CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. TANCHEV
van 1 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑205/16 P
SolarWorld AG
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Subsidies – Invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China – Definitieve rechten – Verbintenis – Ontvankelijkheid – Gedeeltelijke nietigverklaring – Scheidbaarheid”
1.
Met deze hogere voorziening verzoekt SolarWorld AG om vernietiging van de beschikking van het Gerecht ( 2 ) waarbij haar beroep tot nietigverklaring van artikel 2 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad ( 3 ) (hierna: „litigieuze verordening”) niet-ontvankelijk is verklaard. Bij artikel 1 van die verordening is een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium uit China ingesteld, terwijl artikel 2 van diezelfde verordening bepaalt dat de invoer van ondernemingen die zich ertoe hebben verbonden minimuminvoerprijzen toe te passen tot een bepaald jaarlijks invoervolume, van het bij artikel 1 ingestelde compenserende recht is vrijgesteld. In de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden, aangezien nietigverklaring van enkel die bepaling de kern van de verordening zou wijzigen. Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van alleen artikel 2 niet-ontvankelijk verklaard.
2.
Deze hogere voorziening draait om de vraag of in een situatie waarin bij verordening een compenserend recht wordt ingesteld en exporteurs van wie een verbintenisaanbod is aanvaard, vervolgens van de betaling van dat recht worden vrijgesteld, om nietigverklaring van enkel de vrijstelling kan worden verzocht. Als dat zo is, en de hogere voorziening slaagt, zou het in de verordening vastgestelde compenserende recht van toepassing zijn op de invoer van de ondernemingen die eerder partij waren bij de verbintenis. Als dat niet zo is, en de hogere voorziening slaagt, zou de verordening in haar geheel nietig worden verklaard en zou het recht waarin zij voorziet niet langer van toepassing zijn. De Commissie zou de nodige maatregelen ter uitvoering van het arrest houdende vernietiging van de bestreden beschikking moeten nemen en meer bepaald moeten beoordelen of een herziene verbintenis kan worden aanvaard of dat een recht zonder een dergelijke vrijstelling kan worden ingesteld.
I. Toepasselijke bepalingen
3.
Artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad ( 4 ) bepaalt:
„Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld, indien:
a)
een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 10;
b)
hierover is bericht en belanghebbenden voldoende gelegenheid hebben [gehad,] inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 10, lid 12, tweede alinea;
c)
er een voorlopige, positieve vaststelling van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring en daaruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap is geschied; en
d)
het belang van de Gemeenschap vergt dat maatregelen worden genomen om verdere schade te voorkomen.
[...]
Het voorlopige compenserende recht mag niet hoger zijn dan het voorlopig vastgestelde totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies maar zou lager dan dat bedrag moeten zijn indien dit lagere recht toereikend zou zijn om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.”
4.
Artikel 13, lid 1, van de basisverordening luidt:
„Mits er voorlopig is vastgesteld dat subsidiëring plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit, kan de Commissie overgaan tot aanvaarding van op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenissen, die inhouden dat:
a)
het land van oorsprong en/of van uitvoer ermee instemt de subsidie in te trekken of te beperken of andere maatregelen te nemen met betrekking tot de gevolgen ervan, of
b)
een exporteur zich ertoe verbindt zijn prijzen te herzien of zijn uitvoer naar het betrokken gebied te staken zolang voor deze uitvoer tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden verleend, mits de Commissie na specifieke raadpleging van het raadgevend comité ervan overtuigd is dat daarmee de schadelijke gevolgen van de subsidiëring worden weggenomen.
In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis gelden de door de Commissie op grond van artikel 12, lid 3, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten niet voor de invoer van de betreffende producten die worden geproduceerd door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan.
De prijzen worden ingevolge deze verbintenissen niet meer verhoogd dan nodig om de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie te compenseren. De prijsverhogingen zouden lager moeten zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies als dat toereikend is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen.”
5.
In artikel 13, lid 9, van de basisverordening is het volgende bepaald:
„Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis na overleg ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn de door de Commissie op grond van artikel 12 ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken importeur of het land van oorsprong en/of uitvoer, de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij deze importeur of dit land zelf de verbintenis heeft opgezegd.
[...]”
6.
Artikel 15, lid 1, van de basisverordening luidt:
„Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen te nemen in de zin van artikel 31, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité, een definitief compenserend recht in.
[...]
Het compenserende recht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt.”
II. Voorgeschiedenis van het geding
7.
Op 6 september 2012 heeft de Commissie een antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit China ingeleid. ( 5 ) Aanleiding was een klacht van EU Pro Sun, een vereniging van Europese producenten van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan.
8.
Op 8 november 2012 heeft de Commissie een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan van oorsprong uit China ingeleid. ( 6 )
9.
Op 4 juni 2013 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 513/2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van het betrokken product uit China vastgesteld. ( 7 ) Dit voorlopige antidumpingrecht is ingesteld in de vorm van een ad-valoremrecht.
10.
Het beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 513/2013 dat is ingesteld door twee Europese producenten van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan, waaronder SolarWorld, is bij beschikking van het Gerecht verworpen. ( 8 ) De tegen deze beschikking ingestelde hogere voorziening is bij beschikking van het Hof afgewezen. ( 9 )
11.
Bij brief van 27 juli 2013 aan de Commissie hebben de Chinese kamer van koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten (hierna: „CCCME”) en een groep producenten-exporteurs een verbintenis aangeboden, inhoudende dat zij minimuminvoerprijzen (hierna: „MIP”) zouden toepassen tot een bepaald jaarlijks invoervolume dat overeenkwam met hun marktprestatie. Op de invoer boven dat volume zou een ad-valoremrecht van toepassing zijn. Op 2 augustus 2013 heeft de Commissie besluit 2013/423/EU tot aanvaarding van die verbintenis vastgesteld. ( 10 ) Op dezelfde dag heeft zij verordening (EU) nr. 748/2013 ( 11 ) tot wijziging van verordening nr. 513/2013 vastgesteld om rekening te houden met de aanvaarding van deze verbintenis.
12.
Op 2 december 2013 heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van het product uit China vastgesteld. ( 12 ) Bij artikel 1 van die verordening heeft de Raad een ad-valorem-antidumpingrecht ingesteld. Bij artikel 3 zijn ingevoerde producten gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie een verbintenis heeft aanvaard en waarvan de namen worden vermeld in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van de Commissie ( 13 ), van het bij artikel 1 ingestelde antidumpingrecht vrijgesteld.
13.
Op 4 december 2013 heeft de Commissie besluit 2013/707 vastgesteld. Bij dat besluit heeft zij de door de CCCME en een groep producenten-exporteurs aangeboden gewijzigde verbintenis (hierna: „verbintenis”) aanvaard voor de periode waarin het definitieve antidumpingrecht wordt toegepast. De aanvaarding betrof zowel de antidumping- als de antisubsidieprocedure.
14.
