CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. TANCHEV
van 8 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑289/16
Kamin und Grill Shop GmbH
tegen
Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs Frankfurt am Main eV
[Verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Landbouw – Biologische producten – Krachtens verordening (EG) nr. 834/2007 ingesteld controlesysteem – Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 – Begrip ‚directe verkoop aan de eindconsument’ – Vrijstelling van de toepassing van het controlesysteem”
1.
In de Europese Unie bedraagt de totale waarde van de markt voor biologische producten reeds geruime tijd meer dan 20 miljard EUR, een cijfer dat ongeveer 2 % vertegenwoordigt van de omzet van de voedsel‑ en drankenindustrie in de Europese Unie en een aandeel dat is verdubbeld sinds 2004. ( 2 ) Deze cijfers zijn geleidelijk toegenomen en de dynamische ontwikkeling van deze markt is niet gestopt. ( 3 ) Teneinde deze evolutie te bevorderen ten behoeve van de bescherming van het milieu, het dierenwelzijn en de gezondheid van de mens ( 4 ), heeft de Europese Unie sinds 1991 regelgeving vastgesteld op het gebied van biologische productie, in het kader waarvan marktdeelnemers worden verplicht zich te onderwerpen aan een fijnmazig controlesysteem.
2.
Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing vraagt het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om uitlegging van verordening nr. 834/2007, waarvan artikel 27 de lidstaten verplicht een controlesysteem op te zetten, en waarvan artikel 28, lid 2, de lidstaten toestaat bepaalde soorten detailhandelaren vrij te stellen van de toepassing van dat controlesysteem. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of onlinedetailhandelaren eveneens een dergelijke vrijstelling kunnen genieten.
3.
Artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 wordt in het algemeen geacht zo onduidelijk te zijn dat in de loop van de huidige discussie over de actualisering van die verordening is voorgesteld die mogelijkheid tot vrijstelling volledig af te schaffen, waarbij de critici behalve naar het feit dat de interpretaties en praktijken verschillen van lidstaat tot lidstaat, verwijzen naar de toename van de moeilijkheden die zich voordoen bij het beheer, het toezicht en de controle. ( 5 )
4.
Deze zaak biedt het Hof – dat tot dusver nooit een verzoek om uitlegging van verordening nr. 834/2007 heeft ontvangen ( 6 ) – voor het eerst de mogelijkheid de draagwijdte van artikel 28, lid 2, te verduidelijken en de vereiste aanwijzingen te verschaffen om de vrijstellingsbepaling zodanig te hanteren dat de rechtszekerheid en de eenvormigheid worden gewaarborgd. Zoals ik in deze conclusie zal aantonen, werpt een nadere blik op de wetsgeschiedenis in aanzienlijke mate licht op de draagwijdte van de vrijstelling.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 28 van verordening nr. 834/2007, met als opschrift „Deelname aan het controlesysteem”, bepaalt in de eerste twee leden ervan:
„1. Een marktdeelnemer die producten in de zin van artikel 1, lid 2, produceert, verwerkt, opslaat of uit een derde land invoert, of die dergelijke producten in de handel brengt, zet, alvorens producten als biologische producten of omschakelingsproducten in de handel te brengen, de volgende stappen:
a)
hij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij zijn activiteit uitoefent, van die activiteit in kennis;
b)
hij onderwerpt zijn onderneming aan het in artikel 27 bedoelde controlesysteem.
[…]
2. De lidstaten kunnen marktdeelnemers die deze producten direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen, van de toepassing van dit artikel vrijstellen, mits deze marktdeelnemers deze producten niet produceren, bereiden of opslaan op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt, of dergelijke activiteiten niet aan een derde partij hebben uitbesteed.”
B. Nationaal recht
6.
Op grond van § 3, lid 2, van het Gesetz zur Durchführung der Rechtsakte der Europäischen Union auf dem Gebiet des ökologischen Landbaus (wet ter uitvoering van de rechtshandelingen van de Europese Unie op het gebied van de biologische landbouw; hierna: „ÖLG”) zijn marktdeelnemers die producten in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 834/2007 als „biologische producten” of „omschakelingsproducten” direct aan de eindconsument of ‑gebruiker leveren, van de nakoming van de verplichtingen van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 834/2007 vrijgesteld mits zij die producten niet zelf vervaardigen, bereiden, opslaan op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt, of uit een derde land invoeren, en evenmin tot deze handelingen opdracht geven.
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
7.
De Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs Frankfurt am Main e.V. (verweerster voor de verwijzende rechter; hierna: „Zentrale”) is een vereniging die zich ten doel stelt oneerlijke mededinging te bestrijden. Kamin und Grill Shop GmbH (verzoekster voor de verwijzende rechter; hierna: „Grill Shop”) exploiteert via het internet een postorderbedrijf voor open haard‑ en barbecuebenodigdheden.
8.
Het assortiment van Grill Shop omvat verschillende kruidenmengsels, die zij in december 2012 onder de benaming „Bio-Gewürze” (hierna: „biokruiden”) te koop aanbood. Op dat tijdstip was Grill Shop niet onderworpen aan het controlesysteem van artikel 27 van verordening nr. 834/2007.
9.
Bij een als „aanmaning” aangeduide brief van 28 december 2012 heeft de Zentrale bezwaar gemaakt tegen het te koop aanbieden van het betrokken product, op grond van de overweging dat daardoor inbreuk werd gemaakt op artikel 28, lid 1, van verordening nr. 834/2007, krachtens hetwelk een marktdeelnemer die biologische producten in de handel brengt, verplicht is zijn onderneming te onderwerpen aan een controlesysteem, wat Grill Shop niet had gedaan. De Zentrale heeft van Grill Shop de afgifte van een onthoudingsverklaring met boetebeding gevorderd. Grill Shop heeft aan deze vordering voldaan, zonder evenwel te erkennen dat sprake was van een inbreuk.
10.
Met het onderhavige beroep vordert de Zentrale de terugbetaling van een deel van de uitgaven die zij voor de aanmaning heeft gedaan, te weten een bedrag van 219,35 EUR, vermeerderd met rente.
11.
Het Landgericht Fulda (rechter in eerste aanleg Fulda, Duitsland) heeft de vordering afgewezen op grond van de overweging dat Grill Shop haar onderneming niet aan het controlesysteem hoefde te onderwerpen, aangezien zij het product direct aan de consument verkocht en bijgevolg overeenkomstig artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 juncto § 3, lid 2, ÖLG van de toepassing van het controlesysteem was vrijgesteld.
12.
