CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BOBEK
van 8 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑268/16 P
Binca Seafoods GmbH
tegen
European Commissie
„Hogere voorziening – Verordening (EG) nr. 834/2007 – Productie en etikettering van biologische producten – Verordening (EG) nr. 889/2008 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 – Procesbelang – Begrip eigen belang”
I. Inleiding
1.
Binca Seafoods GmbH (hierna: „Binca”) is importeur van pangasius – een meervalachtige – uit Vietnam. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 (hierna: „litigieuze verordening”) ( 2 ) is de laatste in een rij van verordeningen tot wijziging van de bepalingen omtrent de productie en de etikettering van „biologische” vis.
2.
De litigieuze verordening bevat specifieke uitzonderingsgevallen waarin het is toegestaan bepaalde vis „biologisch” te noemen, zelfs wanneer aspecten van de productie niet-biologisch zijn (bijvoorbeeld het gebruik van in het wild gevangen juvenielen om bestanden aan te vullen). De litigieuze verordening werd vastgesteld kort voor het verlopen van een algemene overgangsperiode, die had gezorgd voor een ruime uitzondering: producten die volgens een bewezen productiewijze – waaronder die van Binca – werden geproduceerd, konden als „biologisch” worden omschreven, terwijl die productiewijze anders niet zou voldoen aan de vereisten voor „biologisch” produceren.
3.
Binca heeft bij het Gerecht nietigverklaring van de litigieuze verordening gevorderd. De aanzet van Binca’s zaak voor het Gerecht was dat de specifieke uitzonderingen in de litigieuze verordening discriminatoir waren. Zij konden namelijk wel worden gebruikt voor de productie van bepaalde soorten, maar niet voor de productie van pangasius. Doordat zij geen gebruik kon maken van die specifieke uitzonderingen, of van de ruimere uitzondering onder de spoedig verlopende algemene overgangsperiode, kon Binca haar producten niet langer etiketteren als „biologisch”.
4.
Bij beschikking van 11 maart 2016, Binca Seafoods/Commissie (T‑94/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:164; hierna: „bestreden beschikking”) verklaarde het Gerecht Binca’s verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk bij gebreke van een procesbelang. In de bestreden beschikking verklaarde het Gerecht dat Binca met haar beroep een verlenging beoogde van de algemene overgangsperiode. Het Gerecht oordeelde dat het verzoek tot nietigverklaring, aangezien het niet zou kunnen leiden tot een verlenging van de overgangsperiode, Binca niet het door haar gewenste voordeel kon geven. Binca had derhalve geen procesbelang.
5.
In haar hogere voorziening verzoekt Binca zowel de bestreden beschikking te vernietigen als de litigieuze verordening nietig te verklaren. Wat de litigieuze verordening betreft, is Binca’s belangrijkste argument in wezen dat het Gerecht zijn oordeel dat zij geen procesbelang heeft ontoereikend en/of onsamenhangend heeft gemotiveerd. De betekenis van het begrip „procesbelang” staat in deze hogere voorziening dus centraal.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening nr. 834/2007
6.
Verordening (EG) nr. 834/2007 ( 3 ) is de basisverordening inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (hierna: „basisverordening”).
7.
Artikel 2 van de basisverordening bevat onder meer de volgende definities:
„In deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:
a)
‚biologische productie’: het gebruik van productiemethoden die in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgestelde voorschriften, in alle stadia van de productie, bereiding en distributie;
[…]
d)
‚marktdeelnemer’: een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van deze verordening in het biologisch bedrijf dat hij beheert;
[…]”
8.
Artikel 15 van de basisverordening heeft als opschrift „Productievoorschriften voor aquacultuurdieren” en bepaalt het volgende:
„1. Naast de algemene landbouwproductievoorschriften van artikel 11 gelden voor de productie van aquacultuurdieren de volgende voorschriften:
a)
ten aanzien van de oorsprong van aquacultuurdieren:
i)
biologische aquacultuur is gebaseerd op de kweek van jonge bestanden die afkomstig zijn van biologisch reproductiemateriaal en biologische bedrijven;
ii)
indien geen jonge bestanden van biologisch reproductiemateriaal of biologische bedrijven beschikbaar zijn, mogen onder specifieke voorwaarden niet-biologisch gekweekte dieren in een bedrijf worden gebracht;
[…]
c)
ten aanzien van het kweken:
[…]
iii)
er worden soortspecifieke voorwaarden voor het reproductiemateriaalbeheer, het kweken en de productie van juvenielen vastgesteld;
[…]
2. De maatregelen en voorwaarden die nodig zijn voor de uitvoering van de in dit artikel neergelegde productievoorschriften, worden vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure.”
9.
In titel IV (de artikelen 23‑26) zijn verscheidene vereisten met betrekking tot etikettering vastgesteld, waaronder beperkingen aan het gebruik van de term „biologisch”, verplichte aanduidingen en het gebruik van logo’s.
10.
In titel VI (de artikelen 32 en 33) inzake de handel met derde landen zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder producten als biologische producten in de EU mogen worden ingevoerd. Daarbij wordt hoofdzakelijk vereist dat is voldaan aan de materiële voorwaarden van de basisverordening, of dat de gelijkwaardigheid wordt gegarandeerd.
11.
Artikel 38 geeft de Commissie de bevoegdheid om uitvoeringsbepalingen voor de basisverordening vast te stellen. Op grond van artikel 42 is de basisverordening van toepassing met ingang van 1 januari 2009.
B. Uitvoeringsverordeningen
12.
De basisverordening werd eerst uitgevoerd bij verordening (EG) nr. 889/2008 ( 4 ) (hierna: „uitvoeringsverordening”). Oorspronkelijk waren producten van de aquacultuur uitgesloten van de werkingssfeer van de uitvoeringsverordening [artikel 1, lid 2, onder a)].
13.
De uitvoeringsverordening werd vervolgens vier keer gewijzigd bij verordening (EG) nr. 710/2009 ( 5 ) (hierna: „eerste wijzigingsverordening”), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1030/2013 ( 6 ) (hierna: „tweede wijzigingsverordening”), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1364/2013 ( 7 ) (hierna: „derde wijzigingsverordening”) en verordening nr. 1358/2014, dit is de litigieuze verordening. Op elk van deze wijzigingsverordeningen wordt hieronder beurtelings ingegaan.
1. Eerste wijzigingsverordening
14.