Op 2 december 2013 heeft de Raad de litigieuze verordening tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van het betrokken product uit China vastgesteld. Bij artikel 1 van deze verordening heeft de Raad een ad valorem compenserend recht ingesteld. Artikel 2 bepaalt dat ingevoerde producten gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie een verbintenis heeft aanvaard en waarvan de namen worden vermeld in de bijlage bij besluit 2013/707, van dat compenserende recht zijn vrijgesteld.
15.
Het beroep tot nietigverklaring van besluit 2013/423 en besluit 2013/707 is bij beschikking van het Gerecht verworpen. ( 14 ) De tegen deze beschikking ingestelde hogere voorziening is bij beschikking van het Hof afgewezen. ( 15 )
16.
Bij brief van 15 september 2014 heeft de Commissie overeenkomstig bepaling 3.5 van de verbintenis ingestemd met het verzoek van de CCCME om verlaging van de MIP. Op 16 februari 2017 heeft het Gerecht het door SolarWorld ingestelde beroep tot nietigverklaring van het in voornoemde brief vervatte besluit verworpen. ( 16 )
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
17.
Op 28 februari 2014 hebben SolarWorld en twee andere Europese producenten van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan, te weten Brandoni solare SpA (hierna: „Brandoni solare”) en Solaria Energia y Medio Ambiente, SA (hierna: „Solaria Energia”), beroep tot nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening ingesteld.
18.
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
19.
Het Gerecht heeft in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak een Uniehandeling slechts gedeeltelijk nietig kan worden verklaard wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, van de rest van de handeling kunnen worden gescheiden, dat wil zeggen wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring niet tot gevolg zou hebben dat de kern van de handeling wordt gewijzigd. In het onderhavige geval werd om nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening verzocht. Nietigverklaring van alleen artikel 2 zou ertoe leiden dat de compenserende rechten zouden worden toegepast op alle ingevoerde producten van de producenten-exporteurs van wie het verbintenisaanbod was aanvaard. Daardoor zouden die rechten een ruimere draagwijdte krijgen, aangezien zij krachtens de litigieuze verordening slechts golden voor de invoer afkomstig van producenten-exporteurs die geen partij waren bij de verbintenis, welke invoer 30 % van de totale invoer van het betrokken product bedroeg. Derhalve kon artikel 2 niet van de rest van de litigieuze verordening worden gescheiden, zodat het beroep tot nietigverklaring van enkel die bepaling niet-ontvankelijk is verklaard.
20.
Daar het Gerecht het beroep heeft verworpen op grond dat nietigverklaring van alleen artikel 2 de kern van de litigieuze verordening zou hebben gewijzigd, heeft het zich niet gebogen over de andere door de Raad aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond, te weten dat SolarWorld, Brandoni solare en Solar Energia niet procesbevoegd waren om tegen artikel 2 van de litigieuze verordening op te komen.
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
21.
SolarWorld heeft de onderhavige hogere voorziening ingesteld op 11 april 2016. Zij verzoekt het Hof haar hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en hetzij de zaak zelf af te doen en artikel 2 van de litigieuze verordening nietig te verklaren, hetzij de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht. Voorts verzoekt zij het Hof de Raad te verwijzen in de kosten.
22.
De Raad verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en SolarWorld te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de kosten van de procedure bij het Gerecht.
23.
De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening ongegrond te verklaren en SolarWorld te verwijzen in de kosten.
V. Beoordeling van de middelen
24.
SolarWorld voert twee middelen aan. Ten eerste betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden. Ten tweede stelt zij dat het Gerecht, door haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, de artikelen 47 en 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) heeft geschonden.
A. Eerste middel
1. Argumenten van partijen
25.
Met haar eerste middel betoogt SolarWorld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 53 tot en met 60 van de bestreden beschikking, meer bepaald de punten 55 en 59 daarvan, te oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden.
26.
In de eerste plaats stelt SolarWorld dat de in artikel 2 van de litigieuze verordening genoemde MIP-verbintenis en de in artikel 1 van die verordening vastgestelde ad valorem compenserende rechten twee vormen van compenserende maatregelen zijn. Als zodanig dienen zij hetzelfde doel (de schade voor de bedrijfstak van de Unie wegnemen) en moeten zij op een dusdanig niveau worden vastgesteld dat dit doel wordt gerealiseerd. Het vervangen van de ene compenserende maatregel (de verbintenis) door de andere (de rechten) verandert derhalve niets aan de kern van de litigieuze verordening. Die verordening beoogt immers de instelling van compenserende maatregelen, in welke vorm ook, voor alle invoer met subsidiëring. Voorts zijn de in punt 57 van de bestreden beschikking aangehaalde beslissingen niet van toepassing op de onderhavige zaak, aangezien gedeeltelijke nietigverklaring in de desbetreffende zaken zou hebben geleid tot een materiële wijziging van de werkingssfeer van de betrokken handeling, terwijl gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening in casu slechts een wijziging van de vorm van de ingestelde compenserende maatregelen tot gevolg zou hebben.
27.
In de tweede plaats betoogt SolarWorld dat de basisverordening zelf voorziet in vervanging van de ene vorm van compenserende maatregelen door de andere. Artikel 13, lid 9, van die verordening bepaalt dat wanneer een verbintenis wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding door de Commissie wordt ingetrokken, de ingestelde compenserende rechten van toepassing zijn.
28.
In de derde plaats zou nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening door het Gerecht op grond dat de MIP, zoals SolarWorld stelde, niet hoog genoeg waren vastgesteld om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen, niet noodzakelijkerwijs tot de instelling van rechten hebben geleid. De Commissie en de Raad hadden het arrest houdende nietigverklaring kunnen uitvoeren door herziene MIP van een voor het wegnemen van de schade toereikend niveau te aanvaarden.
29.
In de vierde plaats doet het er volgens SolarWorld niet toe dat nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening tot gevolg zou hebben dat de in artikel 1 van die verordening vastgestelde compenserende rechten voor alle invoer met subsidiëring zouden gelden, terwijl zij eerder op slechts 30 % van die invoer van toepassing waren. Dit verandert niets aan de werkingssfeer van de litigieuze verordening, die immers de instelling van compenserende maatregelen voor alle invoer met subsidiëring beoogt. Het percentage met subsidiëring ingevoerde producten waarop een bepaalde vorm van compenserende maatregelen van toepassing is, doet dus niet ter zake.
30.
De Raad stelt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, daar het, ten eerste, slechts een reeds voor het Gerecht aangevoerd middel herhaalt en, ten tweede, is gebaseerd op feitelijke kwesties die niet vatbaar zijn voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de bewijzen, waarop SolarWorld zich niet heeft beroepen.
31.