Het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (regionale appelrechter Frankfurt am Main, Duitsland) heeft het vonnis vernietigd en de vordering van de Zentrale toegewezen op grond van de overweging dat het te koop aanbieden van „biokruiden” door Grill Shop in strijd was met artikel 28, lid 1, onder b), van verordening nr. 834/2007, aangezien haar onderneming niet, zoals vereist, was onderworpen aan het in deze verordening vastgestelde controlesysteem. De appelrechter heeft geoordeeld dat een „directe” verkoop in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 juncto § 3, lid 2, ÖLG vereist dat de verkoop plaatsvindt waar de producten zijn opgeslagen, in aanwezigheid van zowel de marktdeelnemer of zijn verkooppersoneel als de consument. Volgens deze uitlegging zou noch de onlinedetailhandel door Grill Shop, noch enige andere vorm van detailverkoop van biologische producten via postorder onder de vrijstelling van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 vallen.
13.
Met een beroep in Revision voor het Bundesgerichtshof, dat de appelrechter heeft toegestaan, vordert Grill Shop dat de vordering wordt afgewezen. De Zentrale vordert dat het beroep in Revision wordt verworpen, op grond van de overweging dat e-handel – wegens het vereiste van fysieke aanwezigheid op de plaats van verkoop – nooit onder de vrijstelling van de toepassing van het controlesysteem, waarin artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 voorziet, kan vallen.
14.
In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is er al sprake van een ‚directe’ verkoop aan de eindconsument in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 834/2007 wanneer de marktdeelnemer of diens verkooppersoneel de producten aan de eindconsument verkoopt zonder tussenkomst van een derde, of vereist een ‚directe’ verkoop bovendien dat de verkoop plaatsvindt waar de producten zijn opgeslagen, in aanwezigheid van zowel de marktdeelnemer of zijn verkooppersoneel als de eindconsument?”
15.
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie. Er is niet om een terechtzitting verzocht en deze heeft ook niet plaatsgevonden.
III. Beoordeling
A. Inleiding
16.
De bepaling waarvan het Bundesgerichtshof het Hof in casu om uitlegging verzoekt, is een vrijstellingsbepaling betreffende het controlesysteem dat is opgenomen in verordening nr. 834/2007.
17.
Om te beginnen zij opgemerkt dat de oorspronkelijke versie van verordening nr. 834/2007 de lidstaten eerder had aangespoord om een controlesysteem op te zetten, maar er geen enkele vrijstelling van toestond.
18.
In het onderhavige geval lijkt het dus, om een basis voor de uitlegging te vinden, passend om eerst de oorsprong en wetsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling alsook de juridische context ervan te onderzoeken teneinde te achterhalen welke bedoeling de wetgever voor ogen stond toen hij deze vrijstelling invoerde, en zo bij te dragen tot de precisering van het doel ervan. ( 7 ) Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht behalve met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan. ( 8 ) Laatstgenoemde aspecten zullen worden behandeld nadat eerst de oorsprong en context van de reikwijdte van het controlesysteem van de verordening en de vrijstelling daarvan, aan een nadere beschouwing zijn onderworpen.
B. Oorsprong en context
1. Het controlesysteem en de uitbreiding ervan
19.
Het eerste communautaire kader voor biologische landbouw en voedselproductie is in 1991 vastgesteld bij verordening nr. 2092/91. Met de totstandbrenging van een communautaire regeling voor biologische producten werden twee doelstellingen nagestreefd. Ten eerste diende deze regeling ontwikkelingsmogelijkheden te bieden aan biologische landbouw omdat door de vaststelling ervan een loyale concurrentie tussen de producenten van producten met de aanduidingen in kwestie zou worden gewaarborgd. Ten tweede diende die regeling een grotere geloofwaardigheid van die producten in de ogen van de consumenten te waarborgen door te zorgen voor transparantie in alle fasen van de productie en verwerking. ( 9 )
20.
De verordening streefde deze doelstellingen niet alleen na door regels vast te stellen die moesten worden nageleefd bij de productie (artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2092/91) of etikettering (artikel 5 van verordening nr. 2092/91) van biologische producten, maar ook door de lidstaten tegelijkertijd aan te sporen een regelmatig „controlesysteem” in te voeren (artikelen 8 en 9 van verordening nr. 2092/91).
21.
In artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2092/91 werd gepreciseerd wie aan dat controlesysteem diende te worden onderworpen: „Iedere marktdeelnemer die de in artikel 1 bedoelde producten produceert, bereidt of uit een derde land invoert om ze in de handel te brengen, moet: a) de bevoegde instantie van de lidstaat waar hij zijn werkzaamheden uitoefent daarvan in kennis stellen; […]; b) zijn onderneming onderwerpen aan het in artikel 9 bedoelde systeem van controle.”
22.
Zoals de Raad in de considerans van verordening nr. 2092/91 heeft uiteengezet, was de daaraan ten grondslag liggende gedachte dat bij alle marktdeelnemers „in alle stadia van de productie en het in de handel brengen controles moeten worden uitgevoerd” om de naleving van de productieregels te verzekeren. ( 10 )
23.
Na de inwerkingtreding van de verordening in 1992 zijn tienduizenden boerderijen overgeschakeld naar biologische landbouw en is de belangstelling van consumenten en handelaren voor biologische producten gegroeid. ( 11 ) In die jaren zijn er gevallen geweest waarin producten waarop aanduidingen voorkwamen die verwezen naar de biologische productiemethode, op de markt waren gebracht zonder dat zij voldeden aan de bepalingen van die verordening. ( 12 ) Bovendien zijn biologisch geproduceerde producten tijdens de opslag verontreinigd geraakt met onkruidverdelgers. ( 13 )
24.
Derhalve werd het noodzakelijk geacht het controlesysteem te verbeteren en alle marktdeelnemers daaraan te onderwerpen tijdens het volledige productie‑ en bereidingsproces ( 14 ), dat voortaan „de gehele productie‑ en distributieketen” omvatte ( 15 ). Het bleek dat het pakket activiteiten dat tot dusver aan controle was onderworpen, niet ruim genoeg was en diende te worden uitgebreid.
25.
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2092/91 is in 2004 dan ook aldus gewijzigd dat de opslag en het in de handel brengen uitdrukkelijk zijn toegevoegd als nadere activiteiten, zodat de nieuwe beschrijving van marktdeelnemers die onder het controlesysteem vielen, luidde als volgt: „[i]edere marktdeelnemer die de in artikel 1 bedoelde producten produceert, bereidt, opslaat of uit een derde land invoert om ze in de handel te brengen, of die deze producten in de handel brengt”. ( 16 )
26.
