CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 22 juni 2017 ( 1 )
Zaak C‑423/16 P
HX
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Syrië – Beperkende maatregelen tegen een in de bijlage bij een besluit opgenomen persoon – Verlenging van de geldigheid van dit besluit tijdens de procedure bij het Gerecht van de Europese Unie – Betekening van het verlengingsbesluit – Ontvangstbevestiging – Procedure bij het Gerecht – Verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift tijdens de mondelinge behandeling – Artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht – Bulgaarse taalversie – Afzonderlijke akte – Nietigverklaring door het Gerecht van het oorspronkelijke besluit, waarbij betrokkene op de lijst is geplaatst – Einde van de geldigheid van het verlengingsbesluit – Procesbelang bij aanpassing”
I. Inleiding
1.
De beperkende maatregelen van de Europese Unie op het vlak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vereisen een bepaalde flexibiliteit, aangezien vaak op korte termijn moet worden gereageerd op de veranderende politieke voorwaarden en omstandigheden die aan deze maatregelen ten grondslag liggen. Daarom is in de betrokken handelingen meestal niet alleen bepaald dat de noodzaak ervan regelmatig, eventueel op verzoek van de betrokken personen, moet worden geverifieerd. Dikwijls is de geldigheid van deze handelingen bovendien al a priori van werkelijk zeer tijdelijke aard, bijvoorbeeld beperkt tot een jaar, en wordt deze dan, eventueel vaak op heel korte termijn, door het vaststellen van een daarop volgende handeling verlengd.
2.
Om voor de betrokken personen op die voorwaarden overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, VWEU doeltreffende rechterlijke bescherming te kunnen waarborgen, moet in de gerechtelijke procedure rekening worden gehouden met de specifieke eigenschappen van deze handelingen. Vandaar dat het Gerecht in het bijzonder de mogelijkheid heeft erkend om, wanneer een nieuwe handeling wordt vastgesteld, het verzoekschrift tijdens de gerechtelijke procedure aan te passen, om zo nodig ook de nietigverklaring van deze nieuwe handeling te vorderen. Deze mogelijkheid en de wijze waarop daarvan gebruik kan worden gemaakt, zijn thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 4 maart 2015 ( 2 ). Voorts heeft het Hof vastgesteld dat het procesbelang van een verzoeker niet automatisch vervalt bij het einde van de geldigheid van een handeling tot vaststelling van een beperkende maatregel op het vlak van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. ( 3 )
3.
Deze hogere voorziening betreft verschillende gevolgen van deze specifieke procedurele regels. Concreet gaat het ten eerste om de vraag of het Gerecht terecht een tijdens de mondelinge behandeling gedaan aanpassingsverzoek wegens het ontbreken van een afzonderlijke akte niet-ontvankelijk kan verklaren, hoewel het Gerecht het verzoek in het proces-verbaal heeft opgenomen en de betrokkene niet op nadere voorwaarden heeft gewezen en niettegenstaande het feit dat in de betrokken procestaal de van toepassing zijnde taalversie van het Reglement voor de procesvoering niet geheel duidelijk is over de eis van de afzonderlijke akte. Ten tweede werpt deze kwestie de vraag op of het procesbelang blijft bestaan in een geval waarin de handeling die tijdens de gerechtelijke procedure is vastgesteld en waarvan het verzoek tot aanpassing de nietigverklaring beoogt, nog tijdens diezelfde procedure zelf evenzeer door een daarop volgende handeling is vervangen.
4.
Los van de technische aard ervan en los van het individuele geval zijn deze vragen relevant zowel voor het concreet verschaffen van een doeltreffende rechterlijke bescherming als voor de proceseconomie bij de rechterlijke instanties van de Unie op het bijzonder gevoelige gebied van de beperkende maatregelen.
II. Toepasselijke bepalingen
5.
Artikel 45 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat in titel II („Regeling van het taalgebruik”) van dit Reglement is ingevoegd, heeft als opschrift „Bepaling van de procestaal” en luidt als volgt:
„1. In de rechtstreekse beroepen in de zin van artikel 1 wordt de procestaal gekozen door de verzoeker [...]”
6.
Artikel 86 het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, met het opschrift „Aanpassing van het verzoekschrift” luidt in de versie ( 4 ) die van toepassing is op de in casu aan de orde zijnde procedure voor het Gerecht, als volgt:
„1. Wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, kan de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden.
2. De aanpassing van het verzoekschrift moet bij afzonderlijke akte worden gedaan vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 263, zesde alinea, VWEU waarbinnen kan worden verzocht om de nietigverklaring van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt.
3. De memorie houdende aanpassing bevat:
a)
de aangepaste conclusies;
b)
zo nodig, de aangepaste middelen en argumenten;
c)
zo nodig, het bewijs en de bewijsaanbiedingen ter zake van de aanpassing van de conclusies.
4. De memorie houdende aanpassing gaat vergezeld van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt. Indien deze handeling niet is overgelegd, stelt de griffier de verzoeker een redelijke termijn om deze over te leggen. Indien dit verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, beslist het Gerecht of het niet in acht nemen van dit vereiste tot de formele niet-ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift leidt.
