CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 26 juli 2017 ( 1 )
Zaak C‑243/16
Antonio Miravitlles Ciurana,
Alberto Marína Lorente,
Jorge Benito García,
Juan Gregorio Benito García
tegen
Contimark SA,
Jordi Socías Gispert
[verzoek van de Juzgado de lo Social no 30 de Barcelona (arbeidsrechter Barcelona, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2012/30/EU – Artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vennootschapsrecht – Vordering uit hoofde van loonaanspraken – Bij dezelfde rechter gelijktijdig en cumulatief ingestelde rechtstreekse vordering tegen de onderneming en de bestuurder van de vennootschap als hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap”
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 6, 7 en 8 van richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, tweede alinea, VWEU, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken ( 2 ), van artikel 19 en artikel 36 van richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken ( 3 ), alsook van de artikelen 20, 21 en 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Antonio Miravitlles Ciurana, Alberto Marina Lorente, Jorge Benito García en Juan Gregorio Benito García en anderzijds Contimark SA en haar bestuurder, Jordi Socías Gispert, ter zake van vorderingen uit hoofde van achterstallig loon en andere vergoedingen die deze vennootschap krachtens rechterlijke uitspraak aan hen moet betalen.
3.
De verwijzende rechter, de Juzgado de lo Social no 30 de Barcelona (arbeidsrechter Barcelona, Spanje), twijfelt over de uitvoering van de Unierechtelijke bepalingen tot bescherming van schuldeisers van vennootschappen en de verenigbaarheid ervan met de nationale procedurevoorschriften die de uitsluiting inhouden van de bevoegdheid van de rechter die belast is met de tenuitvoerlegging van de beslissingen inzake de vaststelling van de hoogte van de loonvorderingen om zich, op verzoek van de werknemer, uit te spreken over de aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap waarbij de werknemer in dienst was, met het oog op de hoofdelijke veroordeling van deze bestuurder tot betaling van de verschuldigde bedragen.
4.
In deze conclusie zal ik, om te beginnen, preciseren in hoeverre de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende rechtssituatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.
5.
Vervolgens zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat:
–
artikel 19 van richtlijn 2012/30 en het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die een werknemer die schuldeiser is van de vennootschap waarbij hij in dienst was, verplicht om zich tot een andere rechter te wenden dan de arbeidsrechter om de hoofdelijke veroordeling te verkrijgen van de bestuurder van deze vennootschap omdat deze zijn verplichtingen van zakelijke aard niet is nagekomen, mits deze regeling niet ongunstiger is dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen geldt en zij de uitoefening van de door deze richtlijn verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, en
–
de nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet strijdig is met het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel van met name de artikelen 20 en 21 van het Handvest.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Handvest
6.
Volgens artikel 20 van het Handvest („Gelijkheid voor de wet”) „[is] [e]enieder [...] gelijk voor de wet”.
7.
Artikel 21 van het Handvest, „Non-discriminatie”, luidt:
„1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.
2. Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, is iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
8.
Artikel 51 van het Handvest, „Toepassingsgebied”, bepaalt het volgende:
„1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.
2. Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.”
2. Richtlijn 2009/101
9.
Artikel 2 van richtlijn 2009/101 luidt als volgt:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende de in artikel 1 bedoelde vennootschappen ten minste plaatsvindt voor de volgende akten en gegevens:
a)
de oprichtingsakte alsmede de statuten indien deze in een afzonderlijke akte zijn opgenomen;
b)
de wijzigingen van de onder a) vermelde akten, waaronder begrepen de verlenging van de duur van de vennootschap;
c)
na elke wijziging in de oprichtingsakte of de statuten de volledige bijgewerkte tekst van de gewijzigde akte;
d)
de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan
i)
de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen; uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen;
ii)
deelnemen aan het bestuur van, het toezicht of de controle op de vennootschap;
e)
ten minste eenmaal per jaar het bedrag van het geplaatste kapitaal, indien in de oprichtingsakte of de statuten een maatschappelijk kapitaal wordt genoemd, tenzij iedere vergroting van het geplaatste kapitaal een wijziging van de statuten met zich meebrengt;
f)
de boekhoudbescheiden voor elk boekjaar, die overeenkomstig de richtlijnen 78/660/EEG[ ( 4 )], 83/349/EEG[ ( 5 )], 86/635/EEG[ ( 6 )] en 91/674/EEG[ ( 7 )] van de Raad moeten worden bekendgemaakt;
g)
elke verplaatsing van de zetel van de vennootschap;
h)
de ontbinding van de vennootschap;
i)
de rechterlijke beslissingen waarbij de nietigheid van de vennootschap wordt uitgesproken;
j)
de benoeming en de identiteit van de vereffenaars alsmede hun respectieve bevoegdheden, tenzij deze bevoegdheden uitdrukkelijk en uitsluitend voortvloeien uit de wet of de statuten;
k)
de beëindiging van de liquidatie en de doorhaling in het register in die lidstaten waar zulks rechtsgevolgen heeft.”
10.
Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„Elke lidstaat bepaalt wie gehouden zijn aan de formaliteiten van openbaarmaking te voldoen.”
11.
Artikel 7 van deze richtlijn luidt:
„De lidstaten stellen ten minste passende sancties vast ingeval:
a)
de in artikel 2, onder f), voorgeschreven openbaarmaking van boekhoudbescheiden wordt nagelaten;
b)
de in artikel 5 bedoelde verplichte gegevens op de zakelijke geschriften of op de website van de vennootschap ontbreken.”
12.
Artikel 8 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„Indien rechtshandelingen worden verricht ten name van een vennootschap in oprichting, voordat deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, en indien de vennootschap de uit deze handelingen voortvloeiende verbintenissen niet overneemt, zijn degenen die de handelingen hebben verricht, daarvoor hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk, tenzij anders werd overeengekomen.”
3. Richtlijn 2012/30
13.
De overwegingen 3, 5 en 12 van richtlijn 2012/30 vermelden het volgende:
„(3)
Het is voor een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van deze vennootschappen van bijzonder belang de nationale wettelijke bepalingen inzake de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding, de verhoging en de vermindering van hun kapitaal te coördineren.
[...]
(5)
Er is een regeling van de Unie nodig ten behoeve van de instandhouding van het kapitaal, dat een waarborg vormt voor de schuldeisers, inzonderheid door te verbieden dit kapitaal aan te tasten door onverplichte uitkeringen aan de aandeelhouders en door de mogelijkheid dat een vennootschap eigen aandelen inkoopt, te beperken.
[...]
(12)
Om de standaardbescherming van schuldeisers in alle lidstaten te versterken, dienen zij onder bepaalde voorwaarden in staat te zijn gerechtelijke of administratieve procedures in te leiden wanneer hun vorderingen in het gedrang komen als gevolg van een vermindering van het kapitaal van een naamloze vennootschap.”
14.
Artikel 19 van deze richtlijn luidt als volgt:
„1. Indien een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan, wordt de algemene vergadering van aandeelhouders binnen een in de wetgevingen van de lidstaten vastgestelde termijn bijeengeroepen, teneinde na te gaan of het noodzakelijk is de vennootschap te ontbinden of andere maatregelen te nemen.
