Zaak C-683/16: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Köln — Duitsland) — Deutscher Naturschutzring, Dachverband der deutschen Natur- und Umweltschutzverbände e.V. / Bundesrepublik Deutschland [Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk visserijbeleid — Verordening (EU) nr. 1380/2013 — Artikel 11 — Instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee — Milieubescherming — Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna — Exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie]
C2762018NL420120180613NL00064252
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juni 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Köln — Duitsland) — Deutscher Naturschutzring, Dachverband der deutschen Natur- und Umweltschutzverbände e.V. / Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-683/16) ( 1 )
„[Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk visserijbeleid — Verordening (EU) nr. 1380/2013 — Artikel 11 — Instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee — Milieubescherming — Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna — Exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie]”2018/C 276/06Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Köln
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Deutscher Naturschutzring, Dachverband der deutschen Natur- und Umweltschutzverbände e.V.
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Dictum
1)
Artikel 11, lid 1, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad dient aldus te worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat voor onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende wateren de maatregelen neemt die noodzakelijk zijn voor de nakoming van zijn verplichtingen op grond van artikel 6 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en waarmee in Natura 2000-gebieden beroepsmatige zeevisserij door middel van vistuig dat de zeebodem raakt en door middel van geankerde kieuwnetten volledig wordt verboden, voor zover dergelijke maatregelen gevolgen hebben voor de vissersvaartuigen die de vlag voeren van andere lidstaten.
2)
Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 1380/2013 dient aldus te worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat voor onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende wateren maatregelen als die in het hoofdgeding neemt, die noodzakelijk zijn om hem in staat te stellen zijn verplichtingen na te komen die voortvloeien uit richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade.
( 1 ) PB C 104 van 3.4.2017.
Full & Egal Universal Law Academy