CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 23 januari 2018 ( 1 )
Zaak C‑635/16 P
Spliethoff’s Bevrachtingskantoor BV
„Hogere voorziening – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Vaststelling van het voorwerp van het beroep – Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) – EU-programma Connecting Europe Facility (CEF) – Mededeling inzake een besluit houdende afwijzing van een voorstel dat was ingediend na een uitnodiging tot het indienen van voorstellen in het kader van de CEF – Effectieve rechterlijke bescherming”
I. Inleiding
1.
De onderhavige zaak laat duidelijk zien welke problemen er voor de partij die aanspraak maakt op rechtsbescherming, kunnen ontstaan doordat de Europese Commissie bij de uitvoering van haar taken optreedt via een agentschap, in casu het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (Innovation and Networks Executive Agency; hierna: „INEA”).
2.
Dit geldt met name wanneer, zoals in het onderhavige geval, de communicatie te wensen overlaat: de communicatie van INEA en de Commissie met de betrokkene maar tevens die tussen de Commissie en INEA.
3.
Rekwirante had een uitgebreide steunaanvraag ten bedrage van 20 miljoen EUR ingediend. Zowel de Commissie als INEA heeft nagelaten om rekwirante apart in kennis te stellen van het besluit waarmee deze aanvraag impliciet werd afgewezen. Het besluit van de Commissie, met daarin de lijst van geselecteerde voorstellen, werd genomen op 31 juli 2015, maar werd pas drie maanden later online geplaatst.
4.
In plaats daarvan had INEA op 17 juli 2015 – twee weken voor de datum van het besluit van de Commissie – rekwirante een e-mail gestuurd waarin deze op de hoogte werd gesteld van het feit dat haar voorstel niet was opgenomen in de voorlopige lijst van projecten waarvoor financiële steun wordt verleend, en wat daarvoor de redenen waren. Zoals de Commissie overigens expliciet betreurt, had INEA bij deze mededeling misleidende informatie gevoegd over de wijze waarop het besluit kon worden aangevochten, zodat de indruk werd gewekt dat de Commissie haar besluit al had vastgesteld en dat de termijn voor het instellen van beroep daartegen al was ingegaan.
5.
Naar blijkt, heeft deze e-mail aanleiding gegeven tot het beroep van rekwirante en enige verwarring bij deze teweeggebracht, zoals blijkt uit het feit dat het beroep is gericht tegen „het besluit van de Commissie van 17 juli 2015” – de datum van de e-mail dus – en dat de litigieuze handeling in het beroepschrift niet eenvormig is gedefinieerd. De Commissie heeft daartegen een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Zonder nadere uiteenzetting van het voorwerp van het beroep heeft het Gerecht dit beroep bij beschikking van het Gerecht van 11 oktober 2016 ( 2 ) beschouwd als een beroep tegen de e-mail en heeft het de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvaard. De Commissie zou immers niet de partij zijn die de litigieuze handeling heeft gesteld, en de litigieuze handeling zou slechts voorlopig van aard zijn geweest.
6.
Deze beschikking van het Gerecht wordt met de onderhavige hogere voorziening aangevochten. Het Hof grijpt deze gelegenheid aan om het belang van een nuttige uitlegging van het beroep voor het garanderen van een effectieve rechterlijke bescherming te benadrukken. Dat is met name het geval wanneer de justitiabele, zoals in het onderhavige geval, „op het verkeerde been” is gezet door een gebrekkige communicatie.
7.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat rekwirante inmiddels een nieuwe rechtsvordering bij het Gerecht heeft ingesteld waarin zij haar beroep herformuleert. Hierin vordert zij nietigverklaring van het „uitvoeringsbesluit... van de Commissie van 31 juli 2015 houdende vaststelling van de lijst van geselecteerde voorstellen”. ( 3 ) Ook in deze procedure heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, maar thans op basis van de stelling dat het beroep niet binnen de gestelde termijn is ingesteld. Hoewel dit in principe niet relevant is voor de beoordeling van de onderhavige hogere voorziening, wijst het eveneens op het belang van een nuttige uitlegging van het beroep voor het garanderen van een effectieve rechterlijke bescherming. Een dergelijke uitlegging zou in het onderhavige geval een nieuw beroep overbodig hebben gemaakt en zou zodoende hebben voorkomen dat het optreden van de Commissie niettegenstaande twee beroepen misschien helemaal niet materieelrechtelijk zal worden getoetst.