De eerste wijzigingsverordening breidde het toepassingsgebied van de uitvoeringsverordening uit tot bepaalde aquacultuurdieren ( 8 ) en nam voor die dieren specifieke productievoorschriften op in titel II, hoofdstuk 2bis, met als opschrift „Dierlijke aquacultuurproductie”. In artikel 25 sexies van dat hoofdstuk, met als opschrift „Herkomst en beheer van niet-biologische aquacultuurdieren” zijn de uitzonderingsomstandigheden vastgelegd waarin niet-biologische aquacultuurdieren in het productieproces konden worden betrokken. In het bijzonder was in artikel 25 sexies, lid 3, voorzien in de mogelijkheid om gebruik te maken van een degressief percentage niet-biologische aquacultuurjuvenielen: 80 % tegen eind 2011, 50 % tegen eind 2013 en 0 % tegen eind 2015 (hierna zal ik hiernaar verwijzen als de „bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen”). In artikel 25 sexies, lid 4, zijn de beperkende voorwaarden neergelegd waaronder het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen is toegestaan. In de oorspronkelijke versie ervan luidde de tekst van artikel 25 sexies als volgt:
„1. Met het oog op de reproductie of de verbetering van het genetisch materiaal mogen, wanneer geen biologische aquacultuurdieren beschikbaar zijn, in het wild gevangen of niet-biologische aquacultuurdieren in een bedrijf worden binnengebracht. Deze dieren moeten ten minste drie maanden volgens de biologische methode worden beheerd alvorens zij voor reproductiedoeleinden mogen worden gebruikt.
2. Met het oog op de opkweek mogen niet-biologische aquacultuurjuvenielen op een bedrijf worden binnengebracht wanneer geen biologische aquacultuurjuvenielen beschikbaar zijn. Ten minste twee derde van de productiecyclus moet volgens de biologische methode worden beheerd.
3. Het maximumpercentage niet-biologische aquacultuurjuvenielen die op een bedrijf mogen worden binnengebracht, bedraagt: 80 % tegen 31 december 2011, 50 % tegen 31 december 2013 en 0 % tegen 31 december 2015.
4. Het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen voor opkweekdoeleinden is slechts in de volgende gevallen toegestaan:
a)
wanneer het de natuurlijke instroom van larven en juvenielen van vissen of schaal- en schelpdieren bij het vullen van vijvers, inperkingssystemen en afgebakende ruimten betreft;
b)
wanneer het de Europese glasaal betreft, op voorwaarde dat op de betrokken locatie een goedgekeurd beheersprogramma voor aal van toepassing is en nog geen oplossing is gevonden voor het probleem van de kunstmatige reproductie van aal.”
15.
Overweging 9 van de eerste wijzigingsverordening bepaalde het volgende: „De biologische dierlijke aquacultuurproductie bevindt zich in een zo pril stadium dat onvoldoende biologisch reproductiemateriaal beschikbaar is. Daarom dient het gebruik van niet-biologisch reproductiemateriaal en niet-biologische juvenielen onder bepaalde voorwaarden te worden toegestaan.”
16.
De eerste wijzigingsverordening was van toepassing met ingang van 1 juli 2010 (artikel 2), maar voegde in de uitvoeringsverordening ook een nieuw lid 11 toe aan artikel 95, waarbij een overgangsregeling (hierna: „overgangsperiode”) werd vastgesteld. De overgangsperiode zou ten laatste op 1 juli 2013 ten einde moeten komen. De periode schiep concreet de mogelijkheid om bestaande productie-eenheden tot aan die datum in bedrijf te houden overeenkomstig de vorige regeling en deze, onder bepaalde voorwaarden, hun „biologische” status te laten behouden. Dat artikel luidt als volgt:
„11.
De bevoegde autoriteit mag eenheden die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn gevestigd en aquacultuurdieren en zeewier produceren krachtens nationaal aanvaarde biologische voorschriften, toestaan om tot uiterlijk 1 juli 2013 hun biologische status te behouden terwijl zij zich aan de voorschriften van deze verordening aanpassen, op voorwaarde dat het water niet onaanvaardbaar wordt verontreinigd door niet in de biologische productie toegestane stoffen. Marktdeelnemers die van deze maatregel gebruikmaken, dienen de betrokken voorzieningen, visvijvers, kooien of zeewierpercelen bij de bevoegde autoriteit aan te melden.”
17.
Artikel 2 van de eerste wijzigingsverordening bepaalde tevens dat, indien naar behoren gemotiveerd, de uitvoeringsverordening nader kon worden gewijzigd met ingang van 1 juli 2013 (hetgeen vervolgens gebeurde bij de tweede en de derde wijzigingsverordening en bij de litigieuze verordening).
2. Tweede wijzigingsverordening
18.
De tweede wijzigingsverordening verlengde de overgangsperiode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2015. Dit gebeurde vanwege de complexiteit van het onderwerp en de behoefte aan meer tijd om de voorstellen voor wijzigingen van de voorschriften te onderzoeken (overwegingen 2‑4).
19.
De tweede wijzigingsverordening veranderde niet de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen (zoals neergelegd in artikel 25 sexies, lid 3, van de uitvoeringsverordening).
3. Derde wijzigingsverordening
20.
De derde wijzigingsverordening wijzigde de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen (zoals neergelegd in artikel 25 sexies, lid 3, van de uitvoeringsverordening). Zij verlengde met name de termijn van 31 december 2013 tot 31 december 2014, binnen welke periode het gebruik van maximaal 50 % aquacultuurjuvenielen was toegestaan. De datum waarop dat percentage moest zijn teruggebracht tot 0 %, bleef 31 december 2015.
21.
De derde wijzigingsverordening veranderde niets aan de overgangsperiode van artikel 95, lid 11, van de uitvoeringsverordening.
4. Litigieuze verordening
22.