In 2007, toen het vroegere artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2092/91 werd vervangen door artikel 28, lid 1, van verordening nr. 834/2007, is nog een aantal wijzigingen van veeleer redactionele aard aangebracht. ( 17 ) Dit resulteerde in een tamelijk duidelijke opsomming van vijf activiteiten die aan het controlesysteem dienden te worden onderworpen. Deze activiteiten waren: productie, verwerking, opslag, invoer uit een derde land en in de handel brengen.
27.
Met deze laatste categorie wordt onmiskenbaar de bovengenoemde doelstelling verwezenlijkt die erin bestaat de gehele distributieketen te omvatten, waarbij de oorspronkelijke focus van de wetgever op de eerste fasen van de biologische productie bij de Unieregeling voor biologische producten werd losgelaten. ( 18 ) Het controlesysteem omvatte voortaan zowel alle handelaren als detailhandelaren op elk van de verschillende niveaus van de distributieketen.
28.
De doelgroep van deze uitbreiding van de reikwijdte van de controle tot opslag en detailhandel als afzonderlijke activiteiten ( 19 ), waren duidelijk groothandelaren ( 20 ). De ervaring die was opgedaan sinds de invoering van communautaire normen voor biologische productie, had uitgewezen dat hun handelsactiviteiten een risico vormden dat regelmatige controle rechtvaardigde.
29.
Wat kleinere detailhandelaren betreft, waren in de loop van de debatten van de wetgever evenwel ernstige twijfels geuit met betrekking tot de praktische gevolgen en de technische haalbaarheid van hun onderwerping aan controle. Verschillende afvaardigingen hebben gepleit voor een gefaseerde aanpak door te beginnen met groothandelaren en meer tijd te nemen om mogelijkheden te bestuderen om de controle uit te breiden naar meer sectoren. ( 21 )
2. De vrijstelling en de totstandkoming ervan
30.
Tegen deze achtergrond is de vrijstellingsbepaling opgesteld, waarvan het Bundesgerichtshof het Hof thans om uitlegging verzoekt.
31.
De vrijstellingsbepaling is ontworpen om te voorkomen dat het bezwarende controlesysteem zou worden opgelegd aan de detailhandelssector. ( 22 ) Dat is een gevolg van de risicogebaseerde benadering van de verordening en van het feit dat het in sommige gevallen onevenredig zou kunnen blijken te zijn om kennisgevings‑ en controlevereisten toe te passen op bepaalde verrichtingen in de detailhandel. ( 23 ) Het Parlement heeft in zijn verslag benadrukt dat het controlesysteem niet onevenredig bezwarend mag zijn voor kleinere detailhandelaren. ( 24 )
32.
De ontwerpversie van het voorstel die de Commissie in januari 2003 had gepresenteerd, gaf in overweging artikel 8, lid 1, tweede alinea, als volgt te formuleren: „Detailhandelaren die deze producten niet bereiden en ze in een verzegelde verpakking direct aan de eindconsument verkopen, zijn echter niet onderworpen aan het in artikel 9 bedoelde controlesysteem.”
33.
Na uitvoerige discussies tijdens de vergaderingen van de Groep kwaliteit levensmiddelen, heeft de Raad een compromisvoorstel gepresenteerd dat het Parlement enkele maanden later heeft goedgekeurd na een zin te hebben toegevoegd betreffende de invoer uit derde landen. ( 25 ) Daarin was bepaald: „Detailhandelaren die deze producten niet bereiden en ze als voorverpakte producten direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen, zijn echter niet onderworpen aan de in de eerste alinea vastgestelde verplichtingen.” ( 26 )
34.
Naderhand ( 27 ) is weer een andere wijziging voorgesteld die in verordening nr. 392/2004 uiteindelijk is vastgesteld als de nieuwe tekst van de tweede alinea van artikel 8, lid 1. Deze luidde: „De lidstaten mogen marktdeelnemers die deze producten direct aan de eindconsument of eindgebruiker verkopen, vrijstellen van de toepassing van dit lid, mits zij deze producten niet produceren, bereiden of opslaan op een plaats die geen uitstaans heeft met het verkooppunt, en mits zij deze producten niet invoeren uit een derde land.” ( 28 ) Deze compromistekst van de tweede alinea van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2092/91, zoals gewijzigd bij verordening nr. 392/2004, is thans nog altijd van kracht, aangezien deze bewoordingen identiek zijn aan die van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007, ( 29 ) waarvan het Hof in het onderhavige geval om uitlegging is verzocht.
35.
Uit de vergelijking van de verschillende ontwerpversies met de uiteindelijke tekst, blijkt dat de bepaling zich geleidelijk heeft ontwikkeld van een beperkte regel met een concrete afbakening („producten in verzegelde verpakking” en later: „voorverpakte producten”) naar een meer abstracte. Tegelijkertijd heeft evenwel de basisstructuur van de norm als zodanig stand gehouden. Deze basisstructuur bestaat uit twee elementen, die betrekking hebben op (1) de positie van de vrijgestelde persoon in de handelsketen en (2) het contact van deze persoon met het product.
36.
Wat het eerste element betreft, valt het op dat het vereiste van directe verkoop aan de eindconsument geen enkele wijziging heeft ondergaan in de verschillende versies van de vrijstellingsbepaling die zijn voorgesteld. De wijzigingen die met betrekking tot het eerste element noodzakelijk werden geacht, betroffen veeleer de omschrijving van de verkoper en de koper, die elk zijn vervangen door een ruimer begrip: aan de kant van de verkoper is het begrip „detailhandelaar” vervangen door het begrip „marktdeelnemer” ( 30 ), en aan de kant van de koper is „eindconsument” vervangen door „eindconsument of eindgebruiker”.
37.
De handeling „deze producten direct verkopen” was, voor zover kan worden nagegaan, geen voorwerp van discussie tijdens het wetgevingsproces. Deze diende eenvoudigweg om groothandelaren uit te sluiten van de vrijstelling en om te waarborgen dat alleen de laatste detailhandelaar in de handelsketen in aanmerking kwam voor de vrijstelling.
38.
Het tweede element heeft echter meerdere wijzigingen ondergaan. De oorspronkelijke ontwerpversie verwees uitsluitend naar „producten in verzegelde verpakking”, de volgende – wat losser geformuleerd – naar „voorverpakte producten”, telkens onder de voorwaarde dat de detailhandelaar de desbetreffende producten niet op enigerlei wijze bereidde. Dat het product aldus werd omschreven, diende als fysieke waarborg om te voorkomen dat de bevoorrechte verkoper enige bemoeienis had met het product. De bedoeling was om de regeling te laten gelden voor detailhandelaren die geen enkele handeling verrichten met het product. ( 31 ) De situatie die de wetgever voor ogen stond toen hij de vrijstelling in het leven riep, was er een waarin de detailhandelaar het product niet zodanig behandelde dat er nauwelijks risico bestond op beïnvloeding van de aard van het product of etikettering ervan op een wijze die zou kunnen indruisen tegen de regels voor biologische productie.
