CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 9 maart 2017 ( 1 )
Zaak C‑80/16
ArcelorMittal Atlantique et Lorraine
tegen
Ministre de l’Écologie, du Développement durable et de l’Énergie
[verzoek van de Tribunal administratif de Montreuil (bestuursrechter Montreuil, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Milieu – Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten – Richtlijn 2003/87/EG – Overgangsregelingen – Besluit 2011/278/EU – Geldigheid – Methode voor de kosteloze toewijzing van emissierechten – Staalsector – Benchmarks voor vloeibaar ruwijzer en gesinterd erts – Opwekking van elektriciteit uit afvalgassen – Gebruik van de meest nauwkeurige en actuele gegevens – Meest efficiënte installaties – Motiveringsplicht”
1.
In deze zaak gaat het om de Unieregeling voor de handel in emissierechten die bij richtlijn 2003/87/EG werd ingevoerd. ( 2 ) Met name vanwege de betrokken financiële belangen zijn talloze aspecten van deze regeling het voorwerp geweest van zaken bij de Unierechters. ( 3 ) De onderhavige prejudiciële verwijzing betreft de geldigheid van besluit 2011/278/EU ( 4 ), dat krachtens deze richtlijn is vastgesteld. De vragen die aan het Hof zijn voorgelegd, betreffen het ingewikkelde vraagstuk van de passende methode die door de Commissie moet worden toegepast voor het vaststellen van voor de hele Unie geldende benchmarks voor de kosteloze toewijzing van emissierechten in de staalsector voor de periode 2013‑2020.
2.
De verwijzende rechter vraagt het Hof meer in het bijzonder om te verduidelijken of de Commissie bij de vaststelling van de relevante benchmarks 1) heeft kunnen besluiten om niet het totaal van de emissies die verband houden met het gebruik van hergebruikte afvalgassen voor de opwekking van elektriciteit op te nemen in de benchmark voor vloeibaar ruwijzer; 2) zich voor de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer heeft kunnen baseren op de „BREF-documenten” ( 5 ) voor de productie van ijzer en staal en op beschikking 2007/589/EG ( 6 ); 3) een zowel gesinterd erts als pellets producerende fabriek heeft kunnen opnemen bij de referentie-installaties voor de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts, en ten slotte 4) zo te werk heeft kunnen gaan zonder een specifieke motivering daarvoor te geven.
3.
Op het eerste gezicht zijn de prejudiciële vragen zeer technisch van aard. Dat mag echter geen reden zijn om het belang van deze vragen uit het oog te verliezen. Enerzijds vormt de regeling voor de handel in emissierechten die bij richtlijn 2003/87 is ingevoerd, in de huidige context van klimaatverandering, onmiskenbaar de hoeksteen van het milieubeleid van de Unie. ( 7 ) In het warmste jaar ooit gemeten, waarin wetenschappers onder meer hebben gemeld dat het poolijs in de Noordelijke IJszee nog nooit zo laag is geweest, kan het belang van de gestelde vragen anderzijds nauwelijks worden overschat.
4.
Hierna leg ik uit om welke reden ik van opvatting ben dat de Commissie de in besluit 2011/278 bedoelde benchmarks in overeenstemming met richtlijn 2003/87 heeft vastgesteld.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2003/87
5.
Artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 voorziet in de kosteloze toewijzing van emissierechten gedurende de overgangsperiode 2013‑2020. De leden 1 tot en met 3, 6 en 12 daarvan luiden:
„1. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2010 volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Gemeenschap vast voor het toewijzen van de in de leden 4, 5, 7 en 12 bedoelde emissierechten, alsmede de maatregelen die voor een geharmoniseerde toepassing van lid 19 van dit artikel nodig mochten zijn.
Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Gemeenschap geldende ex-antebenchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. Er wordt geen kosteloze toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 10 quater en voor met rookgassen opgewekte elektriciteit.
Voor elke bedrijfstak en deeltak wordt de benchmark in principe eerder berekend op basis van het product dan op basis van de inputs, teneinde te zorgen voor een zo groot mogelijke reductie van de broeikasgasemissies en een zo groot mogelijke energiebezuiniging in het hele productieproces van de betrokken bedrijfstak of deeltak.
Bij het bepalen van de grondslagen voor het vaststellen van ex-antebenchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken en deeltakken, raadpleegt de Commissie de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken bedrijfstakken en deeltakken.
De Commissie toetst, zodra de Gemeenschap haar goedkeuring heeft gehecht aan een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die verplichte reducties van de emissies van broeikasgassen oplegt die vergelijkbaar zijn met die van de Gemeenschap, deze maatregelen om ervoor te zorgen dat kosteloze toewijzing alleen plaatsvindt wanneer deze in het licht van die overeenkomst volledig gerechtvaardigd is.
2. Bij de vaststellingen van de beginselen voor de bepaling van ex-antebenchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken of deeltakken wordt uitgegaan van de gemiddelde emissieprestaties van de 10 % meest efficiënte installaties in een bedrijfstak of deeltak in de Gemeenschap gedurende de periode 2007‑2008. De Commissie raadpleegt de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken bedrijfstakken en deeltakken.
De overeenkomstig de artikelen 14 en 15 vastgestelde verordeningen zorgen voor geharmoniseerde voorschriften inzake bewaking, rapportage en verificatie van productiegerelateerde broeikasgasemissies, met het oog op de vaststelling van de ex-antebenchmarks.
3. Met inachtneming van de leden 4 en 8, en van artikel 10 quater, wordt geen kosteloze toewijzing gegeven aan elektriciteitsopwekkers, installaties voor het afvangen van CO2, pijpleidingen voor het vervoer van CO2 of CO2-opslagplaatsen.
[...]
6. De lidstaten kunnen ook financiële maatregelen vaststellen ten behoeve van bedrijfstakken of deeltakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies, ten einde deze kosten te compenseren, en wanneer deze financiële maatregelen in overeenstemming zijn met de ter zake geldende of vast te stellen regels inzake overheidssteun.
[...]
12. [...] in 2013 en in elk daaropvolgend jaar tot en met 2020, [worden] overeenkomstig lid 1, aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, kosteloos emissierechten toegewezen voor 100 % van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maatregelen.”
B. Besluit 2011/278
6.
De Commissie heeft de in artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 bedoelde productbenchmarks vastgesteld in besluit 2011/278. Om de methode te begrijpen die is toegepast voor de vaststelling van de bestreden benchmarks voor gesinterd erts en vloeibaar ruwijzer, zijn de volgende overwegingen van bijzonder belang. Zij luiden (zonder voetnoten):
„(2)
Bij het definiëren van de beginselen voor het bepalen van de ex-antebenchmarks in individuele bedrijfstakken of deeltakken moet het uitgangspunt de gemiddelde prestatie van de 10 % meest efficiënte installaties van een bedrijfstak of deeltak in de Europese Unie in de periode 2007‑2008 zijn. [...]
[...]
(4)
Voor zover dit haalbaar was, heeft de Commissie benchmarks ontwikkeld voor producten, alsook tussenproducten die tussen installaties worden verhandeld en die geproduceerd worden middels activiteiten opgesomd in bijlage I van de richtlijn 2003/87/EG. [...] Een product dat een rechtstreeks vervangingsproduct is van een ander product, moet onder dezelfde benchmark en bijhorende productdefinitie vallen.
[...]
(6)
De benchmarkwaarden moeten alle met productie verbonden directe emissies omvatten, met inbegrip van emissies verbonden aan de opwekking van voor de productie gebruikte meetbare warmte, ongeacht of de meetbare warmte wordt opgewekt op de locatie zelf of door een andere installatie. Aan de opwekking van elektriciteit en de uitvoer van meetbare warmte verbonden emissies, met inbegrip van vermeden emissies van alternatieve warmte- of elektriciteitsopwekking in het geval van exotherme processen of de opwekking van elektriciteit zonder directe emissies, werden bij de vaststelling van de benchmarkwaarden in mindering gebracht. [...]
