CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA
van 20 juli 2017 ( 1 )
Zaak C‑256/16
Deichmann SE
tegen
Hauptzollamt Duisburg
[verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter Düsseldorf, Duitsland) om een prejudiciële beslissing)]
„Prejudiciële procedure – Dumping – Verzoek tot terugbetaling van invoerrechten die zijn betaald op basis van een ongeldig verklaarde verordening – Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 – Verordening die is vastgesteld ter uitvoering van een arrest van het Hof – Geldigheid”
1.
Het geding dat tot deze prejudiciële verwijzing heeft geleid, betreft de gevolgen van de nietigverklaring van een verordening waarbij antidumpingrechten werden ingesteld. Bij de beantwoording van de vragen van de nationale rechter heeft het Hof de kans om zijn rechtspraak over de draagwijdte van arresten houdende nietigverklaring van handelingen van de instellingen van de Unie te verfijnen.
2.
In het onderhavige geval rijst de twijfel in het kader van een prejudiciële vraag over de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 ( 2 ), waarbij de Commissie de nodige maatregelen heeft genomen om de onwettigheden te verhelpen die door het Hof waren vastgesteld in een eerder arrest ( 3 ), waarbij bepaalde antidumpingverordeningen ongeldig waren verklaard.
3.
Die verordeningen, die later nietig zijn verklaard, hadden als basis gediend voor de oplegging van antidumpingrechten aan de vennootschap Deichmann SE ( 4 ), die schoenen uit China en Vietnam in de Europese Unie invoert en die, na die nietigverklaring, om terugbetaling van de door haar betaalde bedragen heeft verzocht.
4.
De verwijzende rechter vraagt het Hof of uitvoeringsverordening 2016/223 geldig is, aangezien anders aan Deichmann de door haar in dit verband betaalde bedragen moeten worden terugbetaald.
5.
In casu is er sprake van een conflict tussen de bevoegdheid van de instellingen van de Unie om een procedure te hervatten na afloop waarvan antidumpingrechten kunnen worden ingesteld ter vervanging van nietig verklaarde antidumpingrechten, enerzijds, en het recht van de betrokkenen op de stabiliteit van vaststaande situaties en op een doeltreffende bescherming van hun rechtspositie, anderzijds.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
6.
Artikel 263 VWEU bepaalt:
„[...]
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
[...]
Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.”
7.
Artikel 266 VWEU bepaalt:
„De instelling, het orgaan of de instantie welker handeling nietig is verklaard of welker nalatigheid strijdig met de Verdragen is verklaard, is gehouden de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
[...]”
B. Verordening (EEG) nr. 2913/92
8.
Artikel 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 ( 5 ) bepaalt:
„[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.[ ( 6 )]
[...]”
9.
Artikel 236 bepaalt:
„1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
[...]
2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
[...]”
C. Verordening (EG) nr. 1225/2009
10.
Artikel 10 („Terugwerkende kracht”) van verordening (EG) nr. 1225/2009 ( 7 ) bepaalt:
„1. Voorlopige maatregelen en definitieve antidumpingrechten worden uitsluitend toegepast op producten die na de inwerkingtreding van het respectievelijk krachtens artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 4, genomen besluit in het vrije verkeer worden gebracht, behoudens de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen.
[...]”
11.
Artikel 14 („Algemene bepalingen”) bepaalt:
„1. Voorlopige of definitieve antidumpingrechten worden bij verordening ingesteld en door de lidstaten geïnd in de vorm, voor het bedrag en met inachtneming van de criteria die in die verordening zijn vermeld. Deze rechten worden geïnd onafhankelijk van de douanerechten, belastingen en andere heffingen die normaal bij invoer van toepassing zijn. Op geen enkel product kunnen zowel antidumpingrechten als compenserende rechten worden geheven ter verhelping van [dezelfde] situatie die door dumping of toekenning van uitvoersubsidies is ontstaan.
[...]”
12.
Artikel 23 („Intrekking”) luidt:
„Verordening (EG) nr. 384/96 wordt ingetrokken.
De intrekking van verordening (EG) nr. 384/96 doet echter geen afbreuk aan de geldigheid van krachtens die verordening ingeleide procedures.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.”
II. Feiten
13.
Op grond van verordening (EG) nr. 1472/2006 ( 8 ) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 ( 9 ) heeft het Hauptzollamt Duisburg (hoofdkantoor van de douane Duisburg, Duitsland) op 10 mei 2010 aan Deichmann antidumpingrechten ten bedrage van 11181,92 EUR opgelegd.
14.
De antidumpingrechten zijn ingesteld op de invoer van zes partijen schoenen uit de Volksrepubliek China en Vietnam, die Deichmann in april 2010 had aangegeven voor het vrije verkeer.
15.
De uit China ingevoerde schoenen waren vervaardigd en geleverd door de onderneming Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd en de uit Vietnam ingevoerde schoenen door Tripos Enterprises Inc. Beide vennootschappen hadden in juli 2005 overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 384/96 ( 10 ) onder overlegging van de relevante documenten om behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) verzocht.
16.
Bij de arresten Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd en Brosmann Footwear ( 11 ) heeft het Hof verordening nr. 1472/2006 nietig verklaard.
17.
Op 12 juni 2012 heeft Deichmann, zich specifiek op het arrest Brosmann ( 12 ) beroepend, het Hauptzollamt Duisburg verzocht om terugbetaling van het door haar betaalde antidumpingrecht. Dit verzoek is op 15 november 2013 afgewezen.
18.
Later heeft het Hof het arrest C & J Clark International en Puma ( 13 ) gewezen, waarbij verordening nr. 1472/2006 en uitvoeringsverordening nr. 1294/2009 ongeldig zijn verklaard. ( 14 )
19.
Ter uitvoering van dat arrest heeft de Commissie uitvoeringsverordening 2016/223 vastgesteld, waarmee zij de procedure startte voor de afzonderlijke beoordeling van de ingediende verzoeken om BMO en verzoeken om IB. Zij beoogde aldus de nietig verklaarde handelingen te vervangen door nieuwe handelingen die niet de door het Hof vastgestelde onwettigheden bevatten. Hiertoe heeft zij de procedure hervat vanaf het tijdstip waarop die onwettigheden zich hadden voorgedaan.
20.
Tegelijkertijd achtte de Commissie het passend om de nationale douaneautoriteiten te gelasten de rechten niet terug te betalen vóór het einde van de procedure.
21.
Voorts heeft de Commissie beslist dat zij, met het oog op een efficiënt gebruik van de middelen, niet alle verzoeken om BMO en om IB in aanmerking zou nemen, maar alleen die van exporteurs die schoenen hadden geleverd aan een importeur die het onverschuldigd betaalde had teruggevorderd op grond dat de verordeningen tot instelling van antidumpingrechten nietig waren verklaard. Daartoe heeft zij de nationale douaneautoriteiten gelast haar die verzoeken en de ondersteunende documenten te doen toekomen, om die gevallen te kunnen identificeren.
22.
Deichmann heeft voor de verwijzende rechter verklaard dat uitvoeringsverordening 2016/223 ongeldig was, aangezien artikel 14, lid 1, van de antidumpingbasisverordening van 1996 de Commissie niet de bevoegdheid verleende om ex post verplichtingen op te leggen aan de nationale douaneautoriteiten of aan de importeurs die om terugbetaling verzochten.
23.
Voorts heeft zij aangevoerd dat er sprake was van schending van artikel 266 VWEU doordat alleen de producenten-exporteurs die om BMO of IB hadden verzocht, in aanmerking waren genomen en de beslissing niet binnen de in artikel 2, lid 7, onder c), van de antidumpingbasisverordening van 1996 gestelde termijn was genomen. Bovendien was artikel 266 VWEU geschonden doordat een zelfstandig nieuw onderzoek was gestart terwijl de antidumpingmaatregel reeds was vervallen.
24.