De litigieuze verordening veranderde meerdere bepalingen van de uitvoeringsverordening. Zij wijzigde in het bijzonder de gevallen waarin het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen is toegestaan door artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening te wijzigen door toevoeging van een nieuw artikel 25 sexies, lid 4, onder c):
„4. Het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen voor opkweekdoeleinden is slechts in de volgende gevallen toegestaan:
a)
wanneer het de natuurlijke instroom van larven en juvenielen van vissen of schaal- en schelpdieren bij het vullen van vijvers, inperkingssystemen en afgebakende ruimten betreft;
b)
wanneer het de Europese glasaal betreft, op voorwaarde dat op de betrokken locatie een goedgekeurd beheersprogramma voor aal van toepassing is en nog geen oplossing is gevonden voor het probleem van de kunstmatige reproductie van aal;
c)
wanneer het het verzamelen van wilde juvenielen van andere soorten dan Europese aal voor opkweekdoeleinden in de traditionele extensieve aquacultuurteelt in waterrijke gebieden als ingedamde en ingedijkte brakwatervijvers, getijdengebieden en kustlagunes betreft, op voorwaarde dat:
i)
het uitzetten in overeenstemming is met de beheersmaatregelen die de relevante, voor het beheer van de betrokken visbestanden bevoegde autoriteiten hebben goedgekeurd teneinde de duurzame exploitatie van de betrokken soort te garanderen, en
ii)
de vis uitsluitend wordt gevoederd met voeder dat natuurlijk in het plaatselijke milieu voorkomt.”
23.
In de overwegingen 3 en 4 van de litigieuze verordening werd die wijziging als volgt toegelicht:
„(3)
Krachtens artikel 15, lid 1, onder a) ii), van verordening (EG) nr. 834/2007 mogen niet-biologisch gekweekte dieren onder specifieke voorwaarden in een bedrijf worden gebracht indien geen jonge bestanden van biologisch reproductiemateriaal of biologische bedrijven beschikbaar zijn. In verordening (EG) nr. 889/2008 zijn specifieke beperkingen vastgesteld met betrekking tot in het wild gevangen aquacultuurdieren, onder meer wat het verzamelen van wilde aquacultuurjuvenielen betreft. Sommige traditionele praktijken voor de extensieve visteelt in waterrijke gebieden als ingedamde en ingedijkte brakwatervijvers, getijdengebieden en kustlagunes worden al eeuwen toegepast en zijn waardevol uit het oogpunt van het cultureel erfgoed, de instandhouding van de biodiversiteit en de economische perspectieven voor de plaatselijke gemeenschap. Mits onder bepaalde voorwaarden toegepast, hebben deze praktijken geen invloed op de bestandstoestand van de betrokken soort.
(4)
Daarom wordt ervan uitgegaan dat de verzameling van wilde juvenielen voor opkweekdoeleinden in het kader van die traditionele aquacultuurpraktijken in overeenstemming is met de doelstellingen, criteria en beginselen van de biologische aquacultuurproductie mits er beheersmaatregelen van kracht zijn die zijn goedgekeurd door de met het beheer van de betrokken visbestanden belaste autoriteiten en die borg staan voor de duurzame exploitatie van de betrokken soort, mits deze maatregelen bij het uitzetten van de juvenielen in acht worden genomen en mits de vis zich uitsluitend voedt met natuurlijk in het plaatselijke milieu voorkomend voeder.”
24.
De litigieuze verordening wijzigde ook artikel 25 duodecies van de uitvoeringsverordening – met name door toe te staan dat voor vleesetende aquacultuurdieren voeder mag worden gebruikt dat is gemaakt van bepaalde andere vissen [artikel 25 duodecies, lid 1, onder e)] en dat gebruik mag worden gemaakt van histidinen – in de volgende bewoordingen:
„Specifieke voorschriften inzake voeder voor carnivore aquacultuurdieren
1. Het voeder voor carnivore aquacultuurdieren dient prioritair te bestaan uit:
[…]
e)
voederproducten afgeleid van hele vis die is gevangen in visserijen die als duurzaam zijn gecertificeerd in het kader van een regeling die de bevoegde autoriteit overeenkomstig de beginselen van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad heeft erkend.
[…]
5. Via fermentatie verkregen histidine mag in het voederrantsoen voor zalmachtigen worden gebruikt wanneer in de in lid 1 bedoelde voederbronnen onvoldoende histidine aanwezig is om aan de voedingsbehoeften van de vis te voldoen en staarvorming te voorkomen.”
25.
De litigieuze verordening veranderde niet de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen (zoals neergelegd in artikel 25 sexies, lid 3, van de uitvoeringsverordening).
26.
De litigieuze verordening veranderde niet de overgangsperiode die is vastgesteld in artikel 95, lid 11, van de uitvoeringsverordening.
III. Feiten en bestuurlijke procedure
27.
De feiten en de bestuurlijke procedure staan beschreven in de punten 37 tot en met 48 van de bestreden beschikking.
28.
Binca is een Duitse onderneming. Zij voert in Vietnam geproduceerde pangasius in Duitsland in als een biologisch product. Binca verkoopt de vis door aan klanten in Duitsland, Oostenrijk en Scandinavië. Sinds 2005 heeft Binca pangasius gekocht die door IMO Suisse als biologisch is gewaarmerkt volgens de door Naturland vastgestelde standaarden.
29.
Binca koopt bevroren pangasius via een tussenpersoon met ecolabel in Vietnam. De tussenpersoon verwerkt de vis en vriest deze in. Hij brengt het geleverde product vervolgens in rekening bij Binca, die het naar Europa exporteert. Tijdens het productieproces koopt Binca zelf de bestanddelen voor het visvoeder, die zij bij de tussenpersoon bezorgt, en zij trekt het overeenkomstige bedrag af van het aan de tussenpersoon betaalde aankoopbedrag.
30.
In september 2014 heeft Binca de Commissie aangeschreven met voorstellen tot wijziging van de uitvoeringsverordening. Zij stelde met name voor om de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen (artikel 25 sexies, lid 3, van de uitvoeringsverordening) te wijzigen, waarbij het mogelijke gebruik van dergelijk juvenielen te zou worden verlengd tot 2021.
31.
In oktober 2014 stelde de Commissie Binca bij brief ervan op de hoogte dat de procedure tot wijziging van de uitvoeringsverordening gaande was en dat rekening zou worden gehouden met de standpunten van de lidstaten en van belanghebbenden.
32.
De litigieuze verordening werd vastgesteld op 18 december 2014.
33.
Bij brief van 18 februari 2015 verzocht Binca de Commissie met verwijzing naar artikel 265 VWEU de overgangsperiode waarin is voorzien in artikel 95, lid 11, van de uitvoeringsverordening te verlengen tot 1 januari 2018 voor uit Vietnam afkomstige pangasius.
34.
Op 19 februari 2015 stelde Binca bij het Gerecht een vordering tot nietigverklaring van de litigieuze verordening in.
35.
