Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 13 september 2018 (1)
Zaak C‑486/16
Bankia SA
tegen
Alfredo Sánchez Martínez,
Sandra Sánchez Triviño
[verzoek van de Juzgado de Primera Instancia nº 6 de Alicante (rechtbank in eerste aanleg nr. 6 Alicante, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Beding inzake vervroegde opeisbaarheid van een hypothecaire leningsovereenkomst – Artikel 6, lid 1 – Artikel 7, lid 1 – Criteria ter beoordeling van het oneerlijke karakter – Doeltreffendheidsbeginsel”
I. Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG(2). De Juzgado de Primera Instancia nº 6 de Alicante (rechtbank in eerste aanleg nr. 6 Alicante, Spanje) vraagt zich meer in het bijzonder af of de rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) met betrekking tot de uitlegging van bedingen inzake vervroegde opeisbaarheid in het kader van de bijzondere executieprocedure van een verhypothekeerde onroerende zaak (hierna: „hypothecaire executieprocedure”) verenigbaar is met de consumentenbeschermingsregeling waarin deze richtlijn voorziet.
2. De zaak in het hoofdgeding past dus binnen dezelfde juridische en justitiële context als de zaken C‑92/16, C‑167/16, C‑70/17 en C‑179/17.(3)
3. Door de gelijkenis tussen de prejudiciële vragen die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige zaak en de vragen van de verwijzende rechters in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, waarin ik vandaag eveneens concludeer, zal ik op bepaalde punten dus kunnen verwijzen naar de argumenten uit mijn conclusies in deze parallelle zaken, om herhalingen te voorkomen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4. Volgens de vierde overweging van richtlijn 93/13 is „het de taak van de lidstaten [...] erop toe te zien dat geen oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten worden opgenomen”.
5. Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 bepaalt:
„Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen [...] zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”
6. Artikel 3, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepaalt:
„1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
2. Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.”
7. Artikel 4 van deze richtlijn luidt:
„1. Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.
2. De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”
8. In artikel 6, lid 1, van deze richtlijn is bepaald:
„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
9. Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt:
„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”
B. Spaans recht
10. Artikel 1124 van de Código Civil (Spaans burgerlijk wetboek) luidt:
„Wanneer een van de partijen bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet nakomt, is de wederpartij gerechtigd de overeenkomst te ontbinden.
De benadeelde partij kan kiezen tussen het instellen van een vordering tot nakoming of ontbinding van de overeenkomst, in beide gevallen met schadevergoeding en betaling van rente. Ook kan zij ontbinding vorderen wanneer zij gekozen heeft voor nakoming, maar die nakoming achteraf onmogelijk blijkt te zijn.
De rechter spreekt de gevorderde ontbinding uit wanneer er geen gegronde redenen zijn om uitstel te verlenen.”
11. Artikel 552, leden 1 en 3, van de Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „LEC”) van 7 januari 2000(4), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, met betrekking tot de ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen, luidt als volgt:
„1. De rechter onderzoekt ambtshalve of een beding in één van de in artikel 557, lid 1, genoemde executoriale titels als oneerlijk kan worden aangemerkt. Wanneer hij vaststelt dat een van die bedingen als oneerlijk moet worden aangemerkt, hoort hij de partijen binnen 15 dagen. Na het horen van de partijen wordt binnen een termijn van vijf werkdagen een passende beslissing genomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 561, lid 1, punt 3.
[...]
3. Nadat de beschikking door middel waarvan het verlof tot executie wordt geweigerd, onherroepelijk is geworden, kan de schuldeiser zijn rechten slechts doen gelden in de desbetreffende gewone procedure indien het gezag van gewijsde van de einduitspraak of -beslissing waarop het verzoek om verlof tot executie is gebaseerd, zich niet daartegen verzet.”
12. Artikel 557 LEC luidt als volgt:
„1. Wanneer het verlof tot executie wordt verleend krachtens titels als genoemd in artikel 517, lid 2, punten 4, 5, 6 en 7, of krachtens andere executoriale werking hebbende stukken als genoemd in artikel 517, lid 2, punt 9, kan de geëxecuteerde zich uitsluitend hiertegen verzetten binnen de termijn en op de wijze zoals bepaald in het voorgaande artikel, voor zover hij zich op een van de volgende gronden baseert:
[...]
7° de titel bevat oneerlijke bedingen.
2. Indien het in het voorgaande lid bedoelde verzet wordt gedaan, schorst de griffier de executie bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang.”
13. Artikel 561, lid 1, punt 3, LEC luidt:
„Indien wordt vastgesteld dat een of meer bedingen oneerlijk zijn, worden in de te geven beschikking de daaraan verbonden consequenties vermeld en wordt ofwel bevolen dat niet mag worden overgegaan tot executie, ofwel verlof verleend om over te gaan tot executie met buitentoepassinglating van de als oneerlijk aangemerkte bedingen.”