2. De wet van een lidstaat kan het verloren gegane deel van het kapitaal dat als belangrijk in de zin van lid 1 moet worden aangemerkt, niet op meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vaststellen.”
15.
Artikel 34 van deze richtlijn luidt:
„Voor elke vermindering van het geplaatste kapitaal, behalve voor die op last van de rechter, is ten minste een besluit nodig van de algemene vergadering, die beslist overeenkomstig de in artikel 44 vastgestelde voorschriften inzake quorum en meerderheid, onverminderd het bepaalde in de artikelen 40 en 41. Dit besluit moet openbaar worden gemaakt op de in de wetgeving van de lidstaten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van richtlijn [2009/101].
In de oproeping voor de algemene vergadering worden in elk geval het doel van de kapitaalvermindering en de voor de verwezenlijking ervan te volgen werkwijze vermeld.”
16.
Artikel 36 van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„1. In geval van vermindering van het geplaatste kapitaal hebben in ieder geval de schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan voor de openbaarmaking van het besluit tot kapitaalvermindering ten minste het recht om zekerheid te verkrijgen voor op het tijdstip van openbaarmaking nog niet opeisbare vorderingen. De lidstaten mogen dit recht slechts terzijde stellen indien de schuldeiser over adequate waarborgen beschikt of indien deze waarborgen, gezien de vermogenstoestand van de vennootschap, niet noodzakelijk zijn.
De lidstaten stellen de voorwaarden vast waaronder het in de eerste alinea bedoelde recht kan worden uitgeoefend. De lidstaten dragen er in elk geval zorg voor dat de bovenbedoelde schuldeisers zich tot de bevoegde administratieve of gerechtelijke instantie kunnen wenden om adequate waarborgen te verkrijgen, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de vermindering van het geplaatste kapitaal in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen adequate waarborgen zijn verkregen.
2. In de wetgevingen van de lidstaten wordt voorts ten minste bepaald, dat de kapitaalvermindering geen gevolg zal hebben, of dat geen betaling zal kunnen geschieden ten behoeve van de aandeelhouders, zolang de schuldeisers geen voldoening hebben gekregen of de rechter niet heeft beslist dat er geen grond is om hun verzoek in te willigen.
3. Dit artikel is van toepassing wanneer de vermindering van het geplaatste kapitaal geschiedt doordat de aandeelhouders geheel of gedeeltelijk van hun verplichting tot volstorting van hun inbreng worden vrijgesteld.”
B. Spaans recht
17.
Artikel 236 van de Ley de Sociedades de Capital (Spaanse wet op de kapitaalvennootschappen; hierna: „LSC”), goedgekeurd bij het Real Decreto Legislativo 1/2010 (koninklijk wetgevend besluit nr. 1/2010) van 2 juli 2010 ( 8 ), draagt het opschrift „Gevallen van aansprakelijkheid”, en bepaalt het volgende:
„1. De bestuurders […] zijn jegens de vennootschap, de aandeelhouders en de schuldeisers van de vennootschap aansprakelijk voor de schade die zij veroorzaken door enig handelen of nalaten in strijd met de wet of de statuten of door niet-nakoming van de aan de uitoefening van hun functie inherente verplichtingen.
2. In geen geval ontslaat de omstandigheid dat de rechtshandeling of het besluit waardoor de schade is ontstaan door de algemene vergadering is vastgesteld, goedgekeurd of bekrachtigd de bestuurders van hun aansprakelijkheid.”
18.
Artikel 237 van deze wet is getiteld „Hoofdelijkheid” en luidt als volgt:
„Alle leden van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen of de handeling heeft verricht waardoor de schade is ontstaan zijn hoofdelijk aansprakelijk, behalve zij die aantonen dat zij niet op de hoogte waren van het bestaan hiervan doordat zij noch bij de vaststelling, noch bij de uitvoering ervan zijn tussengekomen of, wanneer zij van het bestaan hiervan op de hoogte waren, naar behoren hebben gehandeld om schade te voorkomen, dan wel zich ten minste uitdrukkelijk hiertegen hebben verzet.”
19.
Artikel 238, lid 1, van deze wet draagt het opschrift „Aansprakelijkheidsvordering ingesteld door de vennootschap” en bepaalt het volgende:
„Een vordering tot aansprakelijkstelling van de bestuurders wordt ingesteld door de vennootschap na besluit van de algemene vergadering, dat kan worden genomen op verzoek van iedere aandeelhouder [...]”
20.
Artikel 240 LSC, „Subsidiaire bevoegdheid van de schuldeisers om een vennootschapsvordering in te stellen”, luidt:
„De schuldeisers van de vennootschap kunnen een aansprakelijkheidsvordering instellen tegen de bestuurders wanneer deze niet is ingesteld door de vennootschap of haar aandeelhouders, mits het vennootschappelijk vermogen ontoereikend is om hun vorderingen te voldoen.”
21.
Artikel 241 van deze wet bepaalt onder het opschrift „Individuele vordering tot aansprakelijkstelling” het volgende:
„De voorgaande bepalingen laten schadevorderingen van aandeelhouders en derden wegens handelingen van bestuurders die hun belangen rechtstreeks schaden onverlet.”
22.
Artikel 362 van deze wet draagt het opschrift „Ontbinding nadat is gebleken van het bestaan van een wettelijke dan wel een statutaire grond” en bepaalt het volgende:
„Kapitaalvennootschappen worden ontbonden wanneer het bestaan van een wettelijke of statutaire grond naar behoren is vastgesteld door de algemene vergadering, dan wel bij rechterlijke beslissing.”
23.
Artikel 363, lid 1, van deze wet („Gronden voor ontbinding”) luidt als volgt:
„1. De kapitaalvennootschap moet worden ontbonden:
a)
Wegens beëindiging van de activiteit of activiteiten die het doel van de vennootschap uitmaken. De activiteiten worden vermoed te zijn beëindigd nadat er langer dan een jaar geen activiteiten zijn uitgeoefend.
[...]
e)
Wegens geleden verlies waardoor het nettovermogen is gedaald tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal, tenzij dit voldoende wordt verhoogd of verminderd en mits er geen faillissement hoeft te worden aangevraagd.
[...]”
24.
Artikel 365 LSC, „Oproepingsplicht”, luidt:
„1. De bestuurders moeten binnen twee maanden een algemene vergadering bijeenroepen zodat deze het besluit tot ontbinding kan nemen, of, ingeval de vennootschap insolvent is, het faillissement kan aanvragen.
Iedere aandeelhouder kan de bestuurders verzoeken om de algemene vergadering bijeen te roepen, indien hij van mening is dat er sprake is van enige grond voor ontbinding of dat de vennootschap insolvabel is.
2. De algemene vergadering kan stemmen over de ontbinding of, indien dit op de agenda is geplaatst, elk besluit dat nodig is om de grond [voor de ontbinding] weg te nemen.”
25.
Artikel 366 van deze wet draagt het opschrift „Ontbinding door de rechter” en bepaalt het volgende:
„1. Wordt de algemene vergadering niet bijeengeroepen, komt zij niet bijeen of stelt zij geen van de in het vorige artikel bedoelde besluiten vast, dan kan iedere belanghebbende een verzoek tot de ontbinding van de vennootschap richten aan de handelsrechter van de plaats waar de vennootschap haar zetel heeft. Het verzoek tot ontbinding door de rechter richt zich tegen de vennootschap.