Bij brief van 22 april 2015 werd Binca door de Commissie ervan op de hoogte gesteld dat zij niet van plan was om de overgangsperiode wederom te verlengen of de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen te wijzigen.
IV. Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
A. Argumenten van partijen
36.
In haar vordering tot nietigverklaring betoogde Binca dat ten opzichte van haar sprake was van discriminatie. Had de overgangsperiode gewoon voor alle producenten later mogen verlopen, zou geen sprake zijn geweest van een dergelijke discriminatie. Daarentegen was in de litigieuze verordening voorzien in bepaalde specifieke overgangsmaatregelen en derogaties, waarvan in de praktijk Binca’s concurrenten voordeel hadden, maar was niet voorzien in enige overgangsmaatregel of derogatie waarvan Binca profiteerde. Evenmin is de overgangsperiode verlengd bij de litigieuze verordening. Die overgangsmaatregelen en derogaties, die volgens Binca in de praktijk alleen ten goede kwamen aan andere biologische aquacultuur, hadden met name betrekking op de herkomst van de juvenielen.
37.
Binca stelde dat andere ondernemers biologische etikettering konden blijven gebruiken onder voorwaarden die in de praktijk niet voor Binca beschikbaar waren. In dat verband verwees Binca in het bijzonder naar een ongelijke behandeling van productie in de Mekongdelta en Europese brakwaterzones.
38.
Binca achtte zich rechtstreeks geraakt door de litigieuze verordening, omdat zij zich diende te houden aan het geheel van Unieregels met betrekking tot de biologische aquacultuur en zij door de litigieuze verordening niet de mogelijkheid zou hebben om haar producten als biologisch in de handel te brengen.
39.
Binca betoogde voor het Gerecht dat de litigieuze verordening in strijd is met haar vrijheid van ondernemerschap en met het non-discriminatiebeginsel (onder aanvoering van de artikelen 16, 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) en het vertrouwensbeginsel schendt (aangezien de Commissie wist dat een zuiver biologische kweek van pangasius nog niet mogelijk was ( 9 )). Binca voerde ook aan dat de Commissie niet het mandaat respecteerde dat haar door de Raad was gegeven, aangezien zij niet naar behoren rekening had gehouden met de stand van de technische ontwikkeling van biologisch kweken toen zij de toepasselijke overgangsperiode vaststelde. Ten slotte voerde Binca beperkingen van de internationale handel aan.
40.
Op 21 mei 2015 diende de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid in tegen Binca’s vordering tot nietigverklaring. In antwoord op die exceptie heeft Binca op 9 juli 2015 opmerkingen ingediend.
41.
In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voerde de Commissie aan dat het verzoekschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (thans artikel 76), aangezien het niet nauwkeurig genoeg was om de Commissie in staat te stellen haar verdediging voor te bereiden. In dat verband betoogde de Commissie dat de vordering geen enkele aanwijzing bevatte over de vraag waarom de litigieuze verordening zou moeten worden nietig verklaard, anders dan met betrekking tot artikel 1, lid 1, ervan (houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening).
42.
De Commissie stelde ook dat Binca geen procesbelang had en zij niet rechtstreeks werd geraakt door de litigieuze verordening.
43.
Wat de rechtstreekse geraaktheid betreft, was de Commissie van mening dat Binca eerder importeur dan producent van pangasius was en dus niet rechtstreeks was geraakt door de vermeend discriminatoire regeling met betrekking tot het gebruik van juvenielen, waarvan zij om nietigverklaring verzocht. De bepalingen kunnen gevolgen hebben voor Binca’s economische activiteit, maar geen rechtstreekse gevolgen voor haar rechtssituatie.
44.
Met betrekking tot het procesbelang betoogde de Commissie dat zelfs als zou worden geoordeeld dat artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening (houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening) discriminatoir was en nietig zou worden verklaard, dat geen gevolgen zou hebben voor Binca’s rechtssituatie. De overgangsperiode zou nog steeds verstrijken.
45.
In antwoord op de argumenten van de Commissie met betrekking tot de rechtstreekse geraaktheid betoogde Binca dat zij door de litigieuze verordening rechtstreeks was geraakt, aangezien haar werd belet pangasius als een biologisch product in de handel te brengen. Dat stond in tegenstelling tot de situatie van haar concurrenten die, via de bepalingen van de litigieuze verordening, bestaande productiemethoden konden blijven hanteren en producten als biologisch op de markt konden blijven brengen. De consument, voor wie verschillende soorten biologisch vis verwisselbaar zijn, zou ophouden met het kopen van de producten van Binca en naar haar concurrenten overstappen.
46.
Binca stelde dat, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie had aangevoerd, zij niet voor zichzelf probeerde om de overgangsperiode te laten verlengen. Binca erkende dat dit niet zou kunnen worden gerealiseerd door middel van een beroep tot nietigverklaring. Zij probeerde daarentegen een einde te laten maken aan wat zij beschouwde als door de litigieuze verordening veroorzaakte discriminatie.
47.
Wat de concurrentieverhouding in de praktijk betreft, stelde Binca dat zonder de litigieuze verordening producenten van zalm en forel hun producten niet langer als biologisch zouden kunnen verkopen. In dat verband weest Binca op de goedkeuring welke die producenten hadden verkregen om gebruik te maken van histidine en voeder dat wordt gemaakt van andere vissen om te voldoen aan de voedingsbehoefte ervan [in artikel 1, leden 3 en 5, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van respectievelijk artikel 25 duodecies, lid 1, onder e), en artikel 25, lid 5, van de uitvoeringverordening].
48.
Binca stelde dat zij niet het einde van de overgangsperiode had betwist, omdat zij hiertoe niet langer de mogelijkheid had (bedoeld einde was vastgesteld bij eerdere wijzigingsverordeningen). In ieder geval had zij dat destijds niet kunnen doen, aangezien zij profiteerde van die periode, en omdat de overgangsperiode zelf geen onderscheid maakte tussen ondernemingen.
B. Bestreden beschikking
49.
In de bestreden beschikking stelt het Gerecht dat Binca in wezen een verlenging van de overgangsperiode tracht te verkrijgen (punt 67).
50.
Het Gerecht merkt vervolgens op dat de litigieuze verordening de overgangsperiode niet heeft gewijzigd of het tijdspad heeft veranderd betreffende de bepaling met betrekking tot het aflopende gebruik van juvenielen (respectievelijk artikel 95, lid 11, en artikel 25 sexies, lid 3, van de uitvoeringsverordening) (punten 68 en 69).