II. Toepasselijke bepalingen
8.
Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd ( 4 ), bevat de bepalingen voor de oprichting en de werking van uitvoerende agentschappen. Artikel 3, lid 1, van deze verordening biedt de Commissie de mogelijkheid om een uitvoerend agentschap op te richten en daaraan bepaalde taken voor het beheer van een of meer communautaire programma’s te delegeren. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, bezitten de uitvoerende agentschappen rechtspersoonlijkheid. Artikel 6 bepaalt de taken die de Commissie aan de uitvoerende agentschappen kan delegeren; daarvan uitgesloten zijn taken die een beoordelingsmarge voor het maken van politieke keuzes behelzen. De details van dergelijke opdrachten dienen in een delegatiebesluit te worden opgenomen.
9.
Op basis van verordening (EG) nr. 58/2003 is INEA opgericht bij uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013. ( 5 ) Als opvolger van het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk werd aan INEA met name het beheer van bepaalde delen van het EU-programma Connecting Europe Facility (hierna: „CEF”) toevertrouwd.
10.
Het EU-programma CEF heeft tot doel de investeringen in de trans-Europese netwerken te bespoedigen. De daarvoor in de vervoerssector ter beschikking staande middelen belopen in de periode 2014‑2020 22 miljard EUR. ( 6 )
11.
Artikel 18 van verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 ( 7 ), bepaalt:
„Toekenning van financiële bijstand van de Unie
(1) Na iedere […] oproep tot het indienen van voorstellen beslist de Commissie volgens de onderzoeksprocedure van artikel 25 hoeveel financiële bijstand wordt toegekend aan de geselecteerde projecten of projectonderdelen daarvan. […]
(2) De Commissie stelt de begunstigden en de betrokken lidstaten in kennis van de toe te kennen financiële bijstand.”
12.
Artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1316/2013 bepaalt dat de Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité van de CEF.
13.
Met betrekking tot de onderzoeksprocedure verwijst artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1316/2013 naar artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren ( 8 ), waarin wordt bepaald:
„(1) Wanneer de onderzoeksprocedure van toepassing is, brengt het comité zijn advies uit […]. […]
(2) Indien het advies positief is, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling aan.”
14.
Overweging 11 van verordening (EU) nr. 182/2011 beklemtoont dat de onderzoeksprocedure ervoor moet zorgen „dat uitvoeringshandelingen door de Commissie niet kunnen worden vastgesteld indien zij niet stroken met het advies van het comité, tenzij in zeer uitzonderlijke omstandigheden […]”.
15.
Besluit C(2013) 9235 final van de Commissie van 23 december 2013 waarbij bevoegdheden aan INEA worden gedelegeerd met het oog op het verrichten van taken in verband met de tenuitvoerlegging van EU-programma’s inzake transport, energie- en telecommunicatie-infrastructuur en inzake onderzoek en innovatie op het vlak van transport en energie, met name wat betreft de besteding van de in de algemene begroting van de Unie opgenomen kredieten, bepaalt de respectieve taken van de Commissie en INEA.
16.
Artikel 5, „Aan de Commissie voorbehouden taken”, lid 2, van het besluit bepaalt dat INEA met name de volgende taken niet op zich neemt:
„[…] vaststelling van besluiten inzake financiële bijstand in het kader van de Connecting Europe Facility of wijziging van dergelijke besluiten, […]”
Bijlage I, onder B), van het besluit bepaalt dat de volgende taken aan INEA worden toevertrouwd:
„[…]
(a)
afwikkeling van de procedés en procedures voorafgaand aan de vaststelling van de besluiten houdende toekenning van financiële bijstand van de Commissie en het sluiten van overeenkomsten inzake financiële bijstand alsmede het beheer van de desbetreffende besluiten en overeenkomsten:
–
[…]
–
kennisgeving van de toekenningsbesluiten van de Commissie aan de afgewezen en de geselecteerde kandidaten.”