5. Onverminderd de door het Gerecht te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, bepaalt de president voor de verweerder een termijn waarbinnen hij op de memorie houdende aanpassing kan antwoorden.
[...]”
III. Achtergrond van de hogere voorziening
7.
Rekwirant is een Syrische zakenman aan wie in het kader van de door de Europese Unie tegen Syrië genomen beperkende maatregelen, reisbeperkingen zijn opgelegd. Voorts zijn zijn tegoeden en economische middelen bevroren.
A. Besluiten en verordeningen van de Raad
8.
Op 9 mei 2011 heeft de Raad voor de periode tot 9 mei 2012 besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië ( 5 ) alsook verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië ( 6 ) vastgesteld. Verordening nr. 442/2011 is vervolgens door verordening (EU) nr. 36/2012 van 18 januari 2012 ( 7 ) vervangen.
9.
De regeling van besluit 2011/273 is voor de periode tot 1 december 2012 uitgevoerd door besluit 2011/782/GBVB van 1 december 2011 ( 8 ), voor de periode tot 1 maart 2013 door besluit 2012/739/GBVB van 29 november 2012 ( 9 ), en ten slotte voor de periode tot 1 juni 2014 door besluit 2013/255/GBVB van 31 mei 2013 (hierna: „besluit van 2013”) ( 10 ). De geldigheid van het besluit van 2013 is daarna door besluit 2014/309/GBVB van 28 mei 2014 ( 11 ) verlengd tot 1 juni 2015.
10.
Bij uitvoeringsbesluit 2014/488/GBVB van de Raad van 22 juli 2014 houdende uitvoering van het besluit van 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (hierna: „uitvoeringsbesluit van 2014”) ( 12 ) is de naam van HX op de lijst in bijlage 1 bij het besluit van 2013 geplaatst.
11.
Bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 793/2014 van de Raad van 22 juli 2014 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië ( 13 ) is de naam van HX toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij verordening nr. 36/2012.
12.
Bij besluit (GBVB) 2015/837 van de Raad van 28 mei 2015 houdende wijziging van het besluit van 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (hierna: „besluit van 2015”) ( 14 ) is de geldigheid van het besluit van 2013 tot 1 juni 2016 verlengd.
13.
Daarna is de geldigheid van het besluit van 2013 nog eens tot 1 juni 2017 verlengd door besluit (GBVB) 2016/850 van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van het besluit van 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (hierna: „besluit van 2016”) ( 15 ). Het besluit van 2016 is op 28 mei 2016 in het Publicatieblad bekendgemaakt, trad op 29 mei 2016 in werking en is aan HX op 30 mei 2016 betekend. ( 16 ) Vergeleken met het uitvoeringsbesluit van 2014 bevatte het besluit van 2016 een uitgebreide motivering voor het opnemen van HX op de lijst in bijlage I bij het besluit van 2013, die ten opzichte van de motivering van het uitvoeringsbesluit van 2014 met nadere gegevens was aangevuld.
14.
En ten slotte is de geldigheid van het besluit van 2013 tijdens de onderhavige hogere voorziening bij besluit (GBVB) 2017/917 van de Raad van 29 mei 2017 houdende wijziging van het besluit van 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië ( 17 ), nogmaals verlengd, tot 1 juni 2018, zonder dat zich met betrekking tot HX enige wijziging had voorgedaan.
B. Arrest van het Gerecht
15.
Met het beroep van 13 oktober 2014 heeft HX bij het Gerecht de nietigverklaring gevorderd van het uitvoeringsbesluit van 2014 en van uitvoeringsverordening nr. 793/2014, voor zover deze hem betreffen.
16.
Tijdens de terechtzitting bij het Gerecht op 8 december 2015 heeft HX een verzoek tot aanpassing van zijn verzoekschrift ingediend teneinde ook nog de nietigverklaring van het besluit van 2015, voor zover dat hem betrof, te vorderen. Dit verzoek is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting met de vermelding dat HX te kennen heeft gegeven dat hij van het besluit van 2015 tot dan toe niet op de hoogte was. Voorts is vermeld dat de Raad zich niet tegen het verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift had verzet.
17.
In het arrest van 2 juni 2016 (hierna: „bestreden arrest”) ( 18 ) heeft het Gerecht het verzoek om het verzoekschrift aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, echter niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht baseerde zich daarbij op artikel 86, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, op grond waarvan de aanpassing van het verzoekschrift bij afzonderlijke akte moet worden gedaan. Aan deze voorwaarde was naar het oordeel van het Gerecht niet voldaan, aangezien HX alleen mondeling op de terechtzitting om aanpassing van het verzoekschrift had verzocht.
18.