Het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter Düsseldorf, Duitsland) twijfelt aan de geldigheid van uitvoeringsverordening 2016/223. Een eerste reeks redenen hiervoor houdt formeel verband met de door de Commissie gekozen rechtsgrondslag voor de vaststelling van die verordening:
–
Op grond van artikel 23, tweede alinea, van de antidumpingbasisverordening van 2009 is de verwijzende rechter van oordeel dat niet deze antidumpingbasisverordening maar die van 1996 van toepassing is, zodat niet de Commissie maar de Raad bevoegd was om uitvoeringsverordening 2016/223 vast te stellen.
–
Uit artikel 14 van de antidumpingbasisverordening van 1996 kan geen bevoegdheid worden afgeleid om een verordening ter voorbereiding van de herinstelling van een antidumpingrecht vast te stellen.
25.
Een tweede reeks redenen betreft de mogelijkheid om de nationale douaneautoriteiten op grond van uitvoeringsverordening 2016/223 te gelasten hun uitspraak op de verzoeken tot terugbetaling van antidumpingrechten aan te houden tot de Commissie uitspraak doet op de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB. Artikel 236, lid 1, van het douanewetboek betreft alleen de vraag of het bedrag van de invoerrechten op het tijdstip van betaling werkelijk verschuldigd was. Dit moet door de douaneautoriteiten worden vastgesteld. Indien de Commissie zich zou mengen in dat besluitvormingsproces, zou zij artikel 5 VEU schenden.
26.
In de derde plaats zet de verwijzende rechter een reeks argumenten uiteen met betrekking tot artikel 266 VWEU en de bevoegdheid van de Commissie om de nietig verklaarde handelingen te vervangen door nieuwe handelingen waarin de door het Hof vastgestelde onwettigheid is verholpen. Hij verwijt de Commissie dat zij het antidumpingrecht terugwerkende kracht wenst te verlenen tot het tijdstip van de vaststelling van de nietig verklaarde verordeningen, ook al is de antidumpingmaatregel op 31 maart 2011 vervallen.
27.
Op grond van artikel 10 van de antidumpingbasisverordening van 1996 is het niet toegestaan om het antidumpingrecht opnieuw in te stellen. Bovendien verzet de rechtszekerheid zich tegen een navordering, die verboden is krachtens artikel 221, lid 3, eerste volzin, van het douanewetboek.
28.
Ten slotte voert de verwijzende rechter praktische redenen aan die verband houden met de tijd die is verstreken (en die volgens hem in de weg staat aan de instelling van nieuwe antidumpingrechten) en de moeilijkheden die de exporteur ondervindt om na al die tijd documenten en informatie te verstrekken, hetgeen afbreuk kan doen aan de rechten van de verdediging. Hij vraagt zich af of de door de Commissie ontwikkelde procedure misbruik van bevoegdheid inhoudt en vermeldt alternatieven die volgens hem geschikter hadden kunnen zijn.
29.
Daarom heeft het Finanzgericht Düsseldorf het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C‑659/13 en C‑34/14 geldig?”
III. Procedure bij het Hof
30.
De verwijzingsbeslissing is op 9 mei 2016 bij de griffie van het Hof ingekomen.
31.
Deichmann en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt en hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 11 mei 2017.
IV. Samenvatting van de opmerkingen van de partijen
A. Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
32.
Volgens de Commissie moet de prejudiciële vraag niet‑ontvankelijk worden verklaard in het licht van de rechtspraak van het Hof volgens welke een persoon die zonder twijfel rechtstreeks beroep had kunnen instellen tegen een handeling van de Unie doch de in artikel 263 VWEU gestelde dwingende termijn heeft laten verstrijken, de wettigheid van die handeling niet kan betwisten voor de nationale rechter.
33.
Volgens de Commissie had Deichmann in casu het recht om het Gerecht te verzoeken om nietigverklaring van de litigieuze verordening, aangezien die verordening haar rechtstreeks raakte en geen uitvoeringsmaatregelen vereiste in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Aangezien zij geen beroep heeft ingesteld binnen de desbetreffende termijn, kan zij de nationale rechter niet verzoeken om nietigverklaring van de verordening. Het is irrelevant dat die verordening is vastgesteld nadat Deichmann zich tot de nationale rechter had gewend.
34.
Ter terechtzitting heeft Deichmann die bezwaren afgewezen, omdat zij van mening was niet het recht te hebben om de verordening rechtstreeks aan te vechten, aangezien die verordening haar niet rechtstreeks raakte. Bovendien vereiste die verordening uitvoeringsmaatregelen, op zowel het nationale niveau als het niveau van de Unie.
B. Ten gronde
35.
Deichmann, die zich beroept op artikel 5 VEU, betoogt dat er sprake is van inbreuk op het bij het VWEU ingestelde systeem van verdeling van bevoegdheden. Volgens haar is de antidumpingbasisverordening van 1996 van toepassing, aangezien de door het Hof ongeldig verklaarde verordeningen zijn vastgesteld toen die verordening van kracht was. Artikel 23 van de antidumpingbasisverordening van 2009 voorziet immers in een overgangsregeling die in deze richting wijst. Naar haar mening is het gevolg dat volgens artikel 9, lid 4, van de antidumpingbasisverordening van 1996 niet de Commissie maar de Raad bevoegd is.
36.
Deichmann vestigt de aandacht op artikel 14 van de antidumpingbasisverordening van 2009 – dat uitdrukkelijk wordt vermeld in uitvoeringsverordening 2016/223 – om uit te sluiten dat dit artikel toestaat om een verordening vast te stellen ter uitvoering van een arrest.
37.
Artikel 14, lid 1, van de antidumpingbasisverordening van 2009, voor zover het van toepassing is, staat de instellingen van de Unie alleen toe voorlopige of definitieve antidumpingrechten in te stellen die door de lidstaten worden geïnd onder de in de antidumpingbasisverordening van 2009 vastgestelde voorwaarden. Bij de litigieuze verordening is geen antidumpingrecht ingesteld en in die verordening zijn geen criteria vastgesteld voor de inning ervan. Die verordening regelt alleen de terugbetaling van reeds betaalde antidumpingrechten (zoals voorzien in artikel 236 van het douanewetboek), die tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort.
38.
Deichmann is evenmin van mening dat de litigieuze verordening op artikel 266 VWEU kan worden gebaseerd. Na te hebben verwezen naar de in de verwijzingsbeslissing aangevoerde argumenten, wijst zij erop dat de uitvoeringshandeling niet dezelfde onwettigheden mag bevatten als de nietig verklaarde handeling. In casu voorziet uitvoeringsverordening 2016/223, in strijd met het arrest C & J Clark International en Puma ( 15 ), in het onderzoek van slechts een beperkt aantal verzoeken om BMO en verzoeken om IB. Hierdoor bevat die verordening dezelfde onwettigheid als de in dat arrest vastgestelde onwettigheid.
39.
Deichmann betoogt dat een antidumpingprocedure alleen kan worden hervat indien zij nog niet is afgerond, dat wil zeggen wanneer zij nog niet is afgelopen. Aangezien de procedure in casu op 31 maart 2011 is afgelopen, kon zij niet worden hervat zonder het verbod van terugwerkende kracht en het rechtszekerheidsbeginsel (artikel 10 van de antidumpingbasisverordeningen van 1996 en 2009) alsook de verjaringsregel van artikel 221, lid 3, van het douanewetboek te schenden.
40.
Zich beroepend op artikel 236 van het douanewetboek stelt Deichmann dat de terugvorderingen van het onverschuldigd betaalde zo spoedig mogelijk moeten worden voldaan. Dat artikel verleent de Commissie geenszins de bevoegdheid om te voorzien in een opschortende termijn voor de terugbetaling.
41.
De Commissie heeft het evenredigheidsbeginsel geschonden, door zich niet te houden aan de in het arrest C & J Clark International en Puma ( 16 ) gestelde grenzen toen zij de toepassing van artikel 236 van het douanewetboek opschortte en aldus de terugbetaling van de antidumpingrechten uitstelde. Bovendien is de genomen maatregel niet de minst beperkend mogelijke maatregel, aangezien hij de terugbetaling aan de Europese importeurs afhankelijk stelt van een onderzoek van de door de Chinese exporteurs ingediende verzoeken om BMO en verzoeken om IB. Die exporteurs zijn echter niet in staat om op passende wijze hun medewerking te verlenen, aangezien zij die verzoeken meer dan tien jaar geleden hebben ingediend en thans niet meer geïnteresseerd zijn in het resultaat ervan, aangezien die verzoeken niet van invloed zijn op hun rechten.
