CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 8 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑322/16
Global Starnet Ltd
tegen
Ministero dell’Economia e delle Finanze
Amministrazione Autonoma Monopoli di Stato
[verzoek van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Verplichting van een nationale rechter in laatste instantie om een prejudiciële vraag te verwijzen naar het Hof van Justitie – Arrest van het grondwettelijk hof – Beperking van de vrijheid van dienstverrichting – Beperking van de vrijheid van vestiging – Toekenning van nieuwe concessies voor legale kansspelen – Nieuwe vereisten voor concessiehouders – Rechtvaardiging – Evenredigheid”
1.
Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing wordt het Hof wederom verzocht om te beoordelen of bepaalde onderdelen van de Italiaanse wetgeving inzake de kansspelsector verenigbaar zijn met de Verdragsbepalingen inzake de interne markt en met een aantal algemene beginselen van het recht van de Unie. ( 2 )
2.
De vragen die in de onderhavige procedure rijzen, luiden met name of de Verdragsbepalingen inzake de interne markt, artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) of het algemene vertrouwensbeginsel in de weg staan aan nationale wetgeving waarbij nieuwe financiële, technische en professionele vereisten worden vastgesteld die zowel toepasselijk zijn op bestaande als op nieuwe concessiehouders van kansspeldiensten.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Nationaal recht
3.
Artikel 1, lid 77, van Legge del 13 dicembre 2010 n. 220, Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge di stabilità 2011) (wet nr. 220/2010 van 13 december 2010, maatregelen inzake de begroting en de meerjarenbegroting) ( 3 ) bepaalt:
„Teneinde in het kader van de organisatie en het beheer van kansspelactiviteiten een balans te waarborgen tussen overheidsbelangen en particuliere belangen, gelet op het staatsmonopolie voor kansspelen [...] en de op deze sector toepasselijke beginselen, ook van de Europese Unie, inzake concurrentieselectie, en teneinde de bestrijding van onregelmatige of illegale kansspelen in Italië te versterken, de bescherming van consumenten, met name van minderjarige consumenten, de bescherming van de openbare orde, de bestrijding van deelname van minderjarigen aan kansspelen en van infiltratie van de georganiseerde misdaad [...] te bevorderen, gaat de Agenzia delle Dogane e dei Monopoli (agentschap voor douane en monopolies, Italië; hierna: „AAMS”) onverwijld over tot aanpassing van de modelconcessieovereenkomst voor de uitoefening en inzameling van openbare kansspelen anders dan op afstand.”
4.
Artikel 1, lid 78, van wet nr. 220/2010 heeft nieuwe verplichtingen geïntroduceerd voor houders van concessies voor de exploitatie en inzameling van openbare kansspelen anders dan op afstand, door met name het volgende te bepalen:
–
de schuldverhouding moet onder een bepaalde waarde blijven [artikel 1, lid 78, onder b), punt 4];
–
vooraf moet om goedkeuring worden verzocht voor: handelingen waardoor de ondernemingsstructuur van de concessiehouder wordt gewijzigd; de overdracht van deelnemingen gehouden door de concessiehouder waardoor de vermogenspositie kan worden verzwakt; de bestemming van winsten voor andere doeleinden dan investeringen verbonden aan de activiteit die voorwerp van de concessie is [artikel 1, lid 78, onder b), punten 8, 9 en 17];
–
verplichting voor de concessiehouder om het gebruikelijke beheer van de activiteit voort te zetten, totdat deze activiteit is overgedragen aan de nieuwe concessiehouder [artikel 1, lid 78, onder b), punt 25].
5.
Bij artikel 1, lid 78, onder b), punt 23, zijn sancties ingevoerd voor de niet-nakoming van de in de concessieovereenkomst vastgestelde verplichtingen.
6.
De bij artikel 1, lid 78, van wet nr. 220/2010 vastgestelde vereisten voor concessiehouders zijn uitgevoerd bij interdepartementaal besluit van de directeur van de AAMS van 28 juni 2011 (hierna: „besluit van de AAMS”). ( 4 ) Deze vereisten, die beoogden de winstgevendheid en de solventie van de concessiehouders te verbeteren en hun aanzien en betrouwbaarheid te verhogen, zijn zowel aan bestaande als aan nieuwe concessiehouders opgelegd.
II. Feiten, procedure en prejudiciële vragen
7.
B Plus Giocolegale Ltd, thans Global Starnet Ltd (hierna: „Global Starnet”), is houder van een concessie van de AAMS voor de activering en exploitatie van het netwerk voor het beheer op afstand van legale kansspelen. Zij heeft gebruikgemaakt van de in wetsdecreet nr. 39/2009 voorziene mogelijkheid voor concessiehouders om experimenten te verrichten en vervolgens bepaalde systemen voor kansspelen te beginnen. Deelname aan deze testfase bood concessiehouders het recht op toekenning van een vernieuwing van de concessies.
8.
Na inwerkingtreding van wet nr. 220/2010 en het besluit van de AAMS heeft Global Starnet bij de Tribunale Amministrativo Regionale Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië; hierna: „TAR Lazio”) beroep ingesteld tot nietigverklaring van dat besluit op grond dat haar rechten als concessiehouder onrechtmatig waren aangetast. Zij heeft eveneens schadevergoeding gevorderd en nietigverklaring geëist van de aankondiging van de opdracht van de AAMS voor de aanbesteding van een dienstenconcessie betreffende de verwezenlijking en de exploitatie van het netwerk voor het beheer op afstand van legale kansspelen. De vorderingen van Global Starnet waren zowel op nationaal recht als op het recht van de Unie gebaseerd.
9.
De TAR Lazio heeft het beroep ten dele toegewezen, wat betreft de schending van nationaal recht, maar heeft geoordeeld dat noch de Italiaanse grondwet, noch het recht van de Unie was geschonden. Global Starnet heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië).
10.
De Consiglio di Stato heeft het hoger beroep van Global Starnet bij arrest nr. 4371 van 2 september 2013 ten dele toegewezen. Daarenboven heeft de Consiglio di Stato de zaak aan de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) voorgelegd wegens twijfel aan de grondwettigheid van artikel 1, lid 79, van wet nr. 220/2010.