Voorts heeft het Gerecht het uitvoeringsbesluit van 2014 alsook uitvoeringsverordening nr. 793/2014 nietig verklaard, voor zover zij HX betreffen. Daarvoor heeft het Gerecht als reden gegeven dat de door de Raad aangevoerde gegevens ter staving dat HX op de lijst in de bijlage bij deze handelingen moest worden opgenomen, niet konden onderbouwen dat HX steun geeft aan het Syrische regime of daarvan profijt trekt. En ten slotte heeft het Gerecht de Raad veroordeeld om zijn eigen kosten te dragen alsmede die van HX.
IV. Hogere voorziening en conclusies van partijen
19.
Bij verzoekschrift van 1 augustus 2016 heeft HX hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. HX vordert dat het Hof dit arrest vernietigt, voor zover daarin het verzoek om het verzoekschrift aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts vordert HX dat het Hof het besluit van 2015 nietig verklaart, voor zover het hem betreft, dan wel de betrokken zaak naar het Gerecht terugverwijst. En ten slotte vordert HX dat het Hof de Raad in de kosten verwijst.
20.
De Raad vordert dat het Hof de hogere voorziening afwijst en HX in de kosten verwijst.
21.
Voor het Hof hebben partijen schriftelijke stukken uitgewisseld.
22.
In de bijlage bij zijn memorie van antwoord heeft de Raad nieuw bewijs aangevoerd, te weten een door een derde getekend ontvangstbewijs van de betekening van het besluit van 2015 aan de advocaat van HX. Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk over dit nieuwe bewijsmiddel uit te laten. Voorts heeft het Hof partijen gehoord over het bestaan van een procesbelang van HX, in het bijzonder met betrekking tot het besluit van 2015.
V. Beoordeling
A. Hogere voorziening
1. Betekening van het besluit van 2015 aan HX
23.
Met zijn eerste middel voert HX aan dat zijn op de terechtzitting van 8 december 2015 ingediende verzoek om zijn vorderingen aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet te laat was ingediend. Aangezien het besluit van 2015 hem immers niet is betekend, hoewel de Raad zijn adres kende, is de termijn voor het aanpassen van de vorderingen met betrekking tot dit besluit niet ingegaan.
24.
De Raad betoogt dienaangaande dat het besluit van 2015 aan de advocaat van HX per aangetekende brief is toegestuurd. Voorts heeft de Raad, zoals hierboven al is vermeld, in de bijlage bij zijn memorie van antwoord een op 8 juni 2015 door een derde getekende ontvangstbevestiging gevoegd. HX betwist echter dat degene die deze ontvangstbevestiging heeft getekend en die geen medewerker van zijn advocaat is, de brief aan zijn advocaat heeft overhandigd. HX vermeldt daarbij dat de Raad heeft kunnen vaststellen dat de ontvangstbevestiging niet door zijn advocaat zelf was getekend. Bovendien kende de Raad het e-mailadres van zijn advocaat. Daarom had de Raad voor de zekerheid nog een aangetekende brief of een e-mail moeten sturen teneinde de advocaat van het besluit van 2015 in kennis te stellen.
25.
Gelet hierop is het voor het Hof niet mogelijk vast te stellen of het besluit van 2015 rechtsgeldig is betekend aan HX. Daarom kan de beslissing van het Hof over de gegrondheid van dit middel niet worden gebaseerd op een eventuele te late indiening, bij het Gerecht, van het verzoek tot aanpassing van de vorderingen.
26.
Overigens kan worden volstaan met vast te stellen dat dit middel hoe dan ook geen doel treft. Het Gerecht heeft immers aan de afwijzing van het verzoek om de vorderingen aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet de eventuele niet‑naleving van de termijn voor die aanpassing ten grondslag gelegd, maar het feit dat het verzoek niet bij afzonderlijke akte is ingediend.
27.
Dus kan in casu in het midden worden gelaten of HX via zijn advocaat een exemplaar van het besluit van 2015 al dan niet heeft ontvangen.
28.
Voorts kan in het midden worden gelaten in hoeverre een aanpassingsverzoek in casu überhaupt verplicht had moeten worden gedaan vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 263, zesde alinea, VWEU waarbinnen kan worden verzocht om de nietigverklaring van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt. Dienaangaande heeft het Gerecht immers – weliswaar nog vóór de inwerkingtreding van zijn nieuwe Reglement voor de procesvoering van 4 maart 2015 – vastgesteld, dat deze termijn in het kader van een aanhangig geding onder bepaalde voorwaarden niet van toepassing is. Dit is het geval wanneer, ten eerste, de oorspronkelijke handeling en de handeling waarvan met de aanpassing om nietigverklaring wordt verzocht, ten aanzien van de belanghebbende hetzelfde onderwerp hebben, grotendeels op dezelfde overwegingen berusten en wezenlijk dezelfde inhoud hebben, zodat zij alleen verschillen in hun respectieve toepassingsgebieden ratione temporis, en, ten tweede, het verzoek tot aanpassing van de conclusies op geen ander nieuw middel, feit of bewijs is gebaseerd dan de vaststelling zelf van de betrokken handeling waarbij de eerdere handeling wordt ingetrokken en vervangen. ( 19 )
2. Afwijzing door het Gerecht van het verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift om het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken
29.