42.
Ten slotte beroept Deichmann zich op de toepassing naar analogie van artikel 54 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en zij stelt dat de Commissie misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.
43.
Volgens de Commissie is niet de antidumpingbasisverordening van 1996 maar de antidumpingbasisverordening van 2009 van toepassing. Zij erkent dat er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies, maar volgens haar moeten die ten gunste van de toepassing van de antidumpingbasisverordening van 2009 worden beslecht, aangezien met die verordening een codificatie wordt nagestreefd.
44.
De Commissie verdedigt de keuze voor artikel 14 van de antidumpingbasisverordening van 2009 als rechtsgrondslag van de litigieuze verordening, aangezien zij van mening is dat antidumpingrechten geen invoerrechten zijn die een douaneschuld doen ontstaan. Het gaat om bijzondere maatregelen waarop het Unierecht niet automatisch van toepassing is maar alleen voor zover de Raad en de Commissie bij de vaststelling van een verordening tot instelling van antidumpingrechten per geval daartoe hebben besloten.
45.
In casu heeft de Raad ervoor gekozen dat het douanewetboek van toepassing is op de inning van de bij de definitieve verordening en de uitvoeringsverordening ingestelde antidumpingrechten. Niettemin verzet niets zich ertegen om in voorkomend geval in omgekeerde zin gebruik te maken van artikel 14, namelijk om de toepassing van het douanewetboek en derhalve de daarin voorziene bevoegdheid van de nationale autoriteiten uit te sluiten.
46.
De Commissie is van mening dat de aan de nationale autoriteiten gegeven bevelen (tot opschorting van de terugbetalingsprocedure en tot verstrekking van bepaalde informatie) geldig zijn. Ook al doen die bevelen afbreuk aan de effectiviteit van artikel 236 van het douanewetboek, zij zijn gebaseerd op de in artikel 14, lid 1, van de antidumpingbasisverordening van 2009 neergelegde bevoegdheid van de Commissie tot bepaling van de vorm en het bedrag van die rechten alsook van de „criteria” die de lidstaten moeten gebruiken om die rechten te innen.
47.
Volgens de Commissie zijn die bevelen gepast, aangezien het arrest C & J Clark International en Puma ( 17 ) het bestaan van de schuld op zich onverlet heeft gelaten en alleen gevolgen heeft gehad voor het tarief dat moet worden toegepast voor de berekening ervan. Bijgevolg heeft een eventuele terugbetaling geen gevolgen voor de reeds betaalde schuld in haar geheel, maar alleen voor de schuld die voortvloeit uit de toepassing van de belastingtarieven na onderzoek van alle verzoeken om BMO of verzoeken om IB. Het is redelijk dat de Commissie dat onderzoek verricht voordat de nationale autoriteiten de terugbetaling verrichten.
48.
De Commissie stelt dat artikel 266 VWEU niet in de weg staat aan de hervatting van de procedure. Volgens de rechtspraak van het Hof kan, zelfs zonder specifieke rechtsgrondslag, tot hervatting van de procedure worden besloten na de nietigverklaring of de ongeldigverklaring van een Uniehandeling. ( 18 ) Bovendien is de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek vastgestelde verjaringstermijn (drie jaar) niet verstreken, aangezien hij was opgeschort. In ieder geval kan die termijn worden omzeild door toepassing van artikel 14, lid 1, van de antidumpingbasisverordening van 2009.
49.
De hervatting van de procedure had geen terugwerkende kracht, doordat de schuld van importeurs zoals Deichmann moest worden geacht niet definitief te zijn vastgesteld, aangezien de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB niet waren onderzocht. Ook al zou die hervatting terugwerkende kracht hebben, zij zou toegestaan zijn voor zover het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen in acht is genomen. ( 19 ) Een importeur zoals Deichmann kan zich niet beroepen op de bescherming van het gewettigd vertrouwen zolang de Commissie de procedure niet door middel van een definitieve handeling heeft beëindigd.
V. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
50.
Volgens de rechtspraak van het Hof ( 20 ) is een prejudiciële vraag in de door de Commissie aangevoerde omstandigheden niet‑ontvankelijk indien aan twee voorwaarden is voldaan: i) er is sprake van een natuurlijke of rechtspersoon die ongetwijfeld rechtstreeks beroep had kunnen instellen doch de in artikel 263 VWEU gestelde dwingende termijn heeft laten verlopen, en ii) de bepaling waarvan de wettigheid in geding wordt gebracht vereist geen uitvoeringsmaatregelen in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
51.
Dialectisch gezien kan men zich afvragen of uitvoeringsverordening 2016/223, gelet op de inhoud van artikel 1, lid 1, van die verordening, Deichmann rechtstreeks raakte. Ook al is die verordening tot de nationale douaneautoriteiten gericht, zij kan rechtstreeks van invloed zijn op de rechtspositie van personen die, zoals Deichmann, op grond van artikel 236 van het douanewetboek om terugbetaling van antidumpingrechten hebben verzocht. Uitvoeringsverordening 2016/223 belette hun direct om terugbetaling van de geïnde rechten te verkrijgen (artikel 1, leden 2 en 3).
52.
Ik ben evenwel niet van mening dat uitspraak moet worden gedaan over de procesbevoegdheid van Deichmann, aangezien alleen al uit de lezing van artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2016/223 blijkt dat die verordening uitvoeringsmaatregelen vereiste. Het toepasselijke recht wordt pas opnieuw ingesteld na de controle en de beoordeling van de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van de producenten‑exporteurs, door middel van een (nieuwe) verordening.
53.
Met andere woorden, uitvoeringsverordening 2016/223 vormt in feite een voorstadium van de latere verordeningen in het kader waarvan de verschillende door de producenten-exporteurs ingediende verzoeken om BMO en verzoeken om IB zullen moeten worden beoordeeld. ( 21 ) Aangezien die verordening dus uitvoeringsmaatregelen in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU vereist, is niet voldaan aan de voorwaarden om de prejudiciële vraag niet‑ontvankelijk te verklaren.
54.
Hieraan moet worden toegevoegd dat uitvoeringsverordening 2016/223 is vastgesteld toen het beroep van Deichmann reeds aanhangig was. ( 22 ) Precies in de loop van het geding over haar recht op terugbetaling is bij de rechter de twijfel ontstaan die tot de prejudiciële verwijzing heeft geleid. Gelet op de fase waarin dat geding zich bevond ten tijde van de bekendmaking van die verordening, kon Deichmann bijgevolg redelijkerwijs ervan uitgaan dat zij niet tegen die verordening moest opkomen bij het Gerecht.
55.
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet‑ontvankelijkheid moet bijgevolg worden verworpen.
B. Ten gronde
56.
Voor een goed begrip van de aan de orde zijnde problemen, breng ik de context van het door Deichmann ingediende verzoek tot terugbetaling van antidumpingrechten kort in herinnering.
57.
In een aantal arresten ( 23 ) heeft het Hof verordening nr. 1472/2006 en uitvoeringsverordening nr. 1294/2009 nietig verklaard, omdat de Commissie de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van de exporteurs niet afzonderlijk had onderzocht. In plaats daarvan had de Commissie een steekproef uitgevoerd die zij had geëxtrapoleerd naar alle gevallen en op basis daarvan had zij de verschuldigde antidumpingrechten vastgesteld.
58.
Wat in het bijzonder de onderhavige zaak betreft, heeft de Commissie na het arrest C & J Clark International en Puma ( 24 ) een procedure ontwikkeld om na te gaan of niet in de steekproef opgenomen producenten‑exporteurs verzoeken om BMO en verzoeken om IB hadden ingediend en, zo ja, om die verzoeken te beoordelen in een uitvoeringsverordening waarbij het toepasselijke recht eventueel opnieuw werd ingesteld.
59.
Uitvoeringsverordening 2016/223, over de geldigheid waarvan de vraag van de verwijzende rechter gaat, vormt de eerste fase van die procedure. Kenmerkend voor die verordening is dat zij kort is en slechts twee artikelen bevat (in het tweede artikel wordt alleen de datum van inwerkingtreding van die verordening vermeld).
