CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 30 mei 2018 ( 1 )
Zaak C‑430/16 P
Bank Mellat
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Versterking van de beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran – Sectorspecifieke maatregelen – Ontvankelijkheid – Inwerkingtreding van het gezamenlijk alomvattend actieplan tijdens de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie – Gevolgen voor het procesbelang in het kader van een hogere voorziening – Gevolgen voor het voortbestaan van het procesbelang voor het Gerecht – Afdoening zonder beslissing – Artikel 275 VWEU – Bevoegdheid van het Gerecht op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) – Begrip ‚beperkende maatregelen ten aanzien van natuurlijke of rechtspersonen’ – Artikel 263, vierde alinea, VWEU – Begrip ‚uitvoeringsmaatregelen’ – Artikel 215 VWEU – Begrip ‚nodig’ – Evenredigheidsbeginsel – Algemene beginselen van het Unierecht”
Inhoud
I. Voorgeschiedenis van het geding
II. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
IV. Juridische analyse
A. Primair: ontvankelijkheid van de hogere voorziening
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
2. Analyse
a) Gevolgen van het actieplan
b) Beoordeling in concreto van het procesbelang van Bank Mellat
B. Subsidiair: het voortbestaan van het procesbelang van Bank Mellat tijdens de procedure bij het Gerecht
C. Meer subsidiair
1. Vierde en vijfde middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU en bij de beoordeling van de bevoegdheid van het Gerecht
a) Vierde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU
1) Bestreden arrest
2) Samenvatting van de argumenten van partijen
3) Analyse
b) Vijfde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de bevoegdheid van het Gerecht
1) Bestreden arrest
2) Argumenten van partijen en analyse
2. Middelen ten gronde van de hogere voorziening
a) Eerste middel: een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het noodzakelijkheidsvereiste in de zin van artikel 215, lid 1, VWEU
b) Tweede middel: onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel
c) Derde middel: een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht, dat heeft geoordeeld dat de litigieuze regeling in overeenstemming was met de algemene rechtsbeginselen
V. Kosten
VI. Conclusie
1.
Met deze hogere voorziening verzoekt Bank Mellat om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 2 juni 2016, Bank Mellat/Raad ( 2 ) (hierna: „bestreden arrest”), waarbij dit haar beroep tot nietigverklaring van artikel 1, punt 15, van verordening (EU) nr. 1263/2012 van de Raad van 21 december 2012 tot wijziging van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ( 3 ), alsook haar verzoek tot vaststelling dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (hierna: „litigieus besluit” of „besluit 2012/635”) ( 4 ) niet van toepassing is, heeft verworpen.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2.
Uit de punten 1 en volgende van het bestreden arrest blijkt dat verzoekster, Bank Mellat, een Iraanse handelsbank is. In het kader van de beperkende maatregelen van individuele aard die zijn ingevoerd om de Islamitische Republiek Iran ertoe te bewegen haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van vectoren voor kernwapens (hierna: „nucleaire proliferatie”) te staken, is verzoeksters naam op 26 juli 2010 voor het eerst geplaatst op de lijsten van entiteiten die bijdragen tot de Iraanse nucleaire proliferatie. ( 5 ) Na opeenvolgende normatieve wijzigingen is verzoekers naam opnieuw op de handelingen van 2010 en 2012 geplaatst. ( 6 )
3.
Omdat de Islamitische Republiek Iran de onderhandelingen niet serieus op gang had gebracht ( 7 ), heeft de Raad van de Europese Unie het nodig geacht aanvullende beperkende maatregelen tegen Iran in te stellen door vaststelling van besluit 2012/635. Bij artikel 1, punt 6, van dat besluit is artikel 10 van besluit 2010/413 gewijzigd. In die context is ook verordening nr. 1263/2012 vastgesteld, waarbij verordening nr. 267/2012 is gewijzigd. Meer bepaald is bij artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 artikel 30 van verordening nr. 267/2012 gewijzigd en zijn de artikelen 30 bis en 30 ter aan deze laatste verordening toegevoegd. ( 8 ) De litigieuze regeling kan als volgt worden beschreven.
4.
In wezen voorziet artikel 30 van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, in beperkingen van financiële transacties tussen kredietinstellingen en financiële instellingen en wisselkantoren die gevestigd zijn in Iran, alsmede hun bijkantoren of dochtermaatschappijen en kredietinstellingen en financiële instellingen en wisselkantoren die onder zeggenschap staan van in Iran gevestigde personen, entiteiten of lichamen enerzijds, en de financiële instellingen van de Europese Unie anderzijds.
5.
Volgens artikel 30, lid 2, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, kunnen enkel de volgende overmakingen worden uitgevoerd: humanitaire overmakingen, overmakingen met betrekking tot persoonlijke geldtransacties, overmakingen in verband met een specifiek handelscontract, mits de betrokken overmaking niet uit hoofde van deze verordening is verboden, overmakingen in verband met diplomatieke missies of consulaire posten of internationale organisaties, overmakingen in verband met betalingen ter voldoening van vorderingen van of op Iraanse personen, entiteiten of lichamen, alsook transacties van soortgelijke aard, en overmakingen die noodzakelijk zijn voor het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit andere soorten overeenkomsten.
6.
Uit artikel 30, leden 3 tot en met 5, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, blijkt dat geldovermakingen die overeenkomstig lid 2 van dat artikel kunnen zijn toegestaan, naargelang van het geval en het onderwerp, en vanaf verschillende drempels, vooraf moeten worden gemeld en toegestaan door de bevoegde nationale autoriteit.
7.
Artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, voorziet met name in bepaalde beperkingen aan geldovermakingen tussen enerzijds Iraanse personen, entiteiten of lichamen en anderzijds onderdanen van de Unie, waarop artikel 30 van die verordening niet is gericht.
8.
Volgens artikel 30 ter, lid 1, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, zijn de in de artikelen 30 en 30 bis van die verordening bedoelde beperkingen niet van toepassing indien overeenkomstig de artikelen 24 tot en met 28 bis van die verordening toestemming is verleend.
9.
Artikel 30 ter, lid 3, van verordening nr. 267/2012 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van artikel 30, lid 3, onder b) en c), en artikel 30 bis, lid 1, onder c), van die verordening, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming verlenen, tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de geldovermaking waarvoor deze toestemming wordt aangevraagd, een inbreuk zou kunnen vormen op de verbodsbepalingen of verplichtingen waarin die verordening voorziet.
II. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
10.
Bij op 15 maart 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 en tot verklaring dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 niet op haar van toepassing is.
11.
Alvorens de aangevoerde middelen ten gronde te onderzoeken, is het Gerecht ambtshalve nagegaan of het bevoegd is uitspraak te doen over het verzoek tot vaststelling dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 niet van toepassing is, dat naar verzoekster had benadrukt moest worden opgevat als een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het daartoe onbevoegd was. ( 9 ) Het heeft zich daarentegen wel bevoegd verklaard om te beslissen op de vorderingen inzake verordening nr. 1263/2012. ( 10 )
12.
Vervolgens heeft Gerecht wat die vorderingen betreft, getoetst of de voorwaarden van artikel 263 VWEU in casu waren nageleefd. ( 11 ) Van alle bepalingen die bij artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 zijn gewijzigd of ingevoerd in verordening nr. 267/2012, heeft het Gerecht geoordeeld dat alleen artikel 30, lid 1, artikel 30, lid 3, onder a) tot en met c), en artikel 30, lid 5, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, in een regelgevingshandeling waren vastgelegd, verzoekster rechtstreeks raakten en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrachten. Het Gerecht heeft het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
13.
Ten slotte is het Gerecht nagegaan of verzoekster ten tijde van de instelling van het beroep een procesbelang had. ( 12 ) Hoewel jegens verzoekster ook individuele beperkende maatregelen waren genomen, waaraan artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 volgens de Raad geen bijkomende rechtsgevolgen verbond, heeft het Gerecht geoordeeld dat verzoekster na de nietigverklaring van die individuele beperkende maatregelen als gevolg van de afwijzing door het Hof van de hogere voorziening in de zaak Raad/Bank Mellat ( 13 ), toch de gevolgen van artikel 1, punt 15, van die verordening had ondervonden en heeft het vastgesteld dat zij een procesbelang had om de wettigheid ervan binnen de hierboven beschreven grenzen voor het Gerecht te betwisten.
14.
Bij het onderzoek ten gronde van verzoeksters beroep heeft het Gerecht zich over de vier aangevoerde middelen uitgesproken. Volgens het eerste middel vond de litigieuze regeling geen rechtsgrondslag in artikel 215 VWEU, omdat zij geen enkel logisch verband hield met de beweerdelijk nagestreefde doelstelling van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (hierna: „GBVB”). Volgens het tweede middel vond de litigieuze regeling geen rechtsgrondslag in artikel 215 VWEU, omdat zij onevenredig was ten opzichte van de nagestreefde doelstelling van het GBVB. Volgens het derde middel was de litigieuze regeling strijdig met de algemene beginselen van het Unierecht en met artikel 215, lid 3, VWEU, in het bijzonder de beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en gelijke behandeling, het verbod van willekeur, de motiveringsplicht en het vereiste dat sancties de nodige juridische waarborgen bevatten. Volgens het vierde middel waren verzoeksters eigendomsrechten, haar recht om handel te drijven, haar recht op vrij verkeer van kapitaal, alsook het evenredigheidsbeginsel geschonden.
15.
Aangezien alle middelen ten gronde faalden, heeft het Gerecht het beroep verworpen.
III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
16.
Op 2 augustus 2016 heeft Bank Mellat hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. In haar conclusies verzoekt zij het Hof het bestreden arrest te vernietigen; artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012, in zijn geheel of voor zover het op haar van toepassing is nietig te verklaren; te verklaren dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 niet op haar van toepassing is; de Raad te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en in de kosten van de procedure bij het Gerecht.
17.
In zijn memorie van antwoord verzoekt de Raad het Hof de hogere voorziening af te wijzen en Bank Mellat te verwijzen in de kosten. De Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ( 14 ), interveniënten aan de zijde van de Raad in de procedure bij het Gerecht, concluderen in dezelfde zin.
18.
Verzoekster, de Raad, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn gehoord in hun pleidooien ter terechtzitting van het Hof van 10 januari 2018.
IV. Juridische analyse
19.