2. De bestuurders zijn gehouden de rechter te verzoeken om de vennootschap te ontbinden wanneer het besluit van de algemene vergadering de ontbinding afkeurt of geen besluit heeft kunnen worden vastgesteld.
Het verzoek wordt ingesteld binnen twee maanden na de datum voor de bijeenkomst van de algemene vergadering wanneer deze niet heeft plaatsgevonden of vanaf de dag waarop deze heeft plaatsgevonden wanneer het besluit van de algemene vergadering de ontbinding afkeurt of geen besluit heeft kunnen worden vastgesteld.”
26.
Artikel 367, lid 1, van deze wet draagt het opschrift „Hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders” en bepaalt het volgende:
„1. Bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschappelijke verplichtingen die zijn aangegaan na het ontstaan van de wettelijke grond voor ontbinding, wanneer zij niet binnen een termijn van twee maanden de algemene vergadering bijeenroepen zodat deze, in voorkomend geval, kan besluiten tot ontbinding, of wanneer zij bij de rechter geen verzoek tot ontbinding of, indien noodzakelijk, tot inleiding van een faillissementsprocedure indienen binnen een termijn van twee maanden na de datum voor de bijeenkomst van de algemene vergadering wanneer deze niet is bijeengekomen of de datum van deze vergadering wanneer deze tegen de ontbinding heeft gestemd.”
27.
Artikel 9 van de Ley Orgánica 6/1985 del poder judicial (organieke wet 6/1985 op de rechterlijke organisatie) van 1 juli 1985 ( 9 ) bepaalt het volgende:
„1. De gerechtelijke instanties zijn uitsluitend bevoegd voor die gevallen waarvoor zij krachtens de wet bevoegd zijn.
2. De burgerlijke rechter is niet alleen bevoegd om kennis te nemen van zijn eigenlijke aangelegenheden maar ook van alle overige zaken die niet aan een andere rechterlijke instantie zijn toegewezen.
[...]
5. De gerechten in arbeids‑ en socialezekerheidszaken zijn bevoegd om kennis te nemen van verzoeken uit hoofde van het socialezekerheidsrecht, ongeacht of het gaat om individuele dan wel collectieve gedingen, alsook van klachten die de sociale zekerheid betreffen of tegen de staat zijn gericht, wanneer de staat krachtens het arbeidsrecht op deze terreinen aansprakelijk is.
[...]”
28.
Artikel 10, lid 1, van deze wet bepaalt het volgende:
„Uitsluitend voor prejudiciële doeleinden is iedere rechterlijke instantie bevoegd om kennis te nemen van aangelegenheden waarvoor haar geen uitsluitende bevoegdheid is toegekend.”
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
29.
Verzoekers in het hoofdgeding zijn in loondienst werkzaam geweest bij Contimark, een naamloze vennootschap die in 1992 is opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 60101,21 EUR en sinds 2010 door één bestuurder is bestuurd, te weten Jordi Socías Gispert.
30.
Deze vennootschap heeft in 2012 en 2013 aanzienlijke financiële verliezen geleden, respectievelijk 240150 EUR en 541559 EUR, en heeft vervolgens in de tweede helft van 2013 haar activiteiten gestaakt.
31.
De enige bestuurder van deze vennootschap heeft niet de vergadering van aandeelhouders bijeengeroepen om het maatschappelijk kapitaal te verminderen en gesteld wordt voorts dat hij niet heeft verzocht om de inleiding van een vrijwillige gerechtelijke procedure ter collectieve afwikkeling van de verplichtingen overeenkomstig de Ley Concursal (faillissementswet) van 9 juli 2003 ( 10 ), en niet de aandeelhouders bijeen heeft geroepen voor de ontbinding van deze vennootschap wegens beëindiging van haar activiteiten in de zin van de artikelen 362 en 363 LSC.
32.
Vóór de beëindiging van de activiteiten van Contimark heeft een van de verzoekers in het hoofdgeding in april 2013 bij de Juzgado de lo Social no 33 de Barcelona (arbeidsrechter Barcelona, Spanje) verzocht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens niet-betaling van het loon. De andere verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen hun in mei en juni 2013 verleende ontslag beroep ingesteld. Eind 2013 heeft de Juzgado de lo Social no 33 de Barcelona Contimark veroordeeld tot uitbetaling aan hen van achterstallig loon en vergoedingen.
33.
Verzoekers in het hoofdgeding hebben vervolgens bij de Juzgado de lo Social no 30 de Barcelona, de verwijzende rechter die speciaal belast is met de tenuitvoerlegging van arbeidsrechtelijke vonnissen, een actie ingesteld tot betaling van hun vorderingen. Wegens insolventie van de vennootschap Contimark en het maximumbedrag dat geldt ten aanzien van de loongarantie die voor werknemers in een dergelijk geval in het leven is geroepen, zijn hun vorderingen gedeeltelijk tenietgegaan.
34.
Zij hebben bij de verwijzende rechter een incidentele vordering ingesteld tegen de bestuurder van Contimark strekkende tot vaststelling van diens hoofdelijke aansprakelijkheid samen met de vennootschap voor de niet-nakoming van de bepalingen van de LSC en tot betaling van de resterende aan hen verschuldigde bedragen.
35.
De verwijzende rechter koestert twijfels over de verenigbaarheid met het Unierecht van de vaste rechtspraak van de Sala de lo Social del Tribunal Supremo (kamer voor arbeidszaken van het Spaans hooggerechtshof) sinds 1997, volgens welke enkel de rechter in handelszaken bevoegd is om zich over de aansprakelijkheid van bestuurders uit te spreken.
36.
De verwijzende rechter preciseert dat de Sala de lo Social del Tribunal Supremo de onbevoegdheid van de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken om kennis te nemen van deze vorderingen tegen de onderneming en hoofdelijk tegen de bestuurder wegens niet-nakoming van zakelijke verplichtingen door dat bestuursorgaan, baseert op het volgende:
–
de vordering tot hoofdelijke veroordeling is geen voorvraag binnen de arbeidsrechtelijke procedure waarvan de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken kennis kunnen nemen, omdat de beslissing dienaangaande niet doorslaggevend of van belang is voor de beslissing in de hoofdzaak;
–
de schulden van de bestuurder zijn geen schulden jegens werknemers maar jegens de vennootschap;
–
vooraf moet altijd worden vastgesteld of al dan niet sprake is van de feitelijke situaties die de wet als bepalend aanmerkt voor de verplichting om de vennootschap te ontbinden. Het is aan de bevoegde handelsrechter zich hierover uit te spreken, want deze vraag houdt geen verband met de arbeidsrechtelijke verplichtingen.
37.
De verwijzende rechter benadrukt dat, volgens een andere lijn in de rechtspraak, tussen 1997 en 2000 is aanvaard dat de arbeidsrechter bevoegd was om kennis te nemen van incidentele vorderingen tot hoofdelijke veroordeling van bestuurders van naamloze vennootschappen die hun statuten en het minimumbedrag van het maatschappelijk kapitaal niet vóór 30 juni 1992 hadden aangepast, zoals zij verplicht waren te doen uit hoofde van een wet op de naamloze vennootschappen die inmiddels is ingetrokken en vervangen door de LSC. De Sala de lo Social del Tribunal baseerde zich hierbij met name op de vaststelling dat de grondslag van de rechtsvordering voortvloeide uit de arbeidsovereenkomst.