60.
Artikel 1 is gericht tot nationale douaneautoriteiten die een verzoek tot terugbetaling hebben ontvangen – wanneer de niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur om BMO of IB heeft verzocht – en het verplicht hen om dat verzoek naar de Commissie te zenden. ( 25 ) Zolang de Commissie geen uitvoeringsverordening heeft bekendgemaakt waarbij de antidumpingrechten opnieuw worden ingesteld, mogen de nationale douaneautoriteiten geen beslissing nemen over dat verzoek (derhalve moeten zij de terugbetalingsprocedure opschorten).
61.
Aangezien de toetsing van de geldigheid van een handeling van de Unie in het kader van een prejudiciële verwijzing moet worden beperkt tot de door de verwijzende rechter uiteengezette gronden en niet mag worden uitgebreid tot andere gronden ( 26 ), zal ik in de volgende punten de door de verwijzende rechter in zijn beslissing geuite twijfel onderzoeken, die betrekking heeft op: i) de rechtsgrondslag voor de vaststelling door de Commissie van uitvoeringsverordening 2016/223 ( 27 ); ii) de bevoegdheid van de Commissie om de antidumpingprocedure te hervatten ( 28 ); iii) de mogelijkheid om afbreuk te doen aan de rechtstreekse werking van artikel 236 van het douanewetboek ( 29 ); iv) de omvang van de heropening van de procedure en de werking in de tijd van de nieuwe verordening ( 30 ), en v) de bijzonderheden van de hervatte procedure en de vaststelling van de feiten die beslissend zijn voor de uitkomst van die procedure ( 31 ).
1. Rechtsgrondslag
62.
In geval van nietigverklaring van een verordening tot instelling van een antidumpingrecht, moeten de krachtens die verordening betaalde bedragen volgens artikel 236 van het douanewetboek in beginsel worden terugbetaald. Na het verdwijnen van de rechtsgrondslag voor de inning ervan, zijn die bedragen vanaf het tijdstip van betaling ervan, onverschuldigd betaald.
63.
Het geding is ontstaan omdat de Commissie in uitvoeringsverordening 2016/223 bepaalde voorwaarden heeft gesteld aan de toepassing van artikel 236 van het douanewetboek.
64.
Deze zaak vertoont een aantal overeenkomsten met de zaak waarin het arrest van 18 januari 2017, Wortmann ( 32 ), is gewezen. In deze laatste zaak spitste het geding zich toe op de toepassing van artikel 241 van het douanewetboek, dat het recht op rente in geval van terugbetaling van onverschuldigd betaalde antidumpingrechten beperkt. De onderhavige zaak betreft de mogelijkheid voor de Commissie om een opschortende termijn vast te stellen gedurende welke de nationale autoriteiten artikel 236 van het douanewetboek buiten toepassing laten in afwachting van een beslissing van de Commissie op de ingediende verzoeken om BMO en verzoeken om IB. Beide zaken hebben gemeen dat er reeds arresten van het Hof houdende ongeldigverklaring van een verordening tot instelling van antidumpingrechten bestaan.
65.
In de conclusie in de zaak Wortmann ( 33 ) heb ik verwezen naar het mechanisme voor het opleggen van antidumpingrechten, dat voornamelijk is gebaseerd op het systeem van heffing van douanerechten. ( 34 ) De bepalingen van het douanewetboek inzake de terugbetaling van onverschuldigd betaalde rechten hebben betrekking op wat ik in die conclusie „gewone” situaties heb genoemd, namelijk gevallen waarin de vaststelling van de schuld ongeldig is wegens gebreken in de toepassing van de afzonderlijke elementen van de douaneschuld. Iets anders zijn de gevallen waarin de door importeurs onverschuldigd betaalde bedragen worden terugbetaald wegens de nietigverklaring van de verordening waarbij het antidumpingrecht is ingesteld.
66.
In geval van rechterlijke ongeldigverklaring van hun handelingen beschikken de instellingen van de Unie over verschillende opties, afhankelijk van de inhoud van het arrest en de omvang van hun eigen bevoegdheden.
67.
In de eerste plaats moeten zij nagaan of de handeling bij het arrest absoluut nietig is verklaard dan wel of de handeling of de nalatigheid van de instelling kan worden gecorrigeerd. In dit laatste geval is de instelling gewoonlijk bevoegd om haar activiteit overeenkomstig de inhoud van het arrest in overeenstemming te brengen met de wet. Overeenkomstig dat arrest kan zij de procedure dus hervatten, hetzij vanaf het begin, hetzij vanaf het tijdstip waarop de vastgestelde onwettigheid is ontdekt.
68.
Het Hof heeft zich, op het gebied van antidumpingrechten, met deze problemen beziggehouden in het arrest van 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS, dat volgens mij onmiskenbaar relevant is voor de onderhavige zaak. ( 35 ) Het Hof ging specifiek in op de vraag of, ondanks het ontbreken van bepalingen in een antidumpingbasisverordening, de procedure kon worden heropend nadat de litigieuze bepaling ongeldig was verklaard na een prejudiciële verwijzing.
69.
Het Hof heeft geoordeeld dat de verplichting die artikel 266 VWEU oplegt voor arresten houdende nietigverklaring naar analogie voor dergelijke gevallen geldt: „[...] deze beslissing [heeft] als rechtsgevolg [...] dat de betrokken instellingen de nodige maatregelen moeten treffen teneinde de vastgestelde onwettigheid te herstellen”. Precies om „aan deze verplichting te voldoen, moeten de betrokken instellingen niet alleen het dictum naleven van het arrest waarbij de nietigverklaring of ongeldigheid wordt uitgesproken, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden”. ( 36 )
70.
Bovendien heeft het Hof in die zaak (net als in de arresten houdende ongeldigverklaring die aan de onderhavige zaak ten grondslag liggen) het bestaan vastgesteld van een onregelmatigheid die niet de nietigheid van de gehele procedure met zich meebracht. Het heeft hieraan toegevoegd dat de instellingen „de procedure [...] [kunnen] heropenen in de fase waarin die onregelmatigheid is begaan, teneinde een handeling vast te stellen ter vervanging van een eerdere, nietig of ongeldig verklaarde handeling”. ( 37 ) In dezelfde zin heeft het Hof geoordeeld dat „nietigverklaring van een Uniehandeling niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen”. ( 38 )
71.
Het Hof heeft in het arrest CM Eurologistik en GLS opgemerkt dat „de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk [hoeft] te bepalen dat de procedure kan worden heropend opdat de instellingen die een nietig of ongeldig verklaarde handeling hebben vastgesteld, van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken. Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld, zonder verwijzing naar een specifieke rechtsgrondslag, dat zij deze mogelijkheid hadden naar aanleiding van een arrest waarbij een verordening tot instelling van antidumpingrechten nietig werd verklaard (zie in die zin arrest Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punten 82 en 94)”. ( 39 )
72.
Dientengevolge kan de omstandigheid dat de basisverordening niet voorziet in de mogelijkheid om de procedure te heropenen nadat een antidumpingverordening ongeldig is verklaard, niet leiden tot de ongeldigheid van de ter uitvoering van een arrest vastgestelde verordening. ( 40 )
73.
Uit die preciseringen blijkt dat de Commissie enerzijds bevoegd is om zo te handelen dat de wettigheid wordt hersteld overeenkomstig het bepaalde in het arrest houdende ongeldigverklaring, en anderzijds volgens artikel 266 VWEU gehouden is haar gedrag in overeenstemming te brengen met de inhoud van dat arrest.
74.
Om precies te zijn, is het beroep op artikel 14 van de antidumpingbasisverordening van 2009 niet eens onvermijdelijk, aangezien de werkelijke rechtsgrondslag voor de hervatting van de procedure de bevoegdheid/plicht van de Commissie is, die – zoals ik al heb gezegd – de wettigheid moet herstellen overeenkomstig het dictum en de motivering van het prejudiciële arrest waarbij de antidumpingverordeningen ongeldig zijn verklaard.