51.
Het Gerecht merkt op dat Binca zelf erkent dat het geen verlenging van de overgangsperiode kan verkrijgen door middel van een beroep tot nietigverklaring. Gelet daarop oordeelt het Gerecht dat nietigverklaring van de litigieuze verordening Binca niet zou toestaan om pangasius in te voeren als biologisch product en komt het derhalve tot het oordeel dat zij geen belang heeft bij de nietigverklaring. Het beroep is bijgevolg niet-ontvankelijk (punten 72 en 73).
52.
Het Gerecht voegt daaraan toe dat om de overgangsperiode te betwisten Binca de eerste en/of de tweede wijzigingsverordening had moeten betwisten op grond van het feit dat de Commissie de plicht had om in die handelingen in een langere overgangsperiode te voorzien. Zij had het Hof moeten verzoeken om overeenkomstig artikel 264 VWEU de nietigverklaring op te schorten hangende de vaststelling van een nieuwe handeling met een langere overgangsperiode.
V. Procedure bij het Hof
53.
Met haar hogere voorziening verzoekt Binca het Hof om de bestreden beschikking te vernietigen en om de litigieuze verordening nietig te verklaren. De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorziening af te wijzen en Binca te verwijzen in de kosten.
54.
In haar hogere voorziening voert Binca vijftien verschillende argumenten aan, die als volgt kunnen worden samengevat:
–
Eerste reeks argumenten: onsamenhangende of ontoereikende motivering, doordat a) geen rekening is gehouden met de argumenten aangaande concurrentiebescherming en de schending van het beginsel van gelijke behandeling, en b) het voorwerp van het beroep onjuist is geherformuleerd;
–
Tweede reeks argumenten: het Gerecht heeft de vordering niet ontvankelijk verklaard als zijnde een vordering die de bescherming van de mededinging beoogt;
–
Derde reeks argumenten: schending van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, en in het bijzonder het feit dat niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan;
–
Vierde reeks argumenten: schending van het recht op een openbare terechtzitting;
–
Vijfde reeks argumenten: schending van de vrijheid van ondernemerschap en van het recht op gelijke behandeling.
55.
Met betrekking tot de eerste reeks argumenten stelt Binca dat het Gerecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar argumenten aangaande ongelijke behandeling ten tijde van de beslissing omtrent de ontvankelijkheid en haar vordering onjuist heeft voorgesteld als een beroep waarmee een verlenging van de overgangsperiode werd beoogd. De Commissie is van mening dat het Gerecht zich voldoende heeft bezig gehouden met Binca’s argumenten en niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Commissie meent dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de nietigverklaring Binca geen enkel voordeel zou opleveren.
VI. Beoordeling
56.
Alleen de hierboven bedoelde eerste reeks argumenten vereist nadere aandacht. De andere onderdelen van de hogere voorziening zijn naar mijn mening kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond.
1. Ontoereikende en/of incoherente argumentatie van het Gerecht
57.
Zoals bevestigd in punt 1 van de bestreden beschikking wordt met het beroep bij het Gerecht in zaak T‑94/15 de nietigverklaring gevorderd van verordening nr. 1358/2014.
58.
In de punten 72 en 73 van de bestreden beschikking is het Gerecht van oordeel dat i) de nietigverklaring van de litigieuze verordening Binca niet in staat zal stellen om als biologisch geëtiketteerde pangasius in de Unie in te voeren, en ii) Binca geen belang heeft bij de nietigverklaring van de litigieuze verordening.
59.
Ik ben het eens met die eerste stelling. Met de tweede stelling ben ik het niet eens.
60.
In tegenstelling tot hetgeen de punten 72 en 73 duidelijk laten doorschemeren, bestaat Binca’s vermeende procesbelang in deze zaak er volgens mij niet in het recht te verkrijgen om producten in te kunnen voeren in de Unie. Binca’s vermeende procesbelang bestaat er in plaats daarvan in door de nietigverklaring van de litigieuze verordening de discriminatoire gevolgen ervan weg te nemen. Met andere woorden, Binca wordt ervan weerhouden haar producten als biologisch te etiketteren en anderen zouden op dezelfde wijze moeten worden „gehinderd”. Dat zou voor Binca niet ideaal zijn, maar zou, zo beweert Binca, ten minste de verstoring van de mededinging wegnemen die negatieve gevolgen heeft voor haar, hetgeen resulteert/voortvloeit uit de litigieuze verordening.
61.
In de bestreden beschikking wordt gewoonweg niet ingegaan op dat argument. In plaats daarvan wordt, ondanks de heldere bewoordingen van het beroep, het doel van het beroep erin „geherformuleerd”, waarna dat geherformuleerde doel niet-ontvankelijk wordt verklaard, terwijl de kwestie van het procesbelang met betrekking tot het oorspronkelijk aangegeven doel van het beroep niet wordt behandeld.
62.
Het klopt dat het Gerecht niet is verplicht om ieder door de partijen aangevoerd argument uitdrukkelijk te behandelen. ( 10 ) Binca’s voornaamste argument is evenwel dat in de verordening sprake is van discriminatie. Het feit dat het Gerecht de mogelijke negatieve invloed op Binca als gevolg van die discriminatie en Binca’s overeenkomstige belang bij de nietigverklaring van de verordening, niet eens heeft aangestipt, vormt naar mijn mening een ernstig motiveringsgebrek.
63.
Het is waar dat het Gerecht wel een samenvatting geeft van Binca’s argumenten dienaangaande (zie de punten 58‑63 van de bestreden beschikking). Het laat deze echter voor wat ze zijn. Ook de in punt 77 van de bestreden beschikking uiteengezette redenen, waarnaar door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen werd verwezen en die ook ter terechtzitting werden besproken, werpen geen nader licht op de zaak. In dat punt wordt alleen maar gesteld dat bij de beoordeling van Binca’s procesbelang bij een verlenging van de overgangsperiode de situatie van haar concurrenten niet van belang is.
64.
Nogmaals, Binca betoogt niet dat het voordeel dat de nietigverklaring van de litigieuze verordening haar zou geven, is gelegen in een mogelijke verlenging van de overgangsperiode. In plaats daarvan bestaat haar vermeende voordeel in de beëindiging van hetgeen zij beschouwt als discriminatoire bepalingen in die verordening.
65.