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert verzoekster vijf middelen aan. Het eerste middel betreft een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het vereiste van noodzakelijkheid in de zin van artikel 215 VWEU. Het tweede middel is ontleend aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door onjuist vast te stellen dat de litigieuze regeling evenredig was. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door te oordelen dat de litigieuze regeling in overeenstemming was met de algemene beginselen van het Unierecht. Het vierde middel betreft een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht heeft blijk gegeven bij de uitlegging van artikel 263, vierde alinea, VWEU, omdat het niet is nagegaan of artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 in zijn geheel aan de vereisten van dat artikel 263 voldeed, maar alle onderdelen van de litigieuze regeling waaraan die bepaling uitvoering gaf, los van elkaar heeft behandeld. Het vijfde middel betreft een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de beoordeling van zijn eigen bevoegdheid, omdat het heeft geoordeeld dat het niet bevoegd was een beslissing te nemen over de grieven tegen artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635.
20.
De Raad stelt dat Bank Mellat geen belang heeft bij de hogere voorziening, omdat de litigieuze regeling sinds 16 januari 2016 is „opgeheven” en de hogere voorziening dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
A. Primair: ontvankelijkheid van de hogere voorziening
1. Samenvatting van de argumenten van partijen
21.
De Raad betwist de ontvankelijkheid van de hogere voorziening en betoogt dat Bank Mellat geen belang heeft bij de beslechting van het geding, aangezien de bestreden maatregelen zijn „opgeheven” of „ingetrokken” en ingevolge het gezamenlijk alomvattend actieplan (hierna: „actieplan”) ( 15 ) dat met Iran is gesloten dus sinds 16 januari 2016 niet meer op verzoekster „van toepassing” zijn. Onder verwijzing naar het arrest Abdulrahim/Raad en Commissie (hierna: „arrest Abdulrahim”) ( 16 ) – waarvan hij niettemin betwijfelt of het in de context van niet-individuele beperkende maatregelen toepassing kan vinden – betoogt de Raad dat Bank Mellat geen enkel voordeel uit deze hogere voorziening kan halen, met name gelet op de algemene strekking van de litigieuze regeling. Het valt niet te verwachten dat de handelwijze van de Raad op enigerlei wijze zal wijzigen. Met betrekking tot een eventueel beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie staat vast dat, zelfs bij een vernietiging van het arrest van het Gerecht door het Hof, de voorwaarde van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht niet is vervuld, omdat het Gerecht heeft geoordeeld dat de algemene regeling wettig is. Bovendien kan Bank Mellat zich niet erop beroepen dat zij enige reputatieschade heeft geleden, juist omdat de betwiste regeling een algemeen karakter had, niet is beweerd dat zij persoonlijk bij de bestreden activiteit betrokken was en zij tegelijk aan de strengere individuele beperkende maatregelen was onderworpen.
22.
De Commissie betwijfelt in wezen of Bank Mellat een belang heeft om deze hogere voorziening in te stellen en betoogt dat de individuele beperkende maatregelen die haar waren opgelegd tot het arrest van het Hof in de zaak Raad/Bank Mellat ( 17 ) nog strenger waren, zodat de nietigverklaring van de in deze hogere voorziening aan de orde zijnde algemene regeling hoe dan ook geen gevolgen heeft voor Bank Mellat. Bank Mellat heeft trouwens erkend dat de betwiste algemene regeling niet daadwerkelijk van invloed was op haar situatie. De definitieve nietigverklaring van de jegens haar genomen individuele beperkende maatregelen en de intrekking van de algemene regeling hebben alle eventuele rechtsgevolgen voor Bank Mellat weggenomen.
23.
Bank Mellat stelt dat zij nog vier verschillende voordelen kan halen uit de nietigverklaring van de algemene regeling, hoewel die sinds 16 januari 2016 is ingetrokken. Op grond van het arrest Abdulrahim ( 18 ) voert zij ten eerste aan dat die nietigverklaring de Raad kan verhinderen soortgelijke handelingen in de toekomst opnieuw uit te voeren of vast te stellen. Dat is des te belangrijker omdat de algemene regeling slechts voorlopig is opgeheven. Ten tweede behoudt Bank Mellat door die nietigverklaring de mogelijkheid om later een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Ten derde ontneemt de opheffing of het verstrijken van de algemene regeling Bank Mellat niet het belang om de onrechtmatigheid ervan aan te tonen, omdat die opheffing of dat verstrijken andere gevolgen heeft dan een nietigverklaring. ( 19 ) Ten vierde heeft de algemene regeling negatieve gevolgen gehad voor verzoeksters reputatie wegens het daarin door de Raad gelegde verband tussen de banken en de nucleaire proliferatie ( 20 ), en is de nietigverklaring van die regeling een vorm van niet-compenserende vergoeding in de zin van het arrest Abdulrahim. ( 21 ) Bovendien doet de algemene regeling sterk af aan de waarde van het arrest waarin de nietigverklaring van de individuele beperkende maatregelen is bevestigd. Bank Mellat voert ook aan dat er geen rechtspraak bestaat die het standpunt van de Commissie bevestigt dat het belang bij betwisting van de wettigheid van de algemene regeling verdwijnt omdat er tegelijk een regeling met beweerdelijk strengere individuele beperkende maatregelen bestaat.
2. Analyse
24.
Volgens de rechtspraak veronderstelt het procesbelang dat de nietigverklaring van de bestreden handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitslag van het beroep de verzoeker dus een voordeel kan opleveren. ( 22 ) Hieruit volgt dat een beroep pas ontvankelijk kan worden verklaard indien de verzoeker zich in een bijzondere situatie bevindt ten opzichte van de handeling waarvan hij de rechtmatigheid wil betwisten, en de nietigverklaring van deze handeling bovendien positieve gevolgen heeft voor zijn rechtspositie. Het belang dat de verzoeker moet hebben, kan een economisch belang zijn maar ook een aanspraak op of de noodzaak van rechtsbescherming. ( 23 ) Die aanspraak of noodzaak rechtvaardigt de mogelijkheid de rechter van de Unie aan te zoeken. Indien de verzoeker geen voordeel kan behalen uit het feit dat zijn beroep mogelijk gegrond wordt verklaard, is een aanhangigmaking bij de rechter niet gerechtvaardigd.
25.
Het procesbelang, de eerste en wezenlijke voorwaarde voor elk beroep ( 24 ), moet gelet op het voorwerp van dat beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid ( 25 ) bestaan op de datum van de instelling van het beroep en moet op die datum verkregen en daadwerkelijk zijn ( 26 ). Het moet bovendien op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen veronderstelt dat de uitkomst van het beroep de partij die het heeft ingesteld, tot voordeel kan strekken. ( 27 ) Bij een hogere voorziening is dat niet anders. ( 28 )
26.
Om het procesbelang van Bank Mellat ten tijde van de instelling van deze hogere voorziening te beoordelen, moeten de daadwerkelijke gevolgen van het actieplan voor de litigieuze handelingen worden nagegaan, met dien verstande dat het Hof hoe dan ook al heeft aanvaard dat het procesbelang van een verzoeker niet noodzakelijkerwijs verdwijnt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. ( 29 )
27.
De debatten tussen de partijen waren geconcentreerd op de vraag of Bank Mellat zich met succes kon beroepen op het arrest Abdulrahim ( 30 ), aangezien dat arrest, zoals de Raad benadrukte, is gewezen terwijl tijdens de procedure voor het Gerecht individuele beperkende maatregelen waren opgeheven. De feiten die ten grondslag liggen aan de onderhavige hogere voorziening onderscheiden zich om twee redenen van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot dat arrest. Ten eerste is de litigieuze regeling een algemene regeling en geen beperkende maatregel die Bank Mellat individueel raakt omdat zij op de lijsten van entiteiten voorkomt wier tegoeden moeten worden bevroren. Ten tweede preciseerde het arrest Abdulrahim ( 31 ) de voorwaarden waarin het procesbelang van de verzoeker kan blijven bestaan tijdens de procedure voor het Gerecht ondanks de intrekking van de bestreden handelingen, terwijl hier over het procesbelang van Bank Mellat ten tijde van de instelling van de hogere voorziening moet worden beslist.
28.
Ik geloof niet dat het procesbelang anders moet worden geanalyseerd al naargelang de litigieuze handeling een individuele beperkende maatregel vormt of voortkomt uit een meer algemene regeling van beperkende maatregelen, zoals bij de litigieuze regeling het geval is. Naar mijn mening telt alleen het idee dat de verzoekende partij een voordeel kan behalen uit haar rechtsvordering. Op basis daarvan denk ik ook dat het bestaan van een procesbelang ten tijde van de instelling van de hogere voorziening niet noodzakelijkerwijs strenger hoeft te worden beoordeeld dan wanneer dat belang gedurende de procedure voor het Gerecht verdwijnt. Anders gezegd: het Hof mag niet gewoonweg vaststellen dat de handeling vóór de instelling van de hogere voorziening was opgeheven en op basis daarvan oordelen dat een procesbelang ontbreekt, maar moet proberen te weten te komen of verzoekster nog een voordeel kan behalen uit haar beroep voor het Hof, hoewel het er soms op kan lijken dat de instelling die de litigieuze handeling heeft vastgesteld het voorwerp van het geding heeft afgenomen.
29.
Dit gezegd zijnde, moet nu worden bepaald welke gevolgen het actieplan van 2016 heeft voor de litigieuze regeling en vervolgens of Bank Mellat nog kan stellen dat zij enig voordeel uit deze hogere voorziening behaalt.
a) Gevolgen van het actieplan
30.
De situatie van Bank Mellat in het licht van de op haar van toepassing zijnde beperkende maatregelen is de volgende: de individuele beperkende maatregelen zijn definitief nietig verklaard, aangezien het Hof de door de Raad ingestelde hogere voorziening heeft afgewezen in zijn arrest van 18 februari 2016, Raad/Bank Mellat ( 32 ), en die maatregelen sinds 16 januari 2016 hoe dan ook verzoekster niet meer raakten door het actieplan. Ook de algemene regeling waarvan verzoekster hier de wettigheid wenst te betwisten, is sinds 16 januari 2016 niet meer op haar van toepassing. De hogere voorziening is ingesteld op 2 augustus 2016. Zoals hierboven is gesteld, denk ik echter niet dat de analyse van het procesbelang tot dat punt van de redenering beperkt moet blijven.
31.
Het actieplan heeft een zekere ontspanning in de betrekkingen tussen Iran en de internationale gemeenschap mogelijk gemaakt, wat voor de Unie resulteerde in de verplichting tot „opheffing van alle sancties” ( 33 ) en van „alle economische en financiële beperkende maatregelen” ( 34 ) en tot beëindiging van „de toepassing van alle economische en financiële sancties [...] in verband met kernwapens” ( 35 ). Artikel 1, punt 17, van besluit 2015/1863 schorst de maatregelen die het opsomde. Artikel 1, punt 15, van verordening 2015/1861 schrapt uitdrukkelijk de artikelen 30, 30 bis, 30 ter, 31 en 33 tot en met 35 van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd. Anders gezegd, de algemene regeling die Bank Mellat voor het Gerecht nietig wenste te laten verklaren, is geschrapt. Krachtens artikel 1 van besluit 2016/37 zijn besluit 2015/1863 en bijgevolg ( 36 ) verordening 2015/1861 in werking getreden op 16 januari 2016, datum waarop de schorsing en de schrapping van de betrokken maatregelen van kracht zijn geworden.