75.
Ik denk niet dat die rechtspraak moet worden geacht als onwaar te zijn bestempeld door het arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a. ( 41 ), dat is gewezen in een context waarin de verordening die de basis had gevormd voor de nietig verklaarde handeling, was ingetrokken en niet was vervangen door een nieuwe handeling.
76.
Het is juist dat het Hof in dat arrest heeft verklaard dat „de in artikel 266 VWEU neergelegde verplichting om tot handelen over te gaan [...] op zichzelf geen bron van bevoegdheid voor de Commissie [vormt] en [...] deze laatste evenmin in staat [stelt] om zich te baseren op een rechtsgrondslag die ondertussen is ingetrokken”. ( 42 ) Die zaak verschilt echter van de onderhavige zaak doordat de regels waarbij de bevoegdheid werd verleend om een handeling vast te stellen (ter vervanging van de nietig verklaarde handeling), geen deel meer uitmaakten van de rechtsorde van de Unie en de instelling haar handelingsbevoegdheid niet uitsluitend op artikel 266 VWEU kon baseren. In casu is de rechtsgrondslag daarentegen niet verdwenen en, zoals ik hierna zal uiteenzetten, heeft zich alleen een wijziging in de toekenning van bevoegdheid aan de Commissie voorgedaan.
77.
Hoe dan ook ben ik van mening dat de verwijzing naar artikel 14 van de antidumpingbasisverordening van 2009 niet misplaatst is. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat antidumpingrechten bij verordening worden ingesteld en door de lidstaten worden geïnd in de vorm, voor het bedrag en met inachtneming van de criteria die in die verordening zijn vermeld.
78.
Het bijzondere van de onderhavige zaak is dat de Commissie in twee fasen heeft gehandeld. Eerst heeft zij uitvoeringsverordening 2016/223 vastgesteld, waarmee zij de douaneautoriteiten om informatie verzoekt over de ingediende verzoeken tot terugbetaling en hun gelast de toepassing van artikel 236 van het douanewetboek tijdelijk op te schorten. Vervolgens heeft zij de uitvoeringsverordeningen vastgesteld, waarin zij de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van de niet in de oorspronkelijke steekproef opgenomen producenten-exporteurs beoordeelt.
79.
Er kan over worden gediscussieerd of de Commissie met een beroep op de in artikel 14, lid 1, van de antidumpingbasisverordening van 2009 bedoelde „criteria”alle in uitvoeringsverordening 2016/223 vastgestelde maatregelen mocht nemen. Ook al is een van die maatregelen onevenredig of niet passend, dat betekent nog niet dat de Commissie bij de vaststelling van die uitvoeringsverordening een fout heeft begaan die (wegens het ontbreken van een rechtsgrondslag) tot ongeldigheid ervan leidt.
80.
Opnieuw moet worden teruggekomen op de fout die heeft geleid tot de nietigheid van verordening nr. 1472/2006, waarbij definitieve antidumpingrechten van 9,7 % tot 16,5 % waren ingesteld op schoeisel. Het Hof heeft die rechten niet ongeldig verklaard, maar het heeft geoordeeld dat de Commissie de desbetreffende verzoeken had moeten onderzoeken om na te gaan of ook de verzoekende partijen op marktvoorwaarden werkten. Pas na dat onderzoek en na te hebben vastgesteld dat dit het geval was, kon voor iedere indiener van een verzoek worden bepaald of het toepasselijke percentage 16,5 % dan wel 9,7 % bedroeg.
81.
De hervatting van de procedure nadat de arresten houdende nietigverklaring waren gewezen, was derhalve logisch en verplicht, aangezien moest worden geantwoord op de ingediende verzoeken en moest worden bepaald of voor sommige van die verzoeken het laagste tarief (9,7 %) gold in plaats van het op die verzoeken toegepaste algemene tarief (16,5 %). De rechtsgrondslag voor de vaststelling van dat definitieve besluit was in werkelijkheid dezelfde als die op basis waarvan de definitieve antidumpingrechten destijds (2006) waren vastgesteld.
82.
Uitvoeringsverordening 2016/223 is slechts een instrument ten dienste van de doelstelling de toepasselijke antidumpingrechten eens en voor altijd te berekenen. Uit overwegingen van efficiëntie wordt met die verordening beoogd onnodige beoordelingen van verzoeken om BMO en verzoeken om IB te voorkomen, terwijl tijdelijk de terugbetaling van bedragen wordt opgeschort waarvan de wettigheid afhangt van het resultaat van de beoordelingen van de verzoeken om BMO en verzoeken om IB.
2. Bevoegdheid van de Commissie
83.
In de verwijzingsbeslissing wordt de bevoegdheid van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsverordening 2016/223 in twijfel getrokken, aangezien die bevoegdheid ten tijde van de vaststelling van de door het Hof ongeldig verklaarde antidumpingverordeningen toekwam aan de Raad. ( 43 )
84.
Het Hof heeft, eveneens op het gebied van antidumpingrechten, in het arrest Commissie/McBride e.a. ( 44 ) verwezen naar het optreden van de instellingen binnen de grenzen van hun bevoegdheid. De aandacht moet worden gevestigd op de volgende passages van dat arrest:
–
„[T]er eerbiediging van het beginsel van de toepassing van de wet in de tijd, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel [is] weliswaar de toepassing geboden [...] van de materiële bepalingen die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al gelden deze bepalingen niet meer op de datum waarop door een instelling van de Unie een handeling wordt vastgesteld, maar [...] de bepaling die de rechtsgrondslag van een handeling vormt en de instelling van de Unie machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, [moet] van kracht [...] zijn op de datum van de vaststelling van deze handeling. Evenzo dient de procedure tot vaststelling van deze handeling te worden gevoerd overeenkomstig de op de datum van de vaststelling ervan geldende voorschriften.” ( 45 )
–
„[D]ie rechtspraak[ ( 46 )] [staat] immers de toepassing toe van materiële bepalingen die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, met inachtneming van de procedureregels die gelden op de datum waarop de betrokken handeling wordt vastgesteld, voor zover de rechtsgrondslag die de instelling in staat stelt om te handelen, van kracht is op het tijdstip waarop de betrokken handeling wordt vastgesteld.” ( 47 )
85.
De antidumpingbasisverordening van 1996 verleende de Raad de bevoegdheid om de verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht vast te stellen (artikel 9, lid 4). Ook de antidumpingbasisverordening van 2009 verleende hem die bevoegdheid (artikel 9, lid 4).
86.
Die bevoegdheidstoekenning is evenwel gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 ( 48 ), waarbij – onder andere – die bevoegdheid aan de Commissie is toegekend. In artikel 3 van verordening nr. 37/2014 worden weliswaar een reeks gevallen opgesomd waarin die verordening niet van toepassing is ( 49 ), maar in casu is van geen van die gevallen sprake, aangezien de procedure na de inwerkingtreding van die verordening is hervat. Derhalve was de Commissie, overeenkomstig de hierboven aangehaalde rechtspraak, ten tijde van de opstelling en de vaststelling van uitvoeringsverordening 2016/223 de instelling die bevoegd was voor de vaststelling van de handeling tot herstel van de onwettigheid.
87.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, is in casu geen sprake van de in het arrest Commissie/McBride ( 50 ) onderzochte situatie. De onderhavige zaak betreft een wijziging in de toekenning van bevoegdheid aan de Commissie, die de relevante materiële en formele regels moet toepassen die van kracht waren ten tijde van de feiten respectievelijk ten tijde van de vaststelling van de handeling. ( 51 )
3. Opschorting van de werking van artikel 236 van het douanewetboek
88.
Artikel 236 van het douanewetboek voorziet niet in een opschorting van de procedure voor de terugbetaling van onverschuldigd betaalde douanerechten. Ik ben echter van mening dat de letterlijke uitlegging van die bepaling kan worden aangepast in geval van terugbetalingen waarop een (eerder) arrest van het Hof betrekking heeft.
89.
Uitvoeringsverordening 2016/223 heeft praktische gevolgen voor de nationale douaneautoriteiten en voor importeurs die terugbetaling verlangen van de door hen betaalde antidumpingrechten.