11.
Bij arrest van 31 maart 2015, nr. 56, heeft de Corte costituzionale geoordeeld dat de aan de orde zijnde nationale bepaling niet in strijd was met de Italiaanse grondwet en de zaak terugverwezen naar de Consiglio di Stato.
12.
Aangezien wordt getwijfeld aan de verenigbaarheid van de bestreden nationale wetgeving met het recht van de Unie, heeft de Consiglio di Stato beslist de behandeling van de zaak te schorsen en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
„1)
Kan artikel 267, derde alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat de rechter in laatste instantie niet onvoorwaardelijk verplicht is een vraag van uitlegging van Europees recht te verwijzen voor een prejudiciële beslissing indien de Corte costituzionale tijdens het betrokken geding bij de beoordeling van de grondwettelijkheid van de nationale regeling in wezen dezelfde regelgevingsparameters heeft gebruikt als die waarvan de uitlegging aan het Hof van Justitie wordt verzocht, ook al zijn zij formeel verschillend omdat zij in de grondwet en niet in Europese Verdragen zijn vastgelegd?
2)
Subsidiair, voor het geval het Hof op de vraag naar de uitlegging van artikel 267, derde alinea, VWEU antwoordt dat de prejudiciële verwijzing verplicht is: verzetten de bepalingen en beginselen als bedoeld in de artikelen 26 (interne markt), 49 (recht van vestiging), 56 (vrijheid van dienstverrichting) en 63 (vrij verkeer van kapitaal) VWEU, artikel 16 (vrijheid van ondernemerschap) van het Handvest [...] en het algemene vertrouwensbeginsel (dat ‚één van de fundamentele beginselen van de Unie is’, zoals vastgesteld door het Hof van Justitie in het arrest van 14 maart 2013, Agrargenossenschaft Neuzelle, C‑545/11) zich tegen de vaststelling en toepassing van een nationale regeling [artikel 1, lid 78, onder b), punten 4, 8, 9, 17, 23 en 25, van wet nr. 220/2010] die ook aan houders van reeds bestaande concessies [...] nieuwe vereisten en verplichtingen oplegt door middel van een addendum bij de reeds bestaande overeenkomst (en zonder enige bepaling inzake de geleidelijke aanpassing)?”
III. Beoordeling
A. Eerste vraag
13.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het feit dat het grondwettelijk hof van een lidstaat een nationale maatregel verenigbaar heeft verklaard met de grondwet, van invloed is op de krachtens artikel 267 VWEU aan de nationale rechter in laatste instantie opgelegde verplichting om een vraag betreffende de uitlegging van het recht van de Unie voor te leggen aan het Hof, wanneer de nationale bepalingen waarop de beoordeling van het grondwettelijk hof is gebaseerd vergelijkbaar zijn met de relevante bepalingen van het recht van de Unie.
14.
Het antwoord op deze vraag is mijns inziens nogal duidelijk.
15.
Overeenkomstig de door de Tsjechische en de Italiaanse regering en de Commissie ingediende opmerkingen, ben ik van mening dat het feit dat een grondwettelijk hof een nationale maatregel verenigbaar heeft verklaard met de grondwet, geen gevolgen kan hebben voor de bij artikel 267 VWEU vastgestelde rechten of verplichtingen van nationale rechters. Dat geldt ongeacht de vraag of de door het grondwettelijk hof uitgelegde bepalingen of beginselen van de nationale grondwet overeenkomsten vertonen met sommige bepalingen of beginselen van het recht van de Unie.
16.
In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat een rechter van een lidstaat het grondwettelijk hof een vraag inzake de grondwettigheid van een nationale maatregel kan voorleggen, of het feit dat een dergelijke vraag is gesteld, niet van invloed is op het recht van deze rechter, of in voorkomend geval zijn verplichting, om zich krachtens artikel 267 VWEU tot het Hof te wenden. De nationale rechter bezit immers de meest uitgebreide bevoegdheid om zich tot het Hof te wenden, indien hij meent dat een bij hem aanhangig geding vragen opwerpt die een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie verlangen en ter zake waarvan hij een beslissing moeten nemen. ( 5 )
17.
Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geschil over het recht van de Unie aanhangig is en die vaststelt dat een nationale bepaling niet alleen strijdt met het recht van de Unie maar ook ongrondwettig is, niet de bevoegdheid verliest of van de in artikel 267 VWEU bedoelde verplichting is ontslagen, zich tot het Hof te wenden op grond dat de vaststelling van de ongrondwettigheid van een regel van nationaal recht hem verplicht, de zaak aan het grondwettelijk hof voor te leggen. ( 6 ) Nationale wetgeving die de nationale rechter belet vóór en/of na de toezending van een grondwettigheidsvraag zijn bevoegdheid uit te oefenen of zijn plicht na te komen, als voorzien in artikel 267 VWEU, om zich met prejudiciële vragen tot het Hof te wenden, is derhalve onverenigbaar met het recht van de Unie. ( 7 ) Het moet de nationale rechter daarom vrijstaan zich met de relevante vragen inzake de uitlegging van het recht van de Unie tot het Hof te wenden indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het recht van de Unie strijdig vonnis zou kunnen brengen. ( 8 )
18.
Deze beginselen zijn a fortiori toepasselijk waar het grondwettelijk hof het recht van de Unie niet heeft uitgelegd, maar zijn oordeel heeft beperkt tot vragen betreffende de uitlegging van nationaal recht. Overeenkomstig het arrest Cilfit ( 9 ) kan een nationale rechter in laatste instantie alleen afzien van een prejudiciële verwijzing indien is voldaan aan de voorwaarden van een acte clair of van een acte éclairé. Dat is het geval omdat in dergelijke omstandigheden de nationale rechter terecht kan menen dat de juiste toepassing van het recht van de Unie zo evident is, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. ( 10 )
19.