III. Achtergrond van de hogere voorziening
17.
Rekwirante Spliethoff’s Bevrachtingskantoor BV (hierna: „rekwirante”) is een in Nederland gevestigde onderneming met een vloot van 50 vrachtschepen.
A. Feiten en selectieprocedure
18.
Op 11 september 2014 deed INEA een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van de CEF sector vervoer. Een van de prioriteiten van de voorstellen moest de bevordering van milieuvriendelijke maatregelen in het kader van de ontwikkeling van „snelwegen op zee” (motorways of the Sea) zijn. ( 9 )
19.
Op 25 februari 2015 diende rekwirante een voorstel in. Dit had met name betrekking op de uitrusting van vijfentwintig van haar op de zeesnelwegen in de Noordzee en de Oostzee varende schepen met systemen voor het reinigen van de uitlaatgassen.
20.
De voorstellen werden geselecteerd in een tweefasige procedure, waarbij eerst een externe selectie werd verricht door een onafhankelijke deskundige, gevolgd door een interne selectie onder leiding van het bevoegde directoraat-generaal van de Commissie. De lijst met de voorstellen die aan het einde van deze procedure waren geselecteerd, werd vervolgens voorgelegd aan het in artikel 25 van verordening nr. 1316/2013 genoemde CEF-coördinatiecomité, dat daarover een gunstig advies heeft uitgebracht.
21.
Op 17 juli 2015 ontving rekwirante een e-mail van INEA (hierna: „e-mail van 17 juli 2015”) waarin onder meer het volgende stond:
„[…] De voor bijstand in aanmerking komende voorstellen zijn beoordeeld en de Commissie heeft een lijst met voorstellen opgesteld die zijn geselecteerd voor financiële bijstand door de Europese Unie. Op 10 juli 2015 heeft het CEF-coördinatiecomité van de vertegenwoordigers van de lidstaten een gunstig advies uitgebracht over deze voorlopige lijst.
Helaas moeten wij u meedelen dat uw voorstel in voornoemde procedure om de volgende redenen niet is geselecteerd:
[opsomming van de redenen]
Momenteel worden de procedurele stappen voor de vaststelling van een besluit van de Europese Commissie betreffende de selectie en de verlening van steun ondernomen […]. In het onwaarschijnlijke geval dat er bij de vaststelling van dit besluit wijzigingen betreffende uw voorstel worden aangebracht, zullen wij u daarvan apart op de hoogte stellen via e-mail.
[…]
In geen geval zullen uw [aanvragen, antwoorden of bezwaren] aanleiding geven tot een verlenging van de termijn van 2 maanden voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie waarvan u met dit bericht in kennis wordt gesteld. [Vermelding van het Gerecht van de Europese Unie als bevoegde rechterlijke instantie en van de adresgegevens]. […]”
22.
Op 31 juli 2015 gaf de Commissie uitvoeringsbesluit C(2015) 5274 final houdende vaststelling van de lijst van voorstellen die ten vervolge op de oproep van 11 september 2014 tot het indienen van voorstellen zijn geselecteerd op grond van het meerjarig werkprogramma voor financiële bijstand van de EU op het gebied de CEF sector vervoer (hierna: „uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015”). Het enige artikel van dit besluit luidt als volgt:
„De in de bijlage vastgestelde lijst van geselecteerde projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van de CEF die financiële ondersteuning van de EU ontvangen, alsmede de aldaar vastgestelde totale subsidiabele projectkosten van de maatregelen, het percentage van de financiële ondersteuning binnen de vastgestelde totale subsidiabele kosten en de respectieve maximale bedragen van de financiële ondersteuning worden goedgekeurd.”
23.
Het project van rekwirante komt niet voor op de lijst van geselecteerde projecten.
24.