14. Artikel 693 LEC, dat ziet op de vervroegde opeisbaarheid van in termijnen af te lossen schulden, bepaalt in lid 2:
„Betaling van het volledige in hoofdsom en aan rente verschuldigde bedrag kan worden geëist, wanneer is overeengekomen dat de volledige lening vervroegd opeisbaar wordt indien ten minste drie maandelijkse termijnen opeisbaar zijn geworden zonder dat de schuldenaar zijn verplichting tot betaling is nagekomen, dan wel een zodanig aantal termijnen dat mag worden aangenomen dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet is nagekomen gedurende een periode die ten minste met drie maanden overeenkomt, en die overeenkomst is vervat in de akte van de lening en in het desbetreffende register.”
15. Artikel 695 LEC, dat betrekking heeft op het verzet tegen een hypothecaire executie, luidt als volgt:
„1. In de in dit hoofdstuk genoemde procedures kan de geëxecuteerde zich uitsluitend verzetten op de volgende gronden:
[...]
4° de oneerlijkheid van een contractueel beding dat de grondslag vormt voor de executie of op basis waarvan het verschuldigde bedrag is vastgesteld.
2. Ingeval overeenkomstig lid 1 verzet wordt gedaan, schort de griffier van de rechtbank de executie op en nodigt hij de partijen uit om te verschijnen voor de rechter die de executie heeft bevolen, waarbij tussen de dagvaarding en de comparitie ten minste twee weken moeten liggen. Tijdens deze comparitie hoort de rechter de partijen, laat hij stukken die worden overgelegd toe, en geeft hij binnen twee dagen de door hem redelijk geachte beslissing in de vorm van een beschikking.
3. [...]
Indien de vierde grond [van lid 1 van dit artikel] slaagt, wordt de executie beëindigd voor zover het contractuele beding aan de executie ten grondslag ligt. Anders wordt de executie met buitentoepassinglating van het oneerlijke beding voortgezet.
4. Tegen de beschikking waarbij de beëindiging van de executie of de buitentoepassinglating van een oneerlijk beding wordt gelast, of waarbij wordt overgegaan tot afwijzing van het verzet dat is gedaan op de in lid 1, punt 4, genoemde grond, kan hoger beroep worden ingesteld.
Buiten die gevallen staan tegen beschikkingen waarbij op het in dit artikel bedoelde verzet wordt beslist, geen rechtsmiddelen open en is de werking ervan beperkt tot de executieprocedure waarin zij worden gegeven.”
16. Artikel 698, lid 1, LEC luidt als volgt:
„Ieder bezwaar van de schuldenaar, de derde-bezitter of een andere betrokkene dat niet in de bovenstaande artikelen is genoemd, daaronder begrepen bezwaren die de nietigheid van de titel alsmede de opeisbaarheid, de vaststaande aard, het tenietgaan of het bedrag van de vordering betreffen, wordt in de desbetreffende gerechtelijke procedure onderzocht, zonder dat dit leidt tot schorsing of vertraging van de in het onderhavige hoofdstuk bedoelde [gerechtelijke executie]procedure.”
17. Richtlijn 93/13 is in de Spaanse rechtsorde omgezet bij Ley 7/1998 sobre condiciones generales de la contratación (wet 7/1998 inzake de algemene voorwaarden in overeenkomsten) van 13 april 1998(5), en bij Real Decreto Legislativo 1/2007 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios y otras leyes complementarias (koninklijk wetsbesluit 1/2007 tot goedkeuring van de geconsolideerde tekst van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers en andere aanvullende wetten: hierna: „koninklijk wetsbesluit 1/2007”) van 16 november 2007.(6)
18. In artikel 83 van voornoemde texto refundido, zoals gewijzigd bij wet nr. 3/2014 van 27 maart 2014(7), is het volgende bepaald:
„Oneerlijke bedingen zijn van rechtswege nietig en worden als niet geschreven beschouwd. Na de partijen te hebben gehoord, stelt de rechter derhalve de nietigheid van de in de overeenkomst opgenomen oneerlijke bedingen vast, met dien verstande dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft onder dezelfde voorwaarden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”
III. Feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
19. Op 20 januari 2006 heeft de bank Caja de Ahorros de Valencia, Castellón y Alicante (thans Bankia S.A., hierna: „Bankia”) met Alfredo Sánchez Martínez en Sandra Sánchez Triviño een hypothecaire leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van 140 000 EUR, met een looptijd van 35 jaar. Die overeenkomst was bedoeld om de aankoop te financieren van een als hoofdverblijf gebruikte woning. Op 18 oktober 2006 is die overeenkomst genoveerd en is de lening in twee delen gesplitst (deel A en deel B).
20. Wat de aflossing van deel A van de lening betreft, heeft Bankia, nadat de maandelijkse termijnen van februari en maart 2012 (ten bedrage van respectievelijk 131,56 EUR en 131,92 EUR) en een gedeelte (32,21 EUR) van de maandelijkse termijn van april 2012 niet waren betaald, besloten deel A van de lening vervroegd op te eisen. Voor de aflossing van deel B van de lening werd de betaling van de maandelijkse termijnen onderbroken op 18 april 2012.