Het valt evenwel moeilijk in te zien hoe de uitlegging van het nationale recht van een lidstaat door het nationale grondwettelijk hof kan bijdragen aan het wegnemen van twijfels aangaande de juiste uitlegging van het recht van de Unie. Ondanks dat zij op verschillende niveaus nauw met elkaar vervlochten zijn, blijven de rechtsstelsels van de lidstaten en dat van de Unie fundamenteel verschillend. Meer bepaald, zoals het Hof in het arrest Cilfit ( 11 ) heeft uiteengezet, zelfs wanneer zij dezelfde (of soortgelijke) begrippen gebruiken, kunnen deze begrippen een verschillende betekenis hebben.
20.
De in deze conclusie voorgestelde uitlegging van artikel 267 VWEU wordt niet in twijfel getrokken door het feit – zoals vermeld in de verwijzingsbeslissing – dat personen, overeenkomstig de arresten Francovich e.a. ( 12 ) en Köbler ( 13 ), vergoeding kunnen verkrijgen voor schendingen van het recht van de Unie door de nationale rechter. Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, vormt de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden met succes een beroep te doen op de aansprakelijkheid van lidstaten in geval van rechterlijke dwaling slechts een laatste redmiddel. Een vordering tot aansprakelijkstelling van de lidstaat beoogt slechts de schade te herstellen die is veroorzaakt door schending van het recht van de Unie, maar heeft niet tot doel de eenvormige toepassing van het recht van de Unie te waarborgen, hetgeen door artikel 267 VWEU wordt nagestreefd.
21.
Zoals het Hof in advies 2/13 heeft benadrukt, wordt de hoeksteen van het door de Verdragen opgezette rechterlijke systeem gevormd door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die tot doel heeft de eenvormige uitlegging van het recht van de Unie te verzekeren door specifiek tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen. ( 14 ) Een andere dan de in casu voorgestelde uitlegging zou derhalve de doeltreffendheid van artikel 267 VWEU verminderen.
22.
Ik zie evenmin een toegenomen risico van misbruik door partijen, zoals door de verwijzende rechter wordt gevreesd. De prejudiciële procedure is een procedure waaraan ieder initiatief van partijen vreemd is. ( 15 ) Hoewel partijen de nationale rechter kunnen voorstellen om een of meer vragen aan het Hof voor te leggen en voorstellen kunnen doen met betrekking tot de inhoud van deze vragen, staat het uitsluitend aan de nationale rechter om te beslissen of er vragen, en zo ja welke, aan het Hof moeten worden voorgelegd. Krachtens het bij artikel 267 VWEU vastgestelde systeem is de nationale rechter verplicht een sleutelrol te spelen in het schiften van de voorstellen van partijen voor een prejudiciële verwijzing, en in voorkomend geval, van de vragen aangaande de uitlegging of de geldigheid van het recht van de Unie die aan het Hof moeten worden voorgelegd.
23.
Dienovereenkomstig moet het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luiden dat het feit dat het grondwettelijk hof van een lidstaat een nationale maatregel verenigbaar heeft verklaard met de grondwet, niet van invloed is op de krachtens artikel 267 VWEU aan de nationale rechter in laatste instantie opgelegde verplichting om een vraag betreffende de uitlegging van het recht van de Unie voor te leggen aan het Hof, ongeacht of de nationale bepalingen waarop de beoordeling van het grondwettelijk hof is gebaseerd vergelijkbaar zijn met de relevante bepalingen van het recht van de Unie.
B. Tweede vraag
24.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Verdragsbepalingen inzake de interne markt, artikel 16 van het Handvest, of het algemene vertrouwensbeginsel zich verzetten tegen nationale bepalingen zoals die in het hoofdgeding, waarbij nieuwe financiële, technische en professionele vereisten worden vastgesteld die zowel toepasselijk zijn op bestaande als op nieuwe concessiehouders van kansspeldiensten.
25.
Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
1. Artikelen 26, 49, 56 en 63 VWEU
a) Bestaan van een zuiver interne situatie
26.
Het zwaartepunt van de kritiek van Global Starnet betreft het feit dat bij wet nr. 220/2010 nieuwe vereisten voor concessiehouders zijn vastgesteld die eveneens op bestaande concessies toepasselijk zijn. Global Starnet betwist het feit dat de Italiaanse autoriteiten deze vereisten voor concessiehouders kunnen vaststellen niet in het algemeen, maar betwist alleen dat zij deze vereisten ook mogen toepassen op concessiehouders die reeds actief zijn op de markt.
27.
In dat geval klaagt Global Starnet in wezen over het opwerpen van een mogelijke belemmering – meer bepaald in de vorm van hogere kosten – bij de uitvoering van de activiteiten van de dienstverrichters die reeds in Italië zijn gevestigd en die diensten verschaffen aan Italiaanse consumenten. Zij stelt niet dat deze vereisten in het buitenland gevestigde ondernemingen ervan kunnen weerhouden om zich ofwel te vestigen in Italië, ofwel om grensoverschrijdende kansspeldiensten te verschaffen.
28.
Tegen deze achtergrond rijst gerechtvaardigde twijfel of de situatie waarover wordt geklaagd niet een zuiver interne Italiaanse situatie vormt en derhalve buiten de werkingssfeer van de bepalingen inzake de interne markt valt. Volgens vaste rechtspraak zijn de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging, de vrijheid van dienstverrichting en het vrije verkeer van kapitaal immers niet van toepassing op een situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen. ( 16 ) Het Hof heeft meer in het bijzonder geoordeeld dat artikel 56 VWEU normaliter geen betrekking heeft op maatregelen die uitsluitend tot gevolg hebben dat er voor de dienstverrichting in kwestie extra kosten ontstaan en die het verrichten van diensten tussen lidstaten en het verrichten van diensten binnen één lidstaat gelijkelijk raken. ( 17 ) Mijns inziens is hetzelfde beginsel mutatis mutandis toepasselijk met betrekking tot de artikelen 49 en 63 VWEU.
29.