32.
Hoewel in de handelingen ter uitvoering van het actieplan beslist is de sancties en economische en financiële beperkende maatregelen op te heffen of te beëindigen, blijkt uit diezelfde handelingen duidelijk ook het voorlopige karakter van die beslissing, aangezien „[d]e verplichting tot opheffing van alle sancties van de Unie in verband met nucleaire vraagstukken overeenkomstig het [actieplan] de herinvoering van de sancties van de Unie in geval van significante niet-nakoming door Iran van zijn verplichtingen in het kader van het [actieplan] onverlet [laat]”. ( 37 )
33.
In een dergelijke context hoeft mijns inziens evenwel geen onderscheid te worden gemaakt tussen het procesbelang van verzoekster en dat van elke andere verzoeker die om de nietigverklaring van een tijdens de procedure opgeheven handeling verzoekt. De litigieuze maatregelen kunnen inderdaad worden „gereactiveerd” door de Raad bij een verslechtering van de betrekkingen met de Islamitische Republiek Iran, maar die reactivering moet mijns inziens ertoe leiden dat minstens één nieuwe handeling wordt vastgesteld, die verzoekster dan in beginsel kan aanvechten.
34.
Enerzijds volstaat alleen het feit dat de opheffing van de algemene regeling maar voorlopig is, dus op zich niet als grondslag voor het procesbelang van Bank Mellat in deze hogere voorziening. Anderzijds verdwijnt het procesbelang van Bank Mellat niet noodzakelijkerwijs door de beëindiging van de rechtsgevolgen van de litigieuze regeling. ( 38 )
b) Beoordeling in concreto van het procesbelang van Bank Mellat
35.
Blijkens de rechtspraak van het Hof moet het voortbestaan van het procesbelang van een verzoeker in concreto worden beoordeeld, met name rekening gehouden met de gevolgen van de gestelde onrechtmatigheid en met de aard van de schade die wordt gesteld te zijn geleden. ( 39 ) Het Hof heeft in verschillende gevallen geoordeeld dat de verzoeker een belang bij de nietigverklaring van de handeling kan behouden. Zo kan die verzoeker een dergelijk belang behouden om zijn situatie te herstellen, om de auteur van de aangevochten handeling ertoe te brengen in de toekomst passende wijzigingen aan te brengen en aldus het risico te voorkomen dat de onrechtmatigheid die beweerdelijk aan de aangevochten handeling kleeft, wordt herhaald, dan wel als grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering. ( 40 )
36.
Nu moet dus heel concreet worden bepaald of Bank Mellat zich, zoals zij beweert, nog kan beroepen op een van die voordelen die haar hogere voorziening haar zou moeten kunnen opleveren.
37.
Ten eerste, gesteld dat de gevolgen van het actieplan voor de litigieuze regeling gelijk te stellen zijn met die van een intrekking, heeft het Hof altijd duidelijk geoordeeld dat die intrekking geen erkenning van de onrechtmatigheid van de handeling inhoudt en ex nunc werkt, terwijl een arrest houdende nietigverklaring die handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verwijdert, zodat zij wordt geacht nooit te hebben bestaan. ( 41 ) Hier botst het procesbelang van Bank Mellat met het feit dat de litigieuze regeling geen impact had op haar situatie, aangezien die regeling overlapte met reeds bestaande individuele beperkende maatregelen. Chronologisch gezien is Bank Mellat op 26 juli 2010 op de lijsten geplaatst ( 42 ) en is die plaatsing op 18 februari 2016 definitief nietig verklaard, zelfs al sorteerde zij sinds 16 januari 2016 geen effect meer.
38.
De handelingen waarvan Bank Mellat bij het bestreden arrest de onrechtmatigheid wilde laten vaststellen, beslaan de periode van 2012 tot 16 januari 2016.
39.
Terwijl de individuele beperkende maatregelen een bevriezing van de tegoeden van verzoekster inhielden, voorzag de algemene regeling alleen in beperkingen van geldovermakingen tussen de banken en de financiële instellingen van de Unie en Iran door de meeste van die geldovermakingen aan een regeling van voorafgaande kennisgeving of toestemming te onderwerpen. Als entiteit waarop de individuele beperkende maatregelen waren gericht, kon Bank Mellat hoe dan ook geen aanspraak maken op een overmaking in de door de litigieuze handelingen omschreven omstandigheden, aangezien de afwijkingen op de in die individuele maatregelen vastgestelde beperkingen geregeld waren door de handelingen die die maatregelen bepaalden en uitvoering gaven. Bijgevolg zijn de aanzienlijke negatieve gevolgen voor Bank Mellat te wijten aan de onrechtmatige individuele beperkende maatregelen die haar zijn opgelegd, en niet aan de algemene regeling, die volgens mijn analyse verzoeksters rechtspositie niet heeft gewijzigd door de tijdelijke overlapping van die regeling met de individuele beperkende maatregelen. Bank Mellat lijkt dat trouwens te erkennen wanneer zij toegeeft dat zij „geen bewijs kon leveren van de concrete gevolgen van het financiële embargo, omdat [...] die maatregel in feite niet het minste gevolg had door de onrechtmatige aanwijzing”. ( 43 )
40.
Ten tweede is het in die bijzondere omstandigheden ook moeilijk om het mogelijke herstel in eer en goede naam of de vergoeding voor de geleden schade die de erkenning van de onrechtmatigheid van de algemene regeling zou kunnen betekenen ( 44 ), als grondslag voor het voortbestaan van het procesbelang van Bank Mellat in aanmerking te nemen, en dat om twee essentiële redenen.
41.
Anders dan Bank Mellat betoogt, heeft die regeling de bank niet gestigmatiseerd, aangezien zij geen sanctie vormt van een specifiek vastgestelde persoonlijke handelwijze van Bank Mellat of van een verdenking van deelname aan de nucleaire proliferatie. Net zoals de Raad en het Gerecht ( 45 ) denk ik veeleer dat de litigieuze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat geld dat via banken zoals verzoekster wordt overgemaakt, voor de nucleaire proliferatie wordt gebruikt, ook zonder medeweten van die banken. Ik denk dus niet dat de litigieuze regeling de reputatie van Bank Mellat, per se, enige schade heeft kunnen berokkenen die vergelijkbaar is met die in de zaak Abdulrahim ( 46 ), welke, in voorkomend geval, absoluut moest kunnen worden vergoed.
42.
Voorts kan op basis van de hierboven uiteengezette vaststelling dat de algemene regeling voor verzoekster geen gevolgen heeft gehad, hoe dan ook geen dergelijke reputatieschade worden geïdentificeerd.
43.
Ten derde denk ik ook op basis van het voorgaande niet dat het Hof kan oordelen dat Bank Mellat een procesbelang heeft omdat de vaststelling van de onrechtmatigheid van de algemene regeling de grondslag zou kunnen vormen van een eventuele aansprakelijkheidsvordering. Hoewel ik mij niet kan vinden in het argument van de Raad dat alleen al het bestaan van het bestreden arrest waarmee het Gerecht verzoeksters beroep tegen de litigieuze handelingen heeft afgewezen, volstaat om vast te stellen dat de voorwaarde van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht waarvoor de Unie niet-contractueel aansprakelijk kan worden gesteld, hier hoe dan ook niet is vervuld, moet niettemin worden vastgesteld dat, bij gebrek aan rechtsgevolgen van de litigieuze handelingen voor verzoekster, de kans op een eventuele geslaagde aansprakelijkheidsvordering voor de bank geen „voordeel” kan vormen in de zin van de rechtspraak van het Hof inzake het procesbelang.
44.
Ten vierde is er nog het laatste geval, dat wil zeggen het geval waarin het voortbestaan van het procesbelang van Bank Mellat moet worden vastgesteld om de Raad ertoe te brengen passende wijzigingen aan te brengen en aldus het risico te voorkomen dat de onrechtmatigheid die beweerdelijk aan de aangevochten handelingen kleeft, wordt herhaald. ( 47 ) Dit geval, dat in de rechtspraak van het Hof is bekrachtigd, is mijns inziens te ruim geformuleerd. Elke partij heeft er objectief gezien immers belang bij dat een onrechtmatigheid niet wordt herhaald, hetgeen een voordeel vormt dat in om het even welke situatie kan voorkomen. Een zo ruime uitlegging van dit geval zou het Hof op termijn echter ertoe brengen geen enkel procedureel gevolg meer te geven aan het wegvallen van het voorwerp van het geding. Daarom moet van de verzoekster worden vereist dat zij het risico op herhaling van de onrechtmatigheid nauwkeurig aantoont. Omdat Bank Mellat niet in haar rechten is geraakt door de invoering van de litigieuze regeling, bestaat er mijns inziens geen risico op herhaling. Gelet op het voorlopige karakter van de opheffing van de beperkende maatregelen tegen de Islamitische Republiek Iran, bestaat inderdaad het risico dat deze maatregelen opnieuw worden vastgesteld, zoals verzoekster beweert. In geval van een reactivering van deze maatregelen zou Bank Mellat evenwel pas voor het eerst de concrete gevolgen ervan ondervinden.
45.
Om al die redenen concludeer ik primair dat moet worden vastgesteld dat verzoekster geen belang heeft om hogere voorziening in te stellen en dat die laatste niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bijgevolg is de onderstaande uiteenzetting slechts subsidiair en noodzakelijkerwijs bondiger.
B. Subsidiair: het voortbestaan van het procesbelang van Bank Mellat tijdens de procedure bij het Gerecht
46.
Ik heb hierboven weliswaar vastgesteld dat Bank Mellat in deze hogere voorziening geen procesbelang heeft, maar de kwestie van het voortbestaan van het procesbelang van Bank Mellat in het kader van het beroep tot nietigverklaring dat bij het Gerecht is ingesteld, kan als preliminaire vraag rijzen ingeval het Hof mijn standpunt niet deelt.
47.
Terwijl het arrest van het Gerecht van 2 juni 2016 dateert, het melding maakt van het arrest van het Hof van 18 februari 2016, waarin de nietigverklaring van de individuele beperkende maatregelen voor verzoekster is bevestigd ( 48 ), en het specifieke uiteenzettingen bevat over het bestaan van een procesbelang van verzoekster ten tijde van de instelling van het beroep ( 49 ), rept het Gerecht verrassend genoeg helemaal niet over het actieplan dat vanaf 16 januari 2016 ten volle effect heeft gesorteerd.