90.
Wat betreft de douaneautoriteiten van de lidstaten (waarvan blijkbaar geen enkele is opgekomen tegen uitvoeringsverordening 2016/223 wegens inbreuk op zijn bevoegdheden) mag niet uit het oog worden verloren dat antidumpingrechten ten goede komen aan de eigen middelen van de Unie. ( 52 ) Zoals ik heb benadrukt in de conclusie in de zaak Wortmann ( 53 ), „[wordt het] beheer van de eigen middelen [...] uitgevoerd conform een schema volgens [hetwelk] de overheden van de lidstaten zorg dragen voor de vereffening, vaststelling en inning van de rechten, waarvan de inkomsten ter beschikking van de Unie worden gesteld. De lidstaat handelt dus als instrument van de instellingen van de Europese Unie. Deze omstandigheid leidt tot een bijzondere connectie tussen de nationale autoriteiten en de nietigverklaring van een antidumpingverordening en vereist in hoge mate dat de rechter rekening houdt met de rechtspraak van het Hof inzake deze materie en met de uitvoeringscriteria van artikel 266 VWEU.”
91.
In deze context, waarin de bevoegdheden van de bij de vaststelling, het beheer en de inning van de antidumpingrechten betrokken overheidsinstanties met elkaar verweven zijn, lijkt het mij moeilijk om uit te sluiten dat de maatregelen van de Commissie na het wijzen van een arrest houdende nietigverklaring van een antidumpingverordening (of een prejudicieel arrest waarbij een antidumpingverordening ongeldig wordt verklaard), van invloed kunnen zijn op het gedrag van de nationale douaneautoriteiten.
92.
Zowel de terugvordering van de onverschuldigd betaalde antidumpingrechten als de voorafgaande berekening ervan is gebaseerd op de destijds door de Commissie uitgevoerde vaststelling van die rechten. De kwalificatie als onverschuldigd betaalde antidumpingrechten is onlosmakelijk verbonden met het ontbreken van een rechtsgrondslag, dat wil zeggen met de ongeldigheid van hetzij de individuele handeling waarbij die rechten zijn vastgesteld, hetzij de regelgevingshandeling krachtens welke die rechten zijn ingesteld. In casu is de tweede situatie aan de orde.
93.
Het is juist dat in de rechtspraak van het Hof ( 54 ) het eenduidige beginsel is vastgesteld dat een belastingplichtige die onverschuldigd in strijd met het Unierecht geïnde bedragen heeft betaald, recht heeft op terugbetaling van die bedragen.
94.
In casu moet het begrip „onverschuldigd betaald” worden geconcretiseerd in het licht van het dictum en de motivering van het arrest waarbij verordening nr. 1472/2006 en uitvoeringsverordening nr. 1294/2009 ongeldig zijn verklaard. Indien, zoals reeds is uiteengezet, die nietigverklaring volgt uit het feit dat de Commissie het antidumpingrecht heeft vastgesteld zonder de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van de producenten-exporteurs afzonderlijk te onderzoeken (zij heeft slechts een steekproef onderzocht), is de inbreuk op een bepaald moment in de procedure gepleegd en kon zij overeenkomstig de voornoemde rechtspraak worden verholpen.
95.
Derhalve is het in beginsel gerechtvaardigd om, zoals de Commissie heeft gedaan, de procedure te hervatten vanaf het tijdstip waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan. Heeft die instelling artikel 236 van het douanewetboek geschonden doordat zij aan de nationale autoriteiten een wachttijd heeft opgelegd om te kunnen nagaan of de onverschuldigd betaalde bedragen moesten worden terugbetaald?
96.
Mijns inziens is dit niet het geval. Gelet op de tekst van het arrest waarbij de verordeningen ongeldig zijn verklaard, was in werkelijkheid niet bekend of de betrokken bedragen „onverschuldigd” waren betaald. Het Hof heeft zich uitgesproken over de aan het besluit voorafgaande procedure, maar niet over de inhoud van dat besluit (dat wil zeggen over het verschuldigde bedrag aan antidumpingrechten).
97.
Om de onduidelijkheid omtrent de inhoud – waarover nog geen uitspraak is gedaan – weg te nemen, moet de Commissie de procedure hervatten vanaf het tijdstip waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan en de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van alle exporteurs onderzoeken. Het lijkt mij redelijk dat, zolang die procedure loopt, de nationale autoriteiten hun beslissing moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de Commissie. Tot dan kunnen zij niet zeker weten of, en zo ja, in welke mate het antidumpingrecht onverschuldigd is betaald. ( 55 )
98.
Het is waar dat de importeurs die om terugbetaling verzoeken, niet over het gevorderde geld kunnen beschikken tot de Commissie de procedure heeft afgerond. Niettemin bestaat er – zoals het Hof heeft verklaard ( 56 ) – „wanneer invoerrechten, met inbegrip van antidumpingrechten, worden terugbetaald omdat zij zijn geïnd in strijd met het Unierecht – hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan – [...] voor de lidstaten een uit het Unierecht voortvloeiende verplichting om aan de justitiabelen die recht hebben op de terugbetaling, de daarover verschuldigde rente te vergoeden, welke rente begint te lopen op de datum van betaling door deze justitiabelen van de terugbetaalde rechten”.
99.
Bijgevolg lijdt de importeur geen werkelijke schade door de opschorting, aangezien, indien uiteindelijk wordt geoordeeld dat de invoerrechten „zijn geïnd in strijd met het Unierecht”, die rechten moeten worden terugbetaald vermeerderd met rente vanaf de datum van betaling van die rechten tot de terugbetaling ervan, zodat iedere vertraging wordt gecompenseerd.
100.
Ten slotte ben ik van mening dat het besluit tot opschorting van de procedure om terugbetaling te bekomen, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het alternatief was die bedragen terug te betalen en ze na onderzoek van de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB in voorkomend geval opnieuw in te vorderen. Ik benadruk dat het mij doeltreffender lijkt om de status quo te handhaven, aangezien de (eventuele) volledige schadeloosstelling wegens de onbeschikbaarheid van het geld tot de Commissie een besluit heeft genomen, wordt gewaarborgd door de opbouw van rente.
4. Omvang van het onderzoek van de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB en temporele werkingssfeer van uitvoeringsverordening 2016/223
101.
De Commissie wordt verweten dat zij in uitvoeringsverordening 2016/223 niet van alle maar slechts van een aantal producenten-exporteurs de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB heeft onderzocht, en derhalve mogelijk in strijd met het uitgevoerde arrest heeft gehandeld.
102.
Dit argument kan niet worden aanvaard. De beperking door de Commissie van haar onderzoek tot verzoeken waarvan de inhoud gevolgen kan hebben voor de importeurs die om terugbetaling van antidumpingrechten hebben verzocht, is ingegeven door redelijke praktische overwegingen. In het concrete geval waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, zou het bezwaar steek houden indien uitvoeringsverordening 2016/223 eraan in de weg stond om de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB van de exporteurs van het door Deichmann gekochte schoeisel in de beoordeling op te nemen, hetgeen niet het geval is.
103.
Is uitvoeringsverordening 2016/223 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht (die ten grondslag liggen aan artikel 10 van zowel de antidumpingbasisverordening van 1996 als de antidumpingbasisverordening van 2009) of de verjaringsregel van artikel 221, lid 3, van het douanewetboek? ( 57 )
104.
Ik denk van niet. Zoals ik reeds heb benadrukt, wordt in de rechtspraak van het Hof aanvaard dat een instelling een door een nietigverklaring getroffen procedure hervat, op voorwaarde dat de ten tijde van de feiten geldende regels worden toegepast, de ten tijde van de vaststelling van de nieuwe handeling geldende totstandkomingsprocedure in acht wordt genomen en de instelling op dat moment daartoe bevoegd is.
105.