(7)
Om te garanderen dat de benchmarks leiden tot een reductie van de broeikasgasemissies, is in het geval van bepaalde productieprocessen waarbij voor kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komende directe emissies en krachtens richtlijn 2003/87/EG niet voor kosteloze toewijzing in aanmerking komende indirecte emissies van de elektriciteitsopwekking in bepaalde mate inwisselbaar zijn, het totaal van de emissies – met inbegrip van aan de opwekking van elektriciteit verbonden indirecte emissies – in aanmerking genomen voor de bepaling van de benchmarkwaarden, teneinde gelijke concurrentievoorwaarden te verzekeren voor brandstof- en elektriciteitsintensieve installaties. Voor de toewijzing van emissierechten op basis van de betrokken benchmarks mag enkel het aandeel van de directe emissies in het geheel van de emissies in aanmerking worden genomen om te vermijden dat kosteloos emissierechten worden toegewezen voor aan elektriciteitsopwekking verbonden emissies.
(8)
Voor de bepaling van de benchmarkwaarden heeft de Commissie als uitgangspunt het rekenkundig gemiddelde gebruikt van de broeikasgasprestaties van de 10 % meest broeikasgasefficiënte installaties in de periode 2007‑2008 waarvan gegevens werden verzameld. Bovendien heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG voor alle bedrijfstakken waarvoor in bijlage I in een productbenchmark wordt voorzien, op basis van bijkomende uit verschillende bronnen verkregen informatie en op basis van een specifieke analyse van de meest efficiënte technieken en het reductiepotentieel op Europees en internationaal niveau, onderzocht of deze uitgangspunten de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocessen, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, efficiënte terugwinning van energie uit afvalgassen, gebruik van biomassa en opvang en opslag van koolstofdioxide, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, voldoende weerspiegelen. De voor de bepaling van de benchmarkwaarden gebruikte gegevens werden verzameld uit een breed scala van bronnen om een zo groot mogelijk aantal in 2007 en 2008 benchmarkproducten producerende installaties te bestrijken. Ten eerste werden gegevens over de broeikasgasprestaties van ETS-installaties die benchmarkproducten produceren verzameld door of ten behoeve van de betrokken Europese brancheverenigingen op basis van bepaalde regels, de zogenoemde ‚sectorale regels’. Als ijkpunt voor deze regels heeft de Commissie richtsnoeren opgesteld over de kwaliteits- en verificatiecriteria voor benchmarkgegevens inzake de regeling voor de emissierechtenhandel in de Unie (EU-ETS). Ten tweede hebben consultants, om de gegevensverzameling door de Europese brancheverenigingen aan te vullen, ten behoeve van de Commissie gegevens verzameld van installaties die niet vallen onder de gegevens van het bedrijfsleven; ook de bevoegde autoriteiten van de lidstaten leverden gegevens en analysen.
[...]
(10)
Wanneer installaties meer dan één product produceerden en een toewijzing van emissies aan de individuele producten niet haalbaar werd geacht, werden enkel installaties met één enkel product opgenomen in de gegevensverzameling en de benchmarkbepaling. Het betreft productbenchmarks voor kalk, gebrand dolomiet, flessen en potten in kleurloos glas, flessen en potten in gekleurd glas, bekledingsstenen, vloerstenen, gesproeidroogd poeder, ongecoat fijnpapier, kristalpapier, testliner en golfblad, alsook zowel gecoat als ongecoat karton. Om de betrouwbaarheid te vergroten en de aannemelijkheid van de resultaten te controleren, werden de waarden van de gemiddelde prestatie van de 10 % meest efficiënte installaties vergeleken met literatuur over de meest efficiënte technieken.
(11)
Ingeval er geen gegevens of geen in overeenstemming met de benchmarkmethodologie verzamelde gegevens beschikbaar waren, werd informatie over de huidige emissie- en consumptieniveaus en over de meest efficiënte technieken, voornamelijk ontleend aan de [BREF’s] die opgesteld werden overeenkomstig richtlijn 2008/1/EG [...], gebruikt om de benchmarkwaarden af te leiden. Wegens een gebrek aan gegevens over de behandeling van afvalgassen, de uitvoer van warmte en de opwekking van elektriciteit, werden met name de productbenchmarkwaarden voor cokes en vloeibaar ruwijzer afgeleid uit berekeningen van de directe en indirecte emissies op basis van aan het betrokken BREF ontleende informatie over de relevante energiestromen en standaardemissiefactoren als vermeld in beschikking 2007/589/EG [...]. Voor de productbenchmark voor gesinterd erts werden de gegevens ook gecorrigeerd op basis van de relevante energiestromen, overeenkomstig de betrokken BREF en rekening houdend met de verbranding van afvalgassen in de bedrijfstak.
(12)
Waar de berekening van een productbenchmark niet haalbaar was, maar toch voor kosteloze toewijzing van emissierechten in aanmerking komende broeikasgasemissies voorkomen, moeten deze emissierechten worden verleend op basis van een algemene ‚fallback’-aanpak. Een hiërarchie van drie soorten ‚fallback’-aanpak is ontwikkeld om de reducties van broeikasgasemissies en energiebesparingen voor ten minste een gedeelte van de betrokken productieprocessen te maximaliseren. De warmtebenchmark is toepasselijk voor warmteverbruikende processen waarbij een meetbare warmtedrager wordt gebruikt. De brandstofbenchmark is toepasselijk wanneer niet-meetbare warmte wordt verbruikt. De warmte- en brandstofbenchmarkwaarden zijn afgeleid op basis van de beginselen van transparantie en eenvoud, door gebruik van de referentie-efficiëntie van een algemeen beschikbare brandstof die kan worden beschouwd als de op een na beste in termen van broeikasgasefficiëntie, rekening houdend met energiezuinige technieken. Voor procesemissies moeten de emissierechten worden toegewezen op basis van historische emissies. [...]
[...]
(32)
Productbenchmarks moeten ook rekening houden met de efficiënte terugwinning van energie uit afvalgassen en de aan het gebruik daarvan verbonden emissies. Hiervoor werd voor de bepaling van de benchmarkwaarden voor producten die tijdens de productie afvalgassen produceren, grotendeels rekening gehouden met het koolstofgehalte van deze gassen. Als afvalgassen uit het productieproces worden geëxporteerd tot buiten de systeemgrenzen van de betrokken productbenchmark en worden verbrand voor de productie van warmte buiten de systeemgrenzen van het gebenchmarkte proces zoals bepaald in bijlage I, dan moet rekening worden gehouden met betrokken emissies door bijkomende emissierechten toe te wijzen op basis van de warmtebenchmark of brandstofbenchmark. In het kader van het algemene beginsel dat geen emissierechten kosteloos mogen worden toegewezen met betrekking tot de opwekking van elektriciteit om ongepaste concurrentieverstoring op de markten van de aan industriële installaties geleverde elektriciteit te vermijden en rekening houdend met de inherente koolstofprijs in elektriciteit, is het gepast dat waar afvalgassen worden geëxporteerd van het productieproces tot buiten de systeemgrenzen van de betrokken productbenchmark en worden verbrand voor de opwekking van elektriciteit, geen bijkomende rechten worden toegewezen boven op het aandeel van het koolstofgehalte van de afvalgassen verrekend in de betrokken productbenchmark.”
7.
De benchmarks voor gesinterd erts en vloeibaar ruwijzer zijn vastgelegd in bijlage I bij het besluit. De waarden zijn vastgesteld op respectievelijk 0,171 en 1,328 emissierecht/ton.
II. Feiten, procesverloop en prejudiciële vragen
8.