48.
Door geen rekening te houden met de gevolgen van dat plan en tegelijk te oordelen dat verzoekster van rechtswege vanaf 18 februari 2016 daadwerkelijk aan deze regeling was onderworpen ( 50 ), is de redenering van het Gerecht over verzoeksters procesbelang gebrekkig. Het Gerecht moest, in voorkomend geval ambtshalve, niet alleen nagaan of ten tijde van de instelling van het beroep een procesbelang bestond, maar ook of dat tijdens de hele procedure is blijven voortbestaan.
49.
Dienaangaande hebben partijen pas in antwoord op een mondeling te beantwoorden vraag van het Hof een standpunt ingenomen over de niet-inaanmerkingneming door het Gerecht van de gevolgen van het actieplan voor het procesbelang van Bank Mellat in het kader van de procedure bij het Gerecht. Of zij nu menen dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met die gevolgen dan wel dat betwijfelen, Bank Mellat is in wezen de enige die stelt dat het Gerecht overeenkomstig de door het Hof ontwikkelde beginselen in het arrest Abdulrahim ( 51 ) in alle gevallen had moeten vaststellen dat haar procesbelang bleef voortbestaan tijdens de procedure vanwege de voordelen die haar beroep haar nog kon opleveren. Volgens Bank Mellat heeft de nietigverklaring ex tunc van de individuele beperkende maatregelen als gevolg gehad dat zij aan de algemene regeling was onderworpen sinds de inwerkingtreding ervan.
50.
Op basis van dezelfde redenering als die inzake de beoordeling van het procesbelang van Bank Mellat ten tijde van de instelling van de hogere voorziening, stel ik vast dat dat belang tijdens de procedure voor het Gerecht is weggevallen, aangezien de litigieuze regeling geen reële gevolgen had voor verzoeksters rechtspositie door het gecombineerde effect van het actieplan en de tijdelijke overlapping van de individuele regeling met de algemene regeling, zodat Bank Mellat geen enkel voordeel uit haar vordering bij het Gerecht kon behalen.
51.
Zo berust het bestreden arrest op een nieuwe onjuiste rechtsopvatting in punt 77, aangezien het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat „de vaststelling dat verzoekster in de onderhavige zaak geen belang heeft op te komen tegen artikel 1, punt 15, van de bestreden verordening [zou] leiden tot een schending van haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte, omdat zij dan, na het definitieve wegvallen van de op haar gerichte individuele beperkende maatregelen, de gevolgen van de litigieuze regeling zou ondervinden, maar haar verzoek tot nietigverklaring van artikel 1, punt 15, van de bestreden verordening niet-ontvankelijk zou zijn wegens het verstrijken van de beroepstermijn”. In tegenstelling tot wat het Gerecht heeft geoordeeld, kon de nietigverklaring van dat artikel geen rechtsgevolgen hebben voor Bank Mellat. ( 52 )
52.
Gesteld dat het Hof de hogere voorziening ontvankelijk verklaart, moet het het bestreden arrest dus vernietigen, omdat hierin is blijk gegeven van een fundamentele onjuiste rechtsopvatting betreffende de beoordeling van het procesbelang van Bank Mellat na de inwerkingtreding van het actieplan, en zelf het beroep tot nietigverklaring van verzoekster overeenkomstig de rechtspraak vermeld in punt 24 van deze conclusie zonder beslissing afdoen.
C. Meer subsidiair
1. Vierde en vijfde middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU en bij de beoordeling van de bevoegdheid van het Gerecht
a) Vierde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU
1) Bestreden arrest
53.
In de punten 44 en volgende van het bestreden arrest is het Gerecht nagegaan of Bank Mellat voldeed aan de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU voor de ontvankelijkheid van haar beroep. Na artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 als regelgevingshandeling te hebben gekwalificeerd ( 53 ), heeft het Gerecht herinnerd aan de vereisten van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zoals die in de rechtspraak zijn gepreciseerd. Dienaangaande heeft het in herinnering gebracht dat een beroep tegen een dergelijke handeling ontvankelijk is indien vaststaat dat zij Bank Mellat rechtstreeks raakt zonder dat de adressaten van die handeling, die zijn belast met de uitvoering ervan, enige beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. ( 54 ) Bovendien mag de regelgevingshandeling die rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van een natuurlijke of rechtspersoon, geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen om voor de Unierechter te kunnen worden aangevochten. ( 55 )
54.
Na een uiteenzetting van de opzet van de analyse die het ging maken, heeft het Gerecht de bepalingen van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 elk afzonderlijk onderzocht. Het heeft allereerst geoordeeld dat Bank Mellat als een in Iran gevestigde financiële instelling niet rechtstreeks was geraakt door artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, en dat haar beroep niet-ontvankelijk was voor zover het deze bepaling betrof. ( 56 ) Het heeft vervolgens geoordeeld dat artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, de nationale autoriteiten waarbij een verzoek om toestemming voor een overmaking wordt ingediend, een beoordelingsbevoegdheid verleende om vast te stellen of de betreffende overmaking andere bepalingen van die verordening kon schenden, zodat Bank Mellat niet kon beweren dat dat artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, rechtstreeks op haar betrekking had. Bovendien bracht die bepaling uitvoeringsmaatregelen met zich mee. Het beroep van Bank Mellat is dus niet-ontvankelijk verklaard voor zover het artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012 betrof. ( 57 )
55.
Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld dat artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 in drie andere opzichten rechtstreeks betrekking had op Bank Mellat en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht: artikel 30, lid 1 (dat voorziet in een verbod op overmakingen zonder mogelijkheid tot toestemming), artikel 30, lid 3, onder a), samen met artikel 30, lid 5 (die voor bepaalde overmakingen in een voorafgaande meldingsplicht voorzien, die niet door de nationale autoriteiten hoeft te worden beoordeeld) en artikel 30, lid 3, onder b) en c), samen met artikel 30, lid 5 (die voorzien in de verplichting om een toestemmingsprocedure te starten voor overmakingen boven bepaalde drempels, waarbij die verplichting niet door de nationale autoriteiten hoeft te worden beoordeeld en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt), van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd. ( 58 )
56.
Het Gerecht heeft bijgevolg het beroep van Bank Mellat ontvankelijk verklaard voor zover het was gericht tegen die drie in het vorige punt vermelde bepalingen. ( 59 )
2) Samenvatting van de argumenten van partijen
57.
In wezen verwijt Bank Mellat het Gerecht de voorwaarde van de rechtstreekse geraaktheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU ten aanzien van artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, onjuist te hebben beoordeeld. Zij stelt dat het Gerecht die bepaling met betrekking tot die voorwaarde niet afzonderlijk kon beoordelen, aangezien de litigieuze regeling in haar geheel haar rechtstreeks raakte. Op basis van een gezamenlijk onderzoek van artikelen 30 bis en 30 van die verordening was het Gerecht tot de vaststelling gekomen dat artikel 30 bis een aanvulling vormde op artikel 30 en dat het dus aanvullende bepalingen zijn. Zelfs in geval van een afzonderlijke beoordeling had de analyse van artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, hoe dan ook tot de vaststelling moeten leiden dat Bank Mellat wel degelijk rechtstreeks door die bepaling was geraakt.
58.
Bank Mellat betwist ook de analyse op basis waarvan het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het was gericht tegen artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd. Dat artikel raakt Bank Mellat rechtstreeks, omdat het een essentiële bepaling vormt van de algemene regeling waaraan artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 uitvoering geeft en opnieuw in die context moet worden geplaatst, en omdat het de nationale autoriteiten de bevoegdheid verleent verrichtingen te verbieden, waardoor de commerciële positie van de bank verzwakt. Die autoriteiten hebben geen beoordelingsbevoegdheid overeenkomstig die bepaling, want die moet automatisch worden uitgevoerd en de eventueel erkende beoordelingsbevoegdheid wordt pas in een latere fase uitgeoefend. Artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, brengt geen uitvoeringsmaatregelen met zich mee, aangezien deze bepaling de nationale autoriteiten onmiddellijk en automatisch een beoordelingsbevoegdheid verleent en op die manier rechtsgevolgen sorteert zonder dat een tussenliggende handeling van die autoriteiten nodig is. Bank Mellat herinnert eraan dat zij zich niet in een situatie mag bevinden waarin zij verplicht is de regelgeving te schenden om een bepaling aan te vechten en toegang te hebben tot de rechter.
59.
Subsidiair voert Bank Mellat aan dat zij voor het Gerecht heeft gesteld individueel door de algemene regeling te zijn getroffen als lid van een door die regeling beoogde categorie, wat het Gerecht niet heeft onderzocht of minstens impliciet heeft afgewezen.
60.
Door de betreffende bepalingen afzonderlijk te behandelen, is volgens Bank Mellat ten slotte de analyse van het Gerecht inzake de naleving van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU niet geldig en zijn maar enkele bepalingen door het Gerecht onderzocht. Zelfs al had het Gerecht de verschillende onderdelen van de algemene regeling afzonderlijk kunnen onderzoeken, had het moeten besluiten dat zij onderling nauw met elkaar zijn verbonden en onmogelijk van elkaar zijn te scheiden in geval van nietigverklaring.
61.
De Raad, de Commissie en het Verenigd Koninkrijk menen dat de analyse van het Gerecht over de naleving van de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU niet berust op een onjuiste rechtsopvatting inzake artikel 30 bis en artikel 30 ter, lid 3, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd. Als antwoord op een vraag van het Hof stelt het Verenigd Koninkrijk echter dat het Gerecht had moeten oordelen dat het beroep van Bank Mellat gericht was tegen een wetgevingshandeling en niet tegen een regelgevingshandeling, en dat dat beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk was, ook omdat het, bij gebreke van een rechtstreeks en individueel van Bank Mellat, gericht was tegen de andere onderdelen van de algemene regeling van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012.
3) Analyse
62.
Allereerst merk ik op dat de kwalificatie door het Gerecht van verordening nr. 1263/2012 als „regelgevingshandeling” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU niet door verzoekster is betwist. ( 60 ) Er is dus geen reden om op dat punt terug te komen en de onderstaande analyse gaat uit van de veronderstelling dat het wel degelijk een regelgevingshandeling betreft.
63.
Bij een dergelijke handeling stelt artikel 263, vierde alinea, VWEU twee voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring: de bestreden handeling moet de verzoekende partij rechtstreeks raken en mag geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
64.