39.
Toen de beperking tot „producten in verzegelde verpakking” of „voorverpakte producten” te eng bleek en de fysieke drempel van de „verzegeling” of de „verpakking” werd losgelaten, ontstond de behoefte een meer abstracte omschrijving te vinden van een situatie die geen risico’s zou veroorzaken waarvan in de eerdere versies geen sprake was. Critici hadden de wetgever aangespoord om met betrekking tot de detailhandelssector „precies [aan te geven] welke activiteiten eronder dienden te vallen”. ( 32 )
40.
De wetgever heeft er uiteindelijk voor gekozen het positieve preliminaire vereiste „voorverpakte producten” te vervangen door een negatieve formulering, waarbij de verschillende categorieën activiteiten werden vermeld die de detailhandelaar niet mocht verrichten indien hij in aanmerking wilde komen voor de vrijstelling: de marktdeelnemer die onder artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 valt, mag de desbetreffende producten niet produceren, bereiden of invoeren uit een derde land. Hij mag ze alleen in de handel brengen en opslaan, aangezien deze twee activiteiten onlosmakelijk zijn verbonden met de bedrijvigheid van een detailhandelaar en onvermijdelijk zijn wanneer direct aan de eindconsument wordt verkocht. Teneinde zelfs deze activiteiten te beperken tot wat essentieel is voor de verkoop van een product, is een beperking opgelegd met betrekking tot de toestemming om op te slaan: de marktdeelnemer mag „[producten die onder artikel 1, lid 2, van de verordening vallen], niet […] opslaan op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt”.
41.
Deze beperking waarborgt dat de detailhandelaar een zuivere detailhandelaar is, die zijn positie als detailhandelaar niet misbruikt om zich te onttrekken aan controle voor andere activiteiten, die anders aan regelmatige controle onderworpen zouden zijn. Indien opslag plaatsvindt in het kader van de handelingen van een detailhandelaar die direct aan de eindconsument verkoopt, mag deze activiteit niet verder gaan dan noodzakelijk is om de verkoop uit te voeren.
42.
De uitkomst van bovenstaande analyse van de wetsgeschiedenis kan in een notendop worden samengevat als volgt: de lidstaten kunnen voorzien in een vrijstelling voor de laatste detailhandelaar in de distributieketen, zolang deze marktdeelnemer een zuivere detailhandelaar is omdat zijn activiteit als zodanig typisch niet dermate risicovol is ( 33 ) dat deze, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, moet worden onderworpen aan het systeem van regelmatige controle van biologische producten.
C. Ratio legis
43.
Na onderzoek van de wetsgeschiedenis van de in casu uit te leggen vrijstellingsbepaling is vastgesteld dat de doelstelling van deze bepaling bestond in het verlenen van een bepaalde vrijstelling aan de laatste detailhandelaar in de distributieketen, omdat het risico dat hij de regels inzake biologische producten zou schenden, in normale gevallen laag werd geacht. Dat geldt met name voor de door het controlesysteem te waarborgen traceerbaarheid van een product in alle stadia van productie, verwerking en distributie. ( 34 ) Wat de laatste detailhandelaar in de distributieketen betreft, die een overeenkomst met de consument aangaat, is de kwestie van de traceerbaarheid onmiskenbaar irrelevant.
44.
In verband met de door het Bundesgerichtshof voorgelegde vraag zou dat inhouden dat het feit dat een product wordt verkocht aan de eindconsument zonder de tussenkomst van een derde partij, volstaat om de verkoop als een „directe” verkoop aan te merken.
1. Controle door de consument zelf
45.
De Zentrale is evenwel van mening dat de vrijstelling alleen van toepassing is als de verkoop daarenboven gebeurt waar de producten zijn opgeslagen, in aanwezigheid van zowel de marktdeelnemer of zijn verkooppersoneel als de consument. Zij baseert haar standpunt op het argument dat de reden voor de vrijstelling van de marktdeelnemer die het biologische product direct aan de eindconsument verkoopt, was dat de consument in staat zou zijn om het product zelf te controleren. ( 35 )
46.
Mijns inziens is dat argument niet overtuigend. Het is niet in overeenstemming met mijn hierboven ingenomen standpunt ( 36 ) dat de vrijstelling is ontworpen om de verkoper van de last van regelmatige professionele controles te bevrijden omdat deze controles onevenredig zijn in het licht van het lage risico dat is verbonden aan de typische activiteiten van een zuivere detailhandelaar. Aangezien in verordening nr. 834/2007 een risicogebaseerde benadering wordt gevolgd en deze verordening dus geen volledige controle tot doel heeft maar enige speelruimte laat, is het niet nodig iemand anders met de controle te belasten. Het is niet de taak van de consument om het risico weg te nemen dat wegens de vrijstelling van regelmatige professionele controles overblijft en dat de wetgever bewust heeft gedoogd.
47.
In de praktijk is het bovendien niet duidelijk hoe de consument, die gewoonlijk niet op de hoogte is van alle bijzondere specificaties waaraan een biologisch product krachtens verordening nr. 834/2007 en verordening nr. 889/2008 moet voldoen, in staat zou kunnen zijn om een dergelijke controle met succes uit te voeren. ( 37 ) De consument bezit daartoe over het algemeen niet de vereiste deskundigheid.
48.
De consument beschikt evenmin over de middelen en instrumenten om de feiten en de omstandigheden te onderzoeken die nodig zouden zijn om een zinvolle evaluatie van het product te verrichten. De louter fysieke aanwezigheid van het product en van de verkoper verschaft de koper niet de vereiste informatie, aangezien verordening nr. 834/2007 noch verordening nr. 889/2008 de verkoper jegens de koper enige informatieplicht oplegt. Potentieel schadelijke omstandigheden, zoals contact met andere producten en chemicaliën, de juistheid van temperatuur en licht op de plaats van de opslag, of heretiketteringsactiviteiten die vooraf zouden kunnen hebben plaatsgevonden, zijn niet noodzakelijkerwijs zichtbaar en naspeurbaar voor een consument die het product alleen ziet op het moment van de verkoop en dus geen informatie heeft over de onmiddellijk voorafgaande opslagsituatie.
49.
Verordening nr. 834/2007, die vereist dat de controleautoriteit, wanneer deze controletaken aan een specifiek controleorgaan wil delegeren, bewijst dat het controleorgaan daartoe over de vereiste deskundigheid, uitrusting en infrastructuur alsook over voldoende geschikte, gekwalificeerde en ervaren medewerkers beschikt ( 38 ), zou inderdaad tamelijk inconsistent zijn wanneer zij tegelijk de lidstaten in bepaalde gevallen zou toestaan deze moeilijke taak toe te vertrouwen aan de gewone consument.