In het kader van zijn tweede middel voert HX aan dat het Gerecht zijn verzoek tot aanpassing van zijn verzoekschrift om het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken ten onrechte heeft afgewezen op grond dat geen afzonderlijke akte is ingediend. In casu is immers met het indienen van het verzoek tijdens de mondelinge behandeling, hetgeen schriftelijk in het proces-verbaal van de terechtzitting is vastgelegd, voldaan aan de voorwaarden om het verzoekschrift in de zin van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te mogen aanpassen. Zo heeft het feit dat in casu geen afzonderlijke akte is ingediend noch de belangen van de tegenpartij geschaad noch afbreuk gedaan aan het werk van het Gerecht, die overigens beide vóór de terechtzitting op de hoogte waren van het besluit van 2015. De Raad heeft bovendien de mogelijkheid gehad bezwaar te maken tegen het aanpassingsverzoek en heeft dat, zoals vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting, niet gedaan.
30.
Voorts heeft het Gerecht er ook geen rekening mee gehouden dat de betrokken Bulgaarse taalversie van artikel 86, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, die in casu van toepassing is aangezien Bulgaars de procestaal is, met betrekking tot de voor aanpassing geldende voorwaarde van een afzonderlijke akte aanleiding tot misverstand geeft. Aangezien de Bulgaarse versie in tegenstelling tot de Engelse („separate document”) en Franse („acte séparé”) taalversies van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, niet het begrip „document”, maar „молба” („molba” – „verzoek”) gebruikt. Dat begrip houdt niet automatisch de voorwaarde van een schriftelijke vorm in, aangezien daarmee zowel een schriftelijke als mondelinge wilsuiting kan worden aangeduid.
31.
En ten slotte heeft het Gerecht het beginsel van de procedure op tegenspraak geschonden, doordat het HX niet ter terechtzitting, en dus tijdig vóór de sluiting van de mondelinge behandeling, de mogelijkheid heeft geboden kennis te nemen van de verschillende taalversies van zijn Reglement voor de procesvoering en van het besluit van 2015. Ook heeft het Gerecht hem niet, zoals het Reglement voor de procesvoering vereist, een redelijke termijn geboden om het verzuim in zijn aanpassingsverzoek te kunnen herstellen en de daarvoor noodzakelijke documenten over te leggen, toen het op de terechtzitting had vernomen dat HX zijn verzoekschrift wenste aan te passen.
32.
Deze argumentatie is overtuigend.
33.
Zo is het weliswaar volstrekt gerechtvaardigd om aan de aanpassing bepaalde formele voorwaarden te verbinden. Die formele voorwaarden gelden evenwel, zoals ook in artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is bepaald, niet zomaar. Zij dienen er integendeel toe om het contradictoire karakter van de procedure te waarborgen en het voor het Gerecht mogelijk te maken over alle noodzakelijke informatie te beschikken om een aanpassingsverzoek zinvol te kunnen toetsen.
34.
Deze functionele doelstelling van de formele voorwaarden voor verzoeken tot aanpassing wordt onderstreept door de voorschriften van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien bijvoorbeeld overeenkomstig artikel 86, lid 3, onder b), de middelen en argumenten alleen moeten worden aangepast wanneer dat in de gegeven omstandigheden noodzakelijk lijkt. Evenzo kan het Gerecht, wanneer de memorie houdende aanpassing niet vergezeld gaat van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt, verzoeker overeenkomstig artikel 86, lid 4, een termijn geven om dit verzuim te herstellen, en zelfs wanneer het verzuim niet wordt hersteld, leidt dit er niet dwingend toe dat het verzoek niet-ontvankelijk is, aangezien het Gerecht op dit punt over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
35.
In casu heeft het Gerecht artikel 86 van zijn Reglement voor de procesvoering daarentegen op een zeer formele wijze toegepast, die niet alleen met de strekking en het doel van deze bepaling in strijd is, maar ook met het in artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde beginsel van een eerlijk proces. Zo zou het volstrekt mogelijk zijn geweest om het reeds ter terechtzitting ingediende en in het proces-verbaal van de terechtzitting vastgelegde aanpassingsverzoek als ontvankelijk aan te merken, temeer daar het proces-verbaal als gerechtelijke akte bewijskracht heeft en derhalve in de plaats kan komen van de voorwaarde van de schriftelijke vorm. In de gegeven omstandigheden was het bovendien niet noodzakelijk om de middelen en argumenten betreffende het besluit van 2015, dat enkel de geldigheidsduur van het besluit van 2013 had verlengd, nader aan te passen, en evenmin om het besluit van 2015, waarvan het Gerecht en de Raad duidelijk op de hoogte waren, over te leggen.
36.