21. Op 17 april 2013 heeft Bankia een eerste vordering tot hypothecaire uitwinning ingesteld bij de Juzgado de Primera Instancia nº 11 de Alicante (rechter in eerste aanleg nr. 11 te Alicante, Spanje), die bij beschikking van 2 oktober 2013 de executie van de verhypothekeerde zaak heeft gelast op basis van de executoire titel.
22. Op 12 maart 2014 hebben de schuldenaren verzet aangetekend tegen de executie omdat meerdere bedingen in de hypothecaire leningsovereenkomst oneerlijk zouden zijn, waaronder beding 6 bis inzake vervroegde opeisbaarheid. Volgens dat beding „kan [de bank] de verbintenis vervroegd opeisen en verzoeken om onmiddellijke betaling van het verschuldigde bedrag aan kapitaal en rente, met inbegrip van vertragingsrente, in de volgende gevallen: a) de gehele of gedeeltelijke niet-betaling door de leners, op het moment van opeisbaarheid van om het even welke aflossing of rentebetaling in overeenstemming met hetgeen in deze akte is overeengekomen”.
23. Op 26 mei 2014 heeft de Juzgado de Primera Instancia n° 11 de Alicante een beschikking gegeven waarin hij dit beding oneerlijk verklaart en stelt dat er geen verlof tot executie dient te worden gegeven.
24. Op 27 juni 2014 heeft Bankia hoger beroep ingesteld tegen de beschikking bij de Audiencia Provincial de Alicante (rechter in tweede aanleg te Alicante, Spanje), die dat beroep bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft afgewezen.
25. Op 20 mei 2015 heeft Bankia de Juzgado de Primera Instancia nº 6 de Alicante opnieuw om verlof tot executie jegens Sánchez Martínez en Sánchez Triviño verzocht, op basis van dezelfde executoriale titel.
26. Bij beschikking van 14 oktober 2015 heeft de verwijzende rechter dit verzoek geweigerd. Op 11 februari 2016 heeft de Audiencia Provincial de Alicante die beschikking vernietigd omdat de schuldenaren 38 maandelijkse termijnen niet betaald hadden. Aangezien in de beslissing in tweede aanleg geen verlof tot executie werd gegeven, dient de verwijzende rechter zich opnieuw uit te spreken over dit punt.
27. In deze omstandigheden heeft de Juzgado de Primera Instancia n° 6 de Alicante bij beslissing van 28 juli 2016, die op 12 september 2016 is ingekomen ter griffie van het Hof, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen(8):
„1) Is het in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten om verlof tot executie te verlenen op basis van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde hypotheekleningsovereenkomst, ook al zijn aan die eerdere rechterlijke beslissing naar nationaal recht geen positieve gevolgen van materieel gewijsde (cosa juzgada material) verbonden, maar is het op grond van het nationale recht onmogelijk een nieuwe executieprocedure in te leiden op basis van dezelfde executoriale titel?
2) Is het in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten dat – in een hypothecaire executieprocedure waarin de rechter in eerste aanleg heeft geweigerd verlof tot executie te verlenen omdat het verzoek daartoe was gebaseerd op een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard in een andere, eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde titel, en waarin de weigering om verlof tot executie te verlenen ongedaan is gemaakt door de appelrechter, die de zaak naar de rechter in eerste aanleg heeft terugverwezen zodat in eerste aanleg verlof tot executie zou worden verleend –, de rechter in eerste aanleg gebonden is aan de beslissing in hoger beroep, of moet het nationale recht aldus worden uitgelegd dat de rechter in eerste aanleg niet gebonden is aan de beslissing in tweede aanleg wanneer er reeds een eerdere, onherroepelijke rechterlijke beslissing bestaat waarin het beding inzake vervroegde opeisbaarheid waarop het verlof tot executie is gebaseerd, nietig is verklaard, en hij het verzoek tot executie dan opnieuw niet-ontvankelijk moet verklaren?”
IV. Procedure bij het Hof
28. Bij beschikkingen van de president van het Hof van respectievelijk 18 maart, 21 april en 10 oktober 2016 zijn de zaken C‑92/16, C‑167/16 en C‑486/16 geschorst tot de uitspraak van het arrest van 26 januari 2017, Banco Primus(9).
29. Naar aanleiding van de betekening van dat arrest heeft de verwijzende rechter, bij beschikking van 21 februari 2017, aangegeven zijn tweede en derde prejudiciële vraag te willen handhaven.
30. Bij beschikking van de president van het Hof van 24 oktober 2017 zijn de zaken C‑92/16, C‑167/16, C‑486/16, C‑70/17 en C‑179/17 op een gecoördineerde manier behandeld.
31. Bij beschikking van 20 februari 2018 heeft het Hof, overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, besloten de zaken C‑92/16, C‑167/16 en C‑486/16 naar de eerste kamer te verwijzen, in dezelfde samenstelling, en heeft het overeenkomstig artikel 77 van dat Reglement een gezamenlijke terechtzitting voor deze zaken gehouden.
32. Bankia, de Spaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend in deze zaak.
33. De vertegenwoordigers van de partijen in het hoofdgeding, de Spaanse regering en de Commissie zijn gehoord in hun mondelinge opmerkingen ter gezamenlijke terechtzitting van 16 mei 2018.
