CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 12 september 2017 ( 1 )
Zaak C‑267/16
Albert Buhagiar,
Wayne Piri,
Stephanie Piri,
Arthur Taylor,
Henry Bonifacio,
Colin Tomlinson,
Darren Sheriff,
tegen
The Hon. Gilbert Licudi QC MP minister for Justice
[verzoek om een prejudiciële beslissing van de Supreme Court of Gibraltar (hoogste rechterlijke instantie van Gibraltar, Verenigd Koninkrijk)]
„Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid – Begrip rechterlijke instantie van een lidstaat – Gibraltar – Artikel 29 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van het Verenigd Koninkrijk – Douane-unie – Richtlijn inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens – Richtlijn 91/477 – Uitlegging van de bepalingen betreffende jagers en sportschutters – Europese vuurwapenpas – Vrij verkeer van goederen – Vrij verrichten van diensten – Vrij verkeer van personen”
I. Inleiding
1.
In de onderhavige zaak verzoekt de Supreme Court of Gibraltar (hoogste rechterlijke instantie van Gibraltar) het Hof om een prejudiciële beslissing over de vraag of richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens ( 2 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 ( 3 ) (hierna: „richtlijn 91/477”), van toepassing is op het grondgebied van Gibraltar.
2.
Gelet op de bijzondere status van Gibraltar – dat uitgesloten is van het douanegebied van de Unie – wenst de verwijzende rechterlijke instantie meer in het bijzonder te vernemen of – ook al lijkt richtlijn 91/477 onder het Unierecht inzake het goederenverkeer te vallen en dus niet van toepassing te zijn op Gibraltar – sommige bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot de Europese vuurwapenpas (hierna ook: „pas”) die aan jagers en sportschutters wordt verleend zodat zij met hun wapens tussen verschillende lidstaten kunnen reizen, niettemin op Gibraltar van toepassing kunnen zijn.
3.
Zoals ik zal preciseren in de onderhavige conclusie, meen ik dat dit niet het geval is.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
Artikel 355 VWEU luidt:
„Naast de bepalingen van artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie over het territoriale toepassingsgebied van de Verdragen, gelden onderstaande bepalingen:
[…]
3. De bepalingen van de Verdragen zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.
[…]”
5.
Artikel 28 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de aanpassing der Verdragen ( 4 ) (hierna: „toetredingsakte van 1972”) bepaalt:
„De besluiten van de instellingen van de Gemeenschap die betrekking hebben op de producten van bijlage II van het EEG-Verdrag en op de producten die bij invoer in de Gemeenschap aan een bijzondere regeling zijn onderworpen als gevolg van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de besluiten inzake de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de omzetbelasting zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen anders besluit.”
6.
Krachtens artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 juncto bijlage I, deel I, punt 4, bij die akte is Gibraltar uitgesloten van het gemeenschappelijk douanegebied.
7.
De derde tot en met zevende overweging van richtlijn 91/477 luiden als volgt:
„Overwegende […] dat de Commissie in haar ‚Witboek – De voltooiing van de interne markt’ heeft gesteld dat afschaffing van de veiligheidscontroles bij vervoerde voorwerpen en bij personen onder andere een nader tot elkaar brengen van de wapenwetgevingen veronderstelt;
Overwegende dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap op het voorhanden hebben van wapens een doeltreffende regeling vereist, die binnen de lidstaten controle op verwerving en voorhanden hebben van vuurwapens en op overbrenging van die wapens naar een andere lidstaat mogelijk maakt […];
Overwegende dat er op het gebied van de bescherming van de veiligheid van personen door deze regeling, in de mate waarin deze wordt verankerd in gedeeltelijk geharmoniseerde wetgevingen, een groter wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten zal groeien; dat te dien einde categorieën vuurwapens dienen te worden vastgesteld waarvan verwerving en voorhanden hebben door particulieren hetzij verboden, hetzij vergunningsplichtig dan wel aangifteplichtig is;
Overwegende dat het gewenst is in beginsel te verbieden dat men zich met wapens van een lidstaat naar een andere begeeft en dat een uitzondering alleen dan aanvaardbaar is, indien een procedure wordt gevolgd die ertoe leidt dat de lidstaten op de hoogte zijn van het feit dat een vuurwapen op hun grondgebied wordt binnengebracht;
Overwegende dat echter ten aanzien van de jacht en sportwedstrijden soepeler regels moeten worden gesteld, opdat het vrij verkeer van personen niet onnodig wordt belemmerd.”
8.
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 91/477 luidt:
„In de zin van deze richtlijn wordt onder ,vuurwapen' verstaan een draagbaar, van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel wordt uitgestoten, en dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd, tenzij het is uitgesloten om een van de in punt III van bijlage I genoemde redenen. Vuurwapens worden onderverdeeld in punt II van bijlage I.
[…]”
9.
In artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/477 wordt bepaald:
„De Europese vuurwapenpas is een stuk dat door de autoriteiten van de lidstaten aan een persoon die wettig houder en gebruiker van een vuurwapen wordt, op diens verzoek wordt afgegeven. De vuurwapenpas is ten hoogste vijf jaar geldig. Deze geldigheidsduur kan worden verlengd. In de vuurwapenpas worden de in bijlage II voorgeschreven vermeldingen opgenomen. De Europese wapenpas is een niet-overdraagbaar document waarin het vuurwapen of de vuurwapens die de houder van de pas voorhanden heeft en gebruikt, is of zijn vermeld. De pas dient steeds in het bezit te zijn van de gebruiker van het vuurwapen. Wijzigingen in het voorhanden hebben of de kenmerken van het vuurwapen alsmede verlies of diefstal van het vuurwapen worden in de pas vermeld.”
10.
Artikel 3 van richtlijn 91/477 luidt als volgt:
„De lidstaten kunnen in hun wetgeving strengere voorschriften opnemen dan die welke in deze richtlijn zijn vervat, onder voorbehoud van de rechten die bij artikel 12, lid 2, aan de ingezetenen van de lidstaten worden toegekend.”