Overigens heeft HX nog ter terechtzitting aangevoerd dat hij tot dan toe niets van het besluit van 2015 had geweten en is deze stelling, zoals hierboven is vastgesteld, niet doeltreffend weerlegd, aangezien de uitlatingen van partijen elkaar op dit punt tegenspreken. ( 20 ) Dus moet er nog steeds van worden uitgegaan dat HX eventueel pas tijdens de terechtzitting van het besluit van 2015 kennis heeft genomen. In dergelijke omstandigheden is het zinvol en doelmatig om het verzoekschrift ter terechtzitting aan te passen. Indien in een dergelijk geval op een te formalistische wijze wordt vastgehouden aan de voorwaarde van de afzonderlijke akte, maakt dit het echter eigenlijk onmogelijk om het verzoekschrift ter terechtzitting aan te passen, hetgeen weer afbreuk doet aan de doeltreffende rechterlijke bescherming en indruist tegen de proceseconomie.
37.
Had het Gerecht toch onvoorwaardelijk aan de voorwaarde dat het aanpassingsverzoek bij afzonderlijke akte moet worden gedaan, willen vasthouden, dan had het HX zonder meer tijdens de terechtzitting op deze voorwaarde kunnen wijzen. De handelswijze van het Gerecht was daarentegen misleidend. Doordat het Gerecht het verzoek van HX schriftelijk in het proces-verbaal heeft opgenomen zonder hem op nadere voorwaarden te hebben gewezen, heeft het dus ten aanzien van HX de indruk gewekt dat zijn verzoek volgens de regels is geregistreerd en een verder handelen van zijn kant niet nodig was.
38.
Dit is des te problematischer omdat de Bulgaarse taalversie van artikel 86, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht met betrekking tot de voorwaarde dat een aanpassingsverzoek schriftelijk moet worden gedaan, inderdaad op zijn minst niet geheel duidelijk lijkt.
39.
Op dit punt voert de Raad aan dat, ook al zou de Bulgaarse taalversie dubbelzinnig zijn, dan nog een van de taalversies van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de andere versies niet opzij kan zetten, ook wanneer deze taalversie de betrokken procestaal is.
40.
De Raad beroept zich op dit punt erop dat volgens vaste rechtspraak de noodzaak van een uniforme toepassing en uitlegging van de bepalingen van Unierecht uitsluit dat een voorschrift op zichzelf in een van zijn taalversies wordt beschouwd, en verplicht om bij de uitlegging van dat voorschrift in het licht van de tekst ervan in alle talen van de Unie te letten op zowel de bedoeling van de wetgever als het doel dat hij daarmee nastreeft. ( 21 ) Een afwijkende taalversie kan daarom in elk geval tegenover alle andere versies niet alleen doorslaggevend zijn. In casu gebruiken alle taalversies van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, met uitzondering van de Bulgaarse versie, begrippen waaruit ondubbelzinnig naar voren komt dat het bij het aanpassingsverzoek om een afzonderlijk schriftelijk document moet gaan.
41.
Inderdaad vereist de noodzaak van een uniforme uitlegging van een Unierechtelijke bepaling dat wanneer de verschillende taalversies ervan van elkaar afwijken, bij de uitlegging van de betrokken bepaling wordt gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. ( 22 ) Dit kan er evenwel niet toe leiden dat aan de particulier zijn in artikel 20, lid 2, onder d), VWEU, artikel 24, lid 4, VWEU en artikel 45 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gewaarborgde recht om zich in zijn taal tot de Unierechter te wenden, wordt ontnomen.
42.
Zoals reeds is uiteengezet, voldoet een in het proces-verbaal opgenomen aanpassingsverzoek aan het doel van de voorwaarde van een afzonderlijke akte. En zelfs indien aan een afzonderlijke akte wordt vastgehouden, dan nog kan van justitiabelen niet verwacht worden dat zij verschillende procestalen van de Unie beheersen en – zonder dat daarnaar specifiek wordt verwezen – bepalingen over de procedurele voorwaarden bij de rechterlijke instanties van de Unie in het licht van de tekst van die bepalingen in alle of ook maar een aantal talen van de Unie uitleggen. De gehele talenregeling van de rechtspleging van de Unie is juist specifiek erop gericht om het recht van iedere justitiabele om zich in zijn taal tot de Unierechter te wenden, doeltreffend te waarborgen. Daarom moeten de rechterlijke instanties van de Unie, in het bijzonder in geval van een afwijking van de versie van de procestaal ten opzichte van de andere taalversies van hun Reglementen voor de procesvoering, ter waarborging van een eerlijk verloop van de procedure en een daadwerkelijke rechterlijke bescherming, alle mogelijkheden benutten om de betrokkene over zijn vergissing te informeren en hem de gelegenheid te bieden zijn rechten doeltreffend uit te oefenen.
43.
Dit is des te meer het geval nu het Gerecht, dat zijn Reglement voor de procesvoering in alle talen heeft vastgesteld, verantwoordelijk moet zijn voor alle onduidelijkheden in de verschillende taalversies van dit Reglement die zich in de diverse procedurele en taalconstellaties voordoen. Bijgevolg moet het Gerecht, door zijn procedurele bepalingen in het licht van het beginsel van een eerlijk proces op passende wijze uit te leggen en te handhaven, ervoor zorg dragen dat dergelijke onduidelijkheden er niet toe leiden dat de betrokkene effectieve rechterlijke bescherming wordt onthouden.