Elk mogelijk gevolg van de betrokken maatregelen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie lijkt derhalve zo onzeker en indirect dat deze maatregelen niet kunnen worden geacht een fundamentele vrijheid te belemmeren. ( 18 ) Tegen deze achtergrond lijken de artikelen 26, 49, 56 en 63 VWEU niet toepasselijk in het hoofdgeding.
30.
Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel een zeer ruime uitlegging van artikel 49 VWEU bepleit en aangevoerd dat het loutere feit dat verzoekster in het hoofdgeding een niet-Italiaanse vennootschap is, volstaat voor toepassing van dat artikel. De Commissie stelt in wezen dat aangezien de aan de orde zijnde bepalingen beperkende gevolgen kunnen hebben voor het verrichten van de betrokken economische activiteit in Italië, deze bepalingen belemmeringen vormen voor de vrijheid van vestiging. De Commissie verwijst ter ondersteuning van haar argumenten naar het arrest CaixaBank France ( 19 ).
31.
Nochtans biedt dat arrest, in plaats van de stellingen van de Commissie te staven, veeleer steun voor het tegenovergestelde standpunt.
32.
In de zaak CaixaBank France heeft advocaat-generaal Tizzano immers grondig uiteengezet waarom de door de Commissie bepleite uitlegging onjuist is. Na een gedetailleerde bespreking van de rechtspraak heeft hij met name gesteld dat „nationale bepalingen die de uitoefening van een economische activiteit regelen zonder de toegang daartoe rechtstreeks te beïnvloeden en zonder juridisch of feitelijk op enigerlei wijze tussen de nationale en de buitenlandse marktdeelnemers te discrimineren, mijns inziens bezwaarlijk als met het Verdrag strijdige beperkingen kunnen worden gekwalificeerd, alleen maar omdat zij de uitoefening van die activiteit economisch minder voordelig maken”. Hij was van mening dat „zolang het beginsel van non-discriminatie in acht wordt genomen [...] een nationale maatregel niet als een beperking van het vrije verkeer [...] kan worden gekwalificeerd, op voorwaarde dat hij, gelet op het doel en de gevolgen ervan, niet van rechtstreekse invloed op de toegang tot de markt is”. ( 20 )
33.
Tegen deze achtergrond heeft hij na een onderzoek van de feiten van de zaak geconcludeerd dat de nationale maatregelen aan de orde in die procedure zich ertoe leenden om dochterondernemingen van buitenlandse banken in een minder gunstige feitelijke situatie te plaatsen dan Franse banken en bijgevolg een door het Verdrag verboden beperking van de vrijheid van vestiging vormden. ( 21 ) Het arrest van het Hof lijkt deze beoordeling volledig te bevestigen. Het Hof heeft gewezen op de feitelijk discriminerende aspecten van deze maatregelen en uiteengezet hoe zij de toegang tot de Franse markt door dochterondernemingen van buitenlandse banken negatief konden beïnvloeden. ( 22 )
34.
Er bevindt zich daarentegen niets in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat de aan de orde zijnde nationale bepalingen gevolgen kunnen hebben voor het handelsverkeer binnen de Unie. Maar zelfs indien het Hof zou oordelen dat bepaalde grensoverschrijdende gevolgen van de aan de orde zijnde bepalingen niet kunnen worden uitgesloten, ondanks dat de feiten van de zaak lijken te zijn beperkt tot één lidstaat ( 23 ), zouden deze bepalingen toch nog altijd verenigbaar zijn met de regels van de Unie inzake de interne markt, op grond van de redenen die ik hierna uiteen zal zetten.
b) Bestaan van een beperking van de vrijheid van vestiging
35.
In de eerste plaats moet worden vastgesteld welke van de bepalingen van het VWEU inzake de interne markt die de Consiglio di Stato heeft aangehaald, toepasselijk is in de onderhavige procedure. Deze rechter haalt er zonder onderscheid een aantal aan: artikelen 26, 49, 56 en 63 VWEU.
36.
Het komt mij voor dat de zaak – indien deze geacht zou worden niet te zijn beperkt tot het Italiaanse grondgebied – moet worden onderzocht in het licht van artikel 49 VWEU. De aan de orde zijnde nationale bepalingen beperken immers de mogelijkheid voor ondernemingen om kansspeldiensten te verschaffen in Italië.
37.
De artikelen 26, 56 en 63 VWEU lijken daarentegen irrelevant in de onderhavige procedure. Artikel 26 VWEU lijkt immers, tenminste aangaande de feiten van deze zaak, geen aanvullende normatieve inhoud te hebben ten opzichte van de artikelen 49, 56 en 63 VWEU. Artikel 56 VWEU is vervolgens niet toepasselijk voor zover de geregelde activiteiten een vestiging in Italië vereisen. Ten slotte lijkt een afzonderlijke analyse van de aan de orde zijnde nationale bepalingen aan de hand van artikel 63 VWEU niet gerechtvaardigd: de mogelijke gevolgen voor grensoverschrijdend kapitaalverkeer horen bij, en zijn niet te scheiden van, de beperkende gevolgen die de betrokken maatregelen kunnen hebben op het verschaffen van de diensten waarvoor dat kapitaal wordt gebruikt. ( 24 )
38.
Vervolgens zou ik wat betreft het bestaan van een beperking krachtens artikel 49 VWEU willen opmerken dat moeten worden beschouwd als beperkingen van de vrijheid van vestiging, alle maatregelen die de uitoefening van de door dat artikel gewaarborgde vrijheden verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken. ( 25 )
39.
Derhalve zou het Hof moeten oordelen dat de aan de orde zijnde nationale bepalingen, tenzij het vaststelt dat de gevolgen ervan zich tot Italië beperken, een beperking vormen in het kader van artikel 49 VWEU. De vaststelling van zwaardere vereisten om een concessie te verkrijgen voor kansspeldiensten zou buitenlandse ondernemingen er immers van kunnen weerhouden om zich in Italië te vestigen teneinde kansspeldiensten te verschaffen.
c) Bestaan van een passende en evenredige rechtvaardiging
40.