11.
In artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/477 wordt bepaald:
„3. Indien een lidstaat verwerving en voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorieën B, C of D op zijn grondgebied verbiedt of afhankelijk stelt van een vergunning, stelt hij de andere lidstaten hiervan in kennis. Deze maken daarvan krachtens artikel 12, lid 2, uitdrukkelijk melding wanneer zij voor een dergelijk wapen een […] pas afgeven.”
12.
Artikel 11, lid 1, van richtlijn 91/477 bepaalt:
„1. Onverminderd artikel 12 mogen vuurwapens slechts van een lidstaat naar een andere worden overgebracht, indien de in de volgende leden omschreven procedure wordt gevolgd. Deze bepalingen gelden ook voor overbrenging van een vuurwapen door middel van postorderverkoop.”
13.
Artikel 12, leden 1 en 2, van richtlijn 91/477 bepaalt:
„1. Behalve wanneer de procedure van artikel 11 wordt gevolgd, is het voorhanden hebben van een vuurwapen gedurende een reis door twee of meer lidstaten slechts toegestaan, indien de belanghebbende van genoemde lidstaten een vergunning heeft verkregen.
De lidstaten kunnen deze vergunning verlenen voor één of meer reizen en voor een periode van maximaal één jaar, die kan worden verlengd. Deze vergunning wordt vermeld op de […] pas die de reiziger op elk verzoek van de autoriteiten van de lidstaten moet overleggen.
2. In afwijking van lid 1 mogen jagers, voor wat betreft de categorieën C en D, en sportschutters, voor wat betreft de categorieën B, C en D, voor de uitoefening van hun activiteit zonder voorafgaande vergunning gedurende een reis door twee of meer lidstaten één of meer van deze vuurwapens voorhanden hebben, op voorwaarde dat zij in het bezit zijn van een […] pas waarin dit vuurwapen of deze vuurwapens zijn vermeld en op voorwaarde dat zij de reden van de reis kunnen aantonen, met name door een uitnodiging of door een ander bewijs voor hun jagers- of schietsportactiviteiten in de lidstaat van bestemming over te leggen.
Het is de lidstaten niet toegestaan de afgifte van de Europese vuurwapenpas afhankelijk te stellen van de betaling van een vergoeding of heffing.
Deze afwijking geldt echter niet voor reizen naar een lidstaat die verwerving en voorhanden hebben van het betrokken vuurwapen verbiedt of krachtens artikel 8, lid 3, aan een vergunning onderwerpt; in dit geval wordt daarvan op de […] pas uitdrukkelijk melding gemaakt.
[…]”
14.
Bijlage I bij richtlijn 91/477 bevat de definitie van vuurwapens, die erna als volgt zijn ingedeeld: Categorie A – Verboden vuurwapens, Categorie B – Vergunningsplichtige vuurwapens, Categorie C – Aangifteplichtige vuurwapens en Categorie D – Andere vuurwapens.
15.
Bijlage II preciseert de rubrieken die de vuurwapenpas moet omvatten. Deze bijlage vermeldt onder punt f):
„Het recht om zich met een vuurwapen of vuurwapens van categorie B, C of D, als vermeld op deze pas, naar een andere lidstaat te begeven, wordt afhankelijk gesteld van een overeenkomstige voorafgaande vergunning van de bezochte lidstaat. Deze vergunning of deze vergunningen kunnen worden vermeld op de pas.
Een dergelijke voorafgaande vergunning is in beginsel niet nodig voor reizen met een wapen van categorie C of D met het oog op de jacht of met een wapen van categorie B, C of D om deel te nemen aan een schietwedstrijd, mits de houder in bezit is van de wapenkaart en de reden van de reis kan aantonen.
Indien een lidstaat de andere lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 3, ervan in kennis heeft gesteld dat het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens van de categorieën B, C of D verboden is of van een vergunning afhankelijk is gesteld, wordt een van de volgende vermeldingen toegevoegd:
‚Het is verboden zich met vuurwapen... [identificatie] naar... [naam van de betrokken lidstaat of lidstaten] te begeven.’
‚Om zich met vuurwapen... [identificatie] naar... [naam van de betrokken lidstaat of lidstaten] te begeven, is een vergunning vereist.’”
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
16.
Verzoekers in het hoofdgeding zijn allen lid van de sportschuttersvereniging Gibraltar Target Shooting Association. Op 19 mei 2015 heeft Albert Buhagiar, de voorzitter van de bovengenoemde vereniging, een brief gericht aan verweerster, de minister van Justitie van Gibraltar (hierna: „minister van Justitie”), met het verzoek om aan elk van verzoekers in het hoofdgeding een vuurwapenpas te verstrekken.
17.
Op 2 juni 2015 heeft de minister van Justitie geantwoord dat, gelet op het standpunt van zowel de Europese Commissie als van de regering van het Verenigd Koninkrijk volgens hetwelk richtlijn 91/477 niet van toepassing is op Gibraltar, de regering van Gibraltar had beslist niet over te gaan tot de omzetting ervan. Bijgevolg kon de minister van Justitie verzoekers in het hoofdgeding niet de passen verstrekken waarom zij hadden verzocht. Als gevolg van deze weigering hebben zij zich tot de verwijzende rechter gewend.
18.
De verwijzende rechter herinnert eraan dat volgens artikel 355, lid 3, VWEU, het recht van de Unie volledig van toepassing is op Gibraltar, behoudens de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30 van de toetredingsakte van 1972. Artikel 29 van deze akte juncto bijlage I, deel I, punt 4, erbij preciseert dat Gibraltar is uitgesloten van het gemeenschappelijk douanegebied van de Unie.
19.
Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof de gevolgen van deze uitsluiting toegelicht in zijn arrest van 23 september 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑30/01, EU:C:2003:489, punt 59), waarin het heeft geoordeeld dat richtlijnen die de artikelen 114 en 115 VWEU als rechtsgrondslag hebben en die het vrij verkeer van goederen als hoofddoelstelling hebben, niet van toepassing zijn op het grondgebied van Gibraltar.