V. Analyse
34. Ik wens in deze zaak eerst te verwijzen naar de overwegingen die ik heb uiteengezet in mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, met betrekking tot het voorwerp van het hoofdgeding en de analyse van de vragen die de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd.
A. Algemene overwegingen betreffende de consumentenbescherming en een overzicht van de relevante rechtspraak van het Hof
35. Teneinde een antwoord te geven op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter, moet worden voortgebouwd op de algemene overwegingen in de punten 51 tot en met 56 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, enerzijds, en op de relevante rechtspraak van het Hof zoals geanalyseerd in de punten 65 tot en met 82 van die conclusie anderzijds. Die overwegingen en die rechtspraak vormen immers niet alleen de basis voor de antwoorden op de juridische vragen van de verwijzende rechters in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, maar ook het juridisch en justitieel kader waarbinnen de vragen van de verwijzende rechters in de onderhavige zaak moeten worden onderzocht.
36. In de algemene overwegingen wordt eerst het kader voor richtlijn 93/13 geschetst en wordt vervolgens duidelijk hoe het Unierecht, met name dankzij die richtlijn, consumentenbescherming een centrale plek heeft gegeven in het Europese integratieproces. Tot slot wordt in de overwegingen een essentieel aspect van de richtlijn in herinnering gebracht, namelijk het feit dat harmonisering van de consumentenbescherming noodzakelijk wordt geacht om de interne markt te versterken en het economische en sociale leven te versterken.(10)
37. Wat de relevante rechtspraak van het Hof betreft, heb ik in mijn uiteenzetting in de punten 65 tot en met 82 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 de aandacht gevestigd op een essentieel aspect, namelijk dat de procedure voor de toetsing van oneerlijke bedingen door de nationale rechter uit twee opeenvolgende, onderscheiden stappen bestaat, waarbij twee zaken moeten gebeuren. In de eerste stap stelt de nationale rechter vast dat het beding in de overeenkomst oneerlijk is, terwijl de tweede stap betrekking heeft op de gevolgen die hij moet verbinden aan de vaststelling dat het beding oneerlijk is. Deze ronde, waarin de nationale rechter alle passende gevolgen verbindt aan het eventuele oneerlijke karakter van het beding, verschilt uit zowel temporeel als materieel oogpunt van de beoordelingsronde die eraan is voorafgegaan. Het feit dat deze twee stappen op elkaar volgen, betekent niet dat we ze met elkaar mogen verwarren. Het verschil tussen beide stappen blijkt overigens ook duidelijk uit de rechtspraak van het Hof, zoals hierna zal blijken.(11)
38. Uit de relevante rechtspraak blijkt dan ook dat de – volledig in vaste rechtspraak van het Hof verankerde – algemene regel, die voortvloeit uit de formulering van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, erin bestaat dat de nationale rechter, nadat hij heeft vastgesteld dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk is (eerste stap)(12), verplicht is alle passende gevolgen aan die vaststelling te verbinden (tweede stap) en een oneerlijk beding dus buiten toepassing moet laten, zonder dat hij de inhoud ervan mag wijzigen. De overeenkomst dient in beginsel voort te bestaan zonder verdere wijzigingen dan die welke voortvloeien uit de schrapping van de oneerlijke bedingen, voor zover volgens de regels van nationaal recht dat voortbestaan van de overeenkomst rechtens mogelijk is.(13)
39. Uit onderzoek van de relevante rechtspraak blijkt eveneens dat er tot op heden slechts één uitzondering bestaat op deze algemene regel: die in het arrest Kásler en Káslerné Rábai.(14) Zoals ik in de punten 80 tot en met 82 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 heb aangegeven, heeft het Hof evenwel enkele voorwaarden gesteld voor de toepassing van de in dat arrest erkende uitzondering door de nationale rechter overeenkomstig richtlijn 93/13 en de rechtspraak van het Hof. Wanneer een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet kan blijven voortbestaan na de schrapping van een oneerlijk beding, verzet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich aldus niet tegen een nationale bepaling op grond waarvan de nationale rechter de nietigheid van dat beding kan verhelpen door het te vervangen door een nationaal voorschrift van aanvullend recht.(15)Daarvoor moeten echter twee vereisten zijn vervuld. Enerzijds moet die vervanging ertoe leiden dat „de overeenkomst ondanks de schrapping van [het oneerlijke] beding kan voortbestaan” en dat hij „voor de partijen bindend blijft”.(16) Anderzijds dient de vervanging, wanneer de rechter verplicht is de overeenkomst in haar geheel nietig te verklaren, te vermijden dat de consument geconfronteerd zou worden met „uiterst nadelige consequenties, zodat afbreuk dreigt te worden gedaan aan het afschrikkende karakter van de nietigverklaring”.(17)
40. Het is dus in het licht van de in de voorgaande punten vermelde rechtspraak die grondig is onderzocht in de punten 65 tot en met 82 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, dat de vragen van de verwijzende rechter in de onderhavige zaak moeten worden beantwoord.