In de tweede plaats moet worden onderzocht of de beperking van de vrijheid van vestiging kan worden gerechtvaardigd. In dat verband behoort de kansspelregeling volgens vaste rechtspraak tot de gebieden waarop er tussen de lidstaten aanzienlijke morele, religieuze en culturele verschillen bestaan. Bij ontbreken van harmonisatie ter zake op het niveau van de Unie beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen welk niveau van bescherming van de consument en de maatschappelijke orde zij het meest passend achten. ( 26 )
41.
De lidstaten zijn derhalve vrij om hun beleidsdoelstellingen op het gebied van kansspelen te bepalen en om in voorkomend geval het gewenste beschermingsniveau nauwkeurig te omlijnen. ( 27 ) Lidstaten hebben meer bepaald het recht om op dit gebied een bijzonder hoog beschermingsniveau na te streven. ( 28 ) De beperkingen die de lidstaten opleggen, moeten evenwel voldoen aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden aan met name de rechtvaardiging door dwingende vereisten van algemeen belang en evenredigheid. ( 29 )
42.
Bijgevolg moet, teneinde na te gaan of de beperkingen kunnen worden gerechtvaardigd, in de eerste plaats worden vastgesteld welke doelstellingen de aan de orde zijnde nationale maatregelen nastreven, en in de tweede plaats worden bepaald of deze bepalingen verenigbaar zijn met het evenredigheidsbeginsel.
43.
Met betrekking tot het eerste punt was het doel van de aan de orde zijnde nationale bepalingen, zoals blijkt uit de bewoordingen van die bepalingen en de verwijzingsbeslissing, met name de verbetering van de winstgevendheid en de solventie van de concessiehouders en de verhoging van hun aanzien en betrouwbaarheid, en bestrijding van de criminaliteit.
44.
Gelet op de bijzondere situatie waarin concessiehouders actief zijn, zijn dat – ongetwijfeld – legitieme doelstellingen die een beperking krachtens artikel 49 VWEU kunnen rechtvaardigen. Het Hof heeft consequent geoordeeld dat de doelstelling om te verzekeren dat verrichters van kansspeldiensten een economische en financiële draagkracht hebben op grond waarvan zij de verbintenissen kunnen nakomen die ten aanzien van winnende spelers zouden kunnen ontstaan, een dwingend vereiste van algemeen belang kan vormen dat een beperking van de fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen. ( 30 ) Het Hof heeft een soortgelijke conclusie getrokken met betrekking tot de doelstelling die betrekking heeft op de bestrijding van de aan kansspelen verbonden criminaliteit. ( 31 )
45.
Wat het tweede punt betreft, moet eerst worden bepaald of de aan de orde zijnde nationale bepalingen kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen en, vervolgens, of zij verder gaan dan daartoe noodzakelijk is.
46.
Met betrekking tot het eerste van deze aspecten, ben ik van mening dat vereisten zoals de verplichting om de schuldverhouding onder een bepaalde waarde te houden en de noodzaak om vooraf om goedkeuring te verzoeken voor de bestemming van winsten voor andere doeleinden dan investeringen verbonden aan de activiteit die voorwerp van de concessie is, duidelijk en rechtstreeks zijn verbonden met de doelstelling om de winstgevendheid en de solventie van de concessiehouders te verbeteren. Het vereiste betreffende de bestemming van winsten lijkt mij eveneens – minstens in bepaalde mate – verbonden met de doelstelling om de aan kansspelen verbonden criminaliteit te bestrijden. De maatregel lijkt immers geschikt om te verzekeren dat de uit kansspelactiviteiten voortvloeiende gelden niet worden doorgesluisd naar andere activiteiten van andere aard.
47.
De vereisten inzake voorafgaande goedkeuring van handelingen waardoor de ondernemingsstructuur van de concessiehouder wordt gewijzigd en van de overdracht van deelnemingen gehouden door de concessiehouder waardoor de vermogenspositie kan worden verzwakt, dienen eveneens de bovengenoemde doelstelling betreffende het waarborgen van het economische voortbestaan van concessiehouders. Deze maatregelen zijn immers duidelijk bedoeld om te verzekeren dat de noodzakelijke technische, economische en financiële draagkracht van concessiehouders wordt verwezenlijkt, niet alleen wanneer de concessies worden verleend, maar eveneens dat deze draagkracht niet wordt aangetast gedurende de looptijd van de concessie. Nogmaals, doelstellingen van openbare orde en openbare veiligheid lijken evenmin vreemd aan deze vereisten. Zij zijn immers eveneens bedoeld om te vermijden dat ondernemingen die niet kunnen voldoen aan de ethische en professionele vereisten, rechtstreeks of indirect, de concessies zouden kunnen verkrijgen door een concessiehouder over te nemen.
48.
Wat vervolgens de evenredigheid in strikte zin betreft, herinner ik eraan dat het normaal aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of de aan de orde zijnde nationale bepalingen, in het licht van alle hem beschikbare gegevens, niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. ( 32 )
49.
Teneinde de verwijzende rechter het nuttigst mogelijke antwoord te verschaffen, kan het Hof echter beslissen inlichtingen te verstrekken aangaande de factoren die deze rechter bij zijn analyse in aanmerking moet nemen. Met de discretionaire bevoegdheid waarover de Italiaanse autoriteiten op dit gebied beschikken in gedachten, lijken de volgende factoren mogelijk relevant.
50.
In de eerste plaats lijkt de verplichting om de schuldverhouding onder een bepaalde waarde te houden – vooropgesteld dat deze waarde redelijk is en niet buitensporig ten opzichte van de mogelijke aansprakelijkheid van deze onderneming jegens haar klanten – geen onoverkomelijk vereiste te zijn voor een betrouwbare marktdeelnemer die de activiteit van inzameling van weddenschappen wenst uit te oefenen. Niets in het dossier wijst erop dat minder beperkende maatregelen net zo doeltreffend zouden zijn geweest bij het nastreven van de gestelde doelstellingen.
51.
