk en rechtens, zoals de toepasselijkheid van artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/95 op de situatie van de verzoeker, waarmee het orgaan dat deze beslissing heeft genomen rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als de elementen die zich na de vaststelling van die beslissing hebben aangediend, te onderzoeken.
4)
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als de juridische gronden tevens betrekking kan hebben op de in artikel 33, lid 2, van deze richtlijn bedoelde gronden van niet-ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming, wanneer het nationale recht dit toestaat, en dat, in het geval de rechterlijke instantie waarbij het beroep aanhangig is voornemens is een grond van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken die niet is onderzocht door de beslissingsautoriteit, zij de verzoeker moet horen zodat hij, in een taal die hij beheerst, zijn standpunt over de toepasselijkheid van deze grond op zijn specifieke situatie kan uiteenzetten.
5)
Artikel 35, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2013/32 moet aldus worden uitgelegd dat een persoon die bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) is geregistreerd, indien hij daadwerkelijk bescherming of bijstand van deze organisatie geniet in een derde land dat niet overeenkomt met het grondgebied waar hij normaliter verblijft maar dat deel uitmaakt van het operationele gebied van deze organisatie, moet worden geacht voldoende bescherming te genieten in dit derde land, in de zin van deze bepaling, wanneer dit:
—
zich ertoe verbindt om de belanghebbende weer toe te laten nadat deze zijn grondgebied heeft verlaten teneinde om internationale bescherming te verzoeken in de Europese Unie, en
—
deze bescherming of bijstand van de UNRWA erkent en het beginsel van non-refoulement toepast, waardoor de belanghebbende veilig en in waardige leefomstandigheden op zijn grondgebied kan verblijven, zolang de op het grondgebied van de gebruikelijke verblijfplaats gelopen risico’s dit noodzakelijk maken.
6)
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het geen gemeenschappelijke procedurenormen instelt met betrekking tot de bevoegdheid tot vaststelling van een nieuwe beslissing inzake een verzoek om internationale bescherming, nadat de oorspronkelijke beslissing op dit verzoek door de rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld, is nietig verklaard. De noodzaak om een nuttige werking van artikel 46, lid 3, van deze richtlijn te verzekeren en een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten te waarborgen vereist echter dat, in geval van verwijzing van het dossier naar het semi-rechterlijke of administratieve orgaan in de zin van artikel 2, onder f), van de richtlijn, binnen een korte termijn een nieuwe beslissing wordt vastgesteld die in overeenstemming is met de beoordeling in het vonnis waarbij nietigverklaring is uitgesproken.
(1) PB C 46 van 13.2.2017.
Full & Egal Universal Law Academy