Ten gronde voert de Raad aan dat het eerste middel moet worden afgewezen. Ten eerste is het door SolarWorld gemaakte onderscheid tussen compenserende maatregelen en compenserende rechten kunstmatig. Daar waar in de basisverordening naar „maatregelen” wordt verwezen, worden veelal rechten bedoeld, zoals in de opschriften van de artikelen 12 en 14. Ten tweede zou nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening volgens de Raad ertoe leiden dat de in artikel 1 van die verordening vastgestelde compenserende rechten zouden gelden voor alle invoer, terwijl zij eerder alleen golden voor invoer boven een bepaald jaarlijks volume, oftewel voor slechts een deel van de invoer met subsidiëring. Daarmee zou de kern van de litigieuze verordening worden gewijzigd. Ten derde stelt de Raad dat de verbintenis zonder de rechten niet ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, daar zij een beperkte draagwijdte heeft (zij geldt slechts tot een bepaald invoervolume, waarboven de rechten van toepassing zijn). Ten vierde hebben de Raad en de Commissie bij het beoordelen van het belang van de bedrijfstak van de Unie de effecten van de MIP in aanmerking genomen. Ten vijfde zijn de rechten vastgesteld op een dusdanig niveau dat zij samen met de MIP een einde maken aan de schade die de bedrijfstak van de Unie lijdt. De litigieuze verordening berust derhalve op het gecombineerde economische effect van de rechten en de verbintenis. Het is niet zeker dat de Raad bij ontbreken van de verbintenis compenserende rechten op alle invoer met subsidiëring zou hebben ingesteld.
32.
De Commissie stelt dat het eerste middel ongegrond is.
33.
Ten eerste doet het niet ter zake dat zowel de verbintenis als de compenserende rechten compenserende maatregelen zijn en als zodanig hetzelfde doel (de schade voor de bedrijfstak van de Unie wegnemen) dienen. Wat telt, is dat het vervangen van eerstbedoelde maatregel door laatstbedoelde de kern van de litigieuze verordening zou wijzigen, daar de verbintenis en de rechten met het oog op het wegnemen van de schade en het belang van de Unie als één geheel zijn beoordeeld. Een verbintenis en compenserende rechten hebben bovendien niet hetzelfde effect. Extra inkomsten uit een verbintenis komen ten goede aan de exporteur, maar de inkomsten uit rechten vloeien naar de begroting van de Unie.
34.
Ten tweede bestrijdt de Commissie dat de in punt 57 van de bestreden beschikking aangehaalde beslissingen niet op de onderhavige zaak van toepassing zijn, zoals SolarWorld betoogt. Zij wijst erop dat gedeeltelijke nietigverklaring in die beslissingen niet is afgewezen omdat zij zou hebben geleid tot materiële wijzigingen van de werkingssfeer van de betrokken handeling, maar omdat daardoor de kern van die handeling zou zijn gewijzigd. Evenzo heeft het Gerecht in casu geoordeeld dat nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening de kern van die verordening zou wijzigen, omdat die nietigverklaring de draagwijdte van de compenserende rechten zou hebben verruimd, die immers zouden gelden voor invoer die eerder was vrijgesteld. Anders dan SolarWorld beweert, heeft het Gerecht niet geoordeeld dat gedeeltelijke nietigverklaring de draagwijdte van de litigieuze verordening zou wijzigen.
35.
Volgens de Commissie kan niet worden gesteld dat SolarWorld er geen belang bij heeft nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel te vorderen (omdat artikel 1 van die verordening haar Chinese concurrenten aan rechten onderwerpt). SolarWorld had bij de instelling van een beroep tot nietigverklaring van de gehele verordening immers kunnen verzoeken om opschorting van de werking van het arrest totdat de bevoegde instellingen de nodige maatregelen ter uitvoering van dat arrest (dat wil zeggen, een nieuwe verordening tot instelling van compenserende rechten) zouden hebben vastgesteld. Verzoeken om nietigverklaring van alleen artikel 2 is, zoals de Commissie het omschrijft, een „fout in procesvoeringsstrategie” die in de onderhavige procedure niet kan worden hersteld.
36.
De Commissie komt tot de slotsom dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat gedeeltelijke nietigverklaring moest worden afgewezen. Zou het Gerecht hebben vastgesteld dat artikel 2 van de litigieuze verordening onrechtmatig is, dan had het enkel die verordening in haar geheel nietig kunnen verklaren en de Raad en de Commissie moeten laten bepalen welke vorm van compenserende maatregelen moest worden vastgesteld om zijn arrest uit te voeren. Alleen via nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel kan het in de Verdragen neergelegde institutionele evenwicht worden bewaard.
37.
De CCCME heeft geen schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting heeft hij zich evenwel geschaard achter het standpunt van de Raad en de Commissie dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden.
2. Beoordeling
a) Ontvankelijkheid
38.
De Raad stelt dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, aangezien het, ten eerste, slechts een herhaling is van het middel aangaande scheidbaarheid dat voor het Gerecht is aangevoerd en, ten tweede, is gebaseerd op feitelijke kwesties die niet vatbaar zijn voor toetsing door het Hof.
39.
Ik ben van mening dat de door de Raad aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
40.
In de eerste plaats heeft SolarWorld in antwoord op een door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid weliswaar in eerste aanleg betoogd dat de bepaling in kwestie van de rest van de litigieuze verordening kon worden gescheiden, maar zij vermeldt in haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof duidelijk welke punten van de bestreden beschikking naar haar mening berusten op een onjuiste rechtsopvatting, inzonderheid punt 55 (dat betrekking heeft op de ruimere draagwijdte van de compenserende rechten die nietigverklaring van alleen artikel 2 met zich zou brengen), punt 57 (waarin het Gerecht eerdere beslissingen over het vereiste van scheidbaarheid onderzoekt) en punt 59 (waarin het Gerecht vaststelt dat artikel 2 niet van de rest van de litigieuze verordening kan worden gescheiden). SolarWorld verzoekt dus niet slechts om een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, en het Hof kan zijn toetsing van de bestreden beschikking dus uitvoeren. ( 17 )
41.
In de tweede plaats betreft de vraag of artikel 2 van de litigieuze verordening kan worden geacht scheidbaar te zijn van de rest van die verordening in de zin van de rechtspraak en dus afzonderlijk nietig kan worden verklaard, niet de vaststelling van feiten, maar de juridische kwalificatie daarvan, die is onderworpen aan toetsing door het Hof. ( 18 )
42.
Ik ben daarom van mening dat het eerste middel ontvankelijk is.
b) Ten gronde
43.
Met haar eerste middel betoogt SolarWorld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden.
44.
Ik herinner eraan dat bij artikel 1 van de litigieuze verordening compenserende rechten in de vorm van ad-valoremrechten zijn ingesteld, terwijl artikel 2 bepaalt dat met subsidiëring ingevoerde producten „zijn vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde compenserende recht op voorwaarde dat [...] een in de bijlage bij [besluit 2013/707] vermelde onderneming [...] [die] producten heeft vervaardigd [...] en verzonden en gefactureerd [...]”. In de bijlage bij besluit 2013/707 worden alle producenten-exporteurs opgesomd van wie het aanbod van een verbintenis door de Commissie is aanvaard. Volgens besluit 2013/423 behelst die verbintenis de toepassing van MIP tot een bepaald jaarlijks invoervolume, dat op het niveau van de toenmalige marktprestaties van de producenten-exporteurs zou liggen. ( 19 )
45.