In de tweede plaats moet de verwijzende rechter het feit in aanmerking nemen dat de aan de orde zijnde nationale bepalingen geen volledig verbod bevatten aangaande de handelingen waarnaar wordt verwezen in artikel 1, lid 78, onder b), punten 8, 9 en 17 van wet nr. 220/10, maar ze alleen onderwerpen aan een stelsel van voorafgaande goedkeuring. De beperkende invloed van deze bepalingen, waarmee slechts een vorm van openbaar toezicht van bepaalde transacties wordt ingevoerd, is derhalve beperkt. Ik wil er evenwel aan herinneren dat volgens vaste rechtspraak een stelsel van voorafgaande administratieve goedkeuring gebaseerd moet zijn op objectieve, niet-discriminerende criteria die vooraf bekend zijn, zodat een grens wordt gesteld aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale autoriteiten en deze niet op willekeurige wijze kan worden gebruikt. ( 33 )
52.
De Commissie voert echter aan dat een stelsel van eenvoudige kennisgeving wat dat betreft minder beperkend zou zijn geweest. Ik zie evenwel niet in op welke wijze met een dergelijk stelsel de door de Italiaanse wetgever nagestreefde doelstellingen net zo doeltreffend zouden kunnen worden verwezenlijkt dan met de aan de orde zijnde bepalingen. Het is duidelijk dat een stelsel van voorafgaande goedkeuring de autoriteiten in staat stelt om onmiddellijk te reageren op transacties die zij problematisch achten, door niet toe te staan dat deze transacties plaatsvinden of door om meer informatie te verzoeken voordat dienaangaande een besluit wordt genomen. Een kennisgevingsstelsel dient daarentegen alleen om de autoriteiten te informeren dat bepaalde transacties zijn of zullen worden uitgevoerd, maar verleent deze autoriteiten geen enkele specifieke bevoegdheid om in te grijpen.
53.
Aangaande ten slotte de invoering van sancties in geval van schending van de nieuwe vereisten door concessiehouders, ben ik van mening dat zij de noodzakelijke pendant zijn van de bij de aan de orde zijnde bepalingen vastgestelde nieuwe vereisten. Zij hebben immers tot doel te verzekeren dat marktdeelnemers aan deze vereisten voldoen. Of de sancties die zijn vastgesteld bij de aan de orde zijnde nationale bepalingen, verenigbaar zijn met de bepalingen van de Unie betreffende het vrije verkeer is derhalve voornamelijk van twee factoren afhankelijk. In de eerste plaats zijn de sancties onverenigbaar met het recht van de Unie indien de vereisten waarop zij zijn gebaseerd in strijd zijn met artikel 49 VWEU. ( 34 ) In de tweede plaats kunnen de sancties nog altijd onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, zelfs wanneer de vereisten wel met dat recht verenigbaar zouden zijn, wanneer er sprake zou zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel. Dat zou het geval zijn indien de sanctie zo onevenredig is aan de ernst van de overtreding, dat zij een belemmering van de in de Verdragen neergelegde vrijheden wordt. ( 35 )
54.
Concluderend, wat de eerste van deze factoren betreft, heb ik reeds betoogd dat de nieuwe vereisten volgens mij artikel 49 VWEU niet schenden. Aangaande de tweede factor staat het aan de nationale rechter om dat na te gaan, niet het minst omdat de verwijzingsbeslissing geen gedetailleerde informatie bevat betreffende de aard en het bedrag van deze sancties.
d) Bestaan van een voldoende lange overgangsperiode
55.
De verwijzende rechter benadrukt eveneens het feit dat de aan de orde zijnde nationale bepalingen ten behoeve van de bestaande concessiehouders niet voorzien in enige periode van „geleidelijke aanpassing” aan de nieuwe vereisten.
56.
Ik moet toegeven dat ik ietwat onthutst ben door deze opmerking. Uitgerekend uit de tekst van artikel 1, lid 79, van wet nr. 220/2010 blijkt immers dat bestaande concessiehouders 180 dagen hebben om het addendum bij de bestaande overeenkomst, dat de nieuwe vereisten omvat, te tekenen. Global Starnet heeft dat ter terechtzitting bevestigd.
57.
Mijns inziens kan een periode van zes maanden nauwelijks als kort of van weinig betekenis worden beschouwd.
58.
Het staat hoe dan ook aan de nationale rechter om te beoordelen of deze periode passend is, in aanmerking nemend dat volgens de rechtspraak van het Hof de noodzaak van een overgangsperiode – in een situatie zoals die in het hoofdgeding – voorafgaand aan de inwerkingtreding van nieuwe beperkingen afhankelijk is van een allesomvattende beoordeling van alle relevante omstandigheden. Het Hof heeft met andere woorden niet geoordeeld dat het recht van de Unie vereist dat nationale wetgeving altijd moet voorzien in een overgangsperiode om marktdeelnemers in staat te stellen zich aan te passen aan een beleidswijziging op een bepaald rechtsgebied. ( 36 ) Dat geldt evenzeer met betrekking tot kansspeldiensten. ( 37 )
2. Artikel 16 van het Handvest
59.
Een afzonderlijke toetsing van de aan de orde zijnde nationale maatregelen aan artikel 16 van het Handvest is mijns inziens niet nodig.
60.
In de eerste plaats bevat de verwijzingsbeslissing geen specifiek onderdeel of argument dat met name betrekking heeft op mogelijke schending van artikel 16 van het Handvest. De verwijzingsbeslissing richt zich immers voornamelijk op mogelijke schending van de bepalingen van het recht van de Unie inzake de interne markt.
61.
In de tweede plaats en zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, geldt de toetsing aan, bijvoorbeeld, artikel 56 VWEU van de beperkingen van nationale wetgeving inzake het verschaffen van kansspeldiensten ook voor de mogelijke beperkingen van de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest. Een afzonderlijke toetsing is derhalve niet nodig. ( 38 )
3. Vertrouwensbeginsel
62.
Ten slotte zie ik niet in op welke wijze een op gewettigd vertrouwen gebaseerde vordering krachtens het recht van de Unie als gegrond zou kunnen worden beschouwd.
63.