Het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 is op 12 oktober 2015 bekendgemaakt op de website van het directoraat-generaal MOVE van de Commissie en op 14 oktober 2015 op de website van INEA.
B. Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
25.
Rekwirante heeft op 25 september 2015 bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van „het besluit van de Commissie van 17 juli 2015 houdende afwijzing van haar voorstel” ingesteld. Dit beroep is ter griffie van het Gerecht ingeschreven als zaak T‑564/15.
26.
Rekwirante heeft twee middelen aangevoerd. Enerzijds voert zij aan dat de Commissie bij de beoordeling van haar voorstel een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Anderzijds stelt zij dat de Commissie het beginsel van de gelijke behandeling heeft geschonden door het voorstel van rekwirante niet en andere, gelijkaardige voorstellen wel te aanvaarden, zonder dat een reden wordt gegeven voor deze ongelijke behandeling.
27.
Op 18 december 2015 heeft de Commissie bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Dit stuk is op 12 februari 2016 betekend aan rekwirante.
28.
De Commissie voerde twee argumenten aan ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid. Ten eerste stelde zij dat de litigieuze e-mail van 17 juli 2015 een voorbereidende handeling was en dus niet vatbaar was voor beroep. Ten tweede stelde zij dat het beroep niet tegen haar kon worden gericht, aangezien niet zij, maar INEA de auteur van de litigieuze handeling was.
29.
In haar opmerkingen van 21 maart 2016 betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid voert rekwirante aan dat zij bij de e-mail van 17 juli 2015 op de hoogte is gesteld van het definitieve besluit van de Commissie houdende afwijzing van haar voorstel, of dat deze e-mail aldus kon worden opgevat. Rekwirante stelt dat de e-mail van 17 juli 2015 weliswaar door INEA werd verzonden, maar uitsluitend was bedoeld als toezending van een besluit van de Commissie waartegen zij beroep heeft ingesteld. Voor het overige stelt zij dat haar beroep in elk geval aldus moet worden opgevat dat het tevens betrekking heeft op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015. Derhalve heeft rekwirante verzocht, de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
30.
In zijn in het kader van de schriftelijke procedure gegeven beschikking heeft het Gerecht de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvaard en het beroep dienovereenkomstig niet-ontvankelijk verklaard (hierna: „de bestreden beschikking”). ( 10 )
31.
In punt 9 van de bestreden beschikking verklaart het Gerecht dat het beroep van rekwirante is gericht tegen de „e-mail van 17 juli 2015”. Uitgaande van deze opvatting van het beroep komt het Gerecht tot de slotsom dat het tegen de Commissie gerichte beroep niet-ontvankelijk is, aangezien de e-mail van 17 juli 2015 niet van de Commissie, maar van INEA afkomstig was. Voorts zou het beroep niet-ontvankelijk zijn omdat het niet tegen een definitief besluit was gericht. Het definitieve besluit zou pas zijn genomen door middel van het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015. Ten slotte oordeelt het Gerecht dat het beroep nadien ook niet meer kan aldus worden aangevuld dat het ook betrekking heeft op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015.
IV. Hogere voorziening en vorderingen van de partijen
32.
Bij verzoekschrift van 8 december 2016 heeft rekwirante hogere voorziening ingesteld tegen de bestreden beschikking en heeft zij gevorderd:
–
de bestreden beschikking te vernietigen;
–
de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen;
–
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor het Gerecht.
33.
Bij haar verweerschrift van 16 februari 2017 vordert de Commissie:
–
de hogere voorziening af te wijzen en
–
rekwirante te verwijzen in de kosten van de procedure.
34.
De hogere voorziening is voor het Hof schriftelijk behandeld.
V. Bespreking
35.
Rekwirante voert drie middelen aan ter ondersteuning van haar hogere voorziening. Ten eerste zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat het was gericht tegen de Commissie, die niet de auteur van de litigieuze handeling was. Ten tweede zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat de litigieuze handeling geen definitief besluit was. Ten derde zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren het beroep tot nietigverklaring aldus op te vatten dat het tevens betrekking had op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015.
36.