B. Belang van de zaak
41. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de bank tot twee maal toe heeft verzocht om verlof tot executie van de verhypothekeerde zaak. De twee overeenkomstige hypothecaire executieprocedures hadden betrekking op dezelfde partijen en berustten op dezelfde hypothecaire leningsovereenkomst.
42. In het kader van de eerste hypothecaire executieprocedure heeft de Juzgado de Primera Instancia nº 11 de Alicante, na te hebben vastgesteld dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk was, geoordeeld dat er geen verlof tot executie diende te worden gegeven. De beschikking tot opschorting van de executieprocedure van deze rechter is door de rechter in tweede aanleg bevestigd omdat de niet-betaling van twee maandelijkse termijnen onvoldoende ernstig was om de lening vervroegd op te eisen.
43. In het kader van de tweede hypothecaire executieprocedure heeft de verwijzende rechter geweigerd verlof tot executie te verlenen omdat uit het dossier bleek dat de rechter in eerste aanleg de vorige procedure had opgeschort op grond dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk was. Die beschikking ingevolge artikel 552, lid 3, LEC(18), is door dezelfde rechter in tweede aanleg vernietigd omdat het betalingsverzuim ernstiger was dan tijdens de eerste procedure.
44. Bijzonder aan deze zaak is dus dat de verwijzing plaatsvindt in het kader van de tweede hypothecaire executieprocedure.
45. De verwijzende rechter geeft aan dat de beschikking van de appelrechter in het kader van die tweede procedure „lijkt aan te sluiten” bij het arrest van de Tribunal Supremo van 23 december 2015 inzake het beding inzake vervroegde opeisbaarheid(19), zoals bevestigd bij het arrest van 18 februari 2016(20). In die arresten heeft de Tribunal Supremo geoordeeld dat bedingen inzake vervroegde opeisbaarheid slechts geldig zijn indien bij de bepaling van de ernst van de niet-nakoming rekening wordt gehouden met de looptijd en het bedrag van de lening, en de consument toepassing ervan kan beletten door zorgvuldig te handelen teneinde het euvel ongedaan te maken. De Tribunal Supremo heeft evenwel verduidelijkt dat de hypothecaire executie, gelet op de voordelen die de bijzondere procedure de consument biedt, kon worden voortgezet indien het recht tot het vervroegd opeisbaar verklaren van de lening op eerlijke wijze was uitgeoefend. Bovendien heeft de Tribunal Supremo toegestaan dat aanvullend een bepaling van nationaal recht wordt toegepast, zoals artikel 693, lid 2, LEC, teneinde de hypothecaire executie te kunnen voortzetten.(21)
46. De verwijzende rechter voert daarom het argument aan dat, gezien de rechtspraak van de Tribunal Supremo, de appelrechter de zaak naar hem heeft doorverwezen om het verzoek om verlof tot executie in te willigen, daar de betalingsachterstand van de leners intussen voldoende ernstig was, en de hypothecaire executie te gelasten.
47. Hoewel de verwijzende rechter in het hoofdgeding van mening is dat hij de beschikking van de appelrechter dient te eerbiedigen, vraagt hij zich af of de uitlegging van de Tribunal Supremo, en dus van die beschikking, strookt met richtlijn 93/13.
48. Uit het voorgaande volgt dat de prejudiciële vragen zich op een aantal punten onderscheiden van de vragen in de zaken C‑92/16, C‑167/16, C‑70/17 en C‑179/17. Toch blijkt uit de verwijzingsbeslissing duidelijk dat het voorwerp van de onderhavige zaak binnen dezelfde juridische en justitiële context past als de zaken C‑92/16, C‑167/16, C‑70/17 en C‑179/17. Deze conclusie moet dan ook samen worden gelezen met mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17.
C. Beantwoording van de prejudiciële vragen
49. Met zijn vragen, die mijns inziens samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich verzetten tegen een uitlegging van het nationale procesrecht die een lagere rechter verplicht om verlof tot hypothecaire executie te verlenen op basis van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die door een hogere rechter is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde executoriale titel.