De partijen hebben gediscussieerd over de vraag of het voor de analyse van de naleving van die twee voorwaarden opportuun is de verschillende onderdelen van de litigieuze regeling te scheiden en dus niet samen te onderzoeken, zoals Bank Mellat voorstelt. Ik herinner eraan dat het bijzondere aan het beroep van Bank Mellat voor het Gerecht was dat zij formeel één enkele bepaling aanvocht, namelijk artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012, zelf bestaande uit drie artikelen met respectievelijk zes, drie en vijf leden en tal van onderverdelingen. Bijgevolg is de analysemethode van het Gerecht mijns inziens volledig gerechtvaardigd, zoals ik aan het einde van mijn analyse ook zal aantonen.
65.
De redenering van het Gerecht over artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, geeft geen blijk van enige onjuiste rechtsopvatting. Dat artikel bepaalt uitdrukkelijk dat het situaties regelt die niet onder de, met name personele, werkingssfeer van artikel 30 van die verordening vallen. ( 61 ) Het is duidelijk dat Bank Mellat als een in Iran gevestigde bank doel was van het algemene verbod op geldovermakingen van artikel 30, lid 1, onder a), van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, en dat zij dus niet het doel was van de maatregelen van artikel 30 bis van die verordening. Een partij die niet onder de werkingssfeer van een bepaling valt, kan moeilijk stellen dat die bepaling haar rechtstreeks raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Het argument van Bank Mellat dat het Gerecht voor zijn analyse van die voorwaarde alle bepalingen van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 had moeten onderzoeken, is hoe dan ook niet ter zake dienend, omdat artikel 30 bis van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, geen gevolgen had voor haar rechtspositie.
66.
Artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, preciseert de voorwaarden voor de concrete tenuitvoerlegging van de algemene regel van artikel 30 van diezelfde verordening ( 62 ), namelijk een principieel verbod van geldovermakingen met een uitzonderingsregeling, waarbij die uitzonderingen aan voorafgaande kennisgeving of toestemming zijn onderworpen. Zo bepaalt die eerste alinea dat „de bevoegde autoriteiten op door hen passend geachte voorwaarden toestemming [verlenen], tenzij zij redelijke gronden hebben om vast te stellen dat de geldovermaking waarvoor deze toestemming wordt aangevraagd, een inbreuk zou kunnen vormen op de verbodsbepalingen of verplichtingen waarin [verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd,] voorziet”. Bijgevolg onderwerpt artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, de beoogde geldovermakingen in alle geval aan de toestemming of weigering van de nationale autoriteiten, die automatisch toestemming verlenen als er geen verdenking bestaat dat de regels van de litigieuze regeling worden omzeild, of in het tegenovergestelde geval weigeren als gevolg van de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid.
67.
Betreffende de voorwaarde van artikel 263, vierde alinea, VWEU dat de door verzoekster bestreden handeling haar rechtstreeks moet raken, lijkt het mij door de consubstantialiteit van de betreffende bepalingen moeilijk te oordelen dat zij is vervuld met betrekking tot de algemene bepaling – dat wil zeggen artikel 30 van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd – en niet met betrekking tot de bepaling die de concrete regels ervan vaststelt – dat wil zeggen artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van die verordening. Ik heb dus enkele bedenkingen bij het standpunt van het Gerecht hierover, dat twee toch verschillende voorwaarden lijkt te hebben samengevoegd door te oordelen dat verzoekster niet rechtstreeks kon zijn geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, aangezien beslissingen van de nationale autoriteiten nodig waren volgens artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd.
68.
Maar het zou kunnen dat deze nieuwe onjuiste rechtsopvatting geen gevolgen heeft, mocht worden bevestigd dat artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, een bepaling is die uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt. Nu kom ik dus bij de analyse van de tweede voorwaarde van artikel 263, vierde alinea, in fine, VWEU.
69.
De thans vaste rechtspraak van het Hof, die laatstelijk nog in de arresten Industrias Quimicas del Vallés/Commissie ( 63 ) en European Union Copper Task Force/Commissie ( 64 ) in herinnering is gebracht, vereist in wezen dat de uitdrukking „die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen” wordt uitgelegd in het licht van het doel van artikel 263, vierde alinea, VWEU, namelijk vermijden dat een particulier wordt gedwongen het recht te schenden om toegang tot de rechter te krijgen. Wanneer een regelgevingshandeling uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, wordt het rechterlijke toezicht op de eerbiediging van de rechtsorde van de Unie verzekerd, ongeacht of deze maatregelen zijn genomen door de Unie of de lidstaten, en kunnen de justitiabelen zich tegen de toepassing van deze handeling verweren door beroep in te stellen tegen de uitvoeringsmaatregelen die deze handeling met zich meebrengt. Berust de uitvoering van die handeling bij de lidstaten, dan kunnen de justitiabelen de ongeldigheid van de betrokken basishandeling aanvoeren voor de nationale rechterlijke instanties en die verzoeken om krachtens artikel 267 VWEU prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Bijgevolg moet voor de vraag of een regelgevingshandeling uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, de positie van de persoon die aanspraak maakt op het recht om beroep in te stellen op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de beschouwing worden betrokken. Bovendien dient uitsluitend te worden uitgegaan van het voorwerp van het beroep en is het niet relevant of die maatregelen al dan niet een automatisch karakter hebben.
70.
Gelet op deze rechtspraak ben ik van mening dat met het oog op een effectieve rechterlijke bescherming van Bank Mellat, die de leidraad zou moeten zijn bij mijn uitlegging van de laatste voorwaarde van artikel 263, vierde alinea, VWEU, het Gerecht tot een redelijke conclusie is gekomen door erop te wijzen dat de nationale overheden noodzakelijkerwijs een besluit moeten nemen om de betreffende overmaking toe te staan of in voorkomend geval te weigeren. Verzoekster heeft in een dergelijk geval immers alle vrijheid gehad om voor de nationale rechter een nationaal besluit tot weigering van de betreffende overmaking aan te vechten, zonder daarom het Unierecht te hoeven schenden.
71.
De validering van de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor zover het was gericht tegen artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, versterkt het idee dat het Gerecht op adequate wijze heeft gehandeld door elke bepaling afzonderlijk te toetsen aan artikel 263, vierde alinea, VWEU. Indien het zich immers had moeten uitspreken over de vraag of de voorwaarden van dat artikel waren vervuld wat artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 in zijn geheel betreft, waaraan had het dan voorrang moeten geven: het feit dat het beroep van Bank Mellat duidelijk aan die voorwaarden voldeed wat artikel 30 van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, betreft, of had het integendeel moeten besluiten dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk was door in dat opzicht twee problematische bepalingen, waarbij de ene verzoekster niet rechtstreeks raakte (artikel 30 bis van die verordening) en de andere uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht (artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van die verordening)? Het antwoord is niet gemakkelijk en de benadering van het Gerecht blijkt weloverwogen, aangezien het recht van Bank Mellat om beroep in te stellen ten volle is nageleefd en tegelijk een coherente toepassing ( 65 ) van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde voorwaarden is verzekerd.
72.
Bijgevolg dient het vierde middel ongegrond te worden verklaard.
b) Vijfde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de bevoegdheid van het Gerecht
1) Bestreden arrest
73.
In de punten 25 en volgende van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich gebogen over zijn eigen bevoegdheid om uitspraak te doen over de derde vordering van Bank Mellat, waarmee zij het Gerecht verzoekt te verklaren dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 niet op haar van toepassing is. ( 66 ) Na te hebben herinnerd aan de tekst van artikel 263, vierde alinea, artikel 275 en artikel 277 VWEU, heeft het Gerecht geoordeeld dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 een bepaling in de zin van dat artikel 275 VWEU was. ( 67 ) Het heeft in herinnering gebracht dat de afwijking van de in artikel 275 VWEU bepaalde regel van de bevoegdheid van het Hof restrictief moest worden uitgelegd. Daarna heeft het Gerecht geoordeeld dat de maatregelen waarin artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 voorziet, algemene maatregelen waren, waarvan de werkingssfeer was bepaald onder verwijzing naar objectieve criteria en niet onder verwijzing naar natuurlijke of rechtspersonen, en dat dat artikel 1, punt 6 dus geen besluit vormde waarin beperkende maatregelen jegens dergelijke personen zijn voorzien in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU. ( 68 ) Vervolgens heeft het eraan herinnerd dat verzoekster de exceptie van onwettigheid had opgeworpen ter onderbouwing van het beroep tot nietigverklaring van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012, dat op het gebied van het VWEU uitvoering moet geven aan artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635. ( 69 ) Volgens het Gerecht vormt dat artikel 1, punt 15 echter geen besluit waarbij beperkende maatregelen worden vastgesteld jegens natuurlijke of rechtspersonen in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU. Het is immers van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor algemeen en abstract omschreven categorieën van personen, en de uitvoering ervan is geen gevolg van een beoordeling van de omstandigheden van een specifieke instelling. ( 70 ) Dientengevolge is de exceptie van onwettigheid gericht tegen artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 niet opgeworpen ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een besluit waarin restrictieve maatregelen zijn voorzien in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU. ( 71 ) In deze omstandigheden heeft het Gerecht zich onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de exceptie van onwettigheid gericht tegen artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635. ( 72 ) Vervolgens heeft het evenwel geoordeeld dat de afwijking van de bevoegdheid van de rechter van de Unie uit artikel 275 VWEU niet zover strekte dat het uitgesloten is de wettigheid te toetsen van een krachtens artikel 215 VWEU vastgestelde handeling, die niet onder het GBVB valt, maar die enkel kan worden vastgesteld wanneer vooraf een onder het GBVB vallend besluit is vastgesteld, zoals het geval is van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012. Het Gerecht heeft dus vastgesteld dat het bevoegd is om uitspraak te doen over de eerste en de tweede vordering van Bank Mellat betreffende deze bepaling. ( 73 )
2) Argumenten van partijen en analyse
74.
In wezen verwijt Bank Mellat het Gerecht een al te formalistische en enge opvatting van zijn eigen bevoegdheid, die niet overeenstemt met het doel van het systeem van effectieve rechterlijke bescherming. Aangezien Bank Mellat zich rechtstreeks geraakt acht door de litigieuze regeling zonder dat daarvoor uitvoeringsmaatregelen nodig zijn, is de individuele aard van de maatregelen in de zin van artikel 275 VWEU getoetst, temeer omdat het wel degelijk maatregelen zijn ten aanzien van rechtspersonen waarvan verzoekster deel uitmaakt. Bank Mellat stelt ook dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 zelf in dergelijke maatregelen voorziet, wat volstaat als grondslag voor de bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen over de exceptie van onwettigheid die verzoekster aanvoert. Subsidiair stelt Bank Mellat dat artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 duidelijk een beperkende maatregel vormt, dat de wettigheid van dat artikel kan worden betwist en dat het recht om een incidenteel beroep in te stellen tegen artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 moet worden erkend op grond van artikel 277 VWEU wegens het rechtstreekse juridische verband tussen die twee litigieuze bepalingen.