20.
Volgens de verwijzende rechter voeren verzoekers in het hoofdgeding echter nieuwe argumenten aan.
21.
In eerste instantie betogen zij dat, gelet op de doelstelling van de derogaties als bedoeld in de toetredingsakte van 1972 alsook in het licht van het beginsel dat uitzonderingen strikt moeten worden uitgelegd, Unierechtelijke handelingen inzake het vrij verkeer van goederen die het doel van de afwijkingen als bedoeld in de toetredingsakte van 1972 niet ondermijnen, van toepassing moeten zijn op Gibraltar. Volgens verzoekers in het hoofdgeding dient dit het geval te zijn voor de bepalingen van richtlijn 91/477 met betrekking tot de vuurwapenpas waar jagers en sportschutters aanspraak op kunnen maken. Deze pas wordt uitsluitend verleend voor reizen van en naar lidstaten om deel te nemen aan sportevenementen zonder dat sprake is van een handelstransactie met betrekking tot de betrokken goederen.
22.
In tweede instantie voeren verzoekers in het hoofdgeding aan dat de bepalingen met betrekking tot de vuurwapenpas binnen de werkingssfeer van het vrij verrichten van diensten vallen. Als zodanig zijn deze bepalingen van toepassing op Gibraltar en moeten zij dus worden omgezet op dat grondgebied. Zonder dergelijke omzetting ontstaat een discriminatie in de zin van artikel 56 VWEU ten aanzien van in Gibraltar woonachtige jagers en sportschutters, die extra kosten moeten maken en met bijkomende administratieve vertragingen worden geconfronteerd wanneer zij met hun vuurwapens in de Unie reizen om aan de jacht en aan schietsportevenementen en ‑wedstrijden deel te nemen. Deze vuurwapens zijn immers geen goederen in het kader van handelstransacties maar een sportuitrusting die nodig is voor hun activiteit.
23.
Ten slotte betwisten verzoekers in het hoofdgeding subsidiair de geldigheid van richtlijn 91/477. Zij stellen dat de bepalingen van richtlijn 91/477 met betrekking tot de vuurwapenpas het vrij verkeer van personen betreffen. Dit wordt bevestigd door de zevende overweging van die richtlijn. Bijgevolg heeft deze richtlijn een onjuiste rechtsgrondslag. De richtlijn is immers gebaseerd op artikel 100 A EEG-Verdrag (later artikel 95, lid 1, EG-Verdrag, thans artikel 114 VWEU), terwijl artikel 100 A, lid 2, EEG-Verdrag de mogelijkheid uitsluit om handelingen betreffende het vrij verkeer van personen vast te stellen.
24.
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Als de bepalingen van richtlijn 91/477 […] met betrekking tot de […] vuurwapenpas alleen betrekking hebben op het vrij verkeer van goederen, kunnen zij dan niettemin van toepassing zijn op Gibraltar op grond van het feit dat zij geen betrekking hebben op een commerciële of handelstransactie en derhalve buiten de werkingssfeer vallen van de op grond van de toetredingsakte van 1972 aan Gibraltar toegekende derogaties?
2)
Zijn de bepalingen van richtlijn [91/477] met betrekking tot de vuurwapenpas, wat jagers en sportschutters betreft, op Gibraltar van toepassing op grond van het feit dat zij betrekking hebben op het vrij verkeer van diensten?
3)
Zijn de bepalingen van richtlijn [91/477] met betrekking tot de vuurwapenpas, wat jagers en sportschutters betreft, ongeldig op grond van het feit dat zij betrekking hebben op het vrij verkeer van personen en daarom niet op de juiste rechtsgrondslag zijn vastgesteld?”
25.
Verzoekers in het hoofdgeding, de minister van Justitie, de regering van het Verenigd Koninkrijk, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen over deze vragen ingediend. Deze belanghebbenden zijn tevens ter terechtzitting van 16 mei 2017 gehoord in hun pleidooien.
IV. Bevoegdheid van het Hof
26.
Het is de eerste maal dat het Hof prejudiciële vragen worden voorgelegd door de Supreme Court of Gibraltar. Ondanks de bijzondere status van Gibraltar in het Unierecht hebben noch de verwijzende rechter noch de belanghebbenden de hoedanigheid van rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU van de Supreme Court of Gibraltar betwist.
27.
Ik deel eveneens dit standpunt.
28.
Ten eerste staat het vast dat de Verdragsbepalingen van toepassing zijn op Gibraltar krachtens artikel 355, lid 3, VWEU, voor zover het Verenigd Koninkrijk de buitenlandse betrekkingen van dit Europees grondgebied behartigt.
29.
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 1, lid 3, van de toetredingsakte van 1972, de bepalingen met betrekking tot de algemene en bijzondere bevoegdheden van de instellingen van de Gemeenschappen van toepassing zijn ten aanzien van dit Verdrag. Derhalve strekt de door artikel 267 VWEU aan het Hof verleende bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen, zich uit tot de toetredingsakte van 1972. ( 5 )
30.
Vervolgens moet worden benadrukt dat het Hof de hoedanigheid van rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU heeft toegekend aan rechterlijke organen van andere Europese grondgebieden die onder de verschillende leden van artikel 355 VWEU vallen. Zo heeft het Hof voor de Kanaaleilanden en voor het eiland Man – waarvoor artikel 355, lid 5, onder c), VWEU preciseert dat de Verdragsbepalingen hierop slechts van toepassing zijn voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden in de toetredingsakte van 1972 is vastgesteld – erkend dat de op deze grondgebieden gevestigde rechterlijke instanties bevoegd zijn om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing teneinde de uniforme toepassing te verzekeren van het Europees recht zoals het op deze gebieden van toepassing is. ( 6 ) Deze benadering is impliciet bevestigd in het kader van een prejudiciële verwijzing van een rechterlijke instantie van de Ålandseilanden, waarvan bekend is dat de toepassing van het Unierecht op dit grondgebied van de Republiek Finland wordt geregeld door artikel 355, lid 4, VWEU. ( 7 )
31.