Ik stel voor, het eerste en het derde middel tezamen te behandelen en vast te stellen dat het beroep niet tegen de e-mail van INEA was gericht, maar tegen het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 31 juli 2015. Op grond daarvan dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het tweede middel is dan ook niet meer aan de orde. Allereerst ga ik echter in op de bezwaren van de Commissie tegen de ontvankelijkheid van de hogere voorziening.
A. Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
37.
De Commissie betoogt dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is. Voor zover in de hogere voorziening de in eerste aanleg aangevoerde argumenten worden herhaald en nieuwe feitelijke gegevens worden aangedragen, zou daarmee worden geprobeerd een nieuwe beoordeling aan het Hof te ontlokken.
38.
Ik vind dit argument niet overtuigend.
39.
Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, lid 1, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van de beslissing van het Gerecht waartegen wordt opgekomen, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. Aan de motiveringseisen van deze bepalingen is niet voldaan wanneer het verzoekschrift in hogere voorziening slechts een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten bevat, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen. ( 11 )
40.
De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen echter in hogere voorziening opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien een rekwirant niet op die manier zijn hogere voorziening kon baseren op middelen en argumenten die al zijn aangevoerd voor het Gerecht. ( 12 ) In de hogere voorziening moet immers juist de juridische redenering van het Gerecht met betrekking tot de in eerste aanleg aangevoerde argumenten onder de loep worden genomen.
41.
Anders dan de Commissie betoogt, kan in het onderhavige geval niet worden vastgesteld dat rekwirante zich in het algemeen ertoe heeft beperkt de al in eerste aanleg aangevoerde argumenten te herhalen zonder argumenten aan te dragen tegen een wezenlijk deel van de motivering van de bestreden beschikking.
42.
Voor zover de Commissie stelt dat rekwirante nieuwe feiten of argumenten aanvoert, of dat er om andere redenen dient te worden getwijfeld aan de ontvankelijkheid van haar middel, zal ik daar in voorkomend geval op terugkomen bij de behandeling van de verschillende middelen.
B. Eerste en derde middel
43.
In het eerste deel van het eerste middel van hogere voorziening voert rekwirante in wezen aan dat het Gerecht ten onrechte INEA als auteur van het litigieuze besluit heeft beschouwd. Om die reden zou het Gerecht het beroep, dat tegen de Commissie was gericht, als een beroep tegen de verkeerde adressaat hebben opgevat. In het tweede deel van dit middel van hogere voorziening betoogt rekwirante dat ook wanneer INEA als auteur van de litigieuze handeling zou moeten worden beschouwd, deze handeling in elk geval aan de Commissie moet worden toegeschreven en het beroep derhalve op geldige wijze tegen de Commissie is gericht. In haar derde middel in hogere voorziening voert rekwirante aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geweigerd haar beroep aldus op te vatten dat het (ook) tegen het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 is gericht.
44.
De Commissie komt daartegen op. Zij stelt dat het Gerecht het tegen de Commissie gerichte beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bovendien zou het Gerecht terecht hebben geweigerd het voorwerp van het beroep tot het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 31 juli 2015 uit te breiden. Voorts voert de Commissie aan dat rekwirante, voor zover zij zich op een verschoonbare dwaling beroept, een nieuw betoog voert, dat om die reden niet-ontvankelijk is. Het feit dat rekwirante in haar hogere voorziening verwijst naar een vergadering met de Commissie op 20 oktober 2015, waarvan zij in eerste aanleg geen melding heeft gemaakt, zou eveneens ongeoorloofd zijn.
45.
In wezen zijn het eerste en het derde middel van hogere voorziening gebaseerd op het argument dat het Gerecht enerzijds ten onrechte heeft aangenomen dat het beroep tegen INEA was gericht, en anderzijds ten onrechte heeft geweigerd te aanvaarden dat het tegen het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 was gericht.
46.