75.
De Raad, de Commissie en het Verenigd Koninkrijk menen dat dit middel ongegrond moet worden verklaard.
76.
Besluit 2012/635 heeft als rechtsgrondslag artikel 29 VEU, een van de bepalingen van titel V van hoofdstuk 2 van het VEU. Bijgevolg blijkt dat dat besluit wel degelijk onder de uitsluiting van artikel 275, eerste alinea, VWEU valt, zodat de Unierechter a priori niet bevoegd is om uitspraak te doen over de wettigheid of geldigheid van een dergelijk besluit. Artikel 275, tweede alinea, VWEU bepaalt echter dat de Unierechter wel bevoegd is om toezicht te houden op de wettigheid „van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, van het [VEU] zijn vastgesteld”. Bank Mellat stelt dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 juist in dergelijke maatregelen voorziet en dat het Gerecht zich dus bevoegd had moeten verklaren om uitspraak te doen over de exceptie van onwettigheid die zij had opgeworpen.
77.
De uitlegging van dat artikel 275, tweede alinea, VWEU die Bank Mellat het Hof in overweging geeft, ontneemt die bepaling mijns inziens alle betekenis. Vanzelfsprekend moet artikel 275, tweede alinea, VWEU als afwijking van de bevoegdheid van de rechter van de Unie, strikt worden uitgelegd, wat het Gerecht overigens in herinnering heeft gebracht. Maar door te opperen dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 een besluit vormt houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, beoogt Bank Mellat de draagwijdte van de uitsluiting van de eerste alinea van dat artikel aanzienlijk te beperken. De verschillende aard van de maatregelen die Bank Mellat individueel hebben getroffen en die tot het arrest van het Hof van 18 februari 2016 ( 74 ) hebben geleid, en van de maatregelen in de onderhavige hogere voorziening illustreert perfect het onderscheid dat moet worden gemaakt bij de toepassing van artikel 275, tweede alinea, VWEU. Anders gezegd, de rechter van de Unie is niet bevoegd zodra er beperkende maatregelen zijn in de generieke betekenis van het woord. Hij is pas bevoegd als die maatregelen ook van individuele aard zijn.
78.
Een dergelijke benadering heeft het Hof voor het eerst bevestigd in zijn arrest Gbagbo e.a./Raad ( 75 ), waarin het heeft geoordeeld dat „bij de handelingen die op basis van de bepalingen inzake het [GBVB] worden vastgesteld [...], het de individuele aard van deze handelingen is die de weg naar de Unierechter overeenkomstig de artikelen 275, tweede alinea, VWEU en 263, vierde alinea, VWEU, vrijmaakt”.
79.
Dat verschil kan nog geïllustreerd worden door de bepalingen van besluit 2012/635 met elkaar te vergelijken. Artikel 1, punt 6, van dat besluit geeft uitvoering aan een algemene regeling van beperkende maatregelen die onder de in dat artikel omschreven voorwaarden in Iran gevestigde banken zonder onderscheid treffen op basis van een algemeen criterium en zonder dat wordt beweerd dat die banken bij de nucleaire proliferatie zijn betrokken. Dat artikel valt onder de uitsluiting van artikel 275, eerste alinea, VWEU. Artikel 2 van besluit 2012/635 daarentegen, dat de lijst aanvult van personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen, valt volgens mijn analyse onder artikel 275, tweede alinea, VWEU door het individuele karakter van die maatregelen.
80.
Punt 33 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft willen aantonen dat artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 ertoe strekte uitvoering te geven aan beperkende maatregelen van algemene aard ( 76 ), alvorens zichzelf onbevoegd te verklaren, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
81.
Verrassender is het vervolg van de redenering van het Gerecht in de punten 35 en 36, waarbij het vaststelt dat artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 „geen besluit [is] waarbij beperkende maatregelen worden vastgesteld [...] in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU”. Dat is niet relevant, aangezien het Gerecht artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635 moest toetsen aan artikel 275 VWEU. Deze onjuiste rechtsopvatting tast de correcte conclusie van het Gerecht in punt 38 van zijn arrest echter niet aan.
82.
Bijgevolg moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.
2. Middelen ten gronde van de hogere voorziening
a) Eerste middel: een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het noodzakelijkheidsvereiste in de zin van artikel 215, lid 1, VWEU
83.
Verzoekster verwijt hier het Gerecht artikel 215, lid 1, VWEU onjuist te hebben uitgelegd en een gebrekkig arrest te hebben gewezen door een „autonome materiële fout”. Het Gerecht heeft volgens haar ten onrechte geoordeeld dat het in dat artikel bedoelde noodzakelijkheidsvereiste geen betrekking had op de verhouding tussen de op die grondslag vastgestelde handeling en het nagestreefde doel van het GBVB.
84.
Artikel 215, lid 1, VWEU bepaalt dat „[w]anneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgesteld besluit voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, [...] de Raad, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen [vaststelt]. [...].”
85.
Niet alleen is verzoeksters kwalificatie van de aan het Gerecht verweten onjuiste opvatting verkeerd ( 77 ), ook blijkt uit alleen al de tekst van artikel 215, lid 1, VWEU heel duidelijk dat het noodzakelijkheidsvereiste dat het instelt, betrekking heeft op de verhouding tussen het GBVB-besluit en de daaropvolgende vastgestelde handeling. Bijgevolg werd het Gerecht in voorkomend geval verzocht na te gaan of artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 een maatregel vormde die nodig was voor de uitvoering van besluit 2012/635, en in het bijzonder artikel 1, punt 6, van dat besluit. Het Gerecht heeft dus terecht in punt 87 van het bestreden arrest besloten dat „de verwijzing naar ‚de nodige maatregelen’ [moet] waarborgen dat de Raad niet krachtens artikel 215 VWEU beperkende maatregelen vaststelt die verder strekken dan die welke zijn vastgesteld in het overeenkomstige GBVB-besluit”. Het kader van de uitvoeringsbevoegdheid van de Raad ter zake is al door het Hof vastgesteld. ( 78 ) Zoals de Commissie dienaangaande terecht heeft opgemerkt, zijn de maatregelen van artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 al grotendeels vastgesteld in artikel 1, punt 6, van besluit 2012/635.
86.
Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
b) Tweede middel: onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel
87.
Bank Mellat stelt dat de redenering van het Gerecht onjuist is door een verkeerde toepassing van het evenredigheidsbeginsel, waardoor het heeft besloten dat de litigieuze regeling met dat beginsel in overeenstemming was. Verzoekster voert zes grieven aan. De eerste betreft een onjuiste vaststelling van het passende niveau van toezicht dat de rechter van de Unie bij een dergelijke regeling moest toepassen. De tweede betreft een slechte beoordeling van de ernst van de sancties. De derde betreft een onjuiste vaststelling van het door de litigieuze regeling nagestreefde doel. De vierde betreft een slechte beoordeling van het noodzakelijke karakter van die regeling. De vijfde betreft een onjuiste beoordeling met betrekking tot het bestaan van minder beperkende alternatieve maatregelen. De zesde en laatste grief betreft het feit dat onvoldoende rekening is gehouden met de individuele situatie van Bank Mellat bij de toetsing door het Gerecht aan het evenredigheidsbeginsel.
88.
Inzake de vaststelling van het passende niveau van rechterlijk toezicht stelt Bank Mellat in wezen dat het Gerecht de bewijslast heeft omgekeerd door niet te oordelen over de juridische waarborgen voor de vaststelling van individuele beperkende maatregelen, die van toepassing zijn in het kader van de beoordeling van de wettigheid van een algemene regeling zoals de litigieuze regeling, wat haar effectieve rechterlijke bescherming heeft geschonden. Het Gerecht heeft echter zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting geoordeeld ( 79 ) dat de door Bank Mellat aangevoerde rechtspraak niet van toepassing was, aangezien de litigieuze handelingen en in het bijzonder verordening nr. 1263/2012 handelingen van algemene strekking vormden, waarvan de juridische regeling verschilt van die voor de individuele besluiten houdende vaststelling van individuele beperkende maatregelen ten aanzien van natuurlijke en rechtspersonen, die worden aangewezen op basis van een door de Raad vastgestelde persoonlijke handelwijze die beantwoordt aan het door die Raad vastgestelde criterium. Zoals de Raad terecht heeft opgemerkt, is de litigieuze regeling vastgesteld op een gebied waarin politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin het Hof de Uniewetgever al een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft verleend om die ingewikkelde beoordelingen te maken, zodat die litigieuze regeling slechts onrechtmatig is in het licht van het evenredigheidsbeginsel, wanneer zij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel. ( 80 ) Uit punt 110 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht wel degelijk de evenredigheid van de litigieuze regeling heeft getoetst en in het bijzonder heeft bepaald of de Raad kon oordelen dat de vaststelling ervan passend en noodzakelijk was ter bereiking van de doelstelling om nucleaire proliferatie en de financiering ervan te voorkomen zonder onevenredige nadelen voor verzoekster te veroorzaken. Bijgevolg heeft het Gerecht het in een dergelijk geval adequate niveau van toezicht toegepast.
89.
Inzake de beoordeling van de ernst van de sancties stelt verzoekster duidelijk dat haar verwijt is geformuleerd ten aanzien van de punten 205 tot en met 211 van het bestreden arrest, maar voor het overige beweert zij gewoonweg dat het Gerecht de ernst van de sancties slecht heeft beoordeeld, zonder dat aan te tonen. Omdat Bank Mellat dat punt onvoldoende uiteenzet, houdt het onderzoek van dat argument hier op.
90.
Betreffende de vaststelling van het doel van de litigieuze regeling betoogt verzoekster opnieuw dat het Gerecht van de Raad had moeten eisen dat hij bewijst dat met die regeling de beweerdelijk nagestreefde doelstelling kon worden bereikt, namelijk de nucleaire proliferatie voorkomen. Bank Mellat verwijt het Gerecht ook te veel belang te hebben gehecht aan de verklaringen van de Raad en niet te hebben kunnen vaststellen wat het werkelijk nagestreefde onrechtmatige doel was, namelijk economische druk uitoefenen op Iran. De argumentatie van verzoekster is hier echter gericht tegen een partij van het bestreden arrest, die zich heeft toegespitst op wat het Gerecht heeft gekwalificeerd als de „eerste doelstelling” ( 81 ), dat wil zeggen ( 82 ) nucleaire proliferatie voorkomen. Het Gerecht heeft niet alleen de stellingen van de Raad in overweging genomen om te oordelen dat de litigieuze regeling dat doel daadwerkelijk nastreefde ( 83 ), maar zijn analyse ook verder doorgedreven en vastgesteld dat wat verzoekster zelf had meegemaakt, de stellingen van de Raad bleek te staven, aangezien Bank Mellat buiten haar medeweten bepaalde diensten had verricht voor een bij de nucleaire proliferatie betrokken entiteit. ( 84 ) Ten slotte heeft Bank Mellat ten onrechte gesteld dat geen enkele geldige analyse is gemaakt van het werkelijk nagestreefde doel, namelijk economische druk uitoefenen op Iran. Dat blijkt uit de punten 136 tot en met 143 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat een dergelijke doelstelling niet naar voren kwam uit de bestreden handelingen. Het Gerecht heeft het door de litigieuze regeling nagestreefde doel dus correct vastgesteld.