50.
In het kader van verordening nr. 834/2007 wordt de consument niet geacht enige verantwoordelijkheid te dragen voor controleactiviteiten. De gedachte is veeleer dat hij mag vertrouwen op het etiket en de presentatie van het product. Overweging 22, eerste volzin, van verordening nr. 834/2007 luidt: „Het is belangrijk dat het vertrouwen van de consument in biologische producten behouden blijft.” ( 39 ) Indien van de consument wordt verwacht dat hij vertrouwen heeft in het product, hoeft hij niet actief te worden en de biologische aard van het product kritisch te analyseren.
2. Bevordering van biologische producten
51.
Ten slotte zij opgemerkt dat een van de algemene doelstellingen van de verordening erin bestaat omstandigheden te creëren waaronder de biologische sector verder kan evolueren in overeenstemming met de productie‑ en marktontwikkelingen. ( 40 ) Deze doelstelling staat in de weg aan onnodige beperkingen van de middelen en kanalen voor de distributie van deze producten.
52.
In het licht daarvan lijkt de onderhavige vrijstelling van de toepassing van het controlesysteem ten zeerste gerechtvaardigd, en hoeft deze niet verder te worden beperkt. ( 41 ) In aanmerking genomen dat supermarkten en andere algemene detailhandelaren met een bijzonder ruim assortiment producten, alsmede detailhandelaren die zoals verzoekster in het hoofdgeding barbecuebenodigdheden verkopen, mogelijkerwijs slechts een paar biologische producten in hun assortiment willen opnemen waarvoor het niet de moeite loont de kosten te dragen en het administratieve ongemak te ondergaan die verbonden zijn aan het aanmelden van de onderneming en het onderwerpen ervan aan het biologische controlesysteem, lijkt het wenselijk hen niet op te zadelen met een last die hen ertoe zou kunnen brengen biologische producten niet langer te verkopen, waardoor deze minder toegankelijk zouden worden voor de consument in het algemeen. Dat zou leiden tot een situatie waarin biologische producten alleen zouden kunnen worden aangeschaft in gespecialiseerde, boetiekachtige winkels, en waarin de biologische markt niet zou profiteren van het volledige arsenaal van verkoopkanalen.
53.
Zoals hierboven op basis van de totstandkomingsgeschiedenis is aangetoond, maakte de vraag of en in hoeverre het resterende risico diende te worden aanvaard, het voorwerp uit van een compromis ( 42 ), en werd de beantwoording ervan – in het licht van de aarzelingen en onzekerheden met betrekking tot de controle van verdere sectoren ( 43 ) – uiteindelijk overgelaten aan de lidstaten. Zij bevinden zich in de beste positie om – rekening houdend met de respectievelijke nationale context, dat wil zeggen met de regels en wetten die aan de detailhandelaren van de betrokken staat zijn opgelegd, alsook met de overige aldaar heersende omstandigheden – te bepalen of en in hoeverre een vrijstelling uit het oogpunt van evenredigheid passend zou zijn. ( 44 ) Aan de beleidsvrijheid van de lidstaat en zijn individuele risicobeoordeling behoort geen afbreuk te worden gedaan door een uitlegging die aanvullende beperkingen oplegt.
D. Bewoordingen
54.
Uit de bewoordingen van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 kan niets worden afgeleid met betrekking tot de vraag of het noodzakelijk is dat verkoper en koper of het product zich bevinden op de plaats van verkoop.
55.
Anders dan verweerster en de Commissie stellen, bevat de tekst geen toereikende aanwijzing dat de uitdrukking „direct verkopen” een verband vereist tussen de verkoop en een bepaalde locatie. De tweede zinsnede van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 sluit van de vrijstelling verkopers uit die „[producten] opslaan op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt”. De tekst luidt echter niet„nergens anders dan op de plaats van verkoop”. ( 45 )„Verkooppunt” wordt gewoonlijk in meer abstracte zin gebruikt om aan te geven dat een verkoop heeft plaatsgevonden. Dit begrip verwijst niet noodzakelijk naar een locatie, maar veeleer – in meer algemene en abstracte zin – naar de interactie tussen verkoper en koper. Om de verbinding te omschrijven, gebruikt de tekst de uitdrukking „in verband met” en niet een lokaal voorzetsel zoals „op”. ( 46 ) Artikel 28, lid 2, ziet op een organisatorische verbinding en niet op een plaatsgebonden verbinding. ( 47 ) Indien en voor zover de marktdeelnemer producten opslaat, dient deze opslag in verband te staan met de verkoop.
E. Slotopmerkingen
56.
Wat de kernvraag in de onderhavige zaak betreft – te weten of onlinedetailhandel kan profiteren van de vrijstelling dan wel, zoals de Commissie stelt, daarvan in het algemeen is uitgesloten – zij eraan herinnerd dat de vrijstellingsbepaling is bedacht in 2003, toen onlinehandel algemeen bekend was en de richtlijn inzake elektronische handel ( 48 ) reeds in werking was getreden, zodat verwacht zou mogen worden dat de wetgever had voorzien in een uitdrukkelijke uitzondering wanneer hij had beoogd onlineverkopen uit te sluiten.
57.
De stelling van de Commissie dat het risico op fraude toeneemt naarmate de opslag langer duurt, is ten eerste niet overtuigend en zou ten tweede geen reden zijn om onlinedetailhandelaren uit te sluiten, aangezien deze detailhandelaren producten niet per se langer opslaan dan detailhandelaren voor het grote publiek. Mogelijkerwijs beschikken zij zelfs niet over opslagvoorzieningen, maar laten zij de producten eerder door hun groothandelaar rechtstreeks aan de consument afleveren.
58.
Ten slotte wordt de bescherming van het milieu, die een van de doelstellingen van verordening nr. 834/2007 is, in de regel zeer goed gediend door onlinehandel. Het bovenstaande pleit duidelijk tegen de uitsluiting van onlinedetailhandelaren van de werkingssfeer van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007.
IV. Conclusie
59.
Het Bundesgerichtshof wenst in wezen te vernemen of naast de directe band tussen marktdeelnemer en consument, aanvullende elementen van fysieke aanwezigheid zijn vereist opdat een transactie valt onder de vrijstelling van artikel 28, lid 2, van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91. Niettemin heeft het Bundesgerichtshof zijn vraag beperkt tot de uitlegging van het begrip „directe verkoop”. ( 49 )
60.
Om een nuttige uitlegging te geven zou het Hof, zoals is voorgesteld door de Commissie, de prejudiciële vraag moeten herformuleren ( 50 ) en de strekking ervan moeten uitbreiden tot alle beperkingen van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007.