50. Om die vragen te analyseren, lijkt het mij nuttig om vier zaken te verduidelijken.
51. Ten eerste wil ik eraan herinneren dat volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen alsook het nationale recht uit te leggen en toe te passen.(22)
52. Ten tweede ben ik het, gezien de argumenten in de punten 84 tot en met 136 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, niet eens met het door de Spaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument dat de twee hypothecaire executieprocedures zouden zijn ingesteld op twee verschillende gronden. De Spaanse regering beweert namelijk dat de eerste hypothecaire executie berustte op het oneerlijke beding inzake vervroegde opeisbaarheid, terwijl de tweede procedure werd ingesteld op grond van artikel 693, lid 2, LEC, overeenkomstig arrest nr. 705/2015 van de Tribunal Supremo.(23)
53. Ik wil er in dat verband op wijzen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat richtlijn 93/13 zich verzet tegen een jurisprudentiële uitlegging van een nationale bepaling tot regeling van bedingen inzake vervroegde opeisbaarheid van leningen als artikel 693, lid 2, LEC, volgens welke de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een dergelijk contractueel beding oneerlijk is, dat beding niet nietig mag verklaren en buiten toepassing mag laten wanneer de kredietverstrekker het niet concreet heeft toegepast, maar zich aan de voorschriften van die nationale bepaling heeft gehouden.(24)
54. Het feit dat de bank in het onderhavige geval de hypothecaire executieprocedure pas na een betalingsverzuim van 38 achtereenvolgende aflossingstermijnen heeft ingeleid, is een feit dat niet in aanmerking mag worden genomen bij de beoordeling van een contractueel beding dat de bank in feite de mogelijkheid beoogt te bieden over te gaan tot hypothecaire executie in geval van een betalingsverzuim van één enkele aflossingstermijn. Ik merk dienaangaande op dat op het gebied van de consumentenbescherming een redelijke handelwijze binnen een oneerlijk contractueel kader een beding zijn oneerlijke karakter niet kan doen verliezen.(25)
55. Ik wil er voorts op wijzen dat uit de opmerkingen in de punten 127 tot en met 133 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17, en meer in het bijzonder punt 124 van die conclusie, blijkt dat uit de rechtspraak van het Hof voortvloeit dat een nietig verklaard oneerlijk beding geacht wordt nooit te hebben bestaan en geen gevolgen heeft. De toepassing van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zou er in deze zaak dan ook toe leiden dat als de nationale rechter het beding inzake vervroegde opeisbaarheid nietig verklaart, de hypothecaire executieprocedure niet zou kunnen worden ingesteld of, indien een dergelijke procedure was ingesteld, zij niet zou kunnen worden voortgezet, aangezien het beding inzake vervroegde opeisbaarheid met betrekking tot de regeling tussen de partijen en de verwijzing naar een enkele vervaldatum van de lening in het kadaster oneerlijk is verklaard en derhalve nietig is. Er zij eveneens op gewezen dat indien de nietigheid van het beding zou kunnen worden verholpen door het in artikel 693, lid 2, LEC vastgestelde minimumaantal van drie maandelijkse termijnen toe te passen, dat de facto zou betekenen dat nationale rechters dat beding mogen wijzigen. Zoals het Hof echter heeft herhaald in het arrest Gutiérrez Naranjo e.a., „heeft de nationale rechter niet de bevoegdheid om de inhoud van de oneerlijke bedingen te herzien, omdat dit er anders toe kan bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers daarin besloten ligt dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument”.(26)
56. Ten derde wil ik eraan herinneren dat, bij gebreke van harmonisatie van de nationale regelingen inzake gedwongen executie, de nadere regels met betrekking tot de gronden van bezwaar die mogelijk zijn in een procedure van hypothecaire uitwinning, en met betrekking tot de bevoegdheden van de rechter die oordeelt over de rechtmatigheid van de aan de executoriale titel ten grondslag liggende contractuele bedingen, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde zijn, op voorwaarde evenwel dat die nadere regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(27)
57. Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel enerzijds betreft, zij erop gewezen dat de verwijzingsbeslissing geen gegevens bevat die twijfel doen ontstaan over de overeenstemming van het nationale procesrecht met dit beginsel.
58. Anderzijds, wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet volgens de rechtspraak van het Hof in alle gevallen waarin de vraag rijst of een regel van nationaal procesrecht de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden gekeken naar de plaats van die regel in de gehele procedure en naar het verloop en de bijzondere kenmerken hiervan, voor de verschillende nationale instanties.(28)
59. De verwijzende rechter geeft aan dat artikel 552, lid 3, LEC bepaalt dat nadat de beschikking door middel waarvan het verlof tot executie wordt geweigerd, onherroepelijk is geworden, de schuldeiser zijn rechten slechts kan doen gelden in de desbetreffende gewone procedure indien het gezag van gewijsde van de einduitspraak of -beslissing waarop het verzoek om verlof tot executie is gebaseerd, zich niet daartegen verzet.(29)
60. Ik stel in dat verband vast dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid reeds oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde executoriale titel. Toch heeft de appelrechter, na de afdoening zonder beslissing in de tweede hypothecaire executieprocedure door de verwijzende rechter, de zaak op grond van de rechtspraak van de Tribunal Supremo doorverwezen naar de verwijzende rechter teneinde het verzoek om verlof tot executie toe te wijzen, daar het hoge aantal niet-betaalde maandelijkse termijnen intussen voldoende ernstig was, en de hypothecaire executie te gelasten.
61. Ik ben van mening dat een uitlegging van het toepasselijke nationale procedurerecht die de verwijzende rechter niet toestaat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid buiten toepassing te laten omdat hij gebonden is door de tweede beslissing van de appelrechter, die strijdig is met het Unierecht, het doeltreffendheidsbeginsel zou schenden, aangezien zij in de praktijk zou inhouden dat de consument gebonden blijft door een oneerlijk beding in een overeenkomst. In die omstandigheden zou het voor de consument onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om zijn rechten te doen gelden.