38.
Deze rechterlijke instantie is primair van mening dat het feit dat het bij de schulden van de vennootschap om loonbetalingen gaat en de bestuurders daarvoor jegens de schuldeisers van die vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn inderdaad bepalend is voor de uitbreiding van de bevoegdheid van de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken tot rechtsgebieden die niet aan hen zijn toegewezen.
39.
Voorts merkt zij op dat de Spaanse wetgever via speciale wettelijke voorschriften heeft voorzien in gevallen waarin andere rechterlijke instanties dan de handelsrechter zich kunnen uitspreken over de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders. Zo wordt de rechterlijke toetsing van bestuursrechtelijke besluiten inzake de uitbreiding van de aansprakelijkheid voor socialezekerheidsschulden tot bestuurders op grond van artikel 30, lid 2, van de Ley General de Seguridad Social (algemene wet op de sociale zekerheid), goedgekeurd bij het Real Decreto Legislativo 1/1994 (koninklijk wetgevend besluit 1/1994) van 20 juni 1994 ( 11 ), verricht door de bestuursrechter. Ook is op grond van artikel 240, lid 3, van de Ley reguladora de la Jurisdicción Social (wet betreffende de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken) van 10 oktober 2011 ( 12 ) aan de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken de bevoegdheid toegekend de hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden uit arbeidsovereenkomst of ‑verhouding of socialezekerheidsschulden wegens niet-nakoming van handelsverplichtingen uit te breiden naar vennoten, leden of directeuren (feitelijk bestuurders) van bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid.
40.
In deze omstandigheden heeft de Juzgado de lo Social no 30 de Barcelona besloten de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1)
Kan de schuldeiser van een handelsvennootschap die een vordering uit arbeidsovereenkomst of ‑verhouding geldend maakt bij de bevoegde Spaanse rechter – de rechter voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken – op grond van de richtlijnen 2009/101 en 2012/30 en onder meer de artikelen 236, 237, 238, 241 en 367 [LSC] ter omzetting van deze richtlijnen in het Spaanse recht, bij diezelfde rechter gelijktijdig een rechtstreekse vordering tegen de onderneming instellen ter erkenning van zijn vordering uit arbeidsovereenkomst en een vordering tegen een natuurlijke persoon – de bestuurder van de vennootschap – als hoofdelijk aansprakelijke voor de schulden van de vennootschap, op grond dat hij de in die richtlijnen opgelegde en in de [LSC] omgezette handelsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen?
2)
Is de rechtspraak van de Sala de lo Social del Tribunal Supremo (kamer voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken van het Spaans hooggerechtshof) – zoals die tot uitdrukking komt in de arresten van 28 februari 1997 (RJ 1997\4220); 28 oktober 1997 (RJ 1997\7680); 31 december 1997 (RJ 1997\9644); 13 april 1998 (RJ 1998\4577); 17 januari 2000 (RJ 2000\918); 9 juni 2000 (RJ 2000\5109); 8 mei 2002, en 20 december 2012 – in strijd met de artikelen 2, 6, 7 en 8 van richtlijn 2009/101 en de artikelen 19 en 36 van richtlijn 2012/30, doordat volgens die rechtspraak de Spaanse gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken de waarborgen voor schuldeisers van handelsvennootschappen die zijn neergelegd in die richtlijnen en omgezet in het Spaanse recht in onder meer de artikelen 236, 237, 238, 241 en 367 LSC, niet rechtstreeks kunnen toepassen op vorderingen uit arbeidsovereenkomst of ‑verhouding wanneer de hoogste verantwoordelijken – natuurlijke personen – niet voldoen aan de vormvereisten inzake openbaarmaking van de voornaamste akten van de vennootschap als bedoeld in de richtlijnen 2009/101 en 2012/30, zoals omgezet in de [LSC]?
3)
Vormt de rechtspraak van de kamer voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken van het Spaanse Tribunal Supremo – zoals die tot uitdrukking komt in de arresten van 28 februari 1997 (RJ 1997\4220); 28 oktober 1997 (RJ 1997\7680); 31 december 1997 (RJ 1997\9644); 13 april 1998 (RJ 1998\4577); 17 januari 2000 (RJ 2000\918); 9 juni 2000 (RJ 2000\5109); 8 mei 2002, en 20 december 2012 – een inbreuk op de artikelen 20 en 21, gelezen in samenhang met artikel 51, van het [Handvest], doordat zij de schuldeiser met een vordering uit arbeidsovereenkomst of ‑verhouding – werknemer in loondienst – verplicht twee gerechtelijke procedures in te leiden – eerst bij de rechter voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken met het oog op de erkenning van de vordering op de onderneming en vervolgens bij de civiele of de handelsrechter om de bestuurder van de vennootschap of andere natuurlijke personen hoofdelijk aansprakelijk te laten verklaren – terwijl deze eis noch in richtlijn 2009/101, noch in richtlijn 2012/30, noch in de nationale wettelijke regeling (LSC) ter omzetting van deze communautaire bepalingen wordt gesteld voor andere schuldeisers, ongeacht de aard van hun vordering?”
IV. Analyse
41.
Ik zal, om te beginnen, in het verlengde van de vraag die ter terechtzitting aan partijen is gesteld, uiteenzetten waarom artikel 19 van richtlijn 2012/30 mijns inziens van toepassing is in een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Daarna zal ik inhoudelijk ingaan op de door de verwijzende rechter gestelde vragen.
A. Bevoegdheid van het Hof
42.
Uitgaande van de bewoordingen in strikte zin van de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter strekt de eerste vraag ertoe te bepalen of richtlijn 2009/101 en richtlijn 2012/30 de schuldeiser die een vordering uit arbeidsovereenkomst geldend maakt het recht verlenen om bij één en dezelfde rechter gelijktijdig een rechtstreekse vordering tegen een vennootschap in te stellen tot betaling van zijn vordering uit arbeidsovereenkomst en een vordering tot verkrijging van een hoofdelijke veroordeling van de bestuurder van die vennootschap. De tweede vraag betreft de Spaanse rechtspraak die uitsluit dat de gerechten voor arbeids‑ en socialezekerheidszaken bevoegd zijn om vast te stellen dat de bestuurders van de vennootschap niet hebben voldaan aan de vereisten inzake openbaarmaking van de voornaamste akten van de vennootschap. De derde vraag gaat over de ongelijkheid tussen schuldeisers die een vordering uit arbeidsovereenkomst geldend maken en andere schuldeisers, die niet verplicht zijn om afzonderlijke procedures in te leiden.
43.