Ik zie geen elementen op grond waarvan het eerste en het derde middel van hogere voorziening als niet-ontvankelijk zouden kunnen worden beschouwd. In het bijzonder houden de door de Commissie aangevoerde gronden voor niet-ontvankelijkheid geen steek. Of rekwirante in hogere voorziening op geoorloofde wijze kan verwijzen naar een vergadering met de Commissie of zich in het kader daarvan op een verschoonbare dwaling kan beroepen, is irrelevant aangezien de middelen van hogere voorziening los daarvan moeten worden aanvaard.
47.
Doorslaggevend is namelijk het feit dat het Gerecht in zijn beschikking de zin van de in het beroep geformuleerde vordering heeft miskend. Het heeft ten onrechte aangenomen ( 13 ) dat de handeling waartegen rekwirante opkwam de e-mail van 17 juli 2015 was.
48.
Op basis daarvan is het Gerecht ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het beroep niet-ontvankelijk was ( 14 ) omdat het tegen de Commissie was gericht en niet tegen INEA als de auteur van de e-mail van 17 juli 2015. Om die reden heeft het Gerecht ook ten onrechte geoordeeld ( 15 ) dat het beroep een ander voorwerp zou moeten krijgen om betrekking te kunnen hebben op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015, hetgeen in het onderhavige geval volgens artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet is geoorloofd.
49.
Het Gerecht had echter kunnen uitgaan van zijn eigen rechtspraak, volgens welke de litigieuze maatregel wel impliciet kan worden afgeleid uit de gegevens van het beroepschrift en uit de daarin aangevoerde middelen ( 16 ) en had dan ook moeten inzien dat het voorwerp van het beroep, dat expliciet tegen de Commissie was gericht, niet de e-mail van 17 juli 2015 als zodanig was, maar het besluit van de Commissie van 31 juli 2015 houdende afwijzing van het voorstel van rekwirante in het kader van de selectieprocedure.
50.
Het klopt dat rekwirante in haar beroepschrift niet altijd op eenvormige wijze naar de litigieuze handeling verwijst. Zo omschrijft zij de litigieuze handeling eerst als het „besluit van de Commissie van 17 juli 2015 houdende afwijzing van [haar] voorstel […] (het ‚besluit’)”. Verderop in haar beroepschrift vermeldt rekwirante dat de Commissie haar op 17 juli 2015 een e-mail heeft gestuurd en omschrijft zij deze „e-mail van 17 juli 2015” als het „besluit”. Ook in de motivering van haar beroep verwijst rekwirante naar het „besluit” en bestrijdt zij de motivering daarvan onder verwijzing naar de tekst van de e-mail van 17 juli 2015. In haar beroepschrift verwijst rekwirante alleen naar het „besluit”, dat nietig zou moeten worden verklaard, ook al omdat het niet of onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
51.
In haar antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft rekwirante echter duidelijk gemaakt dat de e-mail van INEA van 17 juli 2015 volgens haar slechts moest worden opgevat als kennisgeving van het afwijzende besluit van de Commissie en dat haar beroep uitdrukkelijk niet tegen INEA was gericht, maar tegen de Commissie in haar hoedanigheid van auteur van het afwijzende besluit.
52.
Gelet op het feit dat rekwirante de door haar bestreden handeling weliswaar op verschillende wijzen beschrijft, maar haar opvatting over het voorwerp van het beroep duidelijk tot uitdrukking brengt in haar schriftelijk antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid, kon het Gerecht niet zonder meer oordelen dat het beroep tegen de e-mail van 17 juli 2015 was gericht.
53.
Dit klemt des te meer daar het Gerecht in de punten 18 en 23 uitdrukkelijk ingaat op het feit dat volgens verzoekster het beroep niet tegen een handeling van INEA was gericht, maar tegen een handeling van de Commissie, die bij de eerstgenoemde handeling slechts is meegedeeld. In dit verband dient er tevens op worden te gewezen dat het Gerecht in de punten 32 tot en met 36 van de bestreden beschikking uitdrukkelijk onderzoekt of en tevens vaststelt dat het in de e-mail van 17 juli 2015 aangehaalde besluit van de Commissie nog niet definitief was. Daardoor komt het Gerecht in tegenspraak met zijn eigen uitlegging van het voorwerp van het beroep.
54.