Ik meen dat de verwarring deels voortkomt uit de nadruk waarmee het Gerecht stelt dat Binca in werkelijkheid klaagt over de weigering van de Commissie om de overgangsperiode te verlengen (zie met name punt 67 van de bestreden beschikking). Binca heeft haar eigen zaak wat dat betreft geen goed gedaan. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, heeft Binca in haar verzoekschrift herhaaldelijk gesteld dat in het ideale scenario de overgangsperiode zou worden verlengd. Ondanks deze verwijzingen blijkt nochtans meer dan duidelijk uit het verzoekschrift en uit punt 1 van de bestreden beschikking dat het voorwerp van de vordering inderdaad nietigverklaring van de litigieuze verordening betreft.
66.
Uit het voorgaande volgt dat de motivering in de bestreden beschikking niet toereikend is. De eerste reeks van Binca’s argumenten is gegrond.
67.
In overeenstemming met de eerste alinea van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, alvorens de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, in deze fase reeds een uitspraak doen over het bestaan van een procesbelang. Met betrekking tot andere aspecten van de zaak kan het Hof in deze fase van de procedure geen uitspraak doen.
68.
Om de hieronder uiteengezette reden ben ik van mening dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover het strekt tot nietigverklaring van andere bepalingen van de litigieuze verordening dan artikel 1, lid 1, ervan, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening (zie 2. hieronder). Wat betreft artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening, meen ik dat Binca een procesbelang heeft bij nietigverklaring van die bepaling (zie 3. hieronder).
2. Draagwijdte van het beroep tot nietigverklaring
69.
Met haar beroep vordert Binca nietigverklaring van de gehele litigieuze verordening. In haar oorspronkelijk beroep bij het Gerecht was de enige bepaling van de litigieuze verordening met betrekking waartoe Binca specifieke argumenten aanvoerde, artikel 1, lid 1, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening. Daarna, in haar antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie, heeft Binca ook specifieke argumenten aangevoerd met betrekking tot artikel 1, leden 3 en 5, van de litigieuze verordening, waarbij respectievelijk artikel 25 duodecies, lid 1, onder e), en artikel 25 duodecies, lid 5, in de uitvoeringsverordening werden ingevoegd. Ter terechtzitting in de procedure in hogere voorziening bevestigde Binca dat zij in hoofdzaak nietigverklaring vorderde van artikel 1, lid 1, maar ook van artikel 1, leden 3 en 5, van de litigieuze verordening.
70.
Op grond van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ( 11 ) dient een verzoekschrift tot nietigverklaring een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen te bevatten. Deze summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder daarvoor verdere informatie nodig te hebben. ( 12 )
71.
Naar mijn mening voldoet Binca’s oorspronkelijke verzoekschrift bij het Gerecht, met uitzondering van de middelen met betrekking tot artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening, niet aan die vereisten. In dat verzoekschrift werd met name niet aangegeven welke bepalingen Binca bestreed.
72.
Niet kan worden uitgesloten dat onder bepaalde omstandigheden een summiere uiteenzetting van de door verzoeker aangevoerde middelen als duidelijk en nauwkeurig kan worden beschouwd, ondanks dat niet iedere betrokken bepaling expliciet en afzonderlijk wordt genoemd. In onderhavige zaak is dit echter niet het geval. Hoewel Binca’s vordering wel duidelijk maakt dat het in haar zaak om de discriminatoire aard van de litigieuze verordening gaat, spreken in dat verband de aard en de bron van die discriminatie volstrekt niet voor zichzelf wanneer men de litigieuze verordening leest. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht stond het daarom aan Binca om duidelijk aan te geven welke bepalingen zij discriminatoir achtte en, zij het beknopt, waarom.
73.
Die onnauwkeurigheid in het oorspronkelijke verzoekschrift kan ook niet worden hersteld door de specifieke verwijzingen naar andere bepalingen van de litigieuze verordening in Binca’s antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie. In overeenstemming met artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ( 13 ) mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. ( 14 )
74.
Gelet daarop ben ik van mening dat Binca’s beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden geacht voor zover het strekt tot nietigverklaring van de litigieuze verordening, met uitzondering van artikel 1, lid 1, ervan, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening.
75.
Voordat ik mij richt op Binca’s vermeende procesbelang met betrekking tot de nietigverklaring van die laatstgenoemde bepaling, dienen twee punten te worden opgehelderd. Ten eerste ontneemt het feit dat Binca de gehele litigieuze verordening heeft betwist, maar niet heeft voldaan aan de ontvankelijkheidseisen met betrekking tot het grootste deel van die verordening, op zichzelf aan Binca niet haar procesbelang met betrekking tot artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening. ( 15 ) Ten tweede zie ik geen bijzonder probleem met betrekking tot de scheidbaarheid van artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening en een argument van die strekking is ook niet aangevoerd. Als gevolg daarvan zou het in theorie mogelijk zijn om die bepaling nietig te verklaren en de rest van de litigieuze verordening intact te laten. ( 16 )
3. Bestaan van een procesbelang
76.
„Procesbelang” vereist dat de verzoeker enig voordeel ondervindt ingeval zijn beroep slaagt. ( 17 ) Een persoonlijk voordeel dat zorgt voor een procesbelang kan zowel feitelijk als juridisch zijn. Elders heb ik gedetailleerd uiteengezet waarom ik van mening ben dat die conclusie duidelijk uit de rechtspraak blijkt. ( 18 ) Ik zal die redenen hier niet in detail herhalen.
77.
Er zij evenwel opgemerkt dat de Commissie ter terechtzitting heeft aanvaard dat wanneer een Uniemaatregel aan marktdeelnemers bepaalde voordelen verleent, hun concurrenten een „procesbelang” kunnen hebben bij de nietigverklaring van die maatregel. De Commissie verbond wel voorwaarden aan de erkenning van een dergelijk belang. Zij meende dat „evident” sprake moet zijn van een concurrentieverhouding, en elders dat het voordeel voor de concurrenten „kennelijk” moet zijn. Verderop zal ik op deze voorwaarden ingaan. Wat in dit stadium echter cruciaal is, is dat een procesbelang principieel feitelijk van aard kan zijn. Het kan bestaan in een commercieel voordeel dat het gevolg zou zijn van de nietigverklaring van de bestreden maatregel.
78.
Heeft Binca een dergelijk „feitelijk” belang om nietigverklaring te verkrijgen van artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening?
79.