Volgens vaste rechtspraak is gedeeltelijke nietigverklaring van een Unierechtelijke handeling alleen dan mogelijk wanneer de elementen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, kunnen worden gescheiden van de rest van de handeling. Aan dit vereiste is niet voldaan wanneer de gedeeltelijke nietigverklaring van de handeling tot gevolg heeft dat de kern van die handeling wordt gewijzigd, wat moet worden beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en niet aan de hand van een subjectief criterium dat samenhangt met de politieke wil van de instantie die de betrokken handeling heeft vastgesteld. ( 20 ) De beoordeling van de scheidbaarheid van onderdelen van een Uniehandeling veronderstelt dat de draagwijdte van die onderdelen wordt onderzocht, om te kunnen uitmaken of nietigverklaring ervan de geest en de kern van deze handeling zou wijzigen. ( 21 )
46.
Zou nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening de kern van die verordening wijzigen? Volgens mij is dat niet het geval.
47.
Om te beginnen zou ik erop willen wijzen dat een fout ten aanzien van een compenserend recht, net zoals een fout ten aanzien van een materiële vaststelling, tot gevolg kan hebben dat de kern van de verordening tot instelling van compenserende rechten wordt gewijzigd.
48.
Het lijdt geen twijfel dat nietigverklaring van de materiële vaststellingen van de instellingen aangaande het bestaan van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, schade, een oorzakelijk verband en een Uniebelang, wijziging van de kern van een verordening tot instelling van compenserende rechten tot gevolg kan hebben. Indien een van deze elementen ontbreekt, kan immers geen recht worden ingesteld. ( 22 )
49.
Voor een fout met betrekking tot het compenserende recht geldt des te meer dat deze kan leiden tot wijziging van de kern van de verordening waarbij dat recht is ingesteld. Het doel van een dergelijke verordening is immers juist het instellen van een recht om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen.
50.
In dit verband zou ik willen verwijzen naar het recente arrest van het Gerecht in de zaak JingAo Solar. ( 23 ) In die zaak werd verordening nr. 1239/2013, waarvan artikel 2 voorwerp is van het onderhavige geding, in haar geheel aangevochten door een aantal Chinese producenten-exporteurs en de met hen verbonden importeurs. De Raad en de Commissie betoogden met name, ten eerste, dat de verzoekers geen belang hadden bij het vorderen van nietigverklaring van artikel 2 (daar zij tijdens de administratieve procedure om vaststelling van dat artikel hadden verzocht), ten tweede, dat artikel 1 niet van de rest van de verordening kon worden gescheiden, zodat, ten derde, het beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening in haar geheel niet-ontvankelijk was. Het Gerecht oordeelde, ten eerste, dat beroepen die tegen een verordening tot instelling van definitieve compenserende rechten worden ingesteld door partijen van wie een verbintenis is aanvaard, ontvankelijk zijn, ten tweede, dat artikel 1 niet van de rest van de bestreden verordening kon worden gescheiden zodat, ten derde, het beroep tot nietigverklaring van die verordening in haar geheel ontvankelijk was. Meer bepaald oordeelde het Gerecht dat „een fout die de beoordelingen van de instellingen waarop de vaststelling van artikel 1 van de [litigieuze] verordening berust, ongeldig kan maken, de kern van die verordening zou wijzigen. Artikel 2 [...] zou automatisch komen te vervallen, in zoverre dat het voorziet in vrijstelling van de betaling van de antisubsidierechten die krachtens artikel 1 van [de litigieuze] verordening zijn vastgesteld”. ( 24 )
51.
Ik denk dat het Gerecht in het arrest JingAo Solar terecht heeft geoordeeld dat artikel 1 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden. Hieruit volgt evenwel niet, om redenen die ik hieronder zal uiteenzetten, dat artikel 2 niet van de rest van de litigieuze verordening kan worden gescheiden.
52.
In de eerste plaats zou ik willen benadrukken dat artikel 1 van de litigieuze verordening geen voorwaarden verbindt aan de instelling van rechten. Meer bepaald is voor het instellen van rechten geen schending of opzegging van de verbintenis vereist. Zou alleen artikel 2 van de verordening nietig worden verklaard, dan zou artikel 1 dus precies zo van toepassing zijn als krachtens de litigieuze verordening zoals vastgesteld door de Raad (zij het zonder de vrijstelling).
53.
Artikel 2 van de litigieuze verordening daarentegen voorziet in een vrijstelling van artikel 1. Nietigverklaring van alleen artikel 1 zou ertoe leiden dat de in de verbintenis vastgelegde MIP in plaats van de rechten van toepassing zijn, terwijl artikel 2 in de litigieuze verordening zoals vastgesteld door de Raad alleen als een vrijstelling van de betaling van de bij artikel 1 ingestelde rechten van toepassing is. ( 25 )
54.
Om die reden doet het niet ter zake dat, zoals SolarWorld betoogt, de in artikel 1 van de litigieuze verordening vastgestelde compenserende rechten en de in artikel 2 van die verordening genoemde verbintenis twee vormen van compenserende maatregelen zijn die hetzelfde doel dienen, te weten de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade wegnemen. Wat telt, is dat de ene maatregel voorziet in vrijstelling van de andere en dat nietigverklaring van die ene maatregel dus niet dezelfde gevolgen zou hebben als nietigverklaring van de andere.
55.
Hieruit volgt dat nietigverklaring van alleen artikel 1 van de litigieuze verordening de kern van die verordening zou wijzigen, terwijl dat bij nietigverklaring van alleen artikel 2 van die verordening niet het geval zou zijn. De reden dat artikel 1 in het arrest JingAo Solar ( 26 ) werd geacht niet scheidbaar te zijn van de rest van de litigieuze verordening – te weten dat artikel 2 voorziet in een vrijstelling van artikel 1 – is precies de reden dat artikel 2 moet worden geacht wel scheidbaar te zijn.
56.
Deze vaststelling vindt steun in het gegeven dat de bij artikel 1 van de litigieuze verordening ingestelde rechten in iedere situatie waarin de verbintenis niet of niet meer van toepassing is, dienen te worden betaald. Zoals hierboven vermeld, gelden de in de verbintenis genoemde MIP slechts tot een bepaald jaarlijks invoervolume; invoer boven dat volume is aan de in artikel 1 van de litigieuze verordening vastgestelde rechten onderworpen. Bovendien zijn die rechten volgens artikel 13, lid 9, van de basisverordening „van toepassing” wanneer de verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de Commissie haar aanvaarding van de verbintenis intrekt. De aanvaarding van de verbintenis is voor een aantal producenten-exporteurs daadwerkelijk ingetrokken, omdat zij hun verplichtingen uit hoofde van de verbintenis niet waren nagekomen (met name de verplichting inzake de MIP of de verslagleggingsverplichtingen) ( 27 ) of omdat de producenten-exporteurs de verbintenis wensten op te zeggen. ( 28 ) De bij artikel 1 van de litigieuze verordening ingestelde rechten werden onmiddellijk toegepast. ( 29 )
57.