In het hoofdgeding voor de Tribunal administratif de Montreuil (bestuursrechter Montreuil, Frankrijk) verzoekt ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (hierna: „ArcelorMittal”) om nietigverklaring van het besluit van de minister voor Ecologie, Duurzame Ontwikkeling en Energie van 24 januari 2014 tot vaststelling van een lijst van de exploitanten aan wie broeikasgasemissierechten zijn toegewezen en van het bedrag van de kosteloos ter beschikking gestelde emissierechten voor de periode 2013‑2020. ( 8 ) Daarnaast heeft zij deze rechter gevraagd om nietigverklaring van de beslissing van de minister van 11 juni 2014 waarbij haar verzoek om intrekking van dat besluit is afgewezen.
9.
Het betrokken besluit werd vastgesteld overeenkomstig besluit 2011/278. ArcelorMittal stelt in wezen dat het besluit en de beslissing van de minister onrechtmatig zijn voor zover zij zijn gebaseerd op besluit 2011/278, dat op zijn beurt in strijd is met richtlijn 2003/87. Dit is volgens haar het geval omdat de Commissie enerzijds bij de berekening van de benchmarks voor vloeibaar ruwijzer geen rekening heeft gehouden met de emissies die verband houden met de afvalgassen die worden gebruikt voor elektriciteitsopwekking en zij anderzijds geen gebruik heeft gemaakt van de best beschikbare gegevens voor de berekening van die benchmark. ArcelorMittal voert verder aan dat de benchmark voor gesinterd erts niet juist is omdat bij de berekening van die benchmark de emissies van een installatie waarmee ook pellets worden geproduceerd in aanmerking zijn genomen.
10.
De verwijzende rechter erkent dat de Commissie ingevolgde artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de benchmark vast te stellen voor de toewijzing van kosteloze emissierechten. Toch twijfelt hij of de benchmarks voor vloeibaar ruwijzer en gesinterd erts met deze richtlijn verenigbaar zijn. Daarom heeft hij de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Heeft de [Commissie], door in haar [besluit 2011/278] de emissies van afvalgassen die worden gerecycleerd voor de opwekking van elektriciteit uit te sluiten van de productbenchmarkwaarde voor vloeibaar ruwijzer, artikel 10 bis, lid 1, van [richtlijn 2003/87] betreffende de regels voor de vaststelling van ex-antebenchmarks geschonden, inzonderheid de doelstelling van energie-efficiënt hergebruik van rookgassen en van een kosteloze toewijzing van emissierechten voor met deze afvalgassen geproduceerde elektriciteit?
2)
Is de Commissie, door zich in het voormelde besluit op gegevens uit het [‚BREF-document’ voor de productie van ijzer en staal] en [beschikking 2007/589] te baseren om de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer vast te stellen, de op haar rustende verplichting niet nagekomen om het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal te gebruiken en/of heeft zij het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden?
3)
Is de keuze van de [Commissie], indien zou blijken dat zij in [besluit 2011/278] een zowel gesinterd erts als pellets producerende fabriek heeft opgenomen bij de referentie-installaties om de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer vast te stellen, van dien aard dat daardoor de rechtmatigheid van de productbenchmarkwaarde wordt aangetast?
4)
Heeft de Commissie de haar bij artikel 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie opgelegde motiveringsplicht geschonden door in [besluit 2011/278] geen specifieke motivering voor die keuze te verstrekken?”
11.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door ArcelorMittal Atlantique et Lorraine, de Franse en de Duitse regering en de Commissie. Ter terechtzitting van 26 januari 2017 hebben ArcelorMittal, de Franse en de Zweedse regering en de Commissie pleidooi gehouden.
III. Beoordeling
A. Inleiding
12.
Om de context van de onderhavige prejudiciële verwijzing te begrijpen, is het zinvol om eerst de basisbeginselen van de Unieregeling voor de handel in emissierechten in kaart te brengen.
13.
Met een ongekende ambitie en omvang is de Unieregeling voor de handel in emissierechten in januari 2005 in werking getreden. Zij is ontworpen om de kosteneffectieve en economisch efficiënte vermindering van broeikasgasemissies in de EU te stimuleren. Vanaf het begin was het gestelde doel om ervoor te zorgen dat de verplichtingen inzake de gezamenlijke broeikasgasemissies van de lidstaten van de Unie uit hoofde van het Kyoto-Protocol werden nagekomen. ( 9 ) Deze verplichtingen, evenals de Unieregeling voor de handel in emissierechten, hebben in de loop van de tijd gestalte gekregen.
14.
Tijdens de eerste twee fasen (1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 en 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012) van de regeling voor de handel in emissierechten waren de lidstaten verantwoordelijk voor de uitgifte van emissierechten overeenkomstig nationale toewijzingsplannen. Tijdens die periode werd het merendeel van de emissierechten kosteloos toegewezen.
15.
Als gevolg van de inwerkingtreding van richtlijn 2009/29 werd richtlijn 2003/87 aanzienlijk gewijzigd. Deze wijzigingen hebben betrekking op de derde fase (van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020) van de regeling voor de handel in emissierechten. ( 10 ) De uitbreiding van de regeling tot nieuwe sectoren van de economie en overige wezenlijke aanpassingen werden ingevoerd om deze regeling aan te passen aan internationale verplichtingen op basis van recent onderzoek over klimaatverandering en veranderende reductiedoelstellingen op grond van dat onderzoek. ( 11 )
16.
Anders dan wat in de eerste twee fasen gebeurde, is het proces voor de toewijzing van emissierechten nu op Unieniveau geharmoniseerd. De Commissie stelt de totale hoeveelheid beschikbare rechten in de Unie vast. Deze hoeveelheid zal vanaf 2010 jaarlijks met 1,74 % verminderen. Hoewel op den duur een volledige veiling moet worden ingevoerd, is voor andere bedrijfstakken dan de elektriciteitssector een overgangssysteem ingevoerd. Volgens dat systeem moet de kosteloze toewijzing van emissierechten in de productie-industrie geleidelijk afnemen van 80 % in 2013 tot 30 % in 2020. Het gestelde doel is dat er in 2027 geen kosteloze toewijzing meer plaatsvindt.
17.
Bedrijfstakken waar een hoog risico op het weglekeffect ( 12 ) wordt geacht te bestaan, zoals de staalsector, ontvangen emissierechten ter hoogte van 100 % van de kosteloos toe te wijzen hoeveelheid emissierechten. Deze hoeveelheid is in beginsel vastgesteld op grond van de productiehoeveelheid van de installatie (gemeten in ton product) vermenigvuldigd met de benchmarkwaarde van het betreffende product.
18.
In het kader van de overgangsregeling vervult de Commissie een sleutelrol.
19.
Aan het begin van de derde fase heeft de Commissie gecontroleerd of de door iedere lidstaat verstrekte lijsten van installaties die onder richtlijn 2003/87 vallen, en van het aantal kosteloze emissierechten die aan die installaties dienen te toegewezen, volledig waren en of deze lijsten aan de geldende voorschriften voldeden. ( 13 ) Op grond daarvan hebben de lidstaten voor de periode van 2013 tot 2020 definitieve toewijzingsbesluiten genomen. Omdat het aantal aangevraagde toewijzingen voor alle installaties in de Unie hoger was dan de totale hoeveelheid beschikbare kosteloze emissierechten, heeft de Commissie de toewijzing per installatie verlaagd. Dit staat bekend als de „uniforme transsectorale correctiefactor”, waarover recentelijk ook zaken voor het Hof aanhangig waren. ( 14 )
20.
Om de doelstellingen van de regeling voor de handel in emissierechten te verwezenlijken, zijn de regels voor de kosteloze toewijzing van grote betekenis. Het is namelijk van essentieel belang dat kosteloze toewijzing niet verder gaat dan noodzakelijk. De Commissie heeft deze regels, welke in de gehele Unie van toepassing zijn, vastgelegd in besluit 2011/278.
21.