61.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) te beantwoorden als volgt:
„Dat een product aan de eindconsument wordt verkocht zonder de tussenkomst van een derde partij, is voldoende reden om de verkoop als een ‚directe’ verkoop in de zin van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 aan te merken. Indien evenwel wordt aangetoond dat de marktdeelnemer die producten direct aan de eindconsument verkoopt, deze producten produceert, bereidt of opslaat op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt, dan wel dergelijke producten invoert uit een derde land, komt hij niet in aanmerking voor de mogelijke vrijstelling op grond van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007. De woorden ‚op een plaats die geen verband houdt met het verkooppunt’ houden niet in dat opslag enkel mag plaatsvinden op de fysieke locatie van de verkoop, maar vereisen dat de opslag ondergeschikt is aan de verkoop en niet verder gaat dan redelijkerwijs noodzakelijk is om de verkoop uit te voeren. Voor de vraag of producten onder de vrijstelling vallen, is niet van belang of en waar de producten door de verkoper worden opgeslagen, noch wie op de plaats van opslag of verkoop aanwezig is.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) De totale waarde is geschat op ongeveer 20 miljard EUR in 2011. Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie houdende effectbeoordeling bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, tot wijziging van verordening (EU) nr. XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad (verordening officiële controles) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 834/2007, COM(2014) 180 final, blz. 11 met nadere verwijzingen. Sinds 2011 is de biologische sector in een stevig tempo blijven groeien. De grootste biologische markt bij uitstek in de Europese Unie was Duitsland met 6,6 miljard EUR in 2011, gevolgd door Frankrijk met 3,8 miljard EUR. Zie ibidem.
( 3 ) Zie het in voetnoot 2 hierboven aangehaalde werkdocument van de diensten van de Commissie houdende effectbeoordeling, blz. 11. In 2015 bedroeg de waarde 27,1 miljard EUR in de Europese Unie. Zie Zahlen, Daten, Fakten. Die Bio-Branche 2017, Bund Ökologische Lebensmittelwirtschaft BÖLW, Berlijn, blz. 20 e.v.
( 4 ) Zie meer gedetailleerd overweging 1 van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB 2007, L 189, blz. 1), waarvan de eerste volzin specificeert: „De biologische productie is een alomvattend systeem van landbouwbeheer en levensmiddelenproductie waarbij de beste praktijken op milieugebied worden gecombineerd met een hoog niveau van biodiversiteit, de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen, de toepassing van strenge normen op het gebied van dierenwelzijn en een productie die is afgestemd op de voorkeur van bepaalde consumenten voor producten die worden vervaardigd met natuurlijke stoffen en procedés.”
( 5 ) Zie de toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, tot wijziging van verordening (EU) nr. XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad (verordening officiële controles) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 834/2007, COM(2014) 180 final, blz. 7.
( 6 ) In het arrest van 5 november 2014, Herbaria Kräuterparadies, C‑137/13, EU:C:2014:2335, heeft het Hof zich uitgesproken over de toelaatbaarheid van toevoegingen aan een biologische drank. Daarvoor was de uitlegging vereist van artikel 27, lid 1, onder f), van verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 (PB 2008, L 250, blz. 1). Het Hof deed zijn redenering steunen op de overwegingen 3, 5, 22 en 25 alsmede op de artikelen 6, 19, 21 en 23 van verordening nr. 834/2007. Evenzo heeft het Hof overweging 1 van verordening nr. 834/2007 aangehaald in zijn redenering in het arrest van 4 juni 2015, Andechser Molkerei Schietz/Commissie (C‑682/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:356), oordelend in hogere voorziening tegen een beschikking van het Gerecht betreffende de geldigheid van verordening (EU) nr. 1131/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft steviolglycosiden (PB 2011, L 295, blz. 205). Er bestaan vijf arresten waarin de aan verordening nr. 834/2007 voorafgaande verordeningen – te weten verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (PB 1991, L 198, blz. 1) en verordening (EG) nr. 392/2004 van de Raad van 24 februari 2004 tot wijziging van verordening nr. 2092/91 (PB 2004, L 65, blz. 1) – worden uitgelegd (arresten van 29 november 2007, Commissie/Duitsland, C‑404/05, EU:C:2007:723; 29 november 2007, Commissie/Oostenrijk, C‑393/05, EU:C:2007:722; 14 juli 2005, Commissie/Spanje, C‑135/03, EU:C:2005:457; 13 juli 1995, Parlement/Commissie, C‑156/93, EU:C:1995:238, en 14 juli 2005, Comité Andaluz de Agricultura Ecologica, C‑107/04, EU:C:2005:470), waarvan de eerste twee gaan over een vraag betreffende het controlesysteem, namelijk de permanente oprichting van particuliere controleorganisaties.
( 7 ) Het analyseren van de bedoeling van de wetgever van de Europese Unie is een van de methoden die door het Hof worden gebruikt om vast te stellen wat de strekking is van het afgeleide Unierecht. Zie bijvoorbeeld arresten van 7 december 2010, Pammer en Hotel Alpenhof, C‑585/08 en C‑144/09, EU:C:2010:740, punten 71e.v.; 15 juli 2010, Purrucker, C‑256/09, EU:C:2010:437, punten 84 e.v., en 27 oktober 2016, Commissie/Duitsland, C‑220/15, EU:C:2016:815.
( 8 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 16 juli 2015, Lanigan, C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 35, en 13 oktober 2016, Mikołajczyk, C‑294/15, EU:C:2016:772, punt 26.
( 9 ) Zie de vijfde overweging juncto de derde overweging van verordening nr. 2092/91.
( 10 ) Zie overweging 12 van verordening nr. 2092/91. In overweging 13 van verordening nr. 2092/91 werd gepreciseerd dat „voor alle marktdeelnemers die producten produceren of bereiden waarop aanduidingen voorkomen die verwijzen naar de ecologische productiemethodes, regelmatig controles dienen te worden verricht die aan communautaire minimumeisen voldoen en worden toegepast door daartoe aangewezen overheidsinstanties”.
( 11 ) Zie bijvoorbeeld Alberto Alemanno, ‘The European Reform on Organic Farming – Balancing Consumer Preferences and Free Movement Imperatives’, in: EFFL 2009, 406‑419, 409.
( 12 ) COM(2003) 14 definitief, punt 3 van de toelichting bij het door de Commissie ingediende „voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen”. Deze toelichting is opgenomen in overweging 3 van dat voorstel en tevens in overweging 3 van verordening nr. 392/2004.
( 13 ) Zie voetnoot 12 hierboven.
( 14 ) Zie voetnoot 12 hierboven.