Wat de bevoegdheid van het Hof betreft dienen zich onmiddellijk twee problemen aan. Het eerste probleem houdt verband met de bepalingen van richtlijn 2009/101 en richtlijn 2012/30 waarop de eerste twee vragen betrekking hebben, welke gezamenlijk vooraf moeten worden onderzocht. ( 13 ) Het tweede probleem komt voort uit hun voorwerp, dat wil zeggen niet de inhoud van de nationale bepalingen die zijn vastgesteld ter verwezenlijking van de door deze richtlijnen voorgeschreven resultaten, maar de keuze om de bevoegdheid ratione materiae van de Spaanse arbeidsrechter voor de uitvoering ervan te beperken.
44.
Voor de beoordeling van de door de verwijzende rechter aangenomen toepasselijkheid van richtlijn 2009/101 en richtlijn 2012/30 ga ik in de eerste plaats uit van de vaststelling dat het geding draait om de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens de niet-nakoming door hem van zijn verplichtingen ter zake van de insolvabiliteit en de beëindiging van de activiteiten van de door hem bestuurde vennootschap.
45.
De voorschriften van richtlijn 2009/101 en richtlijn 2012/30 beogen inderdaad de toegang tot informatie betreffende de financiële situatie van vennootschappen te verbeteren en de besluitvorming door de verantwoordelijke organen in het geval van moeilijkheden te vergemakkelijken, teneinde de belangen van derden en van schuldeisers te beschermen.
46.
De verwijzing naar richtlijn 2009/101, voor zover deze meer in het bijzonder betrekking heeft op de verplichting tot openbaarmaking van akten en documenten die derden in staat stellen toezicht uit te oefenen, is evenwel niet van betekenis aangezien de bestuurder juist wordt verweten geen enkele handeling te hebben verricht.
47.
Bijgevolg moet worden nagegaan of de verwijzing naar richtlijn 2012/30, en in het bijzonder de artikelen 19 en 36 ervan, relevant is. Dit instrument beoogt, zoals blijkt uit overweging 3 ervan, de coördinatie van de nationale wettelijke bepalingen inzake de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding, de verhoging en de vermindering van hun kapitaal, teneinde een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van deze vennootschappen te waarborgen. Verder valt in overweging 5 van deze richtlijn te lezen dat „[e]r [...] een regeling van de Unie nodig [is] ten behoeve van de instandhouding van het kapitaal, dat een waarborg vormt voor de schuldeisers, [...]”.
48.
Juist om deze doelstellingen te verwezenlijken, bepaalt artikel 19, lid 1, van deze richtlijn dat „[i]ndien een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan, [...] de algemene vergadering van aandeelhouders binnen een in de wetgevingen van de lidstaten vastgestelde termijn [wordt] bijeengeroepen, teneinde na te gaan of het noodzakelijk is de vennootschap te ontbinden of andere maatregelen te nemen”.
49.
Daarentegen lijkt mij een verwijzing naar artikel 36 van richtlijn 2012/30, hoewel dat artikel op dezelfde overwegingen berust, niet relevant, aangezien uit de in de verwijzingsbeslissing weergegeven feitelijke omstandigheden volgt dat het geding geen verband houdt met een besluit tot kapitaalvermindering dat openbaar moet worden gemaakt op grond van artikel 34 van deze richtlijn.
50.
Voorts lijkt het mij nuttig erop te wijzen dat, aangezien het aan het Hof is om dit na te gaan ( 14 ), mijns inziens geen andere bepaling voor uitlegging in aanmerking kan komen.
51.
Zoals ter terechtzitting is opgemerkt, bevat artikel 19 van richtlijn 2012/30, waarop de verwijzende rechter doelt, echter geen enkele precisering van het verantwoordelijke orgaan ( 15 ) bij het uitblijven van een oproeping.
52.
Ook kan het verschil in formulering met artikel 34, eerste alinea, van deze richtlijn worden onderstreept. Dit voorschrift bepaalt dat een besluit van de algemene vergadering tot vermindering van het geplaatste kapitaal openbaar moet worden gemaakt op de in de wetgeving van de lidstaten voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2009/101. Door deze verwijzing kan een verband worden gelegd met artikel 7 van deze richtlijn, krachtens hetwelk de lidstaten „passende sancties vast[stellen]” ingeval de voorgeschreven openbaarmaking wordt nagelaten.
53.
Bijgevolg moet in de tweede plaats worden nagegaan in hoeverre het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de aansprakelijkheid van een besturend orgaan van een vennootschap doordat dit orgaan niet de handelingen heeft verricht die bijdragen aan de waarborging van de betaling van de schuldeisers, tot doel heeft de verplichting van artikel 19 van richtlijn 2012/30 te effectueren.
54.
Om te beginnen zij gewezen op het dwingende karakter van de bewoordingen van deze bepaling. ( 16 ) Zij leidt noodzakelijkerwijs tot het ontstaan van aansprakelijkheid, hetgeen verklaart dat de wetgever van de Unie het niet zinvol heeft geacht om voor een dergelijk geval te bepalen dat de lidstaten de voorwaarden vaststellen voor het instellen van een vordering wegens aansprakelijkheid. ( 17 )
55.
Voorts maak ik uit de betrokken bepalingen van nationaal recht op dat zij gericht zijn op het verzekeren van de door richtlijn 2012/30 voorgeschreven resultaten die de veiligstelling van de rechten van de schuldeisers van vennootschappen behelzen, met name wanneer een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan. Zo vermeldt artikel 363 LSC de gronden voor ontbinding van een kapitaalvennootschap, met name wanneer haar nettovermogen is gedaald tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal of wanneer de vennootschap haar activiteiten heeft beëindigd. Ingevolge artikel 365 LSC moet de bestuurder binnen twee maanden een algemene vergadering bijeenroepen zodat deze het besluit tot ontbinding kan nemen, of het faillissement kan aanvragen. De in artikel 367 LSC neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders in geval van het nalaten van een oproeping weerspiegelt het streven, overeenkomstig de door deze richtlijn beoogde doelstelling, om zeer snel procedures in gang te zetten ter bescherming van met name de schuldeisers, teneinde de risico’s die gepaard gaan met de passiviteit van de vennootschappelijke organen te beperken. Mede om de gevolgen van nalatigheid van de bestuurder te verzwaren, voorziet artikel 236 LSC in de vergoeding van de door de schuldeisers geleden schade, terwijl artikel 240 LSC de mogelijkheid biedt om te dien einde rechtstreeks een vordering in te stellen.
56.
Aangezien de vastgestelde normen dus beantwoorden aan de expliciete verplichting van artikel 19 van richtlijn 2012/30 en bijdragen aan de doeltreffendheid van de hierbij ingevoerde voorschriften ( 18 ), vallen zij binnen de werkingssfeer ervan, ook al komen zij niet overeen met een in dat artikel neergelegde uitdrukkelijke verplichting. ( 19 )
57.
In deze omstandigheden moeten nu de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter ten gronde worden onderzocht en dient dus het tweede hiermee opgeworpen probleem te worden aangesneden.
B. Ten gronde
1. Eerste en tweede prejudiciële vraag
58.
Wat betreft de eerste en de tweede prejudiciële vraag, die onderling met elkaar verband houden, wijs ik vooraf op de bijzonderheid van hun voorwerp. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft namelijk de keuze van de Spaanse wetgever inzake de inrichting van de rechtsgang om schuldeisers de mogelijkheid te geven een vordering in te stellen op grond van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder die zijn verplichtingen – en met name die van artikel 19 van richtlijn 2012/30 – niet is nagekomen.