In dit besluit heeft de Commissie de benchmarks vastgesteld die de basis vormen voor de kosteloze toewijzing aan elke installatie. Algemeen gesteld is een productbenchmark gebaseerd op de gemiddelde broeikasgasemissies van de 10 % meest efficiënte installaties die het product in de Unie maken. De redenering hierachter is dat installaties die deze benchmarks niet halen, minder kosteloze rechten krijgen dan zij daadwerkelijk nodig hebben.
22.
In de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt vanuit verschillende invalshoeken de rechtmatigheid aan de orde gesteld van de methode die de Commissie heeft toegepast bij de vaststelling van de betrokken productbenchmarks. Hieronder zal ik de prejudiciële vragen verder behandelen.
B. Geldigheid van besluit 2011/278
23.
Vooraf moet worden opgemerkt dat de Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van productbenchmarks in het kader van de Unieregeling voor de handel in emissierechten. Uit artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 volgt dat de Commissie rekening moet houden met een uitgebreide reeks parameters bij de vaststelling van de productbenchmarks die de basis vormen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten. In hetzelfde lid wordt bepaald dat „voor zover mogelijk” rekening moet worden gehouden met deze parameters. Gelet op de technische aard van de vaststelling van benchmarks, toetst het Hof bijgevolg slechts of de maatregel niet kennelijk ongeschikt is. ( 15 )
24.
Tegen deze achtergrond moeten de vragen die aan het Hof zijn voorgelegd, worden beoordeeld.
1. Benchmark voor vloeibaar ruwijzer: elektriciteitsopwekking uit afvalgassen
25.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de door de Commissie gebruikte methode tot vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer in besluit 2011/278 verenigbaar is met de derde alinea van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87.
26.
De derde alinea van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 bepaalt onder meer dat bij de vaststelling van benchmarks rekening wordt gehouden met energie-efficiënt hergebruik van afvalgassen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de toewijzing plaatsvindt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert. Dezelfde bepaling schrijft ook voor dat er geen kosteloze toewijzing wordt gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve voor met rookgassen opgewekte elektriciteit.
27.
In het kader van deze bepaling stelt ArcelorMittal dat de Commissie bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer rekening had moeten houden met alle emissies met betrekking tot het gebruik van afvalgassen voor de opwekking van elektriciteit.
28.
Vanwege deze stelling twijfelt de verwijzende rechter over de verenigbaarheid van besluit 2011/278 met richtlijn 2003/87. Hij wenst te vernemen of de door de Commissie toegepaste methode tot vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer in overeenstemming is met enerzijds de doelstelling van energie-efficiënt hergebruik van afvalgassen en anderzijds met de uitzondering betreffende de toewijzing van kosteloze rechten voor de opwekking van elektriciteit uit afvalgassen.
29.
De partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het er allereerst over eens dat emissierechten in de regel niet kosteloos mogen worden toegewezen voor de opwekking van elektriciteit. Dit volgt duidelijk uit artikel 10 bis, leden 1 en 3, van richtlijn 2003/87. Met het oog op de uitzondering met betrekking tot de kosteloze toewijzing voor de opwekking van elektriciteit uit afvalgassen van artikel 10 bis, lid 1, van de richtlijn, blijft er echter een meningsverschil bestaan over de wijze waarop moet worden omgegaan met elektriciteit die is opgewekt uit afvalgassen en of de keuze van de Commissie bijdraagt aan het efficiënte hergebruik van die afvalgassen.
30.
Voordat ik nader inga op dit vraagstuk kan het nuttig zijn om te vermelden dat afvalgassen een onvermijdelijk bijproduct zijn van de productie van cokes en staal. Deze gassen worden voornamelijk teruggewonnen en gebruikt voor de opwekking van elektriciteit, maar ook, in mindere mate, voor de branders van hoogovens, voor ondervuring van cokesovencentrales, ontvlamming van sinterinstallaties en het heropwarmen van ovens. Elektriciteit wordt in de installatie zelf of buiten de installatie door een derde opgewekt. Zowel vanuit economisch als vanuit ecologisch oogpunt gezien is de terugwinning van afvalgassen en het hergebruik daarvan als brandstof veel zinvoller dan het zonder enig nut lozen of affakkelen ervan. ( 16 )
a) Efficiënt hergebruik van afvalgassen
31.
Het gebruik van afvalgassen als brandstof verklaart mede dat in artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 het gebruik van afvalgassen wordt bevorderd in het kader van de stimuleringsmaatregelen voor de reductie van broeikasgasemissies en voor het gebruik van energie-efficiënte technieken. Het verklaart ook waarom deze bepaling ten aanzien van met afvalgassen opgewekte elektriciteit een uitzondering formuleert op de uitsluiting van elektriciteitsopwekking van de kosteloze toewijzing van emissierechten. ( 17 )
32.
In tegenstelling tot het betoog van ArcelorMittal vind ik echter geen steun in de richtlijn voor de stelling dat alle broeikasgasemissies die ontstaan door de verbranding van afvalgassen, automatisch moeten leiden tot kosteloze toewijzing van emissierechten op grond van benchmarking.
33.
Meer in het bijzonder bevat artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 geen enkele bepaling over de mate waarin de elektriciteitsopwekking uit afvalgassen bij de vaststelling van de benchmark in aanmerking moet worden genomen. Ingevolge de derde alinea van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, in haar geheel gelezen, mag weliswaar rekening worden gehouden met de elektriciteitsopwekking uit afvalgassen, maar mag dit alleen voor zover dat mogelijk is met het oog op de noodzaak om efficiënt hergebruik van afvalgassen te stimuleren en de algemene doelstelling van deze richtlijn om broeikasgassen te verminderen. ( 18 )
34.
Dit brengt mij bij het vraagstuk van het efficiënt hergebruiken van afvalgassen en de algemene doelstelling van de richtlijn.
35.
In overweging 32 van besluit 2011/278 wordt toegelicht dat de Commissie bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer wel degelijk rekening heeft gehouden met de efficiënte terugwinning van energie uit afvalgassen. De Commissie heeft rekening gehouden met het feit dat afvalgassen worden verbrand om elektriciteit op te wekken (of warmte te produceren). Om deze reden is de benchmark voor onder meer vloeibaar ruwijzer naar boven bijgesteld, zodat deze niet alleen emissies omvat die verband houden met de productie van vloeibaar ruwijzer, maar ook emissies in verband met afvalgassen.
36.
In de benchmark voor vloeibaar ruwijzer wordt echter niet volledig rekening gehouden met emissies die verband houden met het gebruik van afvalgassen voor elektriciteitsopwekking (maar voor ongeveer 75‑80 %). ( 19 )
37.
De reden hiervoor blijkt uit het dossier. Het gebruik van afvalgassen voor de opwekking van elektriciteit betekent in feite dat deze gassen worden gebruikt ter vervanging van een andere brandstof. Globaal genomen worden daarmee broeikasgasemissies verminderd, omdat er alleen steenkool nodig is voor zowel elektriciteitsopwekking als staalproductie, in plaats van dat er gebruik wordt gemaakt van steenkool voor de staalproductie en een andere brandstof (dat wil zeggen aardgas) voor elektriciteitsopwekking.
38.
Om te bepalen in welke mate de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer rekening moet houden met het koolstofgehalte van afvalgassen bij de elektriciteitsopwekking, heeft de Commissie aardgas als referentiebrandstof gebruikt. Hergebruik van afvalgassen en het gebruik daarvan als brandstof voor de elektriciteitsopwekking in plaats van gebruik te maken van aardgas betekent dat de desbetreffende installatie meer broeikasgassen uitstoot. Bij hergebruik van afvalgassen komt ongeveer 75 % meer broeikasgas vrij vergeleken met het gebruik van aardgas als brandstof voor de opwekking van elektriciteit, zoals de partijen die opmerkingen hebben ingediend, hebben toegelicht. Ter bevordering van de terugwinning en het gebruik van afvalgassen, moet er bij de kosteloze toewijzing rekening worden gehouden met die verhoging zodat het hergebruik van deze gassen niet wordt bestraft. Omdat emissierechten aan de producent worden toegewezen op grond van het verschil in emissie-intensiteit tussen het afvalgas en aardgas, wordt de elektriciteitsopwekking uit afvalgassen niet bevoordeeld of benadeeld in vergelijking met een installatie die elektriciteit opwekt uit aardgas.