62. Ten vierde, ten slotte, merkt de verwijzende rechter op dat aan een definitieve beslissing van een appelrechter in een hypothecaire executieprocedure naar Spaans recht geen positieve gevolgen van materieel gewijsde zijn verbonden (artikel 222 en artikel 695, lid 4, LEC), maar dat het in de Spaanse rechtsorde onmogelijk is een nieuwe hypothecaire executieprocedure in te leiden op basis van dezelfde executoriale titel (artikel 552, lid 3, LEC).
63. Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, heeft de in deze zaak aan het Hof voorgelegde vraag bijgevolg geen betrekking op het beginsel van kracht van gewijsde in het kader van een hypothecaire executieprocedure naar Spaans recht, maar eerder op het feit dat een lagere rechter zich zou moeten schikken naar de instructies van een hogere rechter in het kader van de uitlegging van de bepalingen van het recht van de Unie waarover ter beslechting van het geschil moet worden beslist.
64. Ik moet er echter op wijzen dat, zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, het enkele bestaan van een nationale rechtsregel die de rechterlijke instanties die niet in laatste instantie uitspraak doen, bindt aan het rechtsoordeel van een hogere rechter, hun niet kan beletten om gebruik te maken van de in artikel 267 VWEU voorziene mogelijkheid om aan het Hof verzoeken om uitlegging van het Unierecht over te leggen.(30) Bovendien heeft het Hof in het arrest ERG e.a. eveneens geoordeeld dat de rechter die niet in laatste instantie uitspraak doet, vrij moet zijn zich met zijn vragen tot het Hof te wenden, met name indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het Unierecht strijdig vonnis zou kunnen brengen.(31) Een nationale rechter die van oordeel is dat in een bij hem aanhangige zaak een kwestie betreffende de uitlegging van het Unierecht aan de orde is, heeft dus – afhankelijk van het geval – ofwel de mogelijkheid ofwel de verplichting om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, en de nationale wetgeving of rechtspraak kan niet in de weg staan aan het gebruik van deze mogelijkheid of de nakoming van deze verplichting.(32)
65. Gelet op alle voorgaande overwegingen ben ik derhalve van mening dat, rekening houdend met het doeltreffendheidsbeginsel, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich verzetten tegen een uitlegging van nationale procedurevoorschriften die een lagere rechter zou verplichten om verlof tot hypothecaire executie te verlenen op basis van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die door een hogere rechter is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde executoriale titel.
VI. Conclusie
66. In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de Juzgado de Primera Instancia nº 6 de Alicante te antwoorden als volgt:
„Rekening houdend met het doeltreffendheidsbeginsel verzetten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten zich tegen een uitlegging van nationale procedurevoorschriften die een lagere rechter zou verplichten om verlof tot hypothecaire executie te verlenen op basis van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat oneerlijk is verklaard bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die door een hogere rechter is gewezen in een eerdere hypothecaire executieprocedure tussen dezelfde partijen en op basis van dezelfde executoriale titel.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
3 Om een overzicht te krijgen van de juridische problematiek die aan de basis ligt van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑92/16, C‑167/16, C‑486/16, C‑70/17 en C‑179/17, verwijs ik naar mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 en in de zaken C‑92/16 en C‑167/16.
4 BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575.
5 BOE nr. 89 van 14 april 1998, blz. 12304.
6 BOE nr. 287 van 30 november 2007, blz. 49181.
7 BOE nr. 52 van 1 maart 2014, blz. 19339.
8 Naar aanleiding van de kennisgeving van het arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60), heeft de verwijzende rechter, bij beschikking van 21 februari 2017, aangegeven zijn tweede en derde prejudiciële vraag te willen handhaven. De eerste vraag is ingetrokken en derhalve niet overgenomen in deze conclusie. Zie dienaangaande eveneens punt 29 van deze conclusie.
9 C‑421/14, EU:C:2017:60.
10 Zie punten 51 tot en met 57 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17.
11 Zie punt 65 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17.
12 Zie de punten 66 tot en met 71 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
13 Zie de punten 72 tot en met 79 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Meer in het bijzonder moet ik wijzen op punt 79 van die conclusie, waarin ik een essentieel element benadruk: „Er kan evenmin twijfel over bestaan dat het herstel van het evenwicht tussen de consument en de verkoper niet mag resulteren in de mogelijkheid om oneerlijke bedingen in overeenkomsten te wijzigen. Een dergelijke mogelijkheid zou immers in strijd zijn met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, waaraan iedere betekenis zou worden ontnomen, en bijgevolg met het nuttig effect van de door deze richtlijn gewenste bescherming. Voorts zou de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van de onmogelijkheid om dergelijke bedingen toe te passen ten aanzien van de consument, door een dergelijke mogelijkheid niet kunnen worden gehandhaafd.”