59.
Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak ( 20 ) het bij gebreke van een desbetreffende Unieregeling een aangelegenheid van het nationale recht van elke lidstaat is om krachtens het beginsel van procesrechtelijke autonomie de bevoegde rechter aan te wijzen en te voorzien in een procesrechtelijke regeling met betrekking tot vorderingen die gericht zijn op het beschermen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen.
60.
Gelet op het feit dat de lidstaten in elk geval een effectieve bescherming van die rechten moeten verzekeren ( 21 ), mogen die procesregels echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 22 )
61.
Deze vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid gelden ook voor de aanwijzing van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die op dat recht zijn gebaseerd. ( 23 )
62.
De gestelde vraag dient daarom in die zin te worden begrepen dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of artikel 19 van richtlijn 2012/30 en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid ( 24 ) aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een werknemer, die schuldeiser is van de vennootschap waarbij hij in dienst was, zich tot een andere rechter dan de arbeidsrechter moet wenden ter verkrijging van de hoofdelijke veroordeling van de bestuurder van deze vennootschap tot betaling van de aan hem verschuldigde bedragen.
63.
In beginsel staat het evenwel aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of de procesregels die in het nationale recht de door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten moeten waarborgen, in overeenstemming zijn met deze beginselen. Voor de toetsing die de nationale rechter moet verrichten, kan het Hof hem echter bepaalde gegevens verschaffen betreffende de uitlegging van het Unierecht. ( 25 )
64.
Het gelijkwaardigheidsbeginsel verlangt dat de betrokken nationale bepaling gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het Unierecht en op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht, voor zover deze vorderingen eenzelfde voorwerp en oorzaak hebben. ( 26 ) Zoals het Hof reeds heeft verklaard, kan dit beginsel evenwel niet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat verplicht is zijn gunstigste nationale regeling toe te passen op alle vorderingen die op het gebied van het arbeidsrecht worden ingediend. ( 27 ) Om na te gaan of het gelijkwaardigheidsbeginsel in casu is geëerbiedigd, moet de nationale rechter zowel het voorwerp als de voornaamste kenmerken van de nationale vorderingen onderzoeken waarvan wordt gesteld dat het soortgelijke vorderingen zijn. ( 28 ) Ook moet rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure, en met het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, voor de verschillende nationale instanties. ( 29 )
65.
Met de Europese Commissie constateer ik dat de verwijzende rechter geen inlichtingen heeft verschaft met betrekking tot voor de uitoefening van aan de nationale wetgeving ontleende rechten gunstigere ontvankelijkheids‑ en procesregels die vraagtekens zouden kunnen plaatsen bij de eerbiediging van dit beginsel. De bijzondere voorschriften die zijn aangehaald door de verwijzende rechter ( 30 ) bevatten regels voor procedures die niet vergelijkbaar zijn, aangezien zij niet bepalen dat de arbeidsrechter zich kan uitspreken over andere vorderingen die niet samenhangen met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Met andere woorden, wat moet worden nagegaan is of de litigieuze regel enkel van toepassing is op vorderingen die erop gericht zijn de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk te stellen, terwijl voor andere vorderingen een enkele gang naar de arbeidsrechter volstaat. ( 31 )
66.
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft houdt het door de verwijzende rechter uiteengezette probleem niet verband met het feit dat de mogelijkheid van een vordering ontbreekt of dat het instellen ervan uiterst moeilijk is ( 32 ), maar enkel met in algemene termen geschetste ( 33 ) nadelen als gevolg van de verdeling van de bevoegdheden tussen twee gerechtelijke instanties die op verschillende gebieden zijn gespecialiseerd.
67.
Bijgevolg moet eraan worden herinnerd dat de aan de orde zijnde nationale procedureregel moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die bepaling in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken ervan voor de verschillende nationale instanties. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. ( 34 )
68.
Zo moeten mijns inziens in het hoofdgeding de voor‑ en nadelen van de keuze van de verdeling van de bevoegdheden tussen twee gespecialiseerde rechterlijke instanties tegen elkaar worden afgewogen. ( 35 )
69.
Het staat buiten kijf dat een schuldeiser met loonaanspraken er om praktische redenen in termen van tijd en kosten belang bij heeft om alle aspecten van het geding door een en dezelfde rechter te laten beslechten. Deze redenen vormen de rechtvaardiging, zoals ter terechtzitting is benadrukt door de vertegenwoordiger van Alberto Marína Lorente, van het oordeel van het Hof dat de op de werknemer met een dienstverband voor bepaalde tijd rustende verplichting om, „wanneer door een rechterlijke instantie misbruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd is vastgesteld, ter bepaling van de geschikte sanctie een nieuwe procedure te starten, eventueel bij een andere rechterlijke instantie” ( 36 ), niet voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel aangezien dit „voor [die werknemer] procedurele ongemakken zou meebrengen, met name wat de kosten, de procesduur en de vertegenwoordigingsregels betreft”. ( 37 )
70.
Ik denk evenwel dat deze benadering niet nogmaals kan worden gekozen. In die zaak ging het namelijk om de beoordeling van een situatie waarin twee afzonderlijke procedures moesten worden ingesteld, namelijk een procedure voor de vaststelling van misbruik en een andere voor de bestraffing ervan. ( 38 ) De rechtstreekse band tussen de vorderingen en de rechtsverhouding tussen de partijen bepalen in hoofdzaak de oplossing ( 39 ), waarbij de vraag met betrekking tot de specialisatie van de gerechtelijke instanties bijkomend was. ( 40 )
71.
Mijns inziens zijn de elementen die in het hoofdgeding in aanmerking moeten worden genomen heel anders van aard. Zoals de Spaanse regering ter terechtzitting namelijk heeft benadrukt, houdt de kwestie van de aansprakelijkheid van de bestuurder geen verband met de beoordeling van de loonvorderingen. Voorts is deze incidentele vordering pas ingesteld in het stadium van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot betaling.
72.
Daarom moeten de nadelen die zijn verbonden aan de instelling van twee afzonderlijke procedures voor de inhoudelijke behandeling van vorderingen die geen rechtstreeks verband met elkaar houden, worden bezien in het licht van de verplichting tot rechtszekerheid die traditioneel de specialisatie van de rechterlijke instanties rechtvaardigt, op zowel arbeids‑ als handelsgebied.
73.
Deze specialisatie berust op het specifieke en technische karakter van bepaalde gedingen die voor het juiste begrip en behandeling ervan vereisen dat deze worden gecentraliseerd. Dit is het geval in zaken die betrekking hebben op de arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer, evenals in handelszaken betreffende gedingen ter zake van besluiten die in handelsondernemingen zijn genomen, in het bijzonder in het geval van financiële moeilijkheden en, meer in het bijzonder, met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bestuurders ervan. ( 41 )
74.
Deze organisatiewijze draagt ook bij aan een algeheel begrip van het geding, waardoor een enkele rechterlijke instantie in staat wordt gesteld om alle vorderingen van de schuldeisers te behandelen en om gemakkelijker te kunnen toetsen aan de voorwaarden waaronder de besturende organen aansprakelijk kunnen worden gehouden.
75.