In de onderhavige zaak wenst de verwijzende rechter te vernemen in welke mate richtlijn 91/477 van toepassing zou kunnen zijn op het grondgebied van Gibraltar, gelet op de status ervan.
32.
Het behoeft geen betoog dat deze kwestie betrekking heeft op de uniforme toepassing van het Unierecht in de zin van de in punt 30 van onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak. Ik ben derhalve van mening dat de Supreme Court of Gibraltar moet worden beschouwd als een rechterlijke instantie die bevoegd is het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
V. Beantwoording van de prejudiciële vragen
33.
Artikel 355, lid 3, VWEU breidt de toepasselijkheid van de bepalingen van het Unierecht uit tot het grondgebied van Gibraltar, met uitzondering van de uitsluitingen waarin de toetredingsakte van 1972 uitdrukkelijk voorziet.
34.
Deze uitsluitingen hebben betrekking op de bepalingen van het Unierecht betreffende het vrij verkeer van goederen ( 8 ) maar niet op die betreffende het vrij verrichten van diensten ( 9 ) noch op het vrij verkeer van personen.
35.
Zoals blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen, twijfelt de verwijzende rechter er niet aan dat richtlijn 91/477 – althans overwegend – onder het vrij verkeer van goederen valt, wat a priori overeenkomstig artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 tot de niet-toepasselijkheid ervan op het grondgebied van Gibraltar zou moeten leiden.
36.
Ik deel volledig het uitgangspunt van de redenering van de verwijzende rechter volgens hetwelk richtlijn 91/477 tot de bepalingen van het Unierecht betreffende het vrij verkeer van goederen behoort.
37.
Deze uitlegging vloeit reeds voort uit de bevindingen van het Hof in het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143). Het Hof heeft immers uit de door richtlijn 91/477 nagestreefde doelstellingen, de systematiek en de algemene opzet ervan afgeleid dat bij deze richtlijn een doeltreffende regeling is ingevoerd die de harmonisatie van bepaalde bestuurlijke voorwaarden voor het verwerven van vuurwapens, het voorhanden hebben ervan en het grensoverschrijdende verkeer ervan waarborgt. ( 10 ) Het gaat dus wel degelijk om een handeling die betrekking heeft op de controle en het verkeer van vuurwapens, voor zover die wapens onder de categorie van goederen vallen.
38.
Deze vaststelling geeft evenwel geen antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen.
39.
De verwijzende rechter wenst in wezen immers te vernemen in welke mate artikel 12, lid 2, van deze richtlijn – dat de procedure regelt voor het voorhanden hebben van vuurwapens bij reizen tussen twee of meerdere lidstaten door jagers of sportschutters die in het bezit zijn van de vuurwapenpas – niettemin kan worden losgekoppeld van het algemene karakter van richtlijn 91/477 als instrument dat verbonden is met het vrij verkeer van goederen, en bijgevolg van toepassing kan zijn op het grondgebied van Gibraltar. In dit verband heeft de verwijzende rechter drie onderscheiden hypotheses op het oog.
40.
De eerste hypothese bestaat erin te weten of artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 buiten de uitsluiting als bedoeld in artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 zou kunnen vallen op grond dat laatstgenoemd artikel strikt moet worden uitgelegd en dat enkel maatregelen die commerciële of handelstransacties omvatten niet op Gibraltar van toepassing zijn. Deze hypothese berust op het postulaat dat de in artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 geregelde procedure geen dergelijke commerciële of handelstransacties omvat.
41.
De tweede en de derde hypothese ‐ die respectievelijk met de tweede en de derde prejudiciële vragen overeenkomen ‐ betreffen ondergeschikte alternatieven. Enerzijds wenst de verwijzende rechter te weten of artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 onder het vrij verrichten van diensten kan vallen, en dus kan gelden op het grondgebied van Gibraltar. Anderzijds – ook al is deze vraag geformuleerd vanuit het oogpunt van de geldigheid van richtlijn 91/477 – wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 onder het vrij verkeer van personen valt en wat de gevolgen hiervan zijn.
42.
Geen van deze hypotheses kan mij overtuigen.
43.
Teneinde de drie door de verwijzende rechter gestelde vragen te kunnen beantwoorden, meen ik dat eerst de aard van de bepalingen van richtlijn 91/477 met betrekking tot de vuurwapenpas moet worden onderzocht, en in het bijzonder artikel 12, lid 2, ervan. Na dit onderzoek kunnen de tweede en de derde prejudiciële vraag worden beantwoord, en wel in die zin dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 een dubbele doelstelling nastreeft, waarvan de belangrijkste het vrij verkeer van goederen betreft. Vervolgens zal de eerste prejudiciële vraag moeten worden beantwoord, namelijk of bij een strikte uitlegging van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 het vrij verkeer van goederen een beperkte strekking heeft in de betrekkingen met Gibraltar. Ik merk al meteen op dat deze hypothese volgens mij moet worden uitgesloten. Tot slot, mocht het Hof mijn analyse niet delen en van oordeel zijn dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 een dubbele doelstelling nastreeft (vrij verkeer van goederen en vrij verkeer van personen) zonder dat de ene voorrang heeft boven de andere, zal ik subsidiair enkele opmerkingen maken over de gevolgen van een dergelijke aanpak in de onderhavige zaak.
A. Aard van artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 en vrij verkeer van diensten of personen
44.
Verzoekers in het hoofdgeding voeren in wezen aan dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 een doelstelling nastreeft die los staat van het vrij verkeer van goederen. Ten eerste heeft dit artikel uitsluitend tot doel jagers en sportschutters in staat te stellen te reizen – met hun vuurwapen – zodat zij diensten in de Unie kunnen aanbieden en ontvangen. Ten tweede beoogt artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 – subsidiair – het verkeer van jagers en sportschutters door de Unie met hun vuurwapens te vergemakkelijken. Ter ondersteuning van hun betoog verwijzen verzoekers in het hoofdgeding naar het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143).