39.
De kosteloze toewijzing van emissierechten op grond van een benchmark waarbij rekening wordt gehouden met de verhoogde emissies die verband houden met het gebruik van afvalgassen voor de opwekking van elektriciteit, lijkt efficiënte terugwinning van deze gassen te stimuleren.
40.
In het arrest Borealis Polyolefine e.a. ( 20 ), waarin de transsectorale correctiefactor werd behandeld, heeft het Hof dat aanvaard. In die zaak heeft het Hof vastgesteld dat de benadering van de Commissie inderdaad rekening hield met het efficiënte hergebruik van afvalgassen. Het Hof heeft verduidelijkt dat de Commissie, door bij de vaststelling van de benchmark voor onder meer vloeibaar ruwijzer grotendeels rekening te houden met het gebruik van afvalgassen, heeft beoogd ondernemingen te stimuleren om de afvalgassen die bij een productieproces ontstaan, te hergebruiken of te verkopen. ( 21 ) Het Hof heeft dit oordeel in een volgende zaak herhaald. ( 22 )
b) Tweedeling tussen warmteproductie en elektriciteitsopwekking en het vraagstuk van het weglekeffect
41.
Het is juist dat er sprake is van een asymmetrie in de door de Commissie gekozen methodiek: bijkomende kosteloze rechten kunnen worden toegewezen voor gebruik van afvalgassen indien deze gassen worden uitgevoerd en verbrand voor warmteproductie. In dat geval worden bijkomende rechten toegewezen op grond van de warmte- of brandstofbenchmark voor de warmteverbruiker. Voor elektriciteit die is opgewekt uit afvalgassen zijn dergelijke bijkomende rechten niet beschikbaar.
42.
Het feit dat de Commissie het niet passend achtte om de toewijzing van bijkomende kosteloze rechten uit te breiden naar de opwekking van elektriciteit door een elektriciteitsopwekker, stemt overeen met de algemene regel van artikel 10 bis, lid 3, van richtlijn 2003/87. Zoals hierboven is opgemerkt, worden volgens deze bepaling geen kosteloze rechten gegeven aan elektriciteitsopwekkers. In dit verband legt de Commissie in overweging 32 van besluit 2011/278 uit dat een dergelijke regel ook noodzakelijk is teneinde ongepaste concurrentieverstoring op de markten voor de aan industriële installaties geleverde elektriciteit te vermijden en om rekening te houden met de inherente koolstofprijs in elektriciteit.
43.
Op dit punt moet ik toegeven dat ik wel enig begrip heb voor de stelling van ArcelorMittal. Eigenlijk ben ik er niet van overtuigd dat warmteproductie en elektriciteitsopwekking asymmetrisch moeten worden behandeld teneinde concurrentieverstoring op de elektriciteitsmarkt te vermijden. De noodzaak voor deze asymmetrische behandeling lijkt twijfelachtig, aangezien de staalsector een nettoverbruiker van elektriciteit is en de opwekking van elektriciteit uit afvalgassen niet meer dan 1 % van de totale elektriciteitsopwekking in de Unie vertegenwoordigt. De keuze van de Commissie lijkt niettemin volledig in lijn te zijn met artikel 10 bis, lid 3, van de richtlijn en kan om die reden de geldigheid van besluit 2011/278 niet aantasten.
44.
Hier dient ook te worden ingegaan op het argument van ArcelorMittal over het risico op het weglekeffect in de staalsector. In wezen betoogt zij dat door de wijze waarop de Commissie de benchmark voor vloeibaar ruwijzer vaststelt, het weglekrisico in een industrie met een zeer hoog energieverbruik wordt vergroot, hetgeen in strijd is met de doelstelling van richtlijn 2003/87.
45.
Het is heel wel mogelijk dat een andere benchmarkingmethodologie dit probleem ( 23 ) op een passender wijze had kunnen oplossen, zoals ArcelorMittal heeft gesuggereerd. Niettemin moet niet uit het oog worden verloren dat richtlijn 2003/87 het weglekrisico regelt door middel van een in artikel 10 bis, lid 6, daarvan vastgelegd compensatiemechanisme. Lidstaten kunnen aldus financiële maatregelen vaststellen ten behoeve van de betrokken bedrijfstakken of deeltakken. Overeenkomstig de staatssteunregels van de Unie kan steun worden toegekend indien het weglekeffect een significante risicofactor vormt ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies. Dit betekent met andere woorden dat de staalsector niet alleen kosteloos rechten kan ontvangen, maar uit hoofde van die regel ook in aanmerking kan komen voor steun.
46.
Belangrijker is nog dat uit de opmerkingen van ArcelorMittal (of uit de prejudiciële verwijzing) niet direct blijkt op welke wijze de door de Commissie toegepaste methode het risico op het weglekeffect zou kunnen vergroten.
47.
Artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 biedt ArcelorMittal op dit punt geen steun. Artikel 10 bis, lid 12, bepaalt simpelweg dat aan installaties in bedrijfstakken of deeltakken waar een significant risico op het weglekeffect bestaat, kosteloos emissierechten moeten worden toegewezen voor 100 % van de hoeveelheid die overeenkomstig de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt vastgesteld. Het is duidelijk dat de richtlijn niet bepaalt dat de bedrijfstakken waar een significant risico op het weglekeffect wordt geacht te bestaan, te allen tijde kosteloze emissierechten zouden moeten ontvangen voor alle broeikasgasemissies die zij uitstoten.
48.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat bij het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278 met betrekking tot de methode die door de Commissie is toegepast bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer.
2. Benchmark voor vloeibaar ruwijzer: gebruik van de meest nauwkeurige en actuele gegevens
49.
De tweede prejudiciële vraag betreft de kwaliteit van de gegevens die de Commissie heeft gebruikt bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer in besluit 2011/278. Deze vraag luidt meer in het bijzonder of de Commissie voor de berekening van deze benchmark gebruik heeft kunnen maken van gegevens die zijn gebaseerd op het BREF-document voor de productie van ijzer en staal en beschikking 2007/589 zonder artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 en het beginsel van behoorlijk bestuur te schenden.
50.
Het besluit van de Commissie om dergelijke gegevens te gebruiken zou naar mijn mening niet ter discussie mogen staan.
51.
Zoals ArcelorMittal aanvoert, dient de Commissie inderdaad ingevolge artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 de betrokken sector te raadplegen voor de vaststelling van de beginselen voor de bepaling van benchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken of deeltakken. Ook is het zo dat ingevolge artikel 14, lid 2, van richtlijn 2003/87 de Commissie „het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal, met name van de [Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC)]” dient te gebruiken bij de vaststelling van een regeling voor de bewaking en rapportage van emissies.
52.
Niettemin kan uit deze bepalingen niet worden afgeleid dat de Commissie tevens verplicht zou zijn om de door de betrokken bedrijfstak verstrekte gegevens te gebruiken. Richtlijn 2003/87 voorziet niet in een dergelijke verplichting.
53.
Zoals hierboven is opgemerkt, is de vaststelling van benchmarkwaarden een complex en technisch proces. De Uniewetgever heeft derhalve alleen de hoofddoelstellingen vastgesteld voor de vaststelling van de benchmarks en heeft de Commissie ruime beoordelingsbevoegdheid gegeven voor de wijze waarop deze doelstellingen worden verwezenlijkt. In het verlengde daarvan dient de Commissie ook bij de keuze van de gegevens die worden gebruikt bij de vaststelling van de benchmarkwaarden, een zekere beoordelingsmarge te hebben, zolang deze gegevens niet kennelijk ongeschikt zijn om de doelstellingen van artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 (vermindering van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken) te verwezenlijken.