44.
Gelet op een en ander moet dus worden vastgesteld dat het tweede middel slaagt. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het het aanpassingsverzoek van HX enkel op grond dat geen afzonderlijke akte is ingediend, niet-ontvankelijk heeft verklaard en HX niet de gelegenheid heeft geboden om zijn mondeling ingediende verzoek aan te vullen op de wijze waarop het Gerecht dit noodzakelijk achtte. Daarom moet het bestreden arrest worden vernietigd voor zover daarin het verzoek om het verzoekschrift aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet-ontvankelijk is verklaard.
B. Het aanpassingsverzoek in eerste aanleg
45.
Volgens artikel 61, eerste alinea, van zijn Statuut kan het Hof de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
46.
Dat is hier het geval.
47.
Vastgesteld moet namelijk worden dat het verzoek om het verzoekschrift aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet inhoudelijk hoeft te worden beoordeeld, aangezien het procesbelang van HX met betrekking tot dit besluit nog tijdens de procedure bij het Gerecht is komen te vervallen.
48.
De ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring is een aspect van openbare orde, dat het Hof, wanneer het in het kader van een hogere voorziening wordt aangezocht, ambtshalve moet onderzoeken. ( 23 ) Dit moet ook gelden voor het feit dat het geding tijdens de procedure bij het Gerecht zonder voorwerp is geraakt. Overigens kan het Hof zich in casu baseren op het feit dat HX met betrekking tot het besluit van 2015 geen procesbelang heeft, aangezien het Hof partijen op dit punt, dat in de procedure in eerste aanleg niet is behandeld, in de hogere voorziening heeft gehoord. ( 24 )
49.
Zoals het Hof in vaste rechtspraak heeft geoordeeld, moet zowel het procesbelang van een verzoeker als het voorwerp van het geding niet enkel in het stadium van het instellen van het beroep bestaan, maar ook blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, aangezien anders niet meer hoeft te worden beslist op het beroep. Dit veronderstelt dat de uitkomst van het beroep voor de partij die het heeft ingesteld, een voordeel kan opleveren. ( 25 )
50.
In casu moet worden vastgesteld dat het besluit van 2015, waarvan HX met zijn aanpassingsverzoek de nietigverklaring verlangt, zelfs nog vóór het wijzen van het bestreden arrest op 2 juni 2016 niet meer geldig was. Enerzijds was immers de geldigheid van dit besluit, dat ertoe strekte om het besluit van 2013 met nog een jaar te verlengen, toch al beperkt tot de periode tot 1 juni 2016. ( 26 ) En anderzijds is het besluit van 2016 dat al in werking trad op 29 mei 2016, opnieuw met nog een jaar tot 1 juni 2017 verlengd, zodat het besluit van 2015 zelfs reeds vóór de datum waarop het besluit afliep, geen effect meer sorteerde. ( 27 )
51.
Weliswaar heeft het Hof in verscheidene situaties aanvaard dat het procesbelang van een verzoeker niet noodzakelijkerwijs vervalt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. ( 28 )
52.
Dit komt in het bijzonder doordat de intrekking van een handeling van een instelling van de Unie door een latere handeling dan wel ook het einde van de geldigheid van een handeling geen erkenning van de onrechtmatigheid van die handeling inhoudt en slechts ex nunc werkt. Daarentegen wordt door een arrest houdende nietigverklaring een nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verwijderd en geacht nooit te hebben bestaan.
53.
Dit geldt in het bijzonder voor handelingen die ertoe strekken personen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie beperkende maatregelen op te leggen. Op dit punt heeft het Hof verduidelijkt dat een persoon jegens wie dergelijke maatregelen worden genomen wegens het feit dat hij in een lijst is opgenomen, eventueel ook nog belang kan hebben bij de vaststelling van de onrechtmatigheid van de handeling, waarbij deze op de lijst is geplaatst, nadat die handeling haar geldigheid heeft verloren. Door die vaststelling kan immers worden erkend dat de persoon nooit op die lijst had mogen worden opgenomen of dat dit niet had mogen gebeuren op basis van de door de instellingen van de Unie gevolgde procedure. Hoewel dit de materiële schade of een inbreuk op het beroeps- en gezinsleven niet kan goedmaken, kan dit wel de eer en goede naam van een persoon herstellen of een vorm van vergoeding zijn voor de immateriële schade die hij heeft geleden. ( 29 )
54.
In casu voert HX dienovereenkomstig aan dat door het enkele einde van de geldigheid van het besluit van 2015, de gevolgen die deze handeling heeft gesorteerd toen deze wel geldig was, niet teniet worden gedaan. Immers, zijn recht op privé‑ en familieleven en zijn goede naam zijn geschaad en in zijn omgeving is wantrouwen gewekt, niet enkel omdat hij is geplaatst op de lijst van personen jegens wie bij het besluit van 2013 beperkende maatregelen zijn genomen middels het uitvoeringsbesluit van 2014, maar ook omdat hij middels het besluit van 2015 op deze lijst is blijven staan. Zo is hij gebrandmerkt als iemand die de vreedzame Syrische burgerbevolking schade toebrengt. De nietigverklaring van het besluit van 2015 kan daarom zijn goede reputatie en die van zijn familie herstellen en dus een vorm van vergoeding zijn voor de immateriële schade die hij heeft geleden.