45.
Ik herinner eraan dat artikel 12 van richtlijn 91/477 voorziet in een procedure betreffende het verkeer van vuurwapens die in het bezit zijn van een persoon tijdens een reis tussen twee of meer lidstaten.
46.
Volgens artikel 12, lid 1, van richtlijn 91/477 dient de belanghebbende een voorafgaande vergunning van deze lidstaten te hebben verkregen. Deze vergunning wordt vermeld op de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn gedefinieerde pas.
47.
In afwijking van deze procedure verleent artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 jagers en sportschutters het recht om zonder voorafgaande vergunning binnen de Unie te reizen met de in dit artikel opgesomde categorieën vuurwapens, op voorwaarde dat zij in het bezit zijn van de vereiste pas met vermelding van het betrokken vuurwapen of de betrokken vuurwapens en dat zij de reden van hun reis kunnen aantonen.
48.
Naar aanleiding van een vraag over de draagwijdte van de bepalingen van richtlijn 91/477 met betrekking tot de vuurwapenpas voor wat jagers en sportschutters betreft, heeft het Hof in het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143), erkend dat deze bepalingen weliswaar een doelstelling nastreven die erop is gericht de grensoverschrijdende verplaatsing van jagers en sportschutters die in het bezit zijn van hun wapens te vergemakkelijken, zonder dat deze doelstelling prevaleert boven de voornaamste doelstelling van deze richtlijn inzake de verwerving, het voorhanden hebben en het verkeer van wapens.
49.
Het is immers weliswaar juist dat in de punten 53 en 57 van het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143), respectievelijk wordt benadrukt dat richtlijn 91/477 uitdrukkelijk een recht toekent aan jagers en sportschutters en dat „de invoering van de […] pas tot doel had het vrij verkeer mogelijk te maken van jagers en sportschutters die hun wapens van een lidstaat naar een andere meenemen, voor zover dit strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dit doel”, maar in punt 52 wordt verklaard dat „artikel 1, lid 4, van […] richtlijn [91/477], gelezen in samenhang met artikel 12, lid 2, ervan, in hoofdzaak beoogt het verkeer van voor de jacht of sportactiviteiten bestemde wapens te vergemakkelijken” ( 11 ).
50.
Deze redenering wordt ondersteund door de zevende overweging en door de opzet van richtlijn 91/477. Ten eerste preciseert de zevende overweging immers dat de soepelere regels voor de jacht en sportwedstrijden het vrij verkeer van personen niet onnodig moeten belemmeren. Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 onder hoofdstuk 3 van deze richtlijn valt, met als opschrift „Formaliteiten voor het verkeer van wapens in de Gemeenschap” ( 12 ). Bovendien kan de verplaatsing van jagers en sportschutters, zelfs indien zij in het bezit van een vuurwapenpas zijn, op grond van artikel 8, lid 3, van richtlijn 91/477 worden beperkt indien een lidstaat de verwerving en het voorhanden zijn van een onder de categorieën van dat artikel vallend vuurwapen op zijn grondgebied verbiedt. Een dergelijk verbod heeft geen betrekking op een personeel criterium dat verband houdt met de individuele eigenschappen van de betrokken personen maar op een materieel criterium, namelijk de categorie wapens in kwestie.
51.
De benadering van het Hof in het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143), weerspreekt dus een van de argumenten van verzoekers in het hoofdgeding, namelijk dat de zwaartepunttest voor een handeling van afgeleid Unierecht beperkt is tot geschillen inzake samenloop van rechtsgrondslagen.
52.
Het klopt dat deze test regelmatig wordt gebruikt voor het vaststellen van de geschikte rechtsgrondslag van een handeling van afgeleid Unierecht. Ik herinner eraan dat volgens deze test de keuze van de rechtsgrondslag van een Uniehandeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waaronder het doel en de inhoud van deze handeling. Indien na onderzoek van een maatregel blijkt dat deze handeling een tweeledig doel heeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden beschouwd als hoofddoel of overwegende component terwijl het andere doel of de andere component slechts ondergeschikt is, moet die handeling op één rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op het hoofddoel of de overwegende component. Wanneer sprake is van een maatregel die tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, heeft het Hof geoordeeld dat wanneer aldus verschillende bepalingen van de verdragen toepasselijk zijn, die maatregel bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen moet worden gebaseerd. ( 13 )
53.
Uit de rechtspraak blijkt echter dat een dergelijke test in wezen ook door het Hof wordt gebruikt wanneer bijvoorbeeld moet worden vastgesteld ten aanzien van welk door het Unierecht gewaarborgde vrijheid of vrijheden van verkeer een nationale regelgeving moet worden onderzocht die verband houdt met verscheidene van deze vrijheden ( 14 ) of wanneer een ingewikkelde operatie op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde als een „levering van goederen” dan wel als een „verrichting van diensten” moet worden gekwalificeerd ( 15 ). Het gaat dus om een algemene test. Voor zover deze test verband houdt met een handeling van afgeleid Unierecht, kan aan de hand daarvan het doel of de doelen van deze handeling worden geïdentificeerd, in het bijzonder om de bepalingen ervan uit te leggen en eventueel om de passende rechtsgrondslag of rechtsgrondslagen ervan vast te stellen.
54.
Lang vóór het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143), is deze test trouwens toegepast in het arrest van 23 september 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑30/01, EU:C:2003:489), met betrekking tot de vermeende niet-omzetting op het grondgebied van Gibraltar van een aantal richtlijnen, waarbij de rechtsgrondslag van deze handelingen niet ter discussie stond, wat aantoont dat de zwaartepunttest niet beperkt is tot het zoeken van de passende rechtsgrondslag voor een handeling van afgeleid Unierecht.
55.