De Commissie meent van niet. Zij voert in dit verband twee punten aan. Ten eerste is Binca een importeur van vis die verderop in de commerciële keten zit, en concurreert zij niet met de ondernemingen waarvan wordt gesteld dat zij door de litigieuze verordening worden bevoordeeld. Er is pas sprake van een procesbelang in een zaak zoals de onderhavige indien de concurrentieverhouding „evident” of „overduidelijk” is. Ten tweede vormt het soort vis dat Binca importeert – pangasius – in geen geval concurrentie voor andere soorten vis waarvan Binca van mening is dat die door de litigieuze verordening zijn bevoordeeld. Een procesbelang kan in een zaak als de onderhavige pas worden aangetoond als het vermeende concurrentienadeel „kennelijk” is.
80.
Ik ben het niet eens met die uitlegging van het begrip procesbelang en de daaraan verbonden voorwaarden. Om een procesbelang te kunnen vaststellen, moet er volgens mij niet onvermijdelijk sprake zijn van een rechtstreekse concurrentieverhouding en moet deze niet a fortiori „evident” of „overduidelijk” zijn of uitmonden in een „kennelijk” voordeel voor een concurrent, zoals de Commissie heeft gesteld. Ik zie geen grond voor dergelijke vereisten. ( 19 )
81.
Drie nadere opmerkingen dienen in dat verband te worden gemaakt.
82.
Ten eerste acht ik het volstrekt aannemelijk dat in bepaalde gevallen, indien een Uniehandeling aan bepaalde partijen voordelen geeft, niet alleen concurrenten, maar ook ondernemingen eerder en later in de toeleveringsketen, ernstige commerciële gevolgen zullen ondervinden. Als een product door een Uniemaatregel feitelijk negatief wordt geraakt, is het gewoon gekunsteld om te zeggen dat dat negatieve gevolg als stelregel zich zou beperken tot één bepaalde laag in de toeleveringsketen. Dat zal afhangen van de specifieke feitelijke samenhang van het afzonderlijke geval.
83.
Ten tweede is, overeenkomstig de door het Gerecht vastgestelde feiten, de precieze rol van Binca in de toeleveringsketen complexer dan die van „louter” importeur. In dat verband wordt in de bestreden beschikking bevestigd dat Binca eigenlijk het voeder levert dat wordt gebruikt voor de productie van de vis die zij daarna aankoopt. ( 20 )
84.
Ten derde omvatten, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, de biologische etiketteringsvoorschriften waaraan importeurs van aquacultuurproducten zich dienen te houden, de door de litigieuze verordening opgelegde productie-eisen. Daarom, en in tegenstelling tot hetgeen door de Commissie wordt betoogd, is het voor het vaststellen van de ontvankelijkheid niet mogelijk om marktpartijen te verdelen in producenten, waartoe de litigieuze verordening en de vereisten ervan „zich richten”, en andere partijen, waartoe deze zich niet richten.
85.
Die opmerkingen onderstrepen naar mijn mening de noodzaak te vermijden dat nieuwe algemene vereisten met betrekking tot de aard van relevante concurrentieverhoudingen worden beschouwd als voorwaarden voor het vaststellen van een procesbelang.
86.
Wat haar precieze rol in de toeleveringsketen ook is, om procesbelang aan te tonen, moet Binca laten zien dat zij een, juridisch of feitelijk, persoonlijk voordeel zou ontlenen aan de nietigverklaring van artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening.
87.
Uit de overwegingen 3 en 4 van de litigieuze verordening blijkt duidelijk dat de in die bepaling genoemde uitzonderingen tot doel hebben de continue productie van biologische vis – die anders zou worden verstoord – te vergemakkelijken. Nietigverklaring van de litigieuze verordening zou die uitzonderingen schrappen en het moeilijker, zelfs onmogelijk, maken om bepaalde soorten vis „biologisch” te produceren in de zin van de basisverordening en de uitvoeringshandelingen.
88.
Een dergelijke nietigverklaring zou echter alleen ten voordele komen van Binca en aanleiding kunnen geven tot een procesbelang, indien: i) die uitzonderingen van geen of minder nut zijn voor de productie van door Binca ingevoerde vis, en ii) de door Binca ingevoerde vis concurreert met producten die wel van de uitzonderingen profiteren.
89.
Binca heeft op het eerste gezicht op beide punten haar gelijk bewezen. Dat is naar mijn mening toereikend om procesbelang aan te tonen.
90.
Wat betreft i), heeft Binca voor het Gerecht met betrekking tot artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening, aangegeven dat de specifieke getijden en de topografie van de Mekongdelta betekenen dat wilde aquacultuurjuvenielen niet op dezelfde wijze kunnen worden gevangen als in Europese wateren (met uitzondering van proefprojecten en kleinschalig onderzoek). Wat betreft ii) lijkt het op het eerste gezicht, hoewel de precieze concurrentieverhouding tussen biologische pangasius en andere vis onduidelijk is, redelijk om te stellen dat één soort biologische vis concurreert met een andere soort biologische vis. Binca importeert duidelijk geen clementines of kogellagers (en zelfs geen niet-biologische vis). ( 21 )
91.
Beide punten hierboven zijn door de Commissie betwist. In het bijzonder heeft de Commissie ter terechtzitting uitvoerig gesproken over de concurrentieverhouding tussen pangasius en andere vis, waarbij zij verwees naar economische studies, beoordelingen van fusies, vissticks en goede Italiaanse restaurants.
92.
De behoefte aan een dergelijk gedetailleerd debat bevestigt evenwel dat op dit punt de argumenten hebben geleid tot een afzonderlijke discussie over de inhoud, teneinde vast te stellen of Binca wel of niet werd gediscrimineerd en wat de redenen zouden kunnen zijn geweest voor de door Commissie gehanteerde wettelijke differentiatie.
93.
Het aantonen van procesbelang in dit soort zaken zou van de verzoeker niet meer moeten eisen dan een voorlopig bewijs dat de bestreden handeling voor hem een negatief gevolg heeft (hetgeen impliceert dat nietigverklaring van de handeling hem persoonlijk tot voordeel strekt). Het doel van het vereiste van procesbelang is een voorbereidende screening om vorderingen in het algemeen belang en verzoeken om een juridisch advies of algemene of hypothetische vragen weg te filteren. ( 22 ) Een voorbereidende screening die alleen kan worden uitgevoerd met een gedetailleerde CT-scan, kan niet echt meer „voorbereidend” worden genoemd.
94.