Dienaangaande kan zelfs worden gesteld dat deze specialisatie in lijn is met het door de wetgever van de Unie nagestreefde doel dat besluiten die raken aan het voortbestaan van vennootschappen, bijvoorbeeld in het geval van kapitaalvermindering, worden genomen „[o]m de standaardbescherming van schuldeisers in alle lidstaten te versterken”. ( 42 )
76.
Bijgevolg ben ik van mening dat de keuze om een rechter die uitsluitend bevoegd is om de doeltreffendheid van de door de arbeidswetgeving verleende rechten te waarborgen, niet de bevoegdheid te verlenen om de aansprakelijkheid van bestuurders te onderzoeken – welk onderzoek is voorbehouden aan een gespecialiseerde rechter die niet bevoegd is ten aanzien van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst – de uitoefening door de werknemers van hun rechten niet uiterst moeilijk maakt, en a fortiori niet in het stadium van de gedwongen invordering van de loonvorderingen na de verplichte toepassing van het daaraan verbonden supervoorrecht en de tussenkomst van het waarborgfonds voor werknemers. ( 43 )
77.
Bovendien kan erop worden gewezen dat – zoals ter terechtzitting in herinnering is gebracht – de betrokken nationale wetgeving werknemers in staat stelt zich te beschermen tegen de passiviteit van de besturende organen door de rechter voor handelszaken te verzoeken om ontbinding van de vennootschap ( 44 ), dan wel om vergoeding van geleden schade. ( 45 ) De tenuitvoerbrenging van deze procedures door de werknemers wordt vergemakkelijkt door hun aanwezigheid in de onderneming en, bijgevolg, een directe toegang tot nuttige informatie.
78.
Ook kan worden opgemerkt dat geen enkele door de verwijzende rechter bedoelde bepaling uitsluit dat de werknemers vrijwillig kunnen tussenkomen in een door andere schuldeisers tegen de bestuurder gevoerde aansprakelijkheidsprocedure.
79.
Gelet op het voorgaande geef ik in overweging om op de eerste twee prejudiciële vragen te antwoorden dat artikel 19 van richtlijn 2012/30 en het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die een werknemer die schuldeiser is van de vennootschap waarbij hij in dienst was, verplicht om zich tot een andere rechter te wenden dan de arbeidsrechter om de hoofdelijke veroordeling te verkrijgen van de bestuurder van deze vennootschap omdat deze zijn verplichtingen van zakelijke aard niet is nagekomen, mits deze regeling niet ongunstiger is dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen geldt en zij de uitoefening van de door deze richtlijn verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
2. Derde prejudiciële vraag
80.
Wat betreft deze prejudiciële vraag, waarvoor eveneens de voorwaarde geldt van een aanknopingspunt met het Unierecht ( 46 ), zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is. De kenmerken van verschillende situaties en dus de vergelijkbaarheid ervan moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de Unierechtelijke handeling waarbij het betrokken onderscheid wordt ingevoerd. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt. Een dergelijke aanpak is van overeenkomstige toepassing in het kader van een onderzoek waarbij nationale maatregelen ter uitvoering van het Unierecht aan het gelijkheidsbeginsel worden getoetst. ( 47 )
81.
De verwijzende rechter is van mening dat de voorwaarden voor de procedure om de bestuurder aansprakelijk te houden hetzelfde moeten zijn ongeacht de aard van de vordering, en dat de arbeidsrechter zich dus over zowel de schuldvordering als de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan uitspreken.
82.
Mijns inziens bestaat ten gronde geen enkel verschil in behandeling. Ongeacht de aard van de vordering jegens de vennootschap kan de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
83.
Wat de procedure betreft bestaat er, juist omdat het om een loonvordering gaat en vanwege de bijzondere wettelijke waarborgen die hieraan verbonden zijn in het geval van beëindiging van de activiteiten van de werkgever of zijn insolvabiliteit, een verschil in behandeling ten opzichte van een civiel‑ of handelsrechtelijke vordering, hetgeen de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechter rechtvaardigt.
84.
De specificiteit van de aansprakelijkstelling van de bestuurder rechtvaardigt eveneens dat deze niet wordt overgelaten aan de rechter die uitsluitend gespecialiseerd is op het gebied van het arbeidsrecht. ( 48 ) Dit is des te meer het geval in het stadium van de tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij de hoogte van de schuld is vastgesteld en de hoofdschuldenaar is aangewezen.
85.
Bijgevolg ben ik van mening dat een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij Unierecht ten uitvoer wordt gelegd, niet strijdig is met het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel van met name de artikelen 20 en 21 van het Handvest, aangezien schuldeisers met loonaanspraken op de vennootschap die zich tot een andere rechter moeten wenden dan de arbeidsrechter ter verkrijging van een hoofdelijke veroordeling van de bestuurder van deze vennootschap wegens niet-nakoming door hem van zijn zakelijke verplichtingen, zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden als andere schuldeisers van de vennootschap, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
V. Conclusie
86.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Juzgado de lo Social no 30 de Barcelona als volgt te beantwoorden:
„1)
Artikel 19 van richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, en het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die een werknemer die schuldeiser is van de vennootschap waarbij hij in dienst was verplicht om zich tot een andere rechter te wenden dan de arbeidsrechter om de hoofdelijke veroordeling te verkrijgen van de bestuurder van deze vennootschap omdat deze zijn verplichtingen van zakelijke aard niet is nagekomen, mits deze regeling niet ongunstiger is dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen geldt en zij de uitoefening van de door deze richtlijn verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
2)
Een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, is niet strijdig met het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel van met name de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien schuldeisers met loonaanspraken op de vennootschap die zich tot een andere rechter moeten wenden dan de arbeidsrechter ter verkrijging van een hoofdelijke veroordeling van de bestuurder van deze vennootschap wegens niet-nakoming door hem van zijn zakelijke verplichtingen, zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden als andere schuldeisers van de vennootschap, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2009, L 258, blz. 11.
( 3 ) PB 2012, L 315, blz. 74.
( 4 ) Vierde richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB 1978, L 222, blz. 11).
( 5 ) Zevende Richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB 1983, L 193, blz. 1).
( 6 ) Richtlijn van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB 1986, L 372, blz. 1).
( 7 ) Richtlijn van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PB 1991, L 374, blz. 7).
( 8 ) BOE nr. 161 van 3 juli 2010, blz. 58472 (hierna: „LSC”).
( 9 ) BOE nr. 157 van 2 juli 1985, blz. 20632.
( 10 ) BOE nr. 164 van 10 juli 2003, blz. 26905.
( 11 ) BOE nr. 154 van 29 juni 1994, blz. 20658.
( 12 ) BOE nr. 245 van 11 oktober 2011, blz. 106584.
( 13 ) Wanneer een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid (zie arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 22; 27 maart 2014, Torralbo Marcos, C‑265/13, EU:C:2014:187, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2015, Delvigne, C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 27).
( 14 ) Zie met name arresten van 21 oktober 2010, Idryma Typou (C‑81/09, EU:C:2010:622, punt 31), en 10 februari 2011, Vicoplus e.a. (C‑307/09–C‑309/09, EU:C:2011:64, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 15 ) In tegenstelling tot de artikelen 4, 11 en 25 van deze richtlijn die gevallen beogen waarin sprake is van aansprakelijkheid.