Bovendien heeft het Hof in het arrest van 23 september 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑30/01, EU:C:2003:489), geoordeeld dat de voornaamste doelstelling van deze richtlijnen erin bestond de belemmeringen van het goederenverkeer tussen de lidstaten weg te werken en die richtlijnen bijgevolg onder de uitsluiting van de toepassing van het vrij verkeer van goederen op het grondgebied van Gibraltar vielen overeenkomstig artikel 29 van de toetredingsakte van 1972. Ondanks het feit dat de betrokken richtlijnen tevens milieubeschermingsdoelstellingen nastreven, is geoordeeld dat deze doelstellingen louter bijkomstig zijn (wat niet voldoende was opdat die richtlijnen van toepassing zijn op het grondgebied van Gibraltar). Het Hof heeft dus de door de Commissie aan het Verenigd Koninkrijk verweten tekortkoming van de hand gewezen.
56.
Een analoge redenering kan rechtsgeldig worden ontwikkeld in de onderhavige zaak, zoals terecht is gesuggereerd door zowel de regering van het Verenigd Koninkrijk als door de drie instellingen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend. Wat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 betreft, en overeenkomstig mijn analyse in de punten 48 tot en met 50 van onderhavige conclusie, blijft het doel betreffende het vrij verkeer van personen ondergeschikt aan het voornaamste of overwegende doel van dit artikel, dat verband houdt met het verkeer van vuurwapens.
57.
Op basis van die vaststelling kunnen ook reeds de tweede en de derde prejudiciële vraag worden beantwoord.
58.
Ten eerste stel ik aangaande het vrij verrichten van diensten vast, in tegenstelling tot wat verzoekers in het hoofdgeding beweren, dat geen enkele bepaling van richtlijn 91/477 erop is gericht het aanbod of het gebruik van diensten van schietvoorzieningen of jachtdomeinen te regelen of te ondersteunen, wat impliciet naar voren komt uit het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143). Hoewel het verrichten van dergelijke diensten natuurlijk kan worden vergemakkelijkt door de aan jagers en sportschutters geboden mogelijkheid om zich met hun vuurwapens te verplaatsen, betreft dit slechts een neveneffect van artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477.
59.
De vuurwapenpas is overigens een reisdocument en géén vergunning om te schieten of te jagen. ( 16 ) Deze pas vervangt dus geenszins de door schietsportvoorzieningen of door eigenaren van jachtdomeinen verleende toestemming om deze activiteiten te beoefenen. Bijgevolg kan geen sprake zijn van analogie tussen de afgifte van een vuurwapenpas en de verlening door een natuurlijke of rechtspersoon van het recht om te vissen in bepaalde wateren, welke feiten aan de oorsprong lagen van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 oktober 1999, Jägerskiöld (C‑97/98, EU:C:1999:515, punt 36), waarop verzoekers in het hoofdgeding zich volgens mij ten onrechte beroepen.
60.
Mijns inziens moet op de tweede vraag van de verwijzende rechter dan ook worden geantwoord dat richtlijn 91/477 geen betrekking heeft op het vrij verrichten van diensten.
61.
Wat de derde prejudiciële vraag betreft, lijkt de voorgaande analyse erop te wijzen dat, aangezien de voornaamste doelstelling van richtlijn 91/477 – daaronder begrepen artikel 12, lid 2, ervan – binnen de werkingssfeer van het vrij verkeer van goederen valt, overeenkomstig de in punt 52 van de onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak voor deze handeling artikel 100 A, lid 1, EEG-Verdrag (thans artikel 114, lid 1, VWEU) als rechtsgrondslag kon worden gehanteerd daar richtlijn 91/477 een maatregel is ter harmonisatie van de bestuurlijke bepalingen van de lidstaten die verband houden met de verwerving, het voorhanden hebben en het grensoverschrijdend verkeer van vuurwapens, welke maatregel de instelling en de werking van de interne markt tot doel heeft.
62.
Aangezien de voornaamste doelstelling van richtlijn 91/477 – daaronder begrepen artikel 12, lid 2, ervan – het verkeer van vuurwapens is, moet derhalve worden onderzocht of de werkingssfeer van het vrij verkeer van goederen wordt aangetast door de noodzaak artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 strikt uit te leggen, zoals verzoekers in het hoofdgeding betogen.
B. Strikte uitlegging van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 en belang ervan voor de draagwijdte van het vrij verkeer van goederen in de betrekkingen met Gibraltar
63.
Verzoekers in het hoofdgeding stellen dat artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 strikt moet worden uitgelegd.
64.
Dit betoog strookt met de door het Hof gegeven uitlegging van dit artikel in het arrest van 21 juli 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑349/03, EU:C:2005:488). Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat Gibraltar volgens artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 weliswaar is uitgesloten van het gemeenschappelijk douanegebied, maar dat deze uitzondering restrictief moet worden uitgelegd. ( 17 ) Het Hof heeft in dat arrest dan ook geoordeeld dat een handeling van afgeleid recht betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde overheden op het gebied van de accijnsrechten van toepassing was op het grondgebied van Gibraltar, ook al zijn de bepalingen van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop ( 18 ), die verband houden met de harmonisering van materiële wetgevingen op het gebied van de accijnsrechten, mogelijkerwijs niet van toepassing op Gibraltar ( 19 ).
65.
Ik ga ermee akkoord om een uitzondering op de toepassing van het Unierecht op het grondgebied van Gibraltar strikt uit te leggen. Maar de omvang van het gemeenschappelijk douanegebied kan door een dergelijke strikte uitlegging niet worden gewijzigd.
66.
Met andere woorden, zoals het Hof heeft aangegeven, impliceert dit hoe dan ook dat de uitzondering van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972, te weten „de uitsluiting van Gibraltar van het douanegebied van de Gemeenschap, met zich brengt dat daarop noch de regels van het Verdrag met betrekking tot het vrij verkeer van goederen van toepassing zijn noch die van afgeleid gemeenschapsrecht welke, met het oog op het vrij verkeer van goederen, de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten beogen te verzekeren overeenkomstig de artikelen [114 en 115 VWEU]” ( 20 ).
67.