54.
Deze gegevens kunnen evenwel niet willekeurig worden gekozen. Dat is ongetwijfeld de reden waarom met betrekking tot bewaking en rapportage ingevolge richtlijn 2003/87 het meest nauwkeurige en actuele beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal moet worden gebruikt.
55.
In overweging 11 van besluit 2011/278 wordt toegelicht waarom de Commissie bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer informatie heeft gebruikt op grond van de BREF-documenten en beschikking 2007/589 in plaats van de gegevens die door de betrokken bedrijfstak zijn verstrekt. De betrokken documenten werden gebruikt om benchmarkwaarden af te leiden ingeval er geen gegevens of geen in overeenstemming met de benchmarkmethodologie verzamelde gegevens beschikbaar waren. In de overweging wordt verder ingegaan op de specifieke problemen die zich voordeden bij de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer: wegens een gebrek aan gegevens over de behandeling van afvalgassen, de uitvoer van warmte en de opwekking van elektriciteit, is de benchmarkwaarde voor vloeibaar ruwijzer afgeleid uit berekeningen van de directe en indirecte emissies op basis van aan de BREF-documenten ontleende informatie over de relevante energiestromen en standaardemissiefactoren als vermeld in beschikking 2007/589.
56.
De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen verder uiteengezet dat de gegevens van de Europese vereniging van staalproducenten [European Steel Association (Eurofer)] met betrekking tot vloeibaar ruwijzer geen gegevens bevatten over de behandeling van afvalgassen, de uitvoer van warmte en de opwekking van elektriciteit. Hoewel de door de bedrijfstak verstrekte gegevens mogelijk uitvoeriger waren ten aanzien van het aantal installaties dat in aanmerking is genomen, konden deze gegevens niet in overeenstemming met de methodologie van de Commissie worden gebruikt.
57.
In deze omstandigheden is het mijns inziens gerechtvaardigd dat de Commissie gebruikmaakt van andere gegevensbronnen.
58.
In de arresten Borealis e.a. en Yara Suomi e.a. heeft het Hof reeds vastgesteld dat de Commissie, door zich voor de vaststelling van de benchmarks overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 te baseren op de gegevens die hier aan de orde zijn, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden. ( 24 )
59.
De keuze van de Commissie voor de BREF-documenten voor de productie van ijzer en staal en beschikking 2007/589 lijkt inderdaad niet kennelijk ongeschikt te zijn om broeikasgasemissies te verminderen en het gebruik van efficiënte technieken te stimuleren. Beide documenten bevatten informatie over emissies en verbruik en over de meest efficiënte technieken binnen de sector.
60.
Enerzijds zijn de BREF-documenten overeenkomstig (het huidige) artikel 13 van richtlijn 2010/75 ( 25 ) voor elke bedrijfstak opgesteld en gepubliceerd op grond van uitwisseling van informatie tussen de Commissie, lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en milieuorganisaties. Zoals uit de naam blijkt, zijn dit referentiedocumenten voor de best beschikbare technieken in de bedrijfstak in kwestie. Het BREF-rapport over ijzer en staal over het jaar 2001 dat door de Commissie is gebruikt, was het meest actuele referentiedocument dat binnen de sector beschikbaar was. ( 26 )
61.
Anderzijds zijn de in beschikking 2007/589 genoemde standaardemissiefactoren grotendeels gebaseerd op de IPCC-richtsnoeren. Deze factoren worden gebruikt voor de vaststelling van nationale lijsten van broeikasgasemissies in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
62.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat bij het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278 met betrekking tot de gegevens die door de Commissie zijn gebruikt voor de vaststelling van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer.
3. Benchmark voor gesinterd erts: vaststelling van de meest efficiënte installaties
63.
De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de gegevensverzameling. Deze vraag betreft de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie bij de keuze van de installaties voor de vaststelling van de betrokken productbenchmark. De vraag is in concreto of de Commissie een installatie die zowel gesinterd erts als pellets produceert, als een van de 10 % meest efficiënte installaties in aanmerking heeft kunnen nemen voor de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts zonder artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 te schenden.
64.
Artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 bepaalt dat bij de vaststelling van de benchmark wordt uitgegaan van de gemiddelde emissieprestaties van de 10 % meest efficiënte installaties in een bedrijfstak of deeltak in de Unie gedurende de periode 2007‑2008. Hetzelfde idee wordt herhaald in overweging 2 van besluit 2011/278. Evenwel bevat overweging 4 van besluit 2011/278 het beginsel dat indien een product een rechtstreeks vervangingsproduct is van een ander product, beide producten onder dezelfde benchmark en bijhorende productdefinitie zouden moeten vallen.
65.
Uit het dossier en de argumenten die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, volgt dat pellets en gesinterd erts geen rechtstreekse vervangingsproducten zijn en bijgevolg niet onder dezelfde productbenchmark vallen. Dit is in essentie het geval omdat de samenstelling en productkenmerken van pellets wezenlijk anders zijn dan die van gesinterd erts.
66.
De klacht van ArcelorMittal, waarvan ook door de verwijzende rechter melding wordt gemaakt, is gebaseerd op de veronderstelling dat de Commissie bij de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts rekening heeft gehouden met een installatie die zowel pellets als gesinterd erts produceert, hetgeen in strijd is met artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 en overweging 4 van besluit 2011/278. Het gevolg is volgens ArcelorMittal een vertekende benchmark voor gesinterd erts vanwege het gebruik van gegevens betreffende de productie van pellets.
67.
Ter terechtzitting zijn hierover belangrijke toelichtingen gegeven. Hoewel de schriftelijke opmerkingen van de Commissie op dat punt aan duidelijkheid te wensen overlaten, heeft het pleidooi van deze instelling mij er wel van overtuigd dat de keuze voor de installatie niet kan afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278 met betrekking tot de benchmark voor gesinterd erts.
68.
De Commissie heeft toegelicht dat de desbetreffende installatie in de Unie uniek is. Zij produceert een mengsel van pellets en gesinterd erts dat, gelet op de eigenschappen en het gebruik daarvan, wordt ingezet als een rechtstreeks vervangingsproduct voor gesinterd erts in de hoogovens in de geïntegreerde staalfabriek. Ondanks dat de betrokken geïntegreerde staalfabriek een pellet- en een sinterproductie-eenheid omvat, zijn deze eenheden met elkaar verbonden en produceren zij gezamenlijk een mengsel dat rechtstreeks in de hoogovens wordt ingevoerd. Daarbij heeft de Commissie ook opgemerkt dat de pelletfabriek overeenkomstig de definitie van gesinterd erts in bijlage I bij besluit 2011/278 direct is verbonden met de sintereenheid. ( 27 ) Op grond van het advies van de betreffende belanghebbenden en deskundigen die de Commissie heeft geraadpleegd, kan het productieproces van dit mengsel als vergelijkbaar worden beschouwd met dat van gesinterd erts. Het eindproduct heeft met andere woorden eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van gesinterd erts, en wordt in de hoogoven gebruikt als een rechtstreeks vervangingsproduct daarvan. ( 28 )
69.
Ondanks deze toelichtingen heeft ArcelorMittal ter terechtzitting haar standpunt niet gewijzigd. Zij merkte in het bijzonder op dat in alle officiële documenten staat dat de betrokken installatie aparte productie-eenheden heeft voor pellets en gesinterd erts. Zij wees er ook op dat het geenszins ongebruikelijk is om pellets met gesinterd erts in een hoogoven te mengen.
70.
In dit verband zijn er twee punten van belang. Ten eerste worden handelingen van de Unie vermoed rechtsgeldig te zijn. ( 29 ) Ten tweede gaat het hier om complexe technische beoordelingen ten aanzien waarvan de Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zoals hierboven is opgemerkt.
71.