Terugwerkende kracht zou betekenen dat een latere bepaling van toepassing is op een vaststaande juridische situatie. Dit is niet het geval, aangezien de toepasselijke bepalingen precies de bepalingen zijn die ten tijde van de feiten van toepassing waren en de tarieven van de verschuldigde antidumpingrechten ongewijzigd zijn gebleven. Er moet alleen nog worden vastgesteld of volgens die regels voor de betrokken berekeningen van de rechten naargelang van de hoedanigheid van de exporteur die om BMO of IB heeft verzocht, het algemene tarief dan wel het verlaagde tarief geldt. Het eindresultaat is een saldo dat, indien het batig is voor de importeur, door deze laatste zonder waardevermindering kan worden teruggevorderd, aangezien het wordt vermeerderd met rente vanaf de datum van de onverschuldigde betaling.
106.
Wat de verjaring betreft, is de situatie vergelijkbaar met die welke is behandeld bij het onderzoek van de toepasselijkheid van artikel 236 van het douanewetboek in de context van de uitvoering van een arrest. Sinds de start van de discussie over de geldigheid van de verordeningen op basis waarvan de antidumpingrechten waren vastgesteld, was de zaak hangend. De berekeningen van de rechten hingen af van de uitkomst van het te wijzen arrest. Nadat het arrest is gewezen, is de inhoud ervan van toepassing op al die – tot dan toe voorlopige – situaties, die opnieuw moeten worden onderzocht om ze in overeenstemming met dat arrest te brengen.
107.
Dat voorlopige karakter werkt in gelijke mate in twee richtingen. De importeurs trachten zich op artikel 221, lid 3, van het douanewetboek te beroepen om de uitoefening van de bevoegdheden van de Commissie en de nationale autoriteiten te beperken tot de in dat artikel bedoelde periode van drie jaar. Indien hun stelling wordt gevolgd, zoals Deichmann betoogt, kan echter ook worden aangevoerd dat hun recht op terugvordering van het onverschuldigd betaalde door het verstrijken van de tijd is vervallen, aangezien de in artikel 236, lid 2, van het douanewetboek bedoelde termijn van drie jaar is verstreken. De automatische toepassing van de termijn, zonder rekening te houden met de opschortende werking van gerechtelijke procedures en de daaruit voortvloeiende administratieve procedures ten aanzien van die termijn, zou elk nuttig effect ontnemen aan de arresten, omdat die arresten door het tijdsverloop onuitvoerbaar zouden worden in alle gevallen waarin het besluit na het verstrijken van die termijn definitief wordt.
108.
Het is waar dat, zoals is vermeld in de verwijzingsbeslissing, de Raad bij uitvoeringsbesluit van 18 maart 2014 ( 58 ) het voorstel voor een uitvoeringsverordening heeft verworpen dat door de Commissie was ingediend ter uitvoering van het arrest Brosmann ( 59 ). Dat besluit was gebaseerd op artikel 221, lid 3, van het douanewetboek en de afwijzing van een vermeende herinvoering van rechten met terugwerkende kracht.
109.
Ik ben evenwel niet van mening dat dit besluit van de Raad bindend is voor de Commissie nadat deze laatste de bevoegdheid heeft verkregen om ter zake een besluit te nemen, aangezien de toenmalige motivering verschilt van de huidige motivering. Zoals volgt uit overweging 10 van uitvoeringsverordening 2016/223, was destijds doorslaggevend dat de bevoegde douaneautoriteiten de douanerechten hadden terugbetaald overeenkomstig artikel 236 van het douanewetboek, terwijl in de onderhavige zaak geen dergelijke terugbetaling heeft plaatsgevonden.
110.
Het aanhangig zijn van rechtszaken over de geldigheid van de antidumpingverordeningen belet dat er sprake kan zijn van aantasting van de rechtszekerheid. De onenigheid was openbaar en impliceerde dat de berekeningen van de rechten afhingen van de uitkomst van de desbetreffende gedingen. ( 60 )
5. Procedure voor de beoordeling van verzoeken om BMO en verzoeken om IB alsook de voor die beoordeling vereiste bewijsstukken
111.
In de verwijzingsbeslissing zijn bepaalde aspecten in verband met de procedure voor de beoordeling van verzoeken om BMO en verzoeken om IB alsook in verband met het tot staving van die verzoeken aangevoerde bewijs in twijfel getrokken.
112.
Ik ben evenwel van mening dat het voorbarige argumenten betreft. Zoals ik reeds heb vermeld, strekt uitvoeringsverordening 2016/223 tot voorbereiding ( 61 ) van de procedure voor het onderzoek van verzoeken om BMO en verzoeken om IB die oorspronkelijk niet zijn beoordeeld. De discussie over het verloop van die procedure en de grote dan wel geringe bewijsproblemen die zich tijdens die procedure kunnen voordoen ten gevolge van de tijd die is verstreken sinds de indiening van die verzoeken, moet in het kader van een eventuele aanvechting van de latere uitvoeringsverordeningen worden gevoerd. ( 62 )
113.
Bij deze laatste verordeningen – die reeds zijn gepubliceerd ( 63 ) – heeft de Commissie, na onderzoek van de verzoeken van alle producenten-exporteurs, de argumenten van de betrokken ondernemingen en de in het dossier opgenomen bewijsstukken, de definitieve antidumpingrechten „opnieuw ingesteld”. De vraag of de Commissie rechtmatig heeft gehandeld om tot dit eindresultaat te komen, kan alleen worden beantwoord door de relevante handelingen te onderzoeken die hebben geleid tot de vaststelling van die nieuwe uitvoeringsverordeningen.
VI. Conclusie
114.
Gezien het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Finanzgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:
„Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C‑659/13 en C‑34/14.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Uitvoeringsverordening van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C‑659/13 en C‑34/14 (PB 2016, L 41, blz. 3).
( 3 ) In het arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74), heeft het Hof verordening (EG) nr. 1472/2006 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 nietig verklaard.
( 4 ) Hierna: „Deichmann”.
( 5 ) Verordening van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
( 6 ) Zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB 2000, L 311, blz. 17).
( 7 ) Verordening van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51; hierna: „antidumpingbasisverordening van 2009”).
( 8 ) Verordening van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB 2006, L 275, blz. 1).
( 9 ) Uitvoeringsverordening van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (PB 2009, L 352, blz. 1).
( 10 ) Verordening van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 905/98 van de Raad van 27 april 1998 (PB 1998, L 128, blz. 18) en verordening (EG) nr. 2238/2000 van de Raad van 9 oktober 2000 (PB 2000, L 257, blz. 2) (hierna: „antidumpingbasisverordening van 1996”).
( 11 ) Arresten van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad (C‑249/10 P, EU:C:2012:53), en 15 november 2012, Zhejiang Aokang Shoes/Raad (C‑247/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:710). Naar die arresten wordt hierna verwezen als het arrest Brosmann.
( 12 ) Ibidem.
( 13 ) Arrest van 4 februari 2016, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74.
( 14 ) De nietigverklaring was het gevolg van het feit dat de Europese Commissie in strijd met artikel 2, lid 7, onder b), en artikel 9, lid 5, van verordening nr. 384/96 de verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en de verzoeken om individuele behandeling („IB”) van niet in de steekproef opgenomen producenten‑exporteurs uit China en Vietnam niet had behandeld.
( 15 ) Arrest van 4 februari 2016, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74.
( 16 ) Ibidem.
( 17 ) Arrest van 4 februari 2016, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74.
( 18 ) Arresten van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad (C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punten 82 en 94), en 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS (C‑283/14 en C‑284/14, EU:C:2016:57, punt 52).
( 19 ) Arrest van 9 januari 1990, SAFA (C‑337/88, EU:C:1990:1, punt 13).
( 20 ) Zie onder meer arresten van 14 maart 2017, A e.a. (C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 67‑70), en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C‑667/13, EU:C:2015:151, punten 28‑30).
( 21 ) Bij het Hof zijn inderdaad twee prejudiciële zaken aanhangig betreffende de uitvoeringsverordeningen waarmee de voormelde procedure is beëindigd [uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395 en 2016/2257]. Het gaat om de zaken C‑612/16, C & J Clark International, en C‑631/16, X BV/Inspecteur van de Belastingdienst/Douane kantoor Rotterdam Rijnmond. De behandeling van beide zaken is geschorst in afwachting van de uitspraak in de onderhavige zaak. Naast de voornoemde verordeningen zijn de uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1647 en 2016/1731 vastgesteld.