Deze vaststelling strookt dus met het arrest van 21 juli 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑349/03, EU:C:2005:488, punten 52 en 53), aangezien het Hof in deze zaak enkel uitspraak heeft gedaan over de vraag of een handeling van afgeleid recht die er niet op was gericht de materiële wetgevingen van de lidstaten op het gebied van de accijnzen te harmoniseren, van toepassing was op het grondgebied van Gibraltar.
68.
In de onderhavige zaak lijdt het daarentegen geen twijfel dat richtlijn 91/477 tot doel heeft bepaalde bestuurlijke voorwaarden betreffende de verwerving, het voorhanden hebben en het grensoverschrijdend verkeer van vuurwapens te harmoniseren overeenkomstig artikel 100 A, lid 1, EEG-Verdrag (thans artikel 114, lid 1, VWEU), zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143, punt 47).
69.
Anders dan verzoekers in het hoofdgeding betogen, betekent de strikte uitlegging van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 niet dat het vrij verkeer van goederen enger moet worden uitgelegd in de betrekkingen met Gibraltar dan hetgeen voortvloeit uit het VWEU.
70.
Meer in het bijzonder zie ik niet hoe een dergelijke vrijheid kan worden beperkt tot commerciële of handelstransactie zodat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 van toepassing zou kunnen zijn op Gibraltar.
71.
Immers, zelfs indien de stelling van verzoekers in het hoofdgeding wordt aanvaard, namelijk dat de reis van een jager of sportschutter met zijn vuurwapen geen commerciële of handelstransacties omvat, dan nog blijft deze situatie onder de werkingssfeer van het vrij verkeer van goederen vallen. Zo heeft het Hof in het arrest van 3 december 2015, Pfotenhilfe-Ungarn (C‑301/14, EU:C:2015:793, punten 46 en 47), eraan herinnerd dat de douane-unie zich uitstrekt tot het gehele goederenverkeer en dat de VWEU-bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen van toepassing zijn, ongeacht of sprake is van voor verkoop of wederverkoop bestemd grensoverschrijdend verkeer en of de goederen bestemd zijn voor persoonlijk gebruik of verbruik.
72.
Om die reden vallen vuurwapens als bedoeld in richtlijn 91/477 alle onder het vrij verkeer van goederen, ongeacht de vraag of hun overbrenging binnen de Unie plaatsvindt, bijvoorbeeld in het kader van een postorderverkoop of van een reis van een jager of sportschutter.
73.
De toepassing van verschillende juridische regelingen in het Unierecht, naargelang de goederen bestemd zijn voor verkoop of persoonlijk gebruik, zou tot onoverkomelijke praktische moeilijkheden leiden. Eenzelfde goed zou immers al dan niet binnen de werkingssfeer van het vrij verkeer van goederen vallen naargelang het gebruik ervan, soms commercieel, soms persoonlijk, met andere woorden op grond van een subjectief criterium, dat per geval zou moeten worden vastgesteld.
74.
Gelet op het voorgaande impliceert de strikte uitlegging van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 niet dat het vrij verkeer van goederen wordt beperkt tot goederen die bestemd zijn voor commerciële of handelstransacties. Bijgevolg vallen alle bepalingen van richtlijn 91/477 binnen de werkingssfeer van deze vrijheid en zijn zij op grond van artikel 29 van de toetredingsakte van 1972 niet van toepassing op het grondgebied van Gibraltar.
C. Subsidiaire overwegingen met betrekking tot het antwoord op de derde prejudiciële vraag
75.
Mocht het Hof de voorgaande analyse niet delen en van oordeel zijn dat artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 onlosmakelijk een doelstelling van vrij verkeer van goederen en van personen nastreeft, zonder dat de eerste doelstelling voorrang heeft boven de laatste, zou dit vanzelfsprekend tot gevolg hebben dat deze richtlijn ongeldig is. Richtlijn 91/477 zou dan immers gebaseerd zijn op een ontoereikende rechtsgrondslag, aangezien artikel 100 A, lid 2, EEG-Verdrag bepaalt dat lid 1 van dit artikel niet van toepassing is op de bepalingen inzake het vrij verkeer van personen.
76.
In dat geval dient niet te worden onderzocht of de bepalingen van richtlijn 91/477 met betrekking tot de vuurwapenpas al dan niet kunnen worden losgekoppeld of gescheiden van de andere bepalingen ervan. Immers, ook al hebben de partijen in het hoofdgeding deze thematiek enigszins uitgewerkt in hun opmerkingen, het betreft een argument van praktische en subsidiaire aard dat betrekking heeft op de uitvoering van het te wijzen arrest. Het is namelijk of het één of het ander: ofwel streeft richtlijn 91/477 een hoofddoelstelling na (verkeer van goederen) en een ondergeschikte doelstelling (verkeer van personen), in welk geval zij op de juiste rechtsgrondslag is gebaseerd en dus niet op Gibraltar van toepassing is, ofwel streeft richtlijn 91/477 twee gelijkwaardige doelstellingen na, in welk geval de rechtsgrondslag ontoereikend is, richtlijn 91/477 bijgevolg ongeldig is en het aan de bevoegde overheden van Gibraltar staat om de gevolgen te trekken uit het te wijzen arrest door uitsluitend de bepalingen van deze richtlijn om te zetten die nodig zijn voor de invoering van de pas. ( 21 )
77.
Totdat deze omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld, zou evenwel de vraag rijzen ‐ die niet zelf door de verwijzende rechter is gesteld ‐ of de jagers en sportschutters van Gibraltar, in het bijzonder verzoekers in het hoofdgeding, zich rechtstreeks op artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 kunnen beroepen en eisen dat hun de aan de minister van Justitie gevraagde vuurwapenpas wordt verstrekt.
78.
In dit verband breng ik in herinnering dat particulieren zich volgens vaste rechtspraak in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, voor de nationale rechter op die bepalingen kunnen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij heeft verzuimd de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan. ( 22 )
79.