In de tweede plaats doet het niet ter zake dat de in artikel 1 van de litigieuze verordening vastgestelde compenserende rechten als gevolg van de nietigverklaring van alleen artikel 2 van die verordening op alle invoer van toepassing zouden zijn, terwijl zij thans slechts gelden voor de invoer van exporteurs die geen partij zijn bij de verbintenis, dat wil zeggen voor 30 % van alle invoer.
58.
Dienaangaande zou ik erop willen wijzen dat nietigverklaring van alleen artikel 2 de werkingssfeer van de litigieuze verordening niet zou verruimen, aangezien bij artikel 1 de rechten op alle invoer zijn ingesteld. De invoer door ondernemingen die partij zijn bij de verbintenis, is slechts van rechten vrijgesteld, zoals blijkt uit het feit dat in geval van schending of opzegging van de verbintenis de rechten van toepassing zijn.
59.
Zelfs al zou nietigverklaring van alleen artikel 2 worden geacht tot een ruimere draagwijdte van de compenserende rechten te leiden, dan nog zou dit, zoals SolarWorld stelt, niet ter zake doen, aangezien de draagwijdte van de litigieuze verordening ongewijzigd zou blijven. Indien alleen artikel 2 nietig zou worden verklaard, zou artikel 1 precies dezelfde draagwijdte hebben als de litigieuze verordening zoals vastgesteld door de Raad.
60.
Ik ben dan ook van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 55 van de bestreden beschikking te oordelen dat de kern van de litigieuze verordening zou worden gewijzigd, omdat nietigverklaring van alleen artikel 2 „ertoe [zou] leiden dat de compenserende rechten [...] een ruimere draagwijdte krijgen dan bij toepassing van de [litigieuze] verordening zoals vastgesteld door de Raad”.
61.
Wat, in de derde plaats, de in punt 57 van de bestreden beschikking aangehaalde beslissingen betreft, te weten de beschikking in de zaak Carbunión ( 30 ), de arresten in de zaken Du Pont de Nemours ( 31 ) en Duitsland/Parlement en Raad ( 32 ), en de beschikking in de zaak Government of Gibraltar/Commissie ( 33 ), komt het mij voor dat deze zaken verschillen van de onderhavige zaak.
62.
In de beschikking Carbunión ( 34 ) heeft het Hof geoordeeld dat het niet mogelijk was nietigverklaring te vorderen van alleen de voorwaarden waaronder een staatssteunmaatregel voor de kolenindustrie met de interne markt verenigbaar was verklaard. Volgens het verenigbaarheidsbesluit was de steun in kwestie „sluitingssteun” die „specifiek [was] bedoeld om de verliezen bij de lopende productie van steenkoolproductie-eenheden te dekken”. Die steun was daarom enkel met de interne markt verenigbaar indien sprake was van een „sluitingsplan dat niet verder reikt[e] dan 31 december 2018”. ( 35 ) Het Hof oordeelde bijgevolg dat het verenigbaarheidsbesluit tot doel had „een specifiek rechtskader voor de sluiting van niet-concurrentiekrachtige kolenmijnen vast te stellen”. Nietigverklaring van uitsluitend de bepaling waarin die voorwaarde was vastgelegd, zou de kern van het verenigbaarheidsbesluit van de Raad wijzigen, aangezien zij „schrapping van [de] termijn tot gevolg zou hebben, zodat niet-concurrentiekrachtige kolenmijnen hun activiteiten niet uiterlijk 31 december 2018 zouden moeten beëindigen, maar in strijd met het doel van het [verenigbaarheidsbesluit van de Raad] voor onbepaalde tijd staatssteun zouden kunnen blijven ontvangen”. ( 36 ) In het onderhavige geval daarentegen zou door de nietigverklaring van artikel 2 geen enkele voorwaarde voor de instelling van de in artikel 1 voorziene compenserende rechten wegvallen, aangezien dergelijke voorwaarden ontbreken. Het Gerecht heeft in punt 57 van de bestreden beschikking derhalve ten onrechte geoordeeld dat de situatie in de zaak die heeft geleid tot de beschikking Carbunión, vergelijkbaar is met die in de onderhavige procedure.
63.
In het arrest Du Pont De Nemours ( 37 ) heeft het Hof geoordeeld dat het niet mogelijk was nietigverklaring te vorderen van alleen de bepaling van richtlijn 91/414/EEG ( 38 ) waarin 30 juni 2008 was vastgesteld als einddatum van de periode voor de opneming van flusilazool (een werkzame stof die in fungicides voor landbouwgewassen wordt gebruikt) in bijlage I bij die richtlijn (een gewasbeschermingsmiddel mag alleen door een lidstaat worden toegelaten als de werkzame stoffen die het bevat, in die bijlage worden vermeld en als aan de in de bijlage genoemde voorwaarden is voldaan). Volgens het Hof was het doel van richtlijn 91/414 „het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor de volksgezondheid en het milieu”. Nietigverklaring van alleen de termijn „zou [derhalve] leiden tot de opneming van flusilazool in bijlage I bij [die] richtlijn [...] na 30 juni 2008”, dat wil zeggen tot de opneming van die stof in bijlage I „onder minder strenge beperkingen dan die van [voornoemde] richtlijn”, waarvan de werkingssfeer bijgevolg zou worden gewijzigd. ( 39 ) In de onderhavige zaak is de instelling van compenserende rechten daarentegen aan geen enkele voorwaarde gebonden. Voorts lijdt het geen twijfel dat nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening niet tot hogere – of lagere – rechten kan leiden, daar de hoogte van die rechten in artikel 1 van die verordening is vastgelegd.
64.
In het arrest Duitsland/Parlement en Raad ( 40 ) heeft het Hof richtlijn 98/43/EG ( 41 ), waarbij een verbod op reclame en sponsoring voor tabaksproducten was ingesteld, in haar geheel nietig verklaard, op grond dat zij niet kon worden gebaseerd op artikel 100 A van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 114 VWEU), dat de Raad de bevoegdheid verleent om maatregelen vast te stellen voor de onderlinge aanpassing van wettelijke bepalingen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. De reden was dat het bij richtlijn 98/43 ingestelde verbod op alle vormen van reclame en sponsoring voor tabaksproducten niet kon worden gerechtvaardigd door de noodzaak belemmeringen van het vrije verkeer van reclamedragers of de vrijheid van dienstverrichting in de reclamesector weg te nemen. Dit gold volgens het Hof evenwel alleen voor het verbod op reclame voor tabaksproducten op voorwerpen in hotels (affiches, parasols, asbakken) en voor het verbod op reclamespots in de bioscoop, daar het verbod op dergelijke vormen van reclame het handelsverkeer in de betrokken producten niet kon vergemakkelijken. Dit gold niet voor het verbod op tabaksreclame in kranten, tijdschriften en magazines, aangezien het verbod op die vorm van reclame het vrije verkeer van persorganen zou kunnen bevorderen. ( 42 ) Niettemin heeft het Hof richtlijn 98/43 in haar geheel nietig verklaard, op grond dat, „[g]elet op het algemene karakter van het door [richtlijn 98/43] ingestelde verbod van reclame en sponsoring voor tabaksproducten, [...] een gedeeltelijke nietigverklaring van de richtlijn [zou] inhouden dat de bepalingen van de richtlijn door het Hof werden gewijzigd”. ( 43 ) Zoals opgemerkt door advocaat-generaal Fennelly, „is een mogelijk gerechtvaardigd reclameverbod in bepaalde media niet terug te vinden in aparte, afscheidbare bewoordingen in [richtlijn 98/43]”. Gedeeltelijke nietigverklaring zou dan ook, in de woorden van de advocaat-generaal, „neerkomen op een creatieve herschrijving van de maatregel bij wege van uitlegging. Er is geen duidelijk scheidbare bepaling die als zodanig kan worden nietig verklaard.” ( 44 ) In de onderhavige zaak is artikel 2 van de litigieuze verordening wel degelijk vatbaar voor nietigverklaring in deze zin.