Twee aanvullende, afsluitende opmerkingen hebt u nog van mij te goed. Ten eerste heeft de Commissie in het kader van de betwisting van het procesbelang in deze zaak met het schrikbeeld van de „actio popularis” geschermd. Die ongerustheid kan naar mijn mening gemakkelijk worden weggenomen. Een actio popularis is een vordering die in het algemeen belang door een willekeurig iemand aanhangig wordt gemaakt. Uit de schriftelijke opmerkingen blijkt vrij duidelijk dat Binca niet een willekeurig iemand is. Zij is op de relevante markten actief en is dit gedurende vele jaren geweest. Ook handelt zij niet louter in het algemeen belang. Zij handelt in haar eigen commerciële belang.
95.
Ten tweede lijkt de werkelijke ongerustheid van de Commissie te zijn dat de drempel van een procesbelang niet „te laag” zou mogen worden gelegd, aangezien dat de sluizen zou openzetten voor massa’s vorderingen tot nietigverklaring. Nogmaals, dergelijke zorgen worden gemakkelijk weggenomen. Vanuit conceptueel oogpunt mag het bestaan van „procesbelang” niet worden aangepast ter verzekering van een bepaald niveau van procesvoering. De vraag is of de verzoeker een persoonlijk voordeel, de iure of de facto, aan de nietigverklaring zou ontlenen. Bovendien vormt het „procesbelang” slechts een van meerdere cumulatieve voorwaarden voor ontvankelijkheid. Het zou in feite als de minst veeleisende voorwaarde moeten worden behandeld omdat het in wezen, zoals hierboven opgemerkt, een voorafgaand screeningsmechanisme vormt.
96.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Binca geen procesbelang had bij de nietigverklaring van artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, houdende wijziging van artikel 25 sexies, lid 4, van de uitvoeringsverordening.
VII. Conclusie
97.
Ik geef het Hof in overweging:
–
de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 11 maart 2016, Binca Seafoods/Commissie (T‑94/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:164) te vernietigen voor zover hierbij wordt verworpen verzoekers beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de herkomst van biologische aquacultuurdieren, aquacultuurhouderijpraktijken, voeder voor biologische aquacultuurdieren en voor gebruik in de biologische aquacultuur toegestane producten en stoffen;
–
de hogere voorziening voor het overige af te wijzen;
–
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en
–
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Verordening van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft de herkomst van biologische aquacultuurdieren, aquacultuurhouderijpraktijken, voeder voor biologische aquacultuurdieren en voor gebruik in de biologische aquacultuur toegestane producten en stoffen (PB 2014, L 365, blz. 97).
( 3 ) Verordening van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB 2007, L 189, blz. 1).
( 4 ) Verordening van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB 2008, L 250, blz. 1).
( 5 ) Verordening van de Commissie van 5 augustus 2009 houdende wijziging van verordening nr. 889/2008 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 van de Raad, betreffende de vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de biologische dierlijke aquacultuurproductie en de biologische productie van zeewier (PB 2009, L 204, blz. 15).
( 6 ) Verordening van de Commissie van 24 oktober 2013 houdende wijziging van verordening nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB 2013, L 283, blz. 15).
( 7 ) Verordening van de Commissie van 17 december 2013 houdende wijziging van verordening nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 van de Raad, wat betreft het gebruik van niet-biologische aquacultuurjuvenielen en niet-biologisch zaad van tweekleppige schaal- en schelpdieren in de biologische aquacultuur (PB 2013, L 343, blz. 29).
( 8 ) In het bijzonder die soorten welke zijn genoemd in bijlage XIIIa (zie artikel 25a, dat bij de eerste wijzigingsverordening is ingevoegd). Pangasius behoort tot deze soorten (deel 9 van bijlage XIIIa).
( 9 ) Vanwege problemen in verband met het spontaan schieten van kuit zonder gebruik van hormonen.
( 10 ) Arrest van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie en Raad (C‑266/06 P, niet gepubliceerd, EU:C:2008:295, punt 103).
( 11 ) Thans artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
( 12 ) Zie arrest van 21 maart 2002, Joynson/Commissie (T‑231/99, EU:T:2002:84, punt 154), en beschikking van 19 september 2016, Gregis/EUIPO – DM9 Automobili (ATS) (T‑5/16, niet gepubliceerd, EU:T:2016:552, punt 18).
( 13 ) Thans artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
( 14 ) Beschikking van 14 april 2016, KS Sports/EUIPO (C‑480/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:266, punt 23).
( 15 ) Zie in die zin arrest van 12 september 2002, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad (T‑89/00, EU:T:2002:213, punt 35).
( 16 ) Zie met betrekking tot dat punt arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie (T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167).
( 17 ) Arrest van 18 december 1997, ATM/Commissie (T‑178/94, EU:T:1997:210, punten 59‑62).
( 18 ) Conclusie van advocaat-generaal Bobek in zaak Bionorica en Diapharm/Commissie (C‑596/15 P en C‑597/15 P, EU:C:2017:297, punten 49‑52). Die stelling volgt ook uit het feit dat het Hof een brede waaier aan soorten niet-materiële feitelijke belangen heeft aanvaard als reden voor een procesbelang, zoals immateriële belangen en toekomstverwachtingen [zie de arresten van 27 juni 1973, Kley/Commissie (35/72, EU:C:1973:73, punt 4), en van 28 mei 1998, W/Commissie (T‑78/96 en T‑170/96, EU:T:1998:112, punt 47)]
( 19 ) Toen haar ter terechtzitting specifiek werd gevraagd naar de noodzaak voor een „overduidelijke” concurrentieverhouding, bevestigde de Commissie inderdaad dat in de rechtspraak voor dat vereiste geen grond was.
( 20 ) Punten 41 en 42 van de bestreden beschikking.
( 21 ) De situatie is derhalve anders dan in de zaak Andechser Molkerie, waarin het Hof oordeelde dat de verzoeker geen gronden had aangedragen voor zijn bewering dat biologische en niet-biologische yoghurt met elkaar concurreerden, waarbij beide onder twee zeer verschillende regelingen vielen (zie arrest van 4 juni 2015, Andechser Molkerei Scheitz/Commissie (C‑682/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:356, punten 35‑37).
( 22 ) Van Raepenbusch, S., „L’Intérêt à agir dans le contentieux communautaire”, in Mélanges en hommage à Georges Vandersanden, Brussel, Bruyant, 2008, blz. 381.