Tot slot was het beroep uitdrukkelijk tegen de Commissie gericht, wat volgens de rechtsoverwegingen van het Gerecht ( 17 ) ook consequent was omdat alleen de Commissie en niet INEA bevoegd was om in het kader van de selectieprocedure een besluit over de subsidie te nemen. ( 18 ) Zodoende geeft het Gerecht een uitlegging van het voorwerp van het beroep die volgens zijn eigen overwegingen noodzakelijkwijze tot gevolg heeft dat het beroep geen enkele kans van slagen heeft.
55.
Indien het Gerecht het beroep juist had uitgelegd, had het bovendien ingezien dat het eveneens betrekking had op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015.
56.
Volgens de overwegingen in punt 49 hierboven was het beroep namelijk gericht op nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van het door rekwirante in het kader van de aanbestedingsprocedure ingediende voorstel.
57.
Overeenkomstig de artikelen 18 en 25 van verordening (EU) nr. 1316/2013 ( 19 ) heeft de Commissie het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 houdende vaststelling van de geselecteerde projecten en van de omvang van de toegekende financiële bijstand genomen ten vervolge op de onderzoeksprocedure. Het voorstel van rekwirante maakt geen deel uit van de geselecteerde projecten en is dus impliciet afgewezen.
58.
Het feit dat rekwirante het in dit verband in haar beroepschrift heeft over een besluit van de Commissie van 17 juli 2015 – de datum van de e-mail – doet niet ter zake. Dit belet immers niet, het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 als een onderdeel van het voorwerp van het beroep te beschouwen.
59.
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat rekwirante, toen zij haar beroep bij het Gerecht instelde, namelijk op 25 september 2015, alleen beschikte over de e-mail van 17 juli 2015. Zoals het Gerecht zelf erkent ( 20 ), was de inhoud van die e-mail alvast niet eenduidig. Rekwirante had de e-mail van 17 juli 2015 aldus opgevat dat daarmee het afwijzende besluit van de Commissie ter kennis werd gebracht.
60.
Toen het beroep werd ingesteld, had de Commissie het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 echter al lang genomen.
61.
In strijd met de desbetreffende bepalingen was dit besluit echter niet apart aan rekwirante meegedeeld. Dienaangaande blijkt uit besluit C(2013) 9235 final van de Commissie van 23 december 2013 waarbij bevoegdheden aan INEA worden gedelegeerd, dat de taakverdeling tussen de Commissie en INEA erin bestaat dat de Commissie het eigenlijke besluit neemt en INEA ervoor zorgt dat dit besluit aan iedere betrokkene apart ter kennis wordt gebracht. ( 21 )
62.
Voorts wordt niet betwist dat het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 pas op 12 oktober 2015 op de website van directoraat-generaal MOVE van de Commissie en op 14 oktober 2015 op de website van INEA is bekendgemaakt, dus een paar weken nadat het beroep was ingesteld.
63.
Dat rekwirante het heeft over een besluit van de Commissie van 17 juli 2015 is dan ook niet meer dan een verkeerde aanduiding die volledig kan worden verklaard door de omstandigheden en kan geen grond opleveren voor ernstige twijfel over juiste inhoud van het voorwerp van het beroep. ( 22 )
64.
Een uitlegging van het beroep volgens welke dit tevens betrekking heeft op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 doet dan ook geen afbreuk aan de rechten van verdediging van de Commissie. Dit klemt des te meer daar rekwirante in haar antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid uitdrukkelijk heeft verklaard dat het Gerecht haar beroep als een beroep tegen het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 diende te beschouwen.
65.
Tot slot had het Gerecht moeten inzien dat de uitlegging van het voorwerp van het beroep waarom verzoekster uitdrukkelijk heeft verzocht, tevens de enige ter zake dienende was.
66.
Zoals al is vastgesteld in punt 54 hierboven, had een beroep tot nietigverklaring van de „e-mail van 17 juli 2015” volgens de vaststellingen van het Gerecht zelf geen kans van slagen. Voorts volgt op zijn minst impliciet uit punt 35 van de bestreden beschikking dat het Gerecht van oordeel was dat alleen een beroep tegen het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 mogelijk was. Hier blijkt wederom dat het Gerecht uitgaat van een uitlegging van het beroep die volgens zijn eigen opvattingen tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep moest leiden.