( 15 ) Zie Raadsdocument 8482/03 van 15 april 2003 betreffende de resultaten van de vergadering van de Groep kwaliteit levensmiddelen van 14 april, blz. 2, punt II, ii).
( 16 ) Zie artikel 1 van verordening nr. 392/2004, waarbij artikel 8, lid 1, onder 1, deze bewoordingen heeft gekregen. De nieuwe omschrijving van de reikwijdte van het controlesysteem was met ingang van juli 2005 van toepassing. Zie artikel 2 van verordening nr. 392/2004.
( 17 ) De zinsnede „om ze in de handel te brengen” werd geschrapt en de bewoordingen werden enigszins aangepast, waardoor sprake was van vijf duidelijker afgebakende activiteiten die onderworpen waren aan het „controlesysteem” [dat sindsdien ook in de Engelse versie „control system” werd genoemd in plaats van het vroegere „inspection system”].
( 18 ) Een vergelijking van de consideransen van de verschillende versies doet dit voortschrijdende inzicht duidelijk uitkomen: terwijl overweging 3 van verordening nr. 392/2004 nog vasthield aan de bewoordingen „alle marktdeelnemers in het hele productie‑ en bereidingsproces”, richtte overweging 31 van verordening nr. 834/2007 zich uiteindelijk expliciet op de volledige trias: „marktdeelnemers in elke fase van de productie, bereiding en verdeling” (cursivering door mij).
( 19 ) Dat de uitbreiding alleen betrekking heeft op opslag en detailhandel voor zover deze activiteiten werden ondernomen als afzonderlijke activiteiten, los van die welke reeds onder de vorige versie van artikel 8 vielen, is benadrukt door de vertegenwoordiger van de Commissie in de discussie tijdens de vergadering van de Groep kwaliteit levensmiddelen van 14 april 2003. Zie Raadsdocument 8482/03, aangehaald in voetnoot 15 hierboven, blz. 2, punt II, ii).
( 20 ) Zie Raadsdocument 8482/03, aangehaald in voetnoot 15 hierboven, blz. 2, punt II, ii).
( 21 ) Zie Raadsdocument 6999/03 van 2 april 2003 betreffende de resultaten van de vergadering van de Groep kwaliteit levensmiddelen van 28 februari 2003, blz. 2, punt III, ii).
( 22 ) Zie Raadsdocument 6999/03, aangehaald in voetnoot 21 hierboven.
( 23 ) Overweging 3a van het „herzien compromisvoorstel van het Voorzitterschap” betreffende het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, bijlage bij Raadsdocument 16235/03 van 18 december 2003, resultaten van de Groep kwaliteit levensmiddelen (biologische landbouw) van 10 december 2003.
( 24 ) Zie Europees Parlement, document FINAL A5‑0392/2003, verslag van 6 november 2003, betreffende het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen [COM(2003) 14 – C5‑0021/2003-2003/0002 (CNS)], Commissie Landbouw en Plattelandsontwikkeling, rapporteur Danielle Auroi, blz. 9, rechtvaardiging voor voorgesteld amendement 10.
( 25 ) Het door het Europees Parlement voorgestelde ontwerp heeft aan de door de Raad voorgestelde zin een tweede zin toegevoegd, die luidde als volgt: „Detailhandelaren die direct uit derde landen voorverpakte producten invoeren, zijn onderworpen aan de bepalingen van artikel 11.” Zie Europees Parlement, document FINAL A5‑0392/2003, aangehaald in voetnoot 24 hierboven, blz. 9, amendment 10.
( 26 ) Compromisvoorstel inzake de tweede alinea van artikel 8, lid 1, door het Voorzitterschap voorbereid in het licht van de discussies in de Groep kwaliteit levensmiddelen op 14 april 2003, Raadsdocument 8571/03 van 23 april 2003.
( 27 ) Bijlage bij Raadsdocument 16235/03, aangehaald in voetnoot 23 hierboven.
( 28 ) Zie artikel 1 van verordening nr. 392/2004, waarbij de tweede alinea van artikel 8, lid 1, deze bewoordingen heeft gekregen. De nieuwe omschrijving van de reikwijdte van het controlesysteem was met ingang van juli 2005 van toepassing. Zie artikel 2 van verordening nr. 392/2004.
( 29 ) Afgezien van taalkundige aanpassingen („lid” vervangen door „artikel” en „deze producten” door „producten”) alsook redactionele en numerieke herschikkingen, is deze bepaling in 2007 ongewijzigd gebleven. Zie hierboven punt 5 voor de tekst van artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007.
( 30 ) Dat in artikel 28, lid 2, van verordening nr. 834/2007 voor het meer algemene begrip „marktdeelnemer” is gekozen, houdt mogelijkerwijs verband met het feit dat dit begrip wordt omschreven in artikel 2, onder d), van verordening nr. 834/2007, dat bepaalt dat onder „marktdeelnemer” wordt verstaan „een natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften van deze verordening in het biologisch bedrijf dat hij beheert”. De vervanging van „detailhandelaren” door „marktdeelnemers” vormt slechts een aanpassing aan de algemene terminologie van de verordening alsook aan de terminologie die wordt gebezigd in artikel 28, lid 1. Overweging 32 van verordening nr. 834/2007 gebruikt nog altijd het begrip „detailhandelaren”.
( 31 ) Zie de tekst van de oorspronkelijke ontwerpen van een gewijzigd artikel 8 van verordening nr. 2092/91, weergegeven in de punten 32 en 33 hierboven.
( 32 ) Zie Raadsdocument 6999/03, aangehaald in voetnoot 21 hierboven.
( 33 ) Zie bijvoorbeeld Schmidt, H., en Haccius, M., EG-Verordnung „Ökologischer Landbau”. Eine juristische und agrarfachliche Kommentierung der Verordnung (EG) Nr. 834/2007, Freiburg im Breisgau 2008, blz. 445‑446, waar de lagere prevalentie van fraude in deze sector wordt beschreven, met name met betrekking tot voorverpakte producten, waaronder heel wat detailhandelsproducten lijken te vallen.
( 34 ) Krachtens artikel 27, lid 13, van verordening nr. 834/2007 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het controlesysteem een dergelijke traceerbaarheid van het product mogelijk maakt.
( 35 ) Zie eveneens Oberlandesgericht Frankfurt (regionale appelrechter Frankfurt, Duitsland) GRUR‑RR 2015, 308; Landgericht München (rechter in eerste aanleg München, Duitsland) WRP 2015, 780.
( 36 ) Zie punten 31 en 42 hierboven.