65.
In de beschikking Government of Gibraltar/Commissie ( 45 ) heeft het Hof geoordeeld dat enkel nietigverklaring van beschikking 2009/95/EG van de Commissie ( 46 ) in haar geheel kon worden gevorderd. In laatstgenoemde beschikking heeft de Commissie een gebied in Gibraltar op de lijst van gebieden van communautair belang in de zin van richtlijn 92/43/EEG van de Raad (hierna: „habitatrichtlijn”) ( 47 ) opgenomen. De Government of Gibraltar kon niet enkel om nietigverklaring van beschikking 2009/95 verzoeken voor zover het gebied in kwestie daarbij werd uitgebreid tot geografische gebieden op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk. Volgens het Hof werden de verschillende geografische gebieden waaruit het gebied in kwestie beweerdelijk bestond, in beschikking 2009/95 niet genoemd. Voorts kon een gebied in het systeem van de habitatrichtlijn niet in deelgebieden worden opgesplitst. ( 48 ) In deze zaak bleek uit de bepalingen van de habitatrichtlijn dat een gebied dat in aanmerking kwam voor aanwijzing als gebied van communautair belang, in zijn geheel moest worden beoordeeld. In de onderhavige zaak daarentegen is het niet van belang dat de compenserende rechten en de verbintenis ten aanzien van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade tezamen zijn beoordeeld. Waren de instellingen van oordeel geweest dat alleen een combinatie van de rechten en de verbintenis die schade zou kunnen wegnemen, dan zouden zij de MIP immers niet in de vorm van een vrijstelling van de rechten hebben ingesteld.
66.
Ik concludeer dat de door het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking aangehaalde rechtspraak op de onderhavige zaak niet van toepassing is.
67.
In de vierde plaats zou nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening, anders dan de Commissie stelt, het institutionele evenwicht tussen enerzijds Raad en Commissie ( 49 ) en anderzijds de rechterlijke instanties van de Unie niet aantasten. ( 50 )
68.
Ik wijs erop dat nietigverklaring van alleen artikel 2 slechts tot de toepassing van een eerder door de Raad en de Commissie vastgestelde maatregel zou leiden, te weten artikel 1. Het Hof zou niet beslissen om compenserende maatregelen van een bepaald type (ad-valoremrechten in plaats van, bijvoorbeeld, een recht in de vorm van een vast bedrag) in te stellen, en evenmin zou het de hoogte van dergelijke rechten berekenen.
69.
Voorts kan de gedeeltelijke nietigverklaring van een handeling van de Unie niet worden geacht het institutionele evenwicht aan te tasten, aangezien, ten eerste, de bij artikel 264, eerste alinea, VWEU aan het Hof verleende bevoegdheid om een Unierechtelijke handeling in haar geheel nietig te verklaren, de bevoegdheid omvat om dat slechts voor een deel van die handeling te doen ( 51 ) en, ten tweede, die bevoegdheid niet onbegrensd is, daar gedeeltelijke nietigverklaring, zoals wij hebben gezien, niet mag leiden tot wijziging van de kern van de handeling. ( 52 )
70.
Ik ben dan ook van mening dat het eerste middel gegrond is en dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden. Hieruit volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
71.
Volledigheidshalve zal ik thans evenwel het tweede middel onderzoeken.
B. Tweede middel
1. Argumenten van partijen
72.
Met haar tweede middel betoogt SolarWorld dat het Gerecht, door in de punten 53 tot en met 60 van de bestreden beschikking, meer bepaald in de punten 55 en 59 daarvan, te oordelen dat het beroep niet-ontvankelijk was, de artikelen 47 en 20 van het Handvest heeft geschonden.
73.
Wat de schending van artikel 47 van het Handvest betreft, voert SolarWorld aan dat producenten in de Unie, ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij individueel door verordeningen tot instelling van compenserende maatregelen worden geraakt, iedere doeltreffende voorziening in rechte zou worden ontnomen als zij niet om gedeeltelijke nietigverklaring van dergelijke verordeningen zouden kunnen verzoeken. In dit verband benadrukt SolarWorld dat haar beroepen tot nietigverklaring van verordening nr. 513/2013 en de besluiten 2013/423 en 2013/707 niet-ontvankelijk zijn verklaard.
74.
Wat de schending van artikel 20 van het Handvest betreft, betoogt SolarWorld dat het Gerecht, door haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening niet-ontvankelijk te verklaren en het door Chinese exporteurs ingestelde beroep tot nietigverklaring van die verordening daarentegen ontvankelijk te achten, producenten in de Unie en Chinese exporteurs niet gelijk heeft behandeld.
75.
De Raad stelt dat het tweede middel moet worden afgewezen. Hij wijst er met name op dat artikel 47 van het Handvest niet beoogt het in de Verdragen neergelegde systeem van rechterlijke toetsing, meer bepaald de regels inzake de ontvankelijkheid voor rechtstreekse beroepen bij de rechterlijke instanties van de Unie, te wijzigen. Wat de schending van artikel 20 van het Handvest betreft, is dit middel niet-ontvankelijk, daar het niet voor het Gerecht is opgeworpen. Hoe dan ook is het niet gegrond, aangezien SolarWorld en de Chinese producenten niet verschillend zijn behandeld. SolarWorld had immers om nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel kunnen verzoeken.
76.
De Commissie betoogt dat het tweede middel ongegrond is. Wat de schending van artikel 47 van het Handvest betreft, benadrukt zij, ten eerste, dat deze bepaling niet op wijziging van het in de Verdragen neergelegde systeem van rechterlijke toetsing is gericht, ten tweede, dat SolarWorld daadwerkelijk beroep tot nietigverklaring van de besluiten 2013/423 en 2013/707 heeft ingesteld en, ten derde, dat Solarworld beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel had kunnen instellen. Wat de schending van artikel 20 van het Handvest betreft, stelt de Commissie dat SolarWorld en de Chinese exporteurs niet verschillend zijn behandeld, aangezien SolarWorld beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel had kunnen instellen en had kunnen verzoeken om opschorting van de werking van het arrest totdat die verordening zou zijn vervangen door een nieuwe verordening waarbij hogere compenserende rechten worden ingesteld.