Zoals ik reeds heb gepreciseerd, verleent artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 jagers en sportschutters het recht om zonder voorafgaande vergunning met de in dat artikel opgesomde vuurwapens binnen de Unie te reizen op voorwaarde dat zij beschikken over de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn vermelde pas, met vermelding van het vuurwapen of de vuurwapens in kwestie, en zij de reden van hun reis kunnen aantonen.
80.
In het arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143, punten 52‑54), heeft het Hof uit artikel 1, lid 4, en artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477 afgeleid dat de lidstaten verplicht zijn om jagers en sportschutters een vuurwapenpas te verstrekken aangezien deze categorieën personen zonder toekenning van dergelijke pas niet het recht zouden kunnen uitoefenen dat hun uitdrukkelijk door deze richtlijn is verleend, waarbij artikel 3 van deze richtlijn preciseert dat de lidstaten geen afbreuk aan dit recht mogen doen door strengere nationale voorschriften vast te stellen.
81.
Bijgevolg lijkt artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477, gelet op de inhoud ervan, voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk te zijn in de zin van de in punt 78 van onderhavige conclusie aangehaalde rechtspraak om verzoekers in het hoofdgeding toe te staan zich rechtstreeks erop te beroepen ten overstaan van de minister van Justitie. ( 23 )
82.
Zoals ik reeds heb aangegeven, zouden deze overwegingen slechts relevant zijn als richtlijn 91/477 van toepassing was op Gibraltar, wat volgens mij om de hierboven uiteengezette redenen niet het geval is.
VI. Conclusie
83.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Supreme Court of Gibraltar te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 12, lid 2, van richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van vuurwapens, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2008, betreft hoofdzakelijk het verkeer van goederen, zonder dat een onderscheid hoeft te worden gemaakt naargelang de vuurwapens al dan niet voor commerciële of handelstransacties zijn bestemd, zodat geen enkele van de bepalingen van deze richtlijn van toepassing is op het grondgebied van Gibraltar.
2)
Geen enkele bepaling van richtlijn 91/477 betreft het vrij verrichten van diensten.
3)
Aangezien richtlijn 91/477 bepaalde bestuurlijke voorwaarden inzake de verwerving, het voorhanden hebben en het grensoverschrijdend verkeer van vuurwapens harmoniseert, heeft deze richtlijn terecht artikel 100 A, lid 1, EEG-Verdrag (later artikel 95, lid 1, EG, thans artikel 114 VWEU) als rechtsgrondslag.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 1991, L 256, blz. 51.
( 3 ) PB 2008, L 179, blz. 5.
( 4 ) PB 1972, L 73, blz. 14.
( 5 ) Zie naar analogie arrest van 3 juli 1991, Barr en Montrose Holdings (C‑355/89, EU:C:1991:287, punt 8).
( 6 ) Arresten van 3 juli 1991, Barr en Montrose Holdings (C‑355/89, EU:C:1991:287, punten 9 en 10), van 16 juli 1998, Pereira Roque (C‑171/96, EU:C:1998:368), en van 8 november 2005, Jersey Produce Marketing Organisation (C‑293/02, EU:C:2005:664). Zie ook conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Pereira Roque (C‑171/96, EU:C:1997:425, punt 24).
( 7 ) Arrest van 13 november 2003, Lindman (C‑42/02, EU:C:2003:613).
( 8 ) Zie arrest van 23 september 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑30/01, EU:C:2003:489, punt 59).
( 9 ) Arrest van 13 juni 2017, The Gibraltar Betting and Gaming Association (C‑591/15, EU:C:2017:449, punten 30 en 39).
( 10 ) Arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143, punten 43 en 47).
( 11 ) Cursivering van mij.
( 12 ) Cursivering van mij.
( 13 ) Zie met name arrest van 19 juli 2012, Parlement/Raad (C‑130/10, EU:C:2012:472, punten 42‑45).
( 14 ) Zie bijvoorbeeld, met betrekking tot de verhoudingen tussen het vrij verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten, arresten van 2 december 2010, Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725, punt 43), en 16 december 2010, Josemans (C‑137/09, EU:C:2010:774, punt 50). Zie eveneens in dezelfde zin, met betrekking tot de verhoudingen tussen de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, met name arrest van 26 mei 2016, NN (L) Internationaal (C‑48/15, EU:C:2016:356, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 15 ) Zie met name arrest van 29 maart 2007, Aktiebolaget NN (C‑111/05, EU:C:2007:195, punten 27 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 16 ) Zie in die zin arrest van 4 september 2014, Zeman (C‑543/12, EU:C:2014:2143, punt 51).
( 17 ) Arrest van 21 juli 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑349/03, EU:C:2005:488, punt 51).
( 18 ) PB 1992, L 76, blz. 1.
( 19 ) Arrest van 21 juli 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑349/03, EU:C:2005:488, punten 52 en 53).
( 20 ) Arrest van 23 september 2003, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑30/01, EU:C:2003:489, punt 59).
( 21 ) Pro memorie, en voor zover als nodig: terwijl de minister van Justitie van mening is dat het onmogelijk is om de bepalingen van richtlijn 91/477 te splitsen zonder afbreuk te doen aan de coherentie van deze handeling in haar geheel en dat een gedeeltelijke omzetting van deze handeling bijgevolg niet mogelijk is, menen verzoekers in het hoofdgeding dat artikel 1, leden 1 en 4, en de artikelen 2, 4 bis, 5 en 12 van richtlijn 91/477 en de bijlagen I en II erbij op autonome wijze kunnen worden omgezet om de vuurwapenpas operationeel te maken.
( 22 ) Zie onder meer arrest van 15 februari 2017, British Film Institute (C‑592/15, EU:C:2017:117, punt 13en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 23 ) De verplichte gegevens die op de pas moeten worden vermeld zijn overigens opgesomd in bijlage II, en er is een model voor een uniforme pas opgenomen in de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie van 25 februari 1993 betreffende de Europese vuurwapenpas (PB 1993, L 93, blz. 39).