19.9.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 343/18
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal — Ierland) — M. H./M. H.
(Zaak C-173/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Geen redelijke twijfel - Rechterlijke bevoegdheid in huwelijkszaken - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Artikel 16, lid 1, onder a) - Bepaling van het tijdstip waarop een zaak bij een gerecht aanhangig is gemaakt - Begrip „tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend”])
(2016/C 343/28)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: M. H.
Verwerende partij: M. H.
Dictum
Artikel 16, lid 1, onder a) van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat het „tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend”, in de zin van deze bepaling, het tijdstip is waarop deze indiening bij het betrokken gerecht plaatsvindt, zelfs indien de zaak hierdoor overeenkomstig het nationale recht nog niet onmiddellijk een aanvang neemt.
(1) PB C 211 van 13.6.2016.