14 Arrest van 30 april 2014 (C‑26/13, EU:C:2014:282).
15 Arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 85). Zie eveneens beschikking van 11 juni 2015, Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑602/13, niet gepubliceerd, EU:C:2015:397, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak): „Het Hof heeft inderdaad ook erkend dat de nationale rechter de mogelijkheid heeft om een oneerlijk beding te vervangen door een nationale bepaling van aanvullend recht, indien de vervanging strookt met het doel van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 en het mogelijk maakt een reëel evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst te herstellen. Deze mogelijkheid is evenwel beperkt tot gevallen waarin door de nietigheid van het oneerlijke beding de rechter verplicht zou zijn om de overeenkomst in haar geheel te vernietigen en de consument daardoor geconfronteerd zou worden met zodanige gevolgen dat hij in zijn belangen zou worden geschaad.” Zie eveneens voetnoot 13 van de onderhavige conclusie en punt 79 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17.
16 Arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 81).
17 Arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282, punt 83).
18 Zie punt 11 van deze conclusie.
19 Arrest nr. 705/2015 (ECLI:ES:TS:2015:5618).
20 Arrest nr. 79/2016 (ECLI:ES:TS:2016:626).
21 Net als de verwijzende rechters in de zaken C‑92/16 en C‑167/16, citeert de verwijzende rechter in de onderhavige zaak het afwijkende standpunt in het desbetreffende arrest van de Tribunal Supremo. Volgens de verwijzende rechter blijkt uit dat standpunt dat „nadat is vastgesteld dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk is, [...] de schuldeiser zijn verzoek om verlof tot executie niet langer kan baseren op de eerbiediging van de in artikel 693, lid 2, LEC genoemde voorwaarden. [...] omdat die bewering onjuist is, aangezien over die bepaling niet is onderhandeld en ze niet is opgenomen in de akte van vestiging van de hypotheek, waarin wordt verwezen naar ‚om het even welke niet-nakoming door de schuldenaar’. [...] In dergelijke gevallen is de toepassing van artikel 693, lid 2, LEC dus strijdig met de rechtspraak van het Hof op een gebied dat onder zijn bevoegdheid valt en staat zij gelijk aan een herziening van het oneerlijk verklaarde beding, aangezien het belangrijkste gevolg van de nietigheid van rechtswege waarin de regeling inzake de afwezigheid van gevolgen voorziet, niet wordt geëerbiedigd, aangezien de executieprocedure niet wordt geschorst, en neemt zij de gevolgen of de afschrikkende werking van die regeling weg.” Zie in dat verband voetnoot 125 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 en voetnoot 25 van mijn conclusie in de zaken C‑92/16 en C‑167/16. Volgens de rechtsleer kunnen afwijkende standpunten een bron van inspiratie zijn voor de verdere ontwikkeling van de nationale rechtspraak. Zie Wathelet, M., „La Cour de justice de l’Union européenne sera-t-elle le dernier des mohicans?”, in Lenaerts, K. (uitg.), Liber Amicorum Antonio Tizzano. De la Cour CECA à la Cour de l’Union: le long parcours de la justice européenne, G. Giappichelli Editore, Turijn, 2018, blz. 1031.
22 Zie voor een recent voorbeeld van deze vaste rechtspraak arresten van 20 september 2017, Andriciuc e.a. (C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 19), en 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 29).
23 Wat betreft de draagwijdte van de vaststelling dat een beding inzake vervroegde opeisbaarheid oneerlijk is in het licht van de rechtspraak van het Hof, verwijs ik naar de punten 84 tot en met 109 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Meer specifiek aangaande de analyse van de mogelijkheid om de hypothecaire executieprocedure voort te zetten middels de aanvullende toepassing van een bepaling van nationaal recht, zoals artikel 693, lid 2, LEC, verwijs ik naar de punten 110 tot en met 133 van die conclusies en aldaar aangehaalde rechtspraak.
24 Zie arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 75). Zie eveneens de overwegingen in de punten 118 tot en met 120 van mijn conclusie in de zaken C‑70/17 en C‑179/17.
25 Zie mijn conclusie in de zaak Banco Primus (C‑421/14, EU:C:2016:69, punt 85).
26 Arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 60, 61 en 66).
27 Arrest van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 50).
28 Arresten van 14 maart 2013, Aziz (C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 53), en 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 49).
29 De verwijzende rechter onderstreept dat „de beschikking om het verzet tegen de executie volledig toe te wijzen, bevestigt dat die executie nooit had mogen worden gelast, in dit geval omdat de opgeëiste schuldvordering op een oneerlijk beding berustte”.
30 Zie arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf (166/73, EU:C:1974:3, punt 4); 22 juni 2010, Melki en Abdeli (C‑188/10 en C‑189/10, EU:C:2010:363, punt 42), en 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 48).
31 Zie arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf (166/73, EU:C:1974:3, punt 4); 9 maart 2010, ERG e.a. (C‑378/08, EU:C:2010:126, punt 32); 15 november 2012, Bericap Záródástechnikai (C‑180/11, EU:C:2012:717, punt 55), en 6 november 2014, Cartiera dell’Adda (C‑42/13, EU:C:2014:2345, punt 27).
32 Zie met name arrest van 5 april 2016, PFE (C‑689/13, EU:C:2016:199, punt 34).
Full & Egal Universal Law Academy