55.
Deze argumentatie is ongetwijfeld juist ten aanzien van het uitvoeringsbesluit van 2014, waarbij HX op de lijst in bijlage I bij het besluit van 2013 is opgenomen en dat een desbetreffende motivering bevatte. Daarom heeft het Gerecht terecht met het bestreden arrest van 2 juni 2016 nog over de rechtmatigheid van het uitvoeringsbesluit van 2014 uitspraak gedaan, hoewel dit besluit met betrekking tot HX intussen door het besluit van 2016, dat een nieuwe motivering bevatte, was vervangen. ( 30 )
56.
Toch is de argumentatie van HX wat het bestaan betreft van zijn procesbelang bij de nietigverklaring van het besluit van 2015 na het einde van de geldigheid ervan, niet steekhoudend. Immers, het besluit van 2015 bleef er met betrekking tot HX toe beperkt om de werking van het besluit van 2013 in de bij het uitvoeringsbesluit van 2014 gewijzigde versie ervan te verlengen tot 1 juni 2016. Dus heeft de nietigverklaring van het besluit van 2015 na het einde van de geldigheid ervan, HX niet meer voordeel kunnen opleveren dan hetgeen hij reeds door de nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van 2014 kon verkrijgen.
57.
Door de nietigverklaring van dit uitvoeringsbesluit heeft het Gerecht namelijk erkend dat de aspecten die de Raad tegen HX had aangevoerd, de stelling dat deze steun geeft aan het Syrisch regime of daarvan profijt trekt, niet kunnen rechtvaardigen. Deze erkenning geldt ook voor de periode dat het besluit van 2015 geldig was, aangezien daarin de motivering om HX op de lijst op te nemen ongewijzigd is. Bijgevolg is door de nietigverklaring van het uitvoeringsbesluit van 2014 de eer en goede naam van HX hersteld zowel voor de periode waarin het besluit van 2013, in de door het uitvoeringsbesluit van 2014 gewijzigde versie ervan, oorspronkelijk geldig was als voor de periode waarin bij het besluit van 2015 de geldigheid van het besluit van 2013 is verlengd. Dit is een vergoeding van de immateriële schade die HX door de betrokken handeling heeft geleden.
58.
Het is niet duidelijk welk ander voordeel de nietigverklaring van het besluit van 2015 na het einde van de geldigheid ervan, HX nog had kunnen opleveren, en HX voert daartoe ook geen argumenten aan.
59.
Bijgevolg is het procesbelang van HX bij de nietigverklaring van het besluit van 2015 komen te vervallen en is zijn aanpassingsverzoek bijgevolg nog tijdens de procedure bij het Gerecht zonder voorwerp geraakt.
VI. Kosten
60.
Ingevolge artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, draagt elk van de partijen haar eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Evenwel kan het Hof, indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, ook beslissen dat een partij naast in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.
61.
Om te beginnen moet met betrekking tot de kosten van de procedure in eerste aanleg in aanmerking worden genomen dat het bestreden arrest slechts dient te worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek om het verzoekschrift aan te passen teneinde het besluit van 2015 daarin te kunnen betrekken, niet-ontvankelijk is verklaard. Het arrest in eerste aanleg blijft bijgevolg in stand voor zover daarin het uitvoeringsbesluit van 2014 nietig is verklaard.
62.
Bovendien kon in casu het verzoek van HX tot nietigverklaring van het besluit van 2015 weliswaar niet slagen, maar is zijn daartoe aangevoerde argumentatie in zoverre overtuigend, aangezien hij terecht aanvoert dat de door het Gerecht aangevoerde redenen voor de afwijzing van zijn aanpassingsverzoek, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Op dit punt is de Raad daarentegen in het ongelijk gesteld met zijn argumentatie.
63.
Daarom is er geen reden om de beslissing van het Gerecht over de kosten, waarbij de Raad in alle kosten van de procedure in eerste aanleg is verwezen, te vernietigen.
64.
Wat de kosten van de procedure in hogere voorziening betreft moet allereerst in aanmerking worden genomen dat het tweede middel van HX wordt aanvaard, maar dat hij anderzijds met deze hogere voorziening zijn verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 2015 voortzet, hoewel zijn belang bij een dergelijke nietigverklaring reeds in de procedure bij het Gerecht is komen te vervallen. HX heeft overigens al vóór de indiening van de onderhavige hogere voorziening op 1 augustus 2016, bij verzoekschrift van 27 juli 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van 2016 ( 31 ), dat het besluit van 2015 vervangt en waarin aan de motivering van het uitvoeringsbesluit van 2014 nieuwe gegevens zijn toegevoegd. ( 32 )
65.