Om te beginnen zou ik eraan willen herinneren dat van een dergelijk vertrouwen alleen sprake kan zijn wanneer een persoon nauwkeurige, onvoorwaardelijke en overeenstemmende toezeggingen heeft gekregen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. ( 39 ) Dat houdt enerzijds in dat de verwachtingen met betrekking tot een specifieke situatie die krachtens het recht van de Unie bescherming verdienen, zijn gewekt door een instelling van de Unie ( 40 ) of een ander lichaam dat handelt als „vertegenwoordiger” van de Unie (bijvoorbeeld nationale autoriteiten die zijn belast met de omzetting of invoering van het recht van de Unie) ( 41 ) en anderzijds dat deze verwachtingen eveneens zijn gedwarsboomd door een instelling van de Unie of een ander lichaam dat handelt als „vertegenwoordiger” van de Unie. ( 42 )
64.
In het onderhavige geval is evenwel aan geen van deze voorwaarden voldaan. Enerzijds zijn er geen toezeggingen gedaan door een instelling of een lichaam van de Unie, of door nationale autoriteiten die handelen als vertegenwoordiger van de Unie. Anderzijds is er geen sprake van een maatregel van de Unie die de situatie van verzoekster in het hoofdgeding heeft geraakt. Global Starnet heeft immers ter terechtzitting desgevraagd bevestigd dat: i) de vermeende toezeggingen enkel zijn ontleend aan het bestaan van bepaalde nationale wetgeving (de wetgeving die bestond vóór de vaststelling van de aan de orde zijnde nationale bepalingen), en ii) de vermeende schending voortspruit uit de loutere vaststelling van de aan de orde zijnde nationale bepalingen.
65.
De situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, met inbegrip van de zaken die betrekking hebben op dit vraagstuk, vertoont dus geen Unierechtelijk relevant aspect. In deze omstandigheden zou een op gewettigd vertrouwen gebaseerde vordering – zo die mogelijk zou zijn – ten hoogste kunnen worden gebaseerd op het nationale recht. Aan de krachtens het recht van de Unie vereiste voorwaarden om een dergelijke vordering met succes geldend te maken is in elk geval duidelijk niet voldaan.
66.
Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer een duidelijke en uitdrukkelijke toezegging door de bevoegde autoriteit ontbreekt, een voorzichtige en bezonnen investeerder niet mag vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de bevoegde autoriteiten in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen. ( 43 ) In het onderhavige geval kan evenwel, zoals gezegd, geen dergelijke duidelijke en uitdrukkelijke toezegging worden ontdekt.
67.
Dat lijkt mij in het onderhavige geval des te meer te gelden aangezien Global Starnet ermee heeft ingestemd om deel te nemen aan een experimenteel programma in ruil voor het recht om haar concessies automatisch vernieuwd te krijgen. Mijns inziens is de reden voor een testfase juist om gedurende een specifieke periode het functioneren van nieuwe diensten en de doeltreffendheid en de geschiktheid van de daarop toepasselijke maatregelen, te testen. Er kan derhalve worden verwacht – en een voorzichtige marktdeelnemer moet zich daarvan bewust zijn – dat deze regels na de testfase zouden kunnen worden gewijzigd.
68.
Ik merk ten slotte eveneens op dat het Hof heeft geoordeeld dat de Italiaanse autoriteiten, minstens in bepaalde omstandigheden, verplicht waren te waarborgen dat zowel de oude als de nieuwe concessiehouders werden onderworpen aan dezelfde voorwaarden, teneinde te verzekeren dat zij op de markt gelijke mogelijkheden hebben. ( 44 ) Tegen deze achtergrond, en in het licht van de gevoelige aard van kansspeldiensten, kan een marktdeelnemer er niet van uitgaan dat er zich tijdens de volledige duur van zijn concessies (en zelfs korter wanneer zijn concessies worden vernieuwd) volstrekt geen wijziging van de regels die deze activiteiten beheersen, zal voordoen. Met andere woorden, het enkele feit dat bepaalde regels (met name van technische aard, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn) worden gewijzigd – ook met betrekking tot bestaande concessiehouders – kan niet automatisch leiden tot schending van gewettigd vertrouwen.
4. Conclusie aangaande de tweede vraag
69.
In het licht van het bovenstaande, moet het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luiden dat de artikelen 49, 56 en 63 VWEU, artikel 16 van het Handvest, en het algemene vertrouwensbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan nationale wetgeving zoals de aan de orde zijnde, waarbij nieuwe financiële, technische en professionele vereisten worden vastgesteld die zowel toepasselijk zijn op bestaande als op nieuwe concessiehouders op het gebied van kansspeldiensten.
70.
Ter afsluiting van dit punt lijkt het nuttig nogmaals te benadrukken dat de vaststelling van de aan de orde zijnde maatregelen toch vragen kan opwerpen krachtens het Italiaanse bestuurs- of overeenkomstenrecht – waarover de Italiaanse rechter zal moeten beslissen. Op basis van de inlichtingen in het dossier en in het licht van de door Global Starnet aangevoerde argumenten, zie ik geen onverenigbaarheid van deze maatregelen met het recht van de Unie.
IV. Conclusie
71.
In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de door de Consiglio di Stato voor een prejudiciële beslissing voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
„–
Het feit dat het grondwettelijk hof van een lidstaat een nationale maatregel verenigbaar heeft verklaard met de grondwet, is niet van invloed op de krachtens artikel 267 VWEU aan de nationale rechter in laatste instantie opgelegde verplichting om een vraag betreffende de uitlegging van het recht van de Unie voor te leggen aan het Hof, ongeacht of de nationale bepalingen waarop de beoordeling van het grondwettelijk hof is gebaseerd vergelijkbaar zijn met de relevante bepalingen van het recht van de Unie;
—
de artikelen 49, 56 en 63 VWEU, artikel 16 van het Handvest, en het algemene vertrouwensbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan nationale wetgeving zoals de aan de orde zijnde, waarbij nieuwe financiële, technische en professionele vereisten worden vastgesteld die zowel toepasselijk zijn op bestaande als op nieuwe concessiehouders op het gebied van kansspeldiensten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Zie voor een overzicht van de rechtspraak van het Hof op dat gebied mijn conclusies in de zaken Laezza (C‑375/14, EU:C:2015:788, punt 2) en Politanò (C‑225/15, EU:C:2016:456, punten 1‑3).