91.
Inzake de beoordeling van de noodzaak van de litigieuze regeling stelt Bank Mellat in wezen dat die regeling verder gaat dan wat nodig is om het nagestreefde doel te bereiken, omdat zij van toepassing is op entiteiten waarvoor geen enkele aanwijzing van betrokkenheid bij de activiteiten inzake nucleaire proliferatie bestaat, en bovendien niet in voldoende uitzonderingen voorziet. Het Gerecht heeft volgens verzoekster niet aangetoond dat het financiële embargo nodig was om het nagestreefde doel te bereiken en dit punt veel te ruim gemotiveerd. Uit het bestreden arrest blijkt echter dat het Gerecht, na erop te hebben gewezen dat de litigieuze regeling de vastgestelde beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran moest aanscherpen, toch een zekere continuïteit met de eerdere algemene regeling heeft vastgesteld, waarvan Bank Mellat niet betwist dat zij noodzakelijk was, en dat de matige aanscherping van die regeling op drie punten ( 85 ) niet ertoe geleid had dat de litigieuze regeling plotseling buitensporig was. ( 86 ) Bovendien verwijt verzoekster het Gerecht de conclusies van de Financial Action Task Force te hebben toegepast op de nucleaire proliferatie door te oordelen dat die conclusies leemten aantoonden in het systeem van de Iraanse bank- en financiële sector, wat het scherper toezicht op die sector door de litigieuze regeling coherent maakte met de doelstelling om de nucleaire proliferatie te voorkomen. Dat verwijt valt mijns inziens echter buiten het toezicht van het Hof in het kader van een hogere voorziening, aangezien een door de Raad voor het Gerecht aangevoerd feitelijk element ter discussie wordt gesteld ( 87 ), maar Bank Mellat niet aanvoert dat dit onjuist is opgevat. Voor het overige is al bevestigd dat de litigieuze regeling niet berust op de vaststelling van een voor elke bank- en financiële entiteit specifiek risico van deelname aan de verboden activiteit en dat zij voorziet in een hele reeks uitzonderingen en vrijstellingen die ertoe strekken de negatieve gevolgen van die regeling zoveel mogelijk te beperken. Het betreft twee elementen die het Gerecht correct heeft geïdentificeerd en die duidelijk ervoor pleiten dat de litigieuze regeling niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
92.
Inzake het bestaan van minder beperkende alternatieve maatregelen stelt Bank Mellat dat het Gerecht met betrekking tot die maatregelen niet is nagegaan of de litigieuze regeling alleen de financiële instellingen had mogen beogen waarvoor redelijke twijfel bestond, of had moeten voorzien in een gunstiger uitzonderingsregeling of transparantere en minder discretionaire regels. De beoordeling van het Gerecht betreffende de hierboven vermelde vaststelling van leemten in het systeem van de Iraanse banksector maakt mijns inziens duidelijk dat het noodzakelijk was de hele sector een strenge regeling op te leggen, die op alle Iraanse banken was gericht los van elke overweging over hun persoonlijke betrokkenheid bij de nucleaire proliferatie, temeer omdat het bij de litigieuze regeling niet de bedoeling was alle overmakingen te verbieden, maar wel om die overmakingen via niet alleen een regeling van voorafgaande melding en toestemming maar ook een vrijstellingsregeling te beoordelen in het licht van het risico dat zij in voorkomend geval inhielden voor de nucleaire proliferatie. Bovendien merk ik op dat Bank Mellat niet aantoont waarom de door haar voorgestelde alternatieve maatregelen even doeltreffend zouden zijn als de litigieuze regeling, zodat haar grief niet kan slagen.
93.
Betreffende de inaanmerkingneming van de individuele situatie van Bank Mellat om de evenredigheid van de litigieuze regeling te toetsen, stelt verzoekster in wezen dat het Gerecht ermee rekening had moeten houden dat er geen enkel bewijs bestond dat zij enige steun zou hebben verleend aan de nucleaire proliferatie en dat het Gerecht had moeten vaststellen dat die regeling daarom niet noodzakelijk was. Opnieuw wijst de argumentatie van verzoekster ter zake op een slecht begrip van wat de litigieuze regeling inhield: een algemene regeling die van toepassing was op entiteiten waarvoor niet hoefde te worden aangetoond dat zij persoonlijk bij de nucleaire proliferatie waren betrokken. Meer nog, het feit dat Bank Melat buiten haar medeweten diensten heeft verricht voor een bij de nucleaire proliferatie betrokken entiteit, bevestigt veeleer de noodzaak van een algemene regeling zoals de litigieuze regeling om die proliferatie in Iran doeltreffender te bestrijden. Dat heeft het Gerecht overigens geoordeeld in punt 195 van het bestreden arrest, zodat in tegenstelling tot wat verzoekster beweerde en hoewel het Gerecht daartoe mijns inziens niet was verplicht door de algemene strekking van de litigieuze regeling, het wel degelijk gedeeltelijk rekening heeft gehouden met de situatie van verzoekster, maar daaruit andere conclusies heeft getrokken dan wat Bank Mellat op het oog had.
94.
Gelet op al deze overwegingen en het feit dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toetsing van de litigieuze regeling aan het evenredigheidsbeginsel, moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
c) Derde middel: een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht, dat heeft geoordeeld dat de litigieuze regeling in overeenstemming was met de algemene rechtsbeginselen
95.
Bank Mellat stelt dat het Gerecht ten onrechte de grieven van het derde middel niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover die zijn gericht tegen artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, en ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze regeling niet strijdig was met de beginselen van rechtszekerheid en niet-discriminatie, de motiveringsplicht en de procedurele waarborgen die in beginsel bij beperkende maatregelen worden geboden.
96.
Inzake de ontvankelijkheid van de grieven met betrekking tot artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, verwijs ik naar de punten 66 en volgende van deze conclusie.
97.
Met betrekking tot de grief inzake een schending van het rechtszekerheidsbeginsel heeft het Gerecht eerst herinnerd aan de klassieke rechtspraak ter zake en vervolgens terecht geoordeeld dat de litigieuze regeling voldeed aan de criteria van het Hof en dat het vereiste van rechtszekerheid dus was vervuld. ( 88 ) Gelet op de aard van de betreffende regeling en de werkingsregels ervan, zoals die in artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012 zijn vastgesteld, kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, omdat de omstandigheden waarin een voorafgaande kennisgeving of toestemming noodzakelijk waren, duidelijk waren geformuleerd. Bijgevolg deel ik de conclusie van het Gerecht dat de bepalingen van de betreffende regeling, in het bijzonder artikel 30, leden 2 tot en met 4, van verordening nr. 267/2012, „een voldoende duidelijke en nauwkeurige definitie [geven] van de werkingssfeer van de beperkingen en verplichtingen”. ( 89 )
98.
Betreffende de grief inzake de verkeerde uitlegging door het Gerecht van de strekking van de procedurele verplichtingen die moeten worden gewaarborgd met het oog op de vaststelling van de litigieuze regeling, is het Gerecht in eerste instantie nagegaan of de motivering die aan de door de algemene regeling beoogde entiteiten was verschaft, het hen mogelijk had gemaakt de ratio legis van die regeling te begrijpen om in voorkomend geval de wettigheid ervan aan te vechten. ( 90 ) In tweede instantie heeft het Gerecht een onderscheid gemaakt tussen de procedurele waarborgen voor natuurlijke of rechtspersonen waarop individuele beperkende maatregelen van toepassing zijn, en die voor personen waarop een algemene regeling zoals de litigieuze regeling van toepassing is. ( 91 ) Dienaangaande moet de analyse van het Gerecht worden bevestigd, want, zoals ik reeds heb benadrukt, is het duidelijk dat de litigieuze regeling, in tegenstelling tot de individuele beperkende maatregelen, niet is gebaseerd op een specifieke bewering over een persoonlijke handelwijze die in strijd is met de nagestreefde doelstelling van het GBVB, maar wel op het risico dat Iran op zijn grondgebied gevestigde banken en financiële instellingen gebruikt voor de nucleaire proliferatie, ook buiten hun medeweten. De procedurele waarborgen in de fase vóór de vaststelling van de handeling verschillen dus volledig van die welke van toepassing zijn op de vaststelling van individuele beperkende maatregelen. ( 92 ) De litigieuze regeling vormt juist geen individueel besluit dat op Bank Mellat is gericht. In tegenstelling tot het betoog van Bank Mellat en gelet op het verschil tussen de juridische regeling van individuele beperkende maatregelen en die welke op de litigieuze regeling van toepassing is, staan de conclusies van het Gerecht in het kader van de toetsing van de wettigheid van de individuele beperkende maatregelen volledig los van de conclusies in het kader van het beroep tot betwisting van de wettigheid van de litigieuze regeling. In die omstandigheden heeft het Gerecht de grieven betreffende schending van de motiveringsplicht en schending van de juridische waarborgen bij beperkende maatregelen afgewezen zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting.
99.
Tot slot moet met betrekking tot de grief inzake schending van het non-discriminatiebeginsel opnieuw worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft geoordeeld dat de verschillende behandeling van de Iraanse entiteiten die onder de werkingssfeer ratione personae van de litigieuze regeling vielen, was gerechtvaardigd door de kern zelf van die regeling, die ieder risico van nucleaire proliferatie in Iran moest helpen te bestrijden, omdat het had vastgesteld dat die entiteiten zelfs buiten hun medeweten konden deelnemen aan de financiering van die proliferatie. Het argument van verzoekster dat die verschillende behandeling niet noodzakelijk was om het nagestreefde doel te bereiken en dat er andere, minder beperkende maatregelen bestaan, stelt mijns inziens de analyse van het Gerecht inzake de toetsing van de litigieuze regeling aan het evenredigheidsbeginsel opnieuw ter discussie. Ik verwijs hiervoor dus naar mijn analyse van het tweede middel van deze hogere voorziening.