Evenwel moet ook in aanmerking worden genomen dat de Raad in de hogere voorziening in het ongelijk is gesteld met zijn argumentatie. Bovendien heeft de Raad HX mogelijkerwijs juist belet om reeds lang voor de terechtzitting bij het Gerecht een verzoek om aanpassing van het verzoekschrift in te dienen, door kennelijk niet nader te verifiëren of het besluit van 2015 eigenlijk wel rechtsgeldig aan HX was betekend ( 33 ), hoewel de ontvangstbevestiging van de aangetekende brief niet door diens advocaat, maar door een derde persoon was getekend.
66.
Bijgevolg lijkt het in het onderhavige geval gerechtvaardigd om met betrekking tot de kosten in de hogere voorziening te beslissen dat HX een derde van zijn eigen kosten moet dragen en de Raad zijn eigen kosten en twee derde van de kosten van HX.
VII. Conclusie
67.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Het arrest van het Gerecht van 2 juni 2016, HX/Raad (T‑723/14, EU:T:2016:332), wordt vernietigd, voor zover daarin het verzoek van HX tot aanpassing van het verzoekschrift niet-ontvankelijk is verklaard.
2)
Op het verzoek tot aanpassing van het verzoekschrift in eerste aanleg strekkende tot de nietigverklaring van besluit (GBVB) 2015/837 van de Raad van 28 mei 2015 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, hoeft geen uitspraak te worden gedaan.
3)
HX draagt een derde van zijn eigen kosten in de hogere voorziening.
4)
De Raad van de Europese Unie draagt twee derde van de kosten van HX in de hogere voorziening en zijn eigen kosten in de hogere voorziening.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) PB 2015, L 105, blz. 1.
( 3 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 67‑85, in het bijzonder punt 72).
( 4 ) Ingevolge artikel 1, punt 7, van de op 1 september 2016 in werking getreden wijzigingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 13 juli 2016 (PB 2016, L 217, blz. 73) zijn de leden 3 tot en met 6 van artikel 86 vernummerd tot de leden 4 tot en met 7, en is een nieuw lid 3 toegevoegd dat betrekking heeft op de krachtens artikel 270 VWEU aanhangig gemaakte zaken tussen de Unie en haar personeelsleden. Deze wijziging heeft geen invloed op de onderhavige procedure.
( 5 ) PB 2011, L 121, blz. 11.
( 6 ) PB 2011, L 121, blz. 1.
( 7 ) PB 2012, L 16, blz. 1.
( 8 ) PB 2011, L 319, blz. 56.
( 9 ) PB 2012, L 330, blz. 21.
( 10 ) PB 2013, L 147, blz. 14.
( 11 ) PB 2014, L 160, blz. 37.
( 12 ) PB 2014, L 217, blz. 49.
( 13 ) PB 2014, L 217, blz. 10.
( 14 ) PB 2015, L 132, blz. 82.
( 15 ) PB 2016, L 141, blz. 125.
( 16 ) Zie het verzoekschrift van HX in de bij het Gerecht aanhangige zaak T‑408/16, HX/Raad, ingediend op 27 juli 2016, waarin HX met name verzoekt om nietigverklaring van het besluit van 2016.
( 17 ) PB 2017, L 139, blz. 62.
( 18 ) Arrest van het Gerecht van 2 juni 2016, HX/Raad (T‑723/14, EU:T:2016:332).
( 19 ) Zie arrest van het Gerecht van 9 september 2010, Al-Aqsa/Raad (T‑348/07, EU:T:2010:373, punt 34); dit arrest is in hogere voorziening vernietigd, maar de hierboven aangehaalde vaststelling werd niet in twijfel getrokken.
( 20 ) Zie hierboven de punten 24 en 25.
( 21 ) Zie in deze zin arrest van 12 november 1969, Stauder (29/69, EU:C:1969:57, punt 3); 17 juli 1997, Ferriere Nord/Commissie (C‑219/95 P, EU:C:1997:375, punt 15), en 15 oktober 2015, Grupo Itevelesa e.a. (C‑168/14, EU:C:2015:685, punt 42).
( 22 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 23 november 2016, Bayer CropScience en Stichting De Bijenstichting (C‑442/14, EU:C:2016:890, punt 84).
( 23 ) Zie beschikking van 15 februari 2012, Internationaler Hilfsfonds/Commissie (C‑208/11 P, EU:C:2012:76, punt 34en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 24 ) Zie hierboven punt 22.
( 25 ) Zie arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C‑19/93 P, EU:C:1995:339, punt 13); 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42), en 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 61).
( 26 ) Zie hierboven punt 12.
( 27 ) Zie hierboven punt 13.
( 28 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 62e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 29 ) Zie ibidem (punten 68 e.v.).
( 30 ) Zie hierboven punt 13.
( 31 ) Zie hierboven voetnoot 16.
( 32 ) Zie hierboven de punten 12, 13 en 50.
( 33 ) Zie hierboven punt 24.