67.
Daarom is een uitlegging van het beroep volgens welke dit ook betrekking heeft op het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 ook geboden om een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen. ( 23 )
68.
Concluderend kan worden vastgesteld dat het Gerecht het beroep onjuist heeft opgevat en het ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van zijn opvatting dat het tegen de e-mail van 17 juli 2015 en niet tegen het uitvoeringsbesluit van 31 juli 2015 was gericht.
69.
Op grond van een en ander dient de bestreden beschikking te worden vernietigd zonder dat het tweede deel van het eerste middel of het tweede middel van hogere voorziening nog hoeven te worden behandeld.
VI. Gevolgen
70.
In deze omstandigheden dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Aangezien de Commissie zich nog niet over de zaak ten gronde heeft uitgesproken, is het geding nog niet in staat van wijzen en dient het overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden terugverwezen naar het Gerecht. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden (dit volgt a contrario uit artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).
VII. Conclusie
71.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, in zaak C‑635/16 P de volgende uitspraak te doen:
„1)
De beschikking van het Gerecht van 11 oktober 2016, Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (T‑564/15, EU:T:2016:611), wordt vernietigd.
2)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Beschikking van het Gerecht van 11 oktober 2016, Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (T‑564/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:611).
( 3 ) Zaak T‑149/16, Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie, PB 2016, C 211, blz. 56. Het Gerecht heeft tot op heden nog geen uitspraak gedaan.
( 4 ) PB 2003, L 11, blz. 1.
( 5 ) PB 2013, L 352, blz. 65.
( 6 ) Uitvoeringsbesluit C(2014) 1921 final van de Commissie van 26 maart 2014 tot vaststelling van het meerjarig werkprogramma 2014 voor financiële bijstand op het gebied van CEF – Sector vervoer voor de periode 2014‑2020, zoals gewijzigd bij de uitvoeringsbesluiten van de Commissie C(2015) 2192 final van 8 april 2015, C(2015) 7358 final van 30 oktober 2015 en C(2017) 5437 final van 3 augustus 2017.
( 7 ) PB 2013, L 348, blz. 129.
( 8 ) PB 2011, L 55, blz. 13.
( 9 ) Zie bijlage II, 3.3.4., van uitvoeringsbesluit C(2014) 1921 final van de Commissie.
( 10 ) Beschikking van het Gerecht van 11 oktober 2016, Spliethoff’s Bevrachtingskantoor/Commissie (T‑564/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:611).
( 11 ) Arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a. tegen Europees Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 46en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a. tegen Europees Parlement en Raad (C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 47en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 13 ) In punten 9, 19, 22 en 40 van de bestreden beschikking.
( 14 ) In punt 24 van de bestreden beschikking.
( 15 ) In punten 38‑40 van de bestreden beschikking.
( 16 ) Zie alleen arrest van het Gerecht van 13 oktober 2015, Commissie/Verile en Gjergji (T‑104/14 P, EU:T:2015:776, punt 108).
( 17 ) In de punten 21 en 23 van de bestreden beschikking.
( 18 ) Zie hierboven punt 15. Terloops zij vermeld dat de in punt 21 van de bestreden beschikking vermelde bevoegdheden van INEA slechts ten dele relevant zijn voor het onderhavige geval.
( 19 ) Zie hierboven punten 11‑14.
( 20 ) In punt 32 van de bestreden beschikking.
( 21 ) Zie hierboven punt 16.
( 22 ) Zie beschikking van het Gerecht van 21 september 2011, PPG en SNF/ECHA (T‑1/10, EU:T:2011:507, punt 33 en 34); bevestigd door het arrest van 26 september 2013, Polyelectrolyte Producers Group en SNF/ECHA (C‑626/11 P, EU:C:2013:595, punt 29).
( 23 ) Zie ook hierboven punt 7.