8.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 144/13
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 7 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen — België) — X, X/Belgische Staat
(Zaak C-638/16 PPU) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 810/2009 - Artikel 25, lid 1, onder a) - Visum met territoriaal beperkte geldigheid - Afgifte van een visum op humanitaire gronden of ter nakoming van internationale verplichtingen - Begrip „internationale verplichtingen” - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - Verdrag van Genève - Afgifte van een visum bij een vaststaand risico op schending van de artikelen 4 en/of 18 van het Handvest van de grondrechten - Geen verplichting])
(2017/C 144/18)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: X, X
Verwerende partij: Belgische Staat
Dictum
Artikel 1 van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (visumcode), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013, moet aldus worden uitgelegd dat een aanvraag voor een visum met territoriaal beperkte geldigheid die een onderdaan van een derde land om humanitaire redenen op grond van artikel 25 van die code heeft ingediend bij de vertegenwoordiging van de lidstaat van bestemming op het grondgebied van een derde land, met de bedoeling bij zijn aankomst in deze lidstaat een verzoek om internationale bescherming in te dienen en bijgevolg in die lidstaat meer dan 90 dagen te verblijven binnen een periode van 180 dagen, niet binnen de werkingssfeer van de visumcode valt, maar naar de huidige stand van het Unierecht enkel onder het nationale recht valt.
(1) PB C 38 van 6.2.2017.