( 16 ) Dit voorschrift bepaalt dat „de algemene vergadering [wordt] bijeengeroepen”.
( 17 ) Dit onderscheidt dit geval van het geval van de in artikel 36 van richtlijn 2012/30 bedoelde kapitaalvermindering, dat voorziet in een bijzonder recht, namelijk het recht om zekerheid te verkrijgen, en voor de doeltreffendheid ervan de voorwaarden voor zijn uitoefening regelt.
( 18 ) Zie arrest van 12 september 1996, Gallotti e.a., (C‑58/95, C‑75/95, C‑112/95, C‑119/95, C‑123/95, C‑135/95, C‑140/95, C‑141/95, C‑154/95 en C‑157/95, EU:C:1996:323, punt 14en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 19 ) Zie ook arrest van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund (C‑682/15, EU:C:2017:373, punt 39).
( 20 ) Zie met name twee recente arresten die antwoord geven op vragen met betrekking tot de afbakening van de bevoegdheid van de rechter op het gebied van de bescherming van de eiser (in het eerste geval een consument, in het tweede geval een werknemer): arresten van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 48en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punten 37 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) Zie voor een verwijzing naar deze verplichting, in die bewoordingen, arresten van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, EU:C:2008:223, punt 45), en 27 juni 2013, Agrokonsulting (C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 35).
( 22 ) Volgens vaste rechtspraak; zie met name op het gebied van het arbeidsrecht arresten van 1 december 1998, Levez (C‑326/96 (EU:C:1998:577, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „Levez”), en 15 april 2008, Impact (C‑268/06, EU:C:2008:223, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 23 ) Zie met name arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 24 ) Voorstel tot herformulering door toevoeging van deze bewoordingen bij gebreke van een precisering in de verwijzingsbeslissing. Dit voorstel is geënt op dat in het arrest van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute (C‑61/14, EU:C:2015:655, punt 42). Mijns inziens is het niet nodig om hieraan een verwijzing naar artikel 47 van het Handvest toe te voegen, zoals in het antwoord in het arrest van 30 juni 2016, Toma en Biroul Executorului Judecătoresc Horațiu-Vasile Cruduleci (C‑205/15, EU:C:2016:499, punt 38), waarbij aansluiting zou kunnen worden gezocht voor zover hierin antwoord wordt gegeven op een vraag betreffende de artikelen 20 en 21 van het Handvest, die de grondslag vormen van de derde prejudiciële vraag in onze zaak (zie punten 80 e.v. van deze conclusie). Gelet op de huidige stand van de rechtspraak lijkt het mij namelijk voldoende om de specifieke verwijzing te beperken tot het doeltreffendheidsbeginsel, dat overeenkomt met het voorwerp van het hoofdgeding in verband met de inrichting van de beroepsmogelijkheden (zie punt 66 van deze conclusie). De verwijzing naar het beginsel van doeltreffende rechtsbescherming of naar artikel 47 en artikel 52, lid 1, van het Handvest moet mijns inziens worden voorbehouden voor uitleggingsverzoeken in het geval van het ontbreken van beroepsmogelijkheden of de toepassing van door de nationale wetgeving vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden die tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie van het recht op toegang tot de rechter, bijvoorbeeld door oplegging van ontmoedigende proceskosten die niet onder de rechtshulp vallen, door beperking van de mogelijkheid om in rechte op te treden, door de keuze voor vooraf bepaalde termijnen, door niet de kennisgevingsvoorwaarden aan te passen bij afwezigheid van personen met een gerechtvaardigd belang, etc.
( 25 ) Zie met name punt 40 van het arrest van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577).
( 26 ) Zie met name punt 41 van het arrest van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577).
( 27 ) Zie punt 42 van het arrest van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577).
( 28 ) Zie arresten van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577, punten 39 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en van 16 mei 2000, Preston e.a. (C‑78/98, EU:C:2000:247, punt 49).
( 29 ) Zie arresten van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577, punt 44), en 27 juni 2013, Agrokonsulting (C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 38).
( 30 ) Zie punt 39 van deze conclusie.
( 31 ) Zie bijvoorbeeld punten 51 en 52 van het arrest van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, EU:C:1998:577), te vergelijken met de arresten van 29 oktober 2009, Pontin (C‑63/08, EU:C:2009:666, punt 55), en 27 juni 2013, Agrokonsulting (C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 41).
( 32 ) Zie als voorbeeld voor criteria arrest van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, EU:C:2008:223, punten 51‑55).
( 33 ) Dienaangaande heeft de vertegenwoordiger van Alberto Marína Lorente ter terechtzitting de omstandigheden uiteengezet die „99 % van de werknemers” ervan zouden afhouden om in rechte op treden: de litigieuze procedure begint pas na een eerste fase waarbij wordt geprobeerd de schuld te innen, die bijna twee jaar in beslag neemt, en het beginsel van een kosteloze procedure geldt voor werknemers niet bij de burgerlijke rechter. Zij kunnen ook in de kosten worden verwezen. Aangezien de andere schuldeisers sneller een beroep kunnen doen op de aansprakelijkheid van de bestuurder, worden hun vorderingen in de praktijk vóór die van de werknemers voldaan.
( 34 ) Zie met name arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punt 61).
( 35 ) Aangezien volgens de gebruikelijke omschrijving van het doeltreffendheidsbeginsel moet worden nagegaan of de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten „uiterst moeilijk” is.
( 36 ) Zie arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punt 63).
( 37 ) Zie arrest van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, EU:C:2008:223, punt 51). Zie ook arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C-184/15 en C-197/15, EU:C:2016:680, punt 63).
( 38 ) Zie arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punten 31 en 63).
( 39 ) Zie ook in dezelfde zin arrest van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, EU:C:2008:223, punten 50 en 51).
( 40 ) Zie ook arrest van 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López (C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, en in het bijzonder het verschil tussen de bewoordingen van punt 63 en de formulering van punt 2 van het dictum).
( 41 ) Deze situatie moet worden onderscheiden van die van de objectieve vaststelling dat is nagelaten de statuten te wijzigen of het kapitaal te verhogen, waarop de richting in de rechtspraak berust die is aangehaald in de verwijzingsbeslissing (zie punt 37 van deze conclusie). Bovendien is de toepassing van artikel 367 LSC onderworpen aan verschillende voorwaarden die moeten worden geverifieerd, met name die betreffende de datum van de verbintenissen die moet liggen na het optreden van de rechtsgrond van de ontbinding.
( 42 ) Zie overweging 12 van richtlijn 2012/30.
( 43 ) Aan deze rechten is herinnerd door Alberto Marína Lorente in zijn schriftelijke opmerkingen. Wat het waarborgfonds betreft, zie in het bijzonder richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 2008, L 283, blz. 36).
( 44 ) Zie artikel 366 LSC.
( 45 ) Zie artikel 241 LSC.
( 46 ) Zie punt 43 van deze conclusie.
( 47 ) Zie arrest van 26 september 2013, IBV & Cie (C‑195/12, EU:C:2013:598, punten 50 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 48 ) Zie punt 73 van deze conclusie.