2. Beoordeling
a) Ontvankelijkheid
77.
De Raad betoogt dat het middel ontleend aan schending van artikel 20 van het Handvest niet-ontvankelijk is, daar het niet voor het Gerecht is aangevoerd.
78.
Het is juist dat SolarWorld in antwoord op de door de Raad voor het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid geen middel aangaande schending van artikel 20 van het Handvest heeft aangevoerd. Voor zover het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 20 van het Handvest, is het mijns inziens dan ook niet-ontvankelijk.
79.
Volledigheidshalve zal ik hieronder echter onderzoeken of het Gerecht, door het beroep van SolarWorld niet-ontvankelijk te verklaren, artikel 20 van het Handvest heeft geschonden.
b) Ten gronde
80.
Met haar tweede middel betoogt SolarWorld dat het Gerecht, door haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, de artikelen 47 en 20 van het Handvest heeft geschonden.
81.
Ik ben van mening dat het tweede middel moet worden afgewezen.
82.
Wat, ten eerste, de vermeende schending van artikel 47 van het Handvest betreft, is het juist, zoals ik hierboven heb vermeld, dat het door SolarWorld ingestelde beroep tot nietigverklaring van besluit 2013/707, waarbij de Commissie het verbintenisaanbod van de producenten-exporteurs heeft aanvaard, niet-ontvankelijk is verklaard op grond dat „een besluit tot aanvaarding van een verbintenis [...] geen rechtsgevolgen met zich brengt die de rechtspositie van producenten in de Unie zoals [SolarWorld] rechtstreeks raken”. ( 53 ) Het door SolarWorld ingestelde beroep tot nietigverklaring van het in de brief van 15 september 2014 van de Commissie vervatte besluit tot aanpassing van de MIP als vastgelegd in de verbintenis, is door het Gerecht ten gronde verworpen, „zonder dat de ontvankelijkheid ervan behoef[de] te worden onderzocht”. ( 54 )
83.
Ik merk evenwel op dat artikel 47 volgens de Toelichtingen bij het Handvest „niet tot doel [heeft] het systeem van rechterlijke toetsing van de [V]erdragen, met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, te wijzigen”. ( 55 ) Volgens vaste rechtspraak moeten de in artikel 263, vierde alinea, VWEU neergelegde ontvankelijkheidsvoorwaarden dan ook worden uitgelegd in het licht van het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming, zonder evenwel de uitdrukkelijk door dat Verdrag gestelde voorwaarden onwerkzaam te maken. ( 56 )
84.
Voorts is de vraag waarover het Hof zich dient te buigen of een beroep tot nietigverklaring van alleen artikel 2 van de litigieuze verordening kan worden ingesteld. Mocht het Hof oordelen dat die bepaling niet van de rest van die handeling kan worden gescheiden, dan zou nog altijd een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel kunnen worden ingesteld. In dit verband kan niet worden gesteld dat nietigverklaring van die verordening in haar geheel voor SolarWorld geen nuttig doel zou dienen. SolarWorld zou immers een beroep in die zin kunnen instellen en het Hof kunnen verzoeken de gevolgen van de nietigverklaring op te schorten totdat de instellingen de nodige maatregelen ter uitvoering van het arrest houdende nietigverklaring hebben vastgesteld. ( 57 )
85.
Daarom ben ik van mening dat het middel ontleend aan schending van artikel 47 van het Handvest moet worden afgewezen.
86.
Wat, ten tweede, de vermeende schending van artikel 20 van het Handvest betreft, zou SolarWorld, mocht het Hof oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden en dat SolarWorld niet om gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening kan verzoeken, mijns inziens niet anders dan de producenten-exporteurs worden behandeld. Zoals wij hebben gezien, volgt uit het arrest JingAo Solar dat producenten-exporteurs niet om gedeeltelijke nietigverklaring van de litigieuze verordening kunnen verzoeken (aangezien artikel 1 niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden). ( 58 )
87.
Mocht het Hof tot het oordeel komen dat het middel aangaande schending van artikel 20 van het Handvest ontvankelijk is, dan zou het dit middel volgens mij dan ook ongegrond moeten verklaren.
88.
Ik concludeer dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 2 van de litigieuze verordening niet van de rest van die verordening kan worden gescheiden. Derhalve moet de bestreden beschikking worden vernietigd.
89.
Volgens artikel 61 van het Statuut van het Hof kan het Hof, wanneer het een arrest of beschikking in hogere voorziening vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar terugverwijzen naar het Gerecht.
90.
In de onderhavige zaak heeft het Gerecht in de bestreden beschikking niet onderzocht of SolarWorld bevoegd is om nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze verordening te vorderen, hetgeen de Raad in eerste aanleg heeft betwist. Die vraag komt ook in de schriftelijke opmerkingen van partijen voor het Hof niet aan de orde. Hetzelfde geldt voor de middelen aangaande de gegrondheid van de hogere voorziening. Deze zaak is derhalve niet in staat van wijzen.
91.
Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht en dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
VI. Conclusie
92.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
–
de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 1 februari 2016, SolarWorld e.a./Raad, T‑142/14, te vernietigen;
–
zaak T‑142/14 terug te verwijzen naar het Gerecht van de Europese Unie, en
–
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Beschikking van 1 februari 2016, SolarWorld e.a./Raad, T‑142/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:68 (hierna: „bestreden beschikking”).
( 3 ) Verordening van 2 december 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 66).
( 4 ) Verordening van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (gecodificeerde versie) (hierna: „basisverordening”) (PB 2009, L 188, blz. 93).
( 5 ) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2012, C 269, blz. 5).
( 6 ) Bericht van inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2012, C 340, blz. 13).
( 7 ) Verordening van 4 juni 2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 182/2013 tot onderwerping van de invoer van deze goederen van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB 2013, L 152, blz. 5).
( 8 ) Beschikking van 14 april 2015, SolarWorld en Solsonica/Commissie, T‑393/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:211.
( 9 ) Beschikking van 16 maart 2016, SolarWorld/Commissie, C‑312/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:162.
( 10 ) Besluit tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 209, blz. 26).
( 11 ) Verordening tot wijziging van verordening (EU) nr. 513/2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 209, blz. 1).
( 12 ) Verordening tot instelling van definitieve antidumpingrechten [en tot inning van de voorlopige antidumpingrechten] op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 325, blz. 1).
( 13 ) Besluit tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast (PB 2013, L 325, blz. 214).
( 14 ) Beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23.
( 15 ) Beschikking van 10 maart 2016, SolarWorld/Commissie, C‑142/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:163.
( 16 ) Arrest van 16 februari 2017, SolarWorld/Commissie, T‑783/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:88.
( 17 ) Arrest van 19 januari 2017, Commissie/Total en Elf Aquitaine, C‑351/15 P, EU:C:2017:27, punten 30‑34.
( 18 ) Arrest van 1 oktober 2014, Raad/Alumina, C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punten 15‑19.
( 19 ) Zie de overwegingen 5 en 6 van besluit 2013/423 en overweging 19 van besluit 2013/707.