Uit de beschikbare informatie blijkt niet duidelijk dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door rekening te houden met de betrokken installatie. Integendeel, zij heeft overeenkomstig haar beoordelingsmarge kunnen beslissen dat de betrokken installatie kan worden beschouwd als een van de referentie-installaties voor de vaststelling van de benchmark van gesinterd erts. Ondanks de bijzondere kenmerken van de installatie (met name de aanwezigheid van een pelleteenheid ter plaatse voor de productie van het mengsel van gesinterd erts en pellets zoals hierboven omschreven) lijkt het aldus verkregen product namelijk een rechtstreeks vervangingsproduct van gesinterd erts te zijn.
72.
De vaststelling of de bijzondere kenmerken van een bepaalde installatie, of beter gezegd de eigenheid van deze kenmerken, van invloed kunnen zijn op de opname daarvan als een referentie-installatie, maakt duidelijk onderdeel uit van een complexe technische beoordeling. De Commissie kan deze beoordeling veel beter uitvoeren dan het Hof.
73.
Als geheel genomen lijkt mij de werkwijze van de Commissie gerechtvaardigd. Indien de betrokken installatie vanwege haar bijzondere kenmerken niet zou zijn meegenomen als een van de referentie-installaties, zou de gegevensverzameling kunstmatig worden beperkt en zou bijgevolg een van de meest efficiënte installaties binnen de bedrijfstak worden uitgesloten. Daardoor zou de totstandgekomen benchmark aanzienlijk hoger uitvallen. ( 30 ) Dat zou duidelijk niet stroken met het hoofddoel van richtlijn 2003/87 om broeikasgasemissies op een economisch efficiënte wijze te verminderen. Het lijkt er zelfs op dat de installatie juist vanwege die kenmerken in staat is haar uitstoot te optimaliseren.
74.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is het in aanmerking nemen van de installatie die een vervangingsproduct voor gesinterd erts produceert, in overeenstemming met het doel van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, namelijk om het gebruik te stimuleren van procedures waarbij de uitstoot het geringst is. Vaststelling van de benchmark moet zijn gebaseerd op de meest efficiënte installaties binnen de bedrijfstak en daarbij mag geen rekening worden gehouden met de gebruikte technologie, het gebruikte brandstofmengsel en overige factoren zoals meteorologische omstandigheden of de gebruikte grondstoffen. Anders zou de doelstelling om broeikasgasemissies te verminderen aanzienlijk worden afgezwakt.
75.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat bij het onderzoek van de derde prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278 met betrekking tot de referentie-installaties die zijn gekozen voor de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts.
4. Benchmark voor gesinterd erts: motiveringsplicht
76.
De vierde prejudiciële vraag luidt of de Commissie in besluit 2011/278 aan haar motiveringsplicht heeft voldaan overeenkomstig artikel 296 VWEU met betrekking tot de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts. De verwijzende rechter vraagt in het bijzonder of deze verplichting is nagekomen wat betreft de referentie-installaties die zijn gekozen voor de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts.
77.
In algemene zin volgt uit vaste rechtspraak dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instelling die de betrokken handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is echter niet noodzakelijk dat de Unie-instelling die de betrokken handeling heeft verricht, alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, specificeert. ( 31 )
78.
De motiveringsplicht is zeer contextafhankelijk: Bij de vraag of de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU is nagekomen, moet niet alleen worden gelet op de bewoordingen van de handeling, doch ook op de context waarin zij is vastgesteld, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Het Hof heeft geoordeeld dat indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt, het te ver zou gaan om voor elke technische keuze van deze instelling een specifieke motivering te verlangen. ( 32 ) Betreft het, zoals in het geval van besluit 2011/278, een handeling die algemene toepassing moet vinden (in tegenstelling tot een individuele handeling), dan kan in de motivering worden volstaan met de vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid, en van haar algemene doelstellingen. ( 33 )
79.
Zoals uit die rechtspraak blijkt, is de Commissie niet verplicht om voor de verschillende technische keuzes die zij heeft gemaakt, een specifieke motivering te geven. Aangezien de Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid en deze bevoegdheid slechts in beperkte mate door een rechter kan worden getoetst, is het voldoende dat de motivering de elementen bevat die voor een dergelijke beperkte toetsing noodzakelijk zijn. ( 34 )
80.
Niettemin moet het Hof zijn toetsing kunnen uitvoeren, omdat anders de motivering niet als adequaat kan worden beschouwd.
81.
In de onderhavige zaak zijn de redenen voor de keuze voor de referentie-installaties naar mijn mening voldoende duidelijk in besluit 2011/278 uiteengezet. De redenen voor de vaststelling van besluit 2011/278 en het doel daarvan blijken uit de overwegingen van het besluit. Daarnaast zijn in de overwegingen een aantal technische gegevens opgenomen die verder duidelijkheid scheppen over de methode die de Commissie heeft toegepast bij de vaststelling van de benchmarks, waaronder de keuze van de installaties.
82.
Het is juist dat de Commissie niet nader heeft toegelicht om welke technische redenen zij van mening was dat bijvoorbeeld een installatie die zowel pellets als gesinterd erts produceert, in aanmerking kon worden genomen bij de berekening van de benchmark voor gesinterd erts. Door haar daartoe te verplichten, wordt in wezen echter haar motiveringsplicht zodanig uitgebreid dat zij de complexe technische keuzes die zij heeft moeten maken, in de preambule met redenen moet omkleden.
83.
Gelet op het soort maatregel waar het hier om gaat en de toelichtingen in de preambule op zowel feitelijke als juridische overwegingen inzake de vaststelling van benchmarks, is de Commissie niet verplicht om een dergelijke motivering te verstrekken. Uit de overwegingen blijkt in het bijzonder dat besluit 2011/278 krachtens richtlijn 2003/87 is vastgesteld om voor de hele Unie geldende regels vast te stellen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten tijdens een overgangsperiode. Het is duidelijk dat de Commissie deze regels zo heeft proberen vast te stellen dat de broeikasgasemissies worden verminderd.
84.
Bovenal licht de Commissie in overweging 2 toe dat voor het bepalen van een benchmark de gemiddelde prestatie van de 10 % meest efficiënte installaties van een bedrijfstak of deeltak het uitgangspunt moet zijn. In overweging 4 wordt bovendien uitgelegd dat indien een product een rechtstreeks vervangingsproduct is van een ander product, beide producten onder dezelfde benchmark en bijhorende productdefinitie moeten vallen. In overwegingen 6 tot en met 8 wordt uitgelegd welke soort informatie in aanmerking is genomen bij de berekening van de benchmarkwaarden. In overweging 11 wordt de aanpak van de Commissie verder verduidelijkt ingeval er geen of onvoldoende gegevens beschikbaar waren, en in overweging 12 wordt de werkwijze van de Commissie uitgelegd ingeval het niet mogelijk was een benchmark vast te stellen.
85.
Voor de toetsing door het Hof is de informatie in de preambule voldoende. De Commissie kan vooral om praktische redenen niet worden verplicht om de kenmerken van alle referentie-installaties toe te lichten en duidelijk te maken wat de technische redenen waren op grond waarvan bepaalde installaties geschikt werden geacht voor de vaststelling van de benchmark en andere niet. Om vast te stellen of de relevante productbenchmark op een kennelijk onjuiste beoordeling berust, is het voldoende dat inzicht wordt gegeven in het doel van de betrokken maatregel en de algemene methode die door de Commissie is toegepast om deze benchmarks vast te stellen (waaronder de algemene regel die voor de keuze van referentie-installaties en de behandeling van vervangingsproducten geldt). Deze punten blijken duidelijk uit de overwegingen van besluit 2011/278.
86.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat bij het onderzoek van de vierde prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278 met betrekking tot de motiveringsplicht van de Commissie voor de vaststelling van de benchmark voor gesinterd erts.