( 22 ) Het verzoek tot terugbetaling is ingediend op 12 juni 2012 en uitvoeringsverordening 2016/223 is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 februari 2016.
( 23 ) Arresten van 15 november 2012, Zhejiang Aokang Shoes/Raad (C‑247/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:710); 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad (C‑249/10 P, EU:C:2012:53), en 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74).
( 24 ) Arrest van 4 februari 2016, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74.
( 25 ) Die verzending heeft tot doel de producenten-exporteurs te identificeren wier verzoeken om BMO en verzoeken om IB moeten worden beoordeeld, aangezien zij verband houden met verzoeken tot terugbetaling van de importeurs.
( 26 ) Arrest van 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS (C‑283/14 en C‑284/14, EU:C:2016:57, punt 46).
( 27 ) Verwijzingsbeslissing, punten 13 tot en met 24.
( 28 ) Ibidem, punten 19 en 32.
( 29 ) Ibidem, punten 25 tot en met 30.
( 30 ) Ibidem, punten 31 tot en met 37.
( 31 ) Ibidem, punten 38 tot en met 42.
( 32 ) Zaak C‑365/15, EU:C:2017:19.
( 33 ) Conclusie in de zaak Wortmann (C‑365/15, EU:C:2016:663, punt 43).
( 34 ) In verordening nr. 1472/2006 zijn de antidumpingrechten vastgesteld als een percentage van de douanerechten. Voor de berekening ervan moest allereerst op de douanewaarde het overeenkomstige tarief worden toegepast om de verschuldigde douanerechten te berekenen. Vervolgens werd aan dit laatste bedrag het met het antidumpingrecht overeenstemmende percentage toegevoegd (artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1472/2006).
( 35 ) Zaken C‑283/14 en C‑284/14, EU:C:2016:57.
( 36 ) Ibidem, punten 48 en 49, waarin het arrest van 22 december 2008, Régie Networks (C‑333/07, EU:C:2008:764, punt 124en aldaar aangehaalde rechtspraak), wordt aangehaald. Geen cursivering in het origineel.
( 37 ) Ibidem, punt 51.
( 38 ) Ibidem, punt 50.
( 39 ) Ibidem, punt 52.
( 40 ) Ibidem, punt 55.
( 41 ) Zaak C‑361/14 P, EU:C:2016:434.
( 42 ) Ibidem, punt 38.
( 43 ) In de verwijzingsbeslissing wordt artikel 23 van de antidumpingbasisverordening van 2009 aangevoerd ter rechtvaardiging van de toepassing van de antidumpingbasisverordening van 1996. De bevoegdheidoverdracht vond echter pas bij een latere hervorming plaats, zodat het beroep op dat artikel niet relevant is.
( 44 ) Arrest van 14 juni 2016, C‑361/14 P, EU:C:2016:434.
( 45 ) Ibidem, punt 40.
( 46 ) Het gaat om het arrest van het Gerecht van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie (T‑27/03, T‑46/03, T‑58/03, T‑79/03, T‑80/03, T‑97/03 en T‑98/03, EU:T:2007:317), en het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190).
( 47 ) Arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a. (C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 45).
( 48 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek voor wat de procedures tot het nemen van bepaalde maatregelen betreft (PB 2014, L 18, blz. 1), die in werking is getreden op de dertigste dag na die van de bekendmaking ervan op 21 januari 2014.
( 49 ) Het gaat om „procedures die zijn ingeleid voor de vaststelling van maatregelen als voorzien in de verordeningen die in de bijlage bij deze verordening zijn vermeld [waaronder verordening nr. 1225/2009] wanneer, bij of vóór de inwerkingtreding van deze verordening: a) de Commissie een handeling heeft vastgesteld; b) krachtens een van de in de bijlage vermelde verordeningen raadpleging is vereist en dergelijke raadplegingen zijn begonnen; of c) krachtens een van de in de bijlage vermelde verordeningen een voorstel is vereist en de Commissie een dergelijk voorstel heeft aangenomen”.
( 50 ) Arrest van 14 juni 2016, C‑361/14 P, EU:C:2016:434.
( 51 ) Ook het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190, punt 63), is relevant. Volgens dat arrest moet „overeenkomstig een aan de rechtsstelsels der lidstaten gemeenschappelijk beginsel, waarvan de oorsprong reeds in het Romeinse recht te vinden is, bij wijziging der wettelijke voorschriften, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel door de wetgever, de continuïteit van het rechtsbestel [...] worden verzekerd”.
( 52 ) De titel „Eigen middelen” van de algemene begroting van de Unie van 2016 (PB 2016, L 48, blz. 1) bevat hoofdstuk 12 (blz. 36) over „Douanerechten en overige rechten als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), van besluit 2007/436/EG, Euratom”, dat, naast de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, de „overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen” regelt.
( 53 ) Zaak C‑365/15, EU:C:2016:663, punt 65.
( 54 ) Arresten van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a. (C‑397/98 en C‑410/98, EU:C:2001:134); 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation (C‑446/04, EU:C:2006:774); 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a. (C‑591/10, EU:C:2012:478); 27 september 2012, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑113/10, C‑147/10 en C‑234/10, EU:C:2012:591), en 18 april 2013, Irimie (C‑565/11, EU:C:2013:250).
( 55 ) In punt 40 van de verwijzingsbeslissing lijkt de verwijzende rechter zelf tot die oplossing te komen wanneer hij benadrukt dat, om een antidumpingrecht opnieuw in te stellen, het volstaat de verzoeken om BMO en de verzoeken om IB in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), van verordening nr. 384/96 te onderzoeken en in beginsel geen nieuwe verordening is vereist, aangezien alleen nog maar de verzoeken moeten worden behandeld die reeds bij de Commissie zijn ingediend.
( 56 ) Arrest van 18 januari 2017, Wortmann (C‑365/15, EU:C:2017:19, dictum).
( 57 ) Ter terechtzitting heeft Deichmann benadrukt dat op 31 maart 2011 een einde was gekomen aan de mogelijkheid om antidumpingrechten in te stellen. Evenwel moet er rekening mee worden gehouden dat de herziene vaststellingen van antidumpingrechten betrekking hebben op vóór die datum verrichte invoertransacties. Er zijn geen nieuwe procedures tot vaststelling van antidumpingrechten opgestart. Aangezien de vroegere grondslagen voor de berekening van die rechten zijn bestreden en nietig verklaard (verordening nr. 1472/2006 en uitvoeringsverordening nr. 1294/2009), worden zij enkel herzien om de in het arrest vastgestelde onwettigheden te verhelpen.
( 58 ) Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU van de Raad van 18 maart 2014 tot verwerping van het voorstel voor een uitvoeringsverordening betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd (PB 2014, L 82, blz. 27).
( 59 ) Arrest van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53.
( 60 ) Door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2013, C 295, blz. 6) heeft de Commissie meegedeeld dat zij ervoor had gekozen om de antidumpingprocedure te hervatten vanaf het precieze punt waarop de onwettigheid zich had voorgedaan en na te gaan of de indieners van de verzoeken in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 op marktvoorwaarden werkten. Zij heeft de belanghebbenden verzocht te verschijnen en zich kenbaar te maken.
( 61 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie aangevoerd dat het aan de douaneautoriteiten gerichte verzoek om inlichtingen alleen ertoe strekte de betrokken producenten-exporteurs te identificeren. Op deze manier was het mogelijk om de door elk van die producenten‑exporteurs bij hun oorspronkelijke verzoeken om BMO en verzoeken om IB overgelegde documenten te onderzoeken en de vertraging te vermijden die zou ontstaan indien aandacht werd besteed aan gevallen waarin geen verzoek tot terugbetaling was ingediend.
( 62 ) Bij het Gerecht is het beroep aanhangig (zaak T‑154/17) dat door Deichmann is ingesteld tegen uitvoeringsverordening (EU) 2016/2257 van de Commissie van 14 december 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd, Foshan Nanhai Shyang Yuu Footwear Ltd en Fujian Sunshine Footwear Co. Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C‑659/13 en C‑34/14.
( 63 ) Zie voetnoot 21.