100.
Om deze redenen dient het derde middel te worden afgewezen.
V. Kosten
101.
De kosten worden enkel in het licht van mijn primaire conclusie beslecht, namelijk de niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening. Niettemin denk ik dat indien het Gerecht de kwestie van het wegvallen van het procesbelang tijdens de procedure correct had beoordeeld en de zaak zonder beslissing had afgedaan, verzoekster deze hogere voorziening misschien niet had ingesteld. Bij de vaststelling van de kosten kan hiermee dus rekening worden gehouden.
102.
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Raad heeft geconcludeerd tot verwijzing van Bank Mellat in de kosten en de door haar ingestelde hogere voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dient zij te worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening. Om de hierboven uiteengezette redenen meen ik daarentegen dat het Hof artikel 184, lid 4, laatste zin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet toepassen en besluiten dat het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hun eigen kosten zullen dragen.
VI. Conclusie
103.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te verklaren als volgt:
„1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Bank Mellat wordt verwezen in de kosten van de Raad van de Europese Unie.
3)
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) T‑160/13, EU:T:2016:331.
( 3 ) PB 2012, L 356, blz. 34.
( 4 ) PB 2012, L 282, blz. 58.
( 5 ) Dat wil zeggen in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39) (hierna: „besluit 2010/413”), en in bijlage V bij verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1).
( 6 ) Namelijk verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB 2010, L 281, blz. 1), en daarna verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1).
( 7 ) Zie overweging 5 van besluit 2012/635.
( 8 ) Om te verwijzen naar de artikelen 30, 30 bis en 30 ter, zoals gewijzigd of ingevoerd bij artikel 1, punt 15, van verordening nr. 1263/2012, zal ik naar die artikelen verwijzen met de vermelding „verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd”.
( 9 ) Zie voor een samenvatting van het bestreden arrest, punten 73 en volgende van deze conclusie.
( 10 ) Voor het onderzoek van de bevoegdheid van het Gerecht, zie punten 25‑40 van het bestreden arrest.
( 11 ) Zie punten 41‑67 van het bestreden arrest.
( 12 ) Zie punten 68‑78 van het bestreden arrest.
( 13 ) Arrest van 18 februari 2016 (C‑176/13 P, EU:C:2016:96).
( 14 ) Het Verenigd Koninkrijk heeft een incidentele hogere voorziening ingesteld op 14 oktober 2016 en die uiteindelijk op 21 juni 2017 ingetrokken.
( 15 ) Zie artikel 1, punt 17, van besluit (GBVB) 2015/1863 van de Raad van 18 oktober 2015 tot wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2015, L 274, blz. 174); artikel 1, punt 15, van verordening (EU) 2015/1861 van de Raad van 18 oktober 2015 tot wijziging van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2015, L 274, blz. 1), besluit (GBVB) 2016/37 van de Raad van 16 januari 2016 met betrekking tot de toepassingsdatum van besluit 2015/1863 (PB 2016, L 111, blz. 1), en de informatieve nota over de datum van toepassing van verordening 2015/1861 en uitvoeringsverordening (EU) 2015/1862 van de Raad houdende uitvoering van verordening nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2015, L 274, blz. 161).
( 16 ) Arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 17 ) Arrest van 18 februari 2016 (C‑176/13 P, EU:C:2016:96).
( 18 ) Arrest van 28 mei 2013 (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 19 ) Verzoekster verwijst hier naar het arrest van 12 december 2006, Organisatie van Volksmujahedeen van Iran/Raad (T‑228/02, EU:T:2006:384).
( 20 ) Die negatieve gevolgen zijn volgens verzoekster volledig vergelijkbaar met die aangevoerd in de punten 80‑85 van het arrest van 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad (T‑384/11, EU:T:2014:986).
( 21 ) Verzoekster verwijst hier naar de punten 70‑74 van het arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 22 ) Zie arresten van 21 december 2011, ACEA/Commissie (C‑319/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:857, punt 67), en 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie (C‑133/12 P, EU:C:2014:105, punt 54).
( 23 ) Zie arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punten 28 en 34).
( 24 ) Zie verordening van 31 juli 1989, S./Commissie (206/89 R, EU:C:1989:333, punt 8).
( 25 ) Zie arrest van 20 juni 2013, Cañas/Commissie (C‑269/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:415, punt 15en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 26 ) Zie arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punt 34).
( 27 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 61).
( 28 ) Zie arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C‑19/93 P, EU:C:1995:339, punt 13), en 13 juli 2000, Parlement/Richard (C‑174/99 P, EU:C:2000:412, punt 33); zie tevens beschikking van de president van het Hof van 27 februari 2002, Commerzbank/Commissie [C‑480/01 P(R), EU:C:2002:127, punt 20]; beschikkingen van 19 januari 2006, Audi/BHIM (C‑82/04 P, niet gepubliceerd, EU:C:2006:48, punt 20); 5 juli 2012, Audi en Volkswagen/BHIM (C‑467/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:425, punt 11), en 15 november 2012, Neubrandenburger Wohnungsgesellschaft/Commissie (C‑145/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:724, punt 23).
( 29 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 62).
( 30 ) Arrest van 28 mei 2013 (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 31 ) Arrest van 28 mei 2013 (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 32 ) Arrest van 18 februari 2016 (C‑176/13 P, EU:C:2016:96). Merk op dat het Hof het arrest heeft gewezen na de inwerkingtreding van het actieplan.
( 33 ) Overweging 9 van besluit 2015/1863.
( 34 ) Overwegingen 5 en 6 van verordening 2015/1861.
( 35 ) Overweging 14 van besluit 2015/1863.
( 36 ) Zie artikel 2, tweede alinea, van verordening 2015/1861.
( 37 ) Overweging 9 van besluit 2015/1863. Zie ook overweging 10 van dat besluit en overwegingen 6 en 7 van verordening. 2015/1861.
( 38 ) Zie punt 26 van deze conclusie.
( 39 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 65).
( 40 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 63‑64).
( 41 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 68).
( 42 ) Zie arrest van 18 februari 2016, Raad/Bank Mellat (C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punten 11e.v.).
( 43 ) Zie voetnoot 12 van de hogere voorziening.
( 44 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 45 ) Zie punten 127, 161 en 173 van het bestreden arrest.
( 46 ) Arrest van 28 mei 2013 (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 47 ) Zie arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 48 ) Arrest Raad/Bank Mellat (C‑176/13 P, EU:C:2016:96).
( 49 ) Zie punten 68 e.v. van het bestreden arrest.
( 50 ) Zie punt 76 van het bestreden arrest.
( 51 ) Arrest van 28 mei 2013 (C‑239/12 P, EU:C:2013:331).
( 52 ) Zie punt 78 van het bestreden arrest.
( 53 ) Zie punten 44‑55 van het bestreden arrest.
( 54 ) Zie punt 56 van het bestreden arrest.
( 55 ) Zie punten 57 en 58 van het bestreden arrest.
( 56 ) Zie punt 59 van het bestreden arrest.
( 57 ) Zie punten 60 en 61 van het bestreden arrest.
( 58 ) Zie punten 62‑65 van het bestreden arrest.
( 59 ) Zie punten 66 en 67 van het bestreden arrest.
( 60 ) Alleen het Verenigd Koninkrijk blijkt uiteindelijk die kwalificatie te betwisten in zijn schriftelijk antwoord op de vragen van het Hof.
( 61 ) Artikel 30 bis, lid 1, van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd, luidt als volgt: „Geldovermakingen van en naar een Iraanse persoon of entiteit of een Iraans lichaam die niet onder artikel 30, lid 1, vallen, worden verwerkt als volgt: [...]” (cursivering van mij).
( 62 ) In het bijzonder artikel 30, lid 3, onder b) en c), van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd. Artikel 30 ter, lid 3, eerste alinea, van die verordening betreft ook de gevallen bedoeld in artikel 30 bis van diezelfde verordening, maar dienaangaande heb ik al gepreciseerd dat dat geen betrekking had op verzoekster.
( 63 ) Arrest van 13 maart 2018 (C‑244/16 P, EU:C:2018:177, punten 42e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 64 ) Arrest van 13 maart 2018 (C‑384/16 P, EU:C:2018:176, punten 32e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 65 ) Met uitzondering van de onjuiste rechtsopvatting vermeld in punt 67 van deze conclusie.
( 66 ) In punt 31 van het bestreden arrest wijst het Gerecht erop dat verzoekster heeft benadrukt dat deze vordering een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 277 VWEU vormde.
( 67 ) Zie punten 28‑31 van het bestreden arrest.
( 68 ) Zie punt 33 van het bestreden arrest.
( 69 ) Zie punten 34 en 35 van het bestreden arrest.
( 70 ) Zie punt 36 van het bestreden arrest.
( 71 ) Zie punt 37 van het bestreden arrest.
( 72 ) Zie punt 38 van het bestreden arrest.
( 73 ) Zie punten 39 en 40 van het bestreden arrest.
( 74 ) Arrest Raad/Bank Mellat (C‑176/13 P, EU:C:2016:96).
( 75 ) Arrest van 23 april 2013 (C‑478/11 P‑C‑482/11 P, EU:C:2013:258). Het Hof heeft zijn standpunt bevestigd in het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 103).
( 76 ) Of „maatregelen van algemene strekking” in de zin van punt 98 van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236).
( 77 ) Het gaat immers meer om een onjuiste rechtsopvatting dan een materiële fout.
( 78 ) Zie arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad (C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 54).
( 79 ) Zie punten 100 e.v. van het bestreden arrest.
( 80 ) Zie arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120). Zie ook arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad (C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 77).
( 81 ) Zie punten 117 e.v. van het bestreden arrest.
( 82 ) Onderstreping van mij.
( 83 ) In punt 122 van het bestreden arrest legt het Gerecht enige voorzichtigheid aan de dag inzake de door de Raad aangevoerde premissen, die in het vorige punt van dat arrest zijn samengevat.
( 84 ) Zie punt 126 van het bestreden arrest.
( 85 ) Zie punt 164 van het bestreden arrest.
( 86 ) Zie punt 165 van het bestreden arrest.
( 87 ) Zie punt 167 van het bestreden arrest.
( 88 ) Zie punten 242 en 243 van het bestreden arrest.
( 89 ) Punt 243 van het bestreden arrest.
( 90 ) Zie punten 226‑229 van het bestreden arrest.
( 91 ) Zie punten 232‑240 van het bestreden arrest.
( 92 ) Zie voor een samenvatting van die waarborgen, arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran (C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punten 64‑66).
Full & Egal Universal Law Academy