IV. Conclusie
87.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om als volgt te antwoorden op de prejudiciële vragen van de Tribunal administratif de Montreuil:
„Bij onderzoek van de prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen afdoen aan de geldigheid van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vaststelling van de benchmarks voor vloeibaar ruwijzer en gesinterd erts.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32). De onderhavige zaak gaat over de herziene richtlijn, zoals gewijzigd bij wijzigingsrichtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB 2009, L 140, blz. 63).
( 3 ) Een korte analyse leert dat de Unierechters tot op heden ten minste 76 zaken hebben behandeld met betrekking tot verschillende aspecten van de Unieregeling voor de handel in emissierechten.
( 4 ) Besluit van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 130, blz. 1).
( 5 ) Referentiedocumenten over de best beschikbare technieken (BREF) die zijn opgesteld overeenkomstig richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 2008, L 24, blz. 8).
( 6 ) Beschikking van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2007, L 229, blz. 1).
( 7 ) Conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:292, punt 2.
( 8 ) L’arrêté du ministre de l’écologie, du développement durable et de l’énergie du 24 janvier 2014 fixant la liste des exploitants auxquels sont affectés les quotas d’émissions de gaz à effet de serre et le montant des quotas affectés à titre gratuit pour la période 2013‑2020 (JORF nr. 0038 van 14 februari 2014, blz. 2551, nr. 19).
( 9 ) Emissiebeperkingsdoelstelling van 8 % vergeleken met het niveau van 1990.
( 10 ) In de periode na 2020 wordt deze verder herzien. In 2015 heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd voor de herziening van het emissiehandelssysteem voor de periode na 2020. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen, Brussel, 15 juli 2015, COM(2015) 337 final. Dit voorstel moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om de broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 40 % terug te dringen in het kader van de bijdrage van de Unie aan de overeenkomst van Parijs.
( 11 ) De beoogde reductie van 20 % ten opzichte van 1990 moest vóór 2020 worden verwezenlijkt en die van 50 % ten opzichte van 1990 vóór 2050.
( 12 ) Het weglekeffect verwijst naar een situatie waarin ondernemingen, vanwege uitstootbeperkingen binnen de Unie, hun vestiging naar landen verplaatsen waar minder ambitieuze klimaatmaatregels gelden. Zie voor de recentste lijst besluit 2014/746/EU van de Commissie van 27 oktober 2014 waarin krachtens richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad een lijst is opgesteld van bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO 2-weglekrisico, voor de periode 2015‑2019 (PB 2014, L 308, blz. 114).
( 13 ) Besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2013, L 240, blz. 27).
( 14 ) Zie arresten van 28 april 2016, Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311; van 8 september 2016, Borealis e.a., C‑180/15, EU:C:2016:647, en van 26 oktober 2016, Yara Suomi e.a., C‑506/14, EU:C:2016:799.
( 15 ) Arresten van 8 september 2016, Borealis e.a., C‑180/15, EU:C:2016:647, punt 45, en van 26 oktober 2016, Yara Suomi e.a., C‑506/14, EU:C:2016:799, punt 37.
( 16 ) Dit lijkt het geval te zijn ondanks het feit dat er aanzienlijke kosten zijn gemoeid met de omzetting van afvalgassen in brandstof, zoals ArcelorMittal heeft uitgelegd.
( 17 ) Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaken Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2015:754, punten 68 en 69 .
( 18 ) Dat het in aanmerking nemen van elektriciteitsopwekking uit afvalgassen een facultatief karakter heeft, wordt ook bevestigd in overweging 23 van richtlijn 2009/29. Zij luidt: „In deze geharmoniseerde regels mag ook rekening worden gehouden met emissies als gevolg van het gebruik van brandbare rookgassen wanneer de productie van deze rookgassen in het industriële proces niet kan worden vermeden. Hierbij kunnen de regels voorzien in de kosteloze toewijzing van emissierechten aan de exploitanten van de installaties die de rookgassen in kwestie verbranden of aan de exploitanten van de installaties waar deze gassen ontstaan” (cursivering toegevoegd).
( 19 ) De partijen hebben verschillende percentages genoemd. Waar de Franse regering 75 % noemt, noemt de Duitse regering 80 %. De Commissie en ArcelorMittal hebben geen exact percentage genoemd.
( 20 ) Arrest van 28 april 2016, C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2016:311.
( 21 ) Punt 73.
( 22 ) Arrest van 8 september 2016, Borealis e.a., C‑180/15, EU:C:2016:647, punt 48.
( 23 ) Interessant genoeg bestaat onzekerheid over het bestaan van een concreet risico op het weglekeffect. Uit een recent onderzoek dat het directoraat-generaal Klimaat van de Commissie liet uitvoeren, is niet gebleken dat er sprake is van een weglekeffect. Oorzaken hiervan zijn kosteloze toewijzing (wat een overschot aan rechten tot gevolg heeft in onder meer de staalsector), lagere prijs voor rechten dan verwacht en inspanningen door andere landen om de uitstoot te verminderen overeenkomstig internationale verplichtingen. Zie voor een overzicht:
( 24 ) Arresten van 8 september 2016, Borealis e.a., C‑180/15, EU:C:2016:647, punten 47 en 49, en van 26 oktober 2016, Yara Suomi e.a., C‑506/14, EU:C:2016:799, punten 39 en 41.
( 25 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17). Deze richtlijn heeft richtlijn 2008/1 over hetzelfde onderwerp vervangen.
( 26 ) Het recentere BREF-document is in 2012 opgesteld. De Commissie kon de inhoud van dit document uiteraard niet in aanmerking nemen bij de vaststelling van besluit 2011/278. Zie in die zin arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 27 ) Ingevolge bijlage I zijn alle processen inbegrepen die direct of indirect verband houden met de sinterfabriek, voorbereidingseenheden voor grondstoffen, warmescreeningeenheid, koeleenheid voor sinters, koudescreeningeenheid en stoomgeneratorinstallatie van de proceseenheden.
( 28 ) Ter terechtzitting is bevestigd dat Eurofer zich bij navraag op het standpunt heeft gesteld dat de pelleteenheid in de betrokken installatie samengevoegd zou moeten worden met de sintereenheid vanwege de onderlinge afhankelijkheid.
( 29 ) Arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 48.
( 30 ) De benchmark voor gesinterd erts is vastgesteld op 0,171 CO 2 /ton voor gesinterd erts. Indien de betrokken installatie bij de berekening buiten beschouwing zou zijn gelaten, dan zou de benchmark in plaats daarvan zijn vastgesteld op 0,191 CO 2 /ton.
( 31 ) Arrest van 12 juli 2005, Alliance for Natural Health e.a., C‑154/04 en C‑155/04, EU:C:2005:449, punt 133en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 32 ) Zie onder meer arresten van 19 november 1998, Spanje/Raad, C‑284/94, EU:C:1998:548, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 12 juli 2005, Alliance for Natural Health e.a., C‑154/04 en C‑155/04, EU:C:2005:449, punt 134.
( 33 ) Zie onder andere arrest van 7 september 2006, Spanje/Raad, C‑310/04, EU:C:2006:521, punt 5 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 34 ) Zie voor een enigszins andere opvatting conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaken Borealis Polyolefine e.a., C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14–C‑393/14, EU:C:2015:754, punten 134e.v. In deze zaak ging het om de berekening van de correctiefactor. Ondanks het feit dat het een besluit van algemene strekking betrof, was de advocaat-generaal van mening dat de Commissie verplicht was om bij de betrokken beslissing alle gegevens te vermelden die nodig zijn om de berekening van de correctiefactor in concreto te toetsen. Aangezien de advocaat-generaal besefte dat een dergelijke uitgebreide motivering praktisch niet kon worden verwacht, was het volgens haar voldoende de betrokkenen de mogelijkheid te bieden om kennis te nemen van de ruwe gegevens en in de motivering een verwijzing daarnaar op te nemen.