( 37 ) Regels die mogelijkerwijs ook door de laatste detailhandelaar in acht moeten worden genomen, zijn bijvoorbeeld de regels van hoofdstuk 4 (artikelen 30 e.v.) van verordening nr. 889/2008 inzake ophaling, verpakking, vervoer en opslag van producten, en de regels van titel III (artikelen 57 e.v.) van die verordening inzake etikettering. Zoals de Commissie in haar „interpretatienota nr. 2012‑03” terecht heeft gesteld, vereist opslag fysieke infrastructuur die eveneens is onderworpen aan bepaalde vereisten zoals reiniging en ontsmetting.
( 38 ) Zie artikel 27, lid 5, van verordening nr. 834/2007.
( 39 ) De overwegingen 3 en 5 van verordening nr. 834/2007 vermelden eveneens het consumentenvertrouwen, hetgeen de centrale status daarvan in deze verordening aantoont.
( 40 ) Zie bijvoorbeeld overweging 3, tweede volzin, van verordening nr. 834/2007.
( 41 ) Overweging 22, tweede volzin, van verordening nr. 834/2007 luidt: „Uitzonderingen op de voorschriften voor de biologische productie moeten daarom strikt beperkt blijven tot die gevallen waarin de toepassing van minder strenge voorschriften gerechtvaardigd wordt geacht.” Verweerster voert overweging 22 aan als argument voor een strikte uitlegging van de vrijstelling.
( 42 ) Zie punten 33 en 34 hierboven.
( 43 ) Zie punt 29 hierboven.
( 44 ) De lidstaten hebben in wezen op zeer uiteenlopende wijzen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om te voorzien in een uitzondering op grond van artikel 28, lid 2. Sommige lidstaten beperken de uitzondering tot voorverpakte producten. Dat geldt bijvoorbeeld voor Italië (Article 2.4) van de Disposizioni per l’attuazione dei regolamenti (CE) n. 834/2007, n. 889/2008, n. 1235/2008 e successive modifiche riguardanti la produzione biologica e l’ettichettatutra dei prodotti biologici Registro ufficiale 0018354 – 27/11/2009, bepaalt: „Ai sensi dell’articolo 28 paragrafo 2 del Reg. (CE) n. 834/2007 sono esentati dall’applicazione del medesimo articolo gli operatori che vendono prodotti da agricoltura biologica al consumatore all’utilizzatore finale in imballaggio preconfezionato, a condizione che non li producano […]”) en Estland (§ 5, lid 2, van de Organic Farming Act luidt in het Engels: „A holding of a person specified in Article 28(2) of Council Regulation (EC) No 834/2007 need not be approved if the holding engages only in the sale of pre-packaged products. [RT I 2009, 12, 72 – entry into force 01.03.2009]”). In Spanje laat de Comunitad Valenciana haar risicobeoordeling niet alleen afhangen van de vraag of de producten voorverpakt zijn, maar ook van factoren als de jaarlijkse omzet uit de verkoop of de mogelijkheid voor de consument om het proces van de splitsing van het product te controleren (Resolutión de 20 de junio de 2016, de la Dirección General de Desarrollo Rural y Política Agraria Común, por la que se regulan determinadas excepciones relativas al régimen de control de los comerciantes minoristas en la Comunitat Valenciana, que vendan directamente al consumidor final productos ecológicos, conforme al Reglamento (CE) 834/2007 de 28 junio de 2007 y el Reglamento 889/2008 que lo desarrolla [2016/5529, Diari Oficial de la Comunitat Valenciana, Num. 7842/02.08.2016, p. 2249]). Andere lidstaten nemen zonder meer de ruimere bewoordingen van de richtlijn over. Dat geldt bijvoorbeeld voor § 3, lid 2, van het Duitse ÖLG (zie punt 6 hierboven), voor artikel 4 van de Britse Organic Products Regulations 2009 of voor artikel 2 van de Nederlandse Regeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 december 2008, nr. TRCJZ/2008/3442, houdende wijziging van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007.
( 45 ) Cursivering van mij. Terwijl – in een willekeurige steekproef – de meeste taalversies van de verordening een equivalent gebruiken van de meer abstracte Engelse tekst (bijvoorbeeld „pas ailleurs qu’au point de vente”, „solo in connessione con il punto di vendita”, „salvo en el punto de venta”, „senão no ponto de venda”, „w celach innych niż odnoszących się do punktu sprzedaży”, „undtagen I forbindelse med salgsstedet”, „ħlief in konnessjoni mal-punt ta’ bejgħ”, „išskyrus pardavimo punktus”), geeft de Duitse taalversie de bewoordingen een bepaalde lokale connotatie door de zin „an einem anderen Ort als in Verbindung mit der Verkaufsstelle” te gebruiken, net als de Nederlandse en de Zweedse taalversie, die luiden: „op een plaats die geen verband houdt met het verkoopunt” en „annat än i anslutning till försäljningsplatsen”, alsook de Roemeense en de Bulgaarse taalversie, die luiden: „în alte părți decât în legătură cu locul de vânzare” en „другаде, освен в мястото на продажба” (cursivering van mij). Met uitzondering van de Bulgaarse taalversie, gebruiken alle laatstgenoemde taalversies echter duidelijk als verbindingswoord een vertaling van „in connection”, en onthouden zij zich van het gebruiken van een lokaal verbindingswoord zoals „at”. Gelet op het feit dat de verschillende taalversies onderling uiteenlopen, kan een tekstueel argument geen grote invloed hebben op mijn uitlegging van artikel 28, lid 2, zodat de andere uitlegginsmethoden (zie punten 19‑52 en 55 e.v.) in de onderhavige context meer gewicht in de schaal leggen.
( 46 ) Vier van de hier geanalyseerde dertien taalversies gebruiken niet „in verband met”. Zie hierboven voetnoot 44. Drie van deze vier versies verwijzen echter naar een punt en niet naar een plaats of een locatie.
( 47 ) Zie Schmidt, H., en Haccius, M., aangehaald in voetnoot 33 hierboven.
( 48 ) Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel).
( 49 ) Zie, voor de tekst van de prejudiciële vraag, punt 14 hierboven.
( 50 ) Het feit dat een dergelijke herformulering mogelijkerwijs impliceert dat aanvullende punten of kwesties in aanmerking moeten worden genomen, vormt voor het Hof geen beletsel om tot die herformulering over te gaan. Zie bijvoorbeeld arresten van 23 februari 2006, van Hilten-van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punten 25‑27; 11 maart 2008, Jager, C‑420/06, EU:C:2008:152, punten 45‑58; 18 november 2010, Lahousse en Lavichy, C‑142/09, EU:C:2010:694, punten 35‑48, en 10 februari 2011, Vicoplus e.a., C‑307/09–C‑309/09, EU:C:2011:64, punten 22‑25).