3.12.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 436/4
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 oktober 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Nigyar Rauf Kaza Ahmedbekova, Rauf Emin Ogla Ahmedbekov / Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite
(Zaak C-652/16) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming - Normen voor de erkenning van derdelanders of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten - Richtlijn 2011/95/EU - Artikelen 3, 4, 10 en 23 - Verzoeken om internationale bescherming die afzonderlijk zijn ingediend door leden van hetzelfde gezin - Individuele beoordeling - In aanmerking nemen van bedreigingen jegens het ene gezinslid in het kader van de individuele beoordeling van het verzoek van een ander gezinslid - Gunstiger normen die door de lidstaten kunnen worden gehandhaafd of vastgesteld teneinde asiel of subsidiaire bescherming uit te breiden tot de gezinsleden van degene die internationale bescherming geniet - Beoordeling van de gronden van vervolging - Deelname van een Azerbeidzjaans staatsburger aan het indienen van een klacht tegen zijn land bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Gemeenschappelijke procedureregels - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 46 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Volledig en ex nunc onderzoek - Gronden van vervolging of feitelijke gegevens die zijn verzwegen voor de beslissingsautoriteit maar zijn aangevoerd in het kader van het rechtsmiddel tegen de door die autoriteit gegeven beslissing))
(2018/C 436/04)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Nigyar Rauf Kaza Ahmedbekova, Rauf Emin Ogla Ahmedbekov
Verwerende partij: Zamestnik-predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite
Dictum
1)
Artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat in het kader van de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming rekening moet worden gehouden met de bedreigingen met vervolging en ernstige schade jegens een gezinslid van de verzoeker, teneinde te bepalen of laatstgenoemde wegens zijn familieband met die bedreigde persoon zelf aan dergelijke bedreigingen wordt blootgesteld.
2)
Richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat op de door de leden van één gezin afzonderlijk ingediende verzoeken om internationale bescherming maatregelen worden toegepast in verband met de eventuele samenhang ervan, maar zich er wel tegen verzetten dat deze verzoeken gezamenlijk worden beoordeeld. Zij verzetten zich er tevens tegen dat de beoordeling van een van die verzoeken wordt geschorst totdat de behandelingsprocedure van een van die andere verzoeken is beëindigd.
3)
Artikel 3 van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat te bepalen dat, ingeval krachtens de bij deze richtlijn ingestelde regeling internationale bescherming wordt verleend aan een gezinslid, het genot van deze bescherming wordt uitgebreid tot andere gezinsleden, mits zij niet onder een van de in artikel 12 van deze richtlijn genoemde uitsluitingsgronden vallen en hun situatie, wegens de behoefte om het gezin in stand te houden, een verband vertoont met de logica van de internationale bescherming.
4)
De in artikel 33, lid 2, onder e), van richtlijn 2013/32 geformuleerde grond van niet-ontvankelijkheid ziet niet op een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin een meerderjarige voor zichzelf en voor zijn minderjarige kind een verzoek om internationale bescherming indient dat met name is gebaseerd op het bestaan van een gezinsband met een andere persoon, die afzonderlijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
5)
De deelname van de persoon die om internationale bescherming verzoekt aan het indienen van een klacht tegen zijn land van herkomst bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan in het kader van de beoordeling van de in artikel 10 van richtlijn 2011/95 genoemde vervolgingsgronden in beginsel niet worden beschouwd als bewijs dat deze verzoeker tot een „bepaalde sociale groep” behoort in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), maar moet worden beschouwd als een grond van vervolging wegens „politieke overtuiging” in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), indien er gegronde redenen zijn voor vrees dat de deelname aan het indienen van die klacht door dat land wordt gezien als een handeling van politieke dissidentie waartegen het land zou kunnen overwegen represaillemaatregelen te nemen.
6)
Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met de verwijzing in artikel 40, lid 1, van deze richtlijn naar de beroepsprocedure, moet aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen een beslissing tot weigering van internationale bescherming, gronden voor de verlening van internationale bescherming of feitelijke gegevens die weliswaar betrekking hebben op gebeurtenissen of bedreigingen die zich zouden hebben voorgedaan vóór de vaststelling van die weigeringsbeslissing of zelfs vóór de indiening van het verzoek om internationale bescherming, maar die voor het eerst zijn aangevoerd tijdens de beroepsprocedure, als zijnde „nadere verklaringen” en na de beslissingsautoriteit te hebben verzocht deze te onderzoeken, in beginsel dient te beoordelen. Deze rechterlijke instantie is daartoe echter niet gehouden indien zij constateert dat deze gronden of gegevens in een te late fase van de beroepsprocedure zijn aangevoerd of niet op een voldoende concrete wijze zijn ingediend om naar behoren te worden onderzocht, of ook, wanneer het gaat om feitelijke gegevens, indien zij constateert dat deze niet van betekenis zijn of zich niet voldoende onderscheiden van de gegevens waarmee de beslissingsautoriteit reeds rekening heeft kunnen houden.
(1) PB C 86 van 20.3.2017.
Full & Egal Universal Law Academy