( 20 ) Arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 38.
( 21 ) Arrest van 12 november 2015, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad, C‑121/14, EU:C:2015:749, punt 21.
( 22 ) Zie artikel 12, lid 1, onder c) en d), en artikel 15, lid 1, van de basisverordening. Naar analogie leidt een fout bij de vaststelling van de normale waarde in antidumpingprocedures tot nietigverklaring van de gehele verordening waarbij de antidumpingrechten zijn ingesteld, aangezien „de normale waarde een wezenlijke voorwaarde voor het bepalen van het toepasselijke tarief van het antidumpingrecht is” (arrest van 15 september 2016, PT Wilmar Bioenergi Indonesia en PT Wilmar Nabati Indonesia/Raad, T‑139/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:499, punt 109).
( 23 ) Arrest van 28 februari 2017, JingAo Solar e.a./Raad, T‑158/14, T‑161/14 en T‑163/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:126 (hierna: „arrest JingAo Solar”). Tegen dit arrest is hogere voorziening ingesteld (thans aanhangig bij het Hof; zie Canadian Solar Emea e.a./Raad, C‑237/17 P).
( 24 ) Arrest van 28 februari 2017, JingAo Solar e.a./Raad, T‑158/14, T‑161/14 en T‑163/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:126, punt 42.
( 25 ) De instellingen hadden kunnen kiezen voor het instellen van een recht op basis van een minimumprijs in plaats van het bij artikel 1 van de litigieuze verordening ingestelde ad-valoremrecht, of voor een hybride maatregel.
( 26 ) Arrest van 28 februari 2017, JingAo Solar e.a./Raad, T‑158/14, T‑161/14 en T‑163/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:126.
( 27 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/866 van de Commissie van 4 juni 2015 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor drie producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2015, L 139, blz. 30); uitvoeringsverordening (EU) 2015/1403 van de Commissie van 18 augustus 2015 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor een producent-exporteur op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2015, L 218, blz. 1); uitvoeringsverordening (EU) 2015/2018 van de Commissie van 11 november 2015 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor twee producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2015, L 295, blz. 23); uitvoeringsverordening (EU) 2016/1045 van de Commissie van 28 juni 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor een producent-exporteur op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2016, L 170, blz. 5), en uitvoeringsverordening (EU) 2016/2146 van de Commissie van 7 december 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor twee producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2016, L 333, blz. 4).
( 28 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/115 van de Commissie van 28 januari 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor een producent-exporteur op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2016, L 23, blz. 47), en uitvoeringsverordening (EU) 2016/1998 van de Commissie van 15 november 2016 tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis voor vijf producenten-exporteurs op grond van uitvoeringsbesluit 2013/707 (PB 2016, L 308, blz. 8).
( 29 ) Zie overweging 96 van verordening 2015/866, overweging 34 van verordening 2015/1403, overweging 70 van verordening 2015/2018, overweging 16 van verordening 2016/115, overweging 55 van verordening 2016/1045, overweging 23 van verordening 2016/1998 en overweging 45 van verordening 2016/2146.
( 30 ) Beschikking van 11 december 2014, Carbunión/Raad, C‑99/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2446.
( 31 ) Arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167.
( 32 ) Arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, EU:C:2000:544.
( 33 ) Beschikking van 12 juli 2012, Government of Gibraltar/Commissie, C‑407/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:464.
( 34 ) Beschikking van 11 december 2014, Carbunión/Raad, C‑99/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2446.
( 35 ) Artikel 3, lid 1, van besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB 2010, L 336, blz. 24).
( 36 ) Beschikking van 11 december 2014, Carbunión/Raad, C‑99/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2446, punten 28 en 31.
( 37 ) Arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167.
( 38 ) Richtlijn van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1).
( 39 ) Arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 85.
( 40 ) Arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, EU:C:2000:544.
( 41 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PB 1998, L 213, blz. 9).
( 42 ) Arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, EU:C:2000:544, punten 98 en 99.
( 43 ) Arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, EU:C:2000:544, punt 117.
( 44 ) Conclusie van advocaat-generaal Fennelly in de zaak Duitsland/Parlement en Raad, C‑376/98, EU:C:2000:324, punt 127.
( 45 ) Beschikking van 12 juli 2012, Government of Gibraltar/Commissie, C‑407/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:464.
( 46 ) Beschikking van 12 december 2008 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van een tweede bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB 2009, L 43, blz. 393).
( 47 ) Richtlijn van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7).
( 48 ) Beschikking van 12 juli 2012, Government of Gibraltar/Commissie, C‑407/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:464, punten 31‑33.
( 49 ) Ik merk op dat definitieve compenserende rechten sinds de inwerkingtreding van verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek voor wat de procedures tot het nemen van bepaalde maatregelen betreft (PB 2014, L 18, blz. 1) door de Commissie en niet door de Raad worden vastgesteld. Zie dienaangaande Scharf, T., „Decision-Making in EU Trade Defence Cases After Lisbon: An Institutional Anomaly Addressed?”, in Herrmann, C., Simma, B., en Streinz, R. (red.), Trade Policy between Law, Diplomacy and Scholarship. Liber amicorum in memoriam Horst G. Krenzler, Springer, 2015, blz. 395‑406.
( 50 ) De Commissie redeneert als volgt. Het staat aan de Commissie en de Raad om te bepalen welke compenserende maatregel moet worden ingesteld. Nietigverklaring van alleen artikel 2 zou evenwel tot gevolg hebben dat de verbintenis genoemd in artikel 2 wordt vervangen door de compenserende rechten die in artikel 1 zijn vastgesteld. Anders gezegd, nietigverklaring van alleen artikel 2 zou erop neerkomen dat het Hof kan bepalen welke compenserende maatregel moet worden ingesteld. Die nietigverklaring zou dus het institutionele evenwicht tussen enerzijds Commissie en Raad en anderzijds de rechterlijke instanties van de Unie aantasten. Alleen nietigverklaring van de litigieuze verordening in haar geheel maakt het mogelijk het institutionele evenwicht te bewaren, aangezien het aan de Commissie en de Raad zou staan om nieuwe compenserende maatregelen vast te stellen ter uitvoering van het arrest waarin de nietigverklaring is uitgesproken.
( 51 ) Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:317, punt 25.
( 52 ) Conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak Frankrijk e.a./Commissie, C‑68/94 en C‑30/95, EU:C:1997:54, punt 142.
( 53 ) Beschikking van 14 januari 2015, SolarWorld e.a./Commissie, T‑507/13, EU:T:2015:23, punt 52.
( 54 ) Arrest van 16 februari 2017, SolarWorld/Commissie, T‑783/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:88, punt 59.
( 55 ) Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17).
( 56 ) Arresten van 24 november 2016, Ackermann Saatzucht e.a./Parlement en Raad, C‑408/15 P en C‑409/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:893, punt 50, en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 98.
( 57 ) Arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 99.
( 58 ) Arrest van 28 februari 2017, JingAo Solar e.a./Raad, T‑158/14, T‑161/14 en T‑163/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:126, punt 42.