( 3 ) GURI nr. 297 van 21 december 2010.
( 4 ) Artikel 1, lid 78, onder b), punten 4, 8, 9, 17, 23 en 25, van wet nr. 220/2010 en het besluit van de AAMS worden hierna aangehaald als „de aan de orde zijnde nationale bepalingen”.
( 5 ) Zie arresten van 16 december 2008, Cartesio (C‑210/06, EU:C:2008:723, punt 88), en 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 41).
( 6 ) Zie arresten van 27 juni 1991, Mecanarte (C‑348/89, EU:C:1991:278, punten 39, 45 en 46), en 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 45).
( 7 ) Zie in deze zin arrest van 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 47).
( 8 ) Zie in deze zin arresten van 5 oktober 2010, Elchinov (C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 27), en 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 68).
( 9 ) Zie arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C:1982:335; hierna: „arrest Cilfit”).
( 10 ) Ibidem, punt 16.
( 11 ) Ibidem, punt 19.
( 12 ) Arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C‑6/90 en C‑9/90, EU:C:1991:428). Zie eveneens arrest van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame (C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79).
( 13 ) Arrest van 30 september 2003, Köbler (C‑224/01, EU:C:2003:513). Zie eveneens arresten van 28 juli 2016, Tomášová (C‑168/15, EU:C:2016:602), en 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a. (C‑160/14, EU:C:2015:565).
( 14 ) Advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 176).
( 15 ) Zie arrest van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi en Autorità garante della concorrenza e del mercato (C‑136/12, EU:C:2013:489, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 16 ) Zie arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie eveneens mijn conclusies in de gevoegde zaken Venturini (C‑159/12–C‑161/12, EU:C:2013:529, punten 26e.v.) en de zaak Gullotta en Farmacia di Gullotta Davide & C. (C‑497/12, EU:C:2015:168, punten 30e.v.).
( 17 ) Zie in deze zin arresten van 8 september 2005, Mobistar en Belgacom Mobile (C‑544/03 en C‑545/03, EU:C:2005:518 punt 31), en 11 juni 2015, Berlington Hungary e.a. (C‑98/14, EU:C:2015:386, punt 36).
( 18 ) Zie arrest van 8 mei 2014, Pelckmans Turnhout (C‑483/12, EU:C:2014:304, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 19 ) Arrest van 5 oktober 2004, CaixaBank France (C‑442/02, EU:C:2004:586).
( 20 ) Conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak CaixaBank France (C‑442/02, EU:C:2004:187, punten 23‑76; cursivering in oorspronkelijke tekst).
( 21 ) Ibidem, punten 77‑89.
( 22 ) Arrest van 5 oktober 2004, CaixaBank France (C‑442/02, EU:C:2004:586, punten 8‑16).
( 23 ) Zie in deze zin arresten van 7 mei 1997, Pistre e.a. (C‑321/94–C‑324/94, EU:C:1997:229, punt 45), en 14 juli 1988, Smanor (298/87, EU:C:1988:415, punten 8‑10).
( 24 ) Zie in deze zin arrest van 18 november 1999, X en Y (C‑200/98, EU:C:1999:566, punt 30).
( 25 ) Zie arrest van 22 januari 2015, Stanley International Betting en Stanleybet Malta (C‑463/13, EU:C:2015:25, punt 45en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 26 ) Zie arrest van 8 september 2016, Politanò (C‑225/15, EU:C:2016:645, punt 39en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 27 ) Zie onder meer arrest van 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International (C‑42/07, EU:C:2009:519, punt 59).
( 28 ) Zie in deze zin arrest van 15 september 2011, Dickinger en Ömer (C‑347/09, EU:C:2011:582, punt 48).
( 29 ) Zie arrest van 8 september 2016, Politanò (C‑225/15, EU:C:2016:645, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 30 ) Ibidem, punt 46.
( 31 ) Arrest van 28 januari 2016, Laezza (C‑375/14, EU:C:2016:60, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 32 ) Ibidem, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 33 ) Zie arrest van 4 februari 2016, Ince (C‑336/14, EU:C:2016:72, punt 55en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 34 ) Zie onder meer arrest van 6 maart 2007, Placanica e.a. (C‑338/04, C‑359/04 en C‑360/04, EU:C:2007:133, punten 68‑71).
( 35 ) Zie arrest van 5 juli 2007, Ntionik en Pikoulas (C‑430/05, EU:C:2007:410, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 36 ) Zie naar analogie arrest van 17 juli 1997, Affish (C‑183/95, EU:C:1997:373, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie eveneens mijn conclusie in de zaak Kotnik e.a. (C‑526/14, EU:C:2016:102, punten 69 en 70).
( 37 ) Zie in deze zin arrest van 11 juni 2015, Berlington Hungary e.a. (C‑98/14, EU:C:2015:386, punten 76e.v.).
( 38 ) Zie arrest van 30 april 2014, Pfleger e.a. (C‑390/12, EU:C:2014:281, punten 57‑60).
( 39 ) Zie onder meer arrest van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie (C‑630/11 P–C‑633/11 P, EU:C:2013:387, punt 132en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 40 ) Zie arrest van 17 maart 2011, AJD Tuna (C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 71en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 41 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 20 juni 2002, Mulligan e.a. (C‑313/99, EU:C:2002:386, punt 48), en 11 juli 2002, Marks & Spencer (C‑62/00, EU:C:2002:435, punten 43‑47).
( 42 ) Zie in deze zin arrest van 28 maart 1996, Anglo Irish Beef Processors International e.a. (C‑299/94, EU:C:1996:148, punten 34 en 35).
( 43 ) Zie in deze zin arrest van 10 september 2009, Plantanol (C‑201/08, EU:C:2009:539, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 44 ) Zie arrest van 16 februari 2012, Costa en Cifone (C‑72/10 en C‑77/10, EU:C:2012:80, punten 50e.v.).