ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
15 juni 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Terrorismebestrijding — Specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban — Verordening (EG) nr. 881/2002 — Bevriezing van tegoeden en economische middelen van natuurlijke en rechtspersonen die zijn opgenomen in een lijst van het Sanctiecomité van de Verenigde Naties — Heropname van de namen van deze personen in de lijst in bijlage I bij verordening nr. 881/2002 na nietigverklaring van de oorspronkelijke opname — Verdwijning van de rechtspersoon in de loop van het geding — Bekwaamheid om in rechte op te treden”
In zaak C‑19/16 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 7 januari 2016,
Al-Bashir Mohammed Al-Faqih, wonende te Al Sharkasa, Misrata (Libië),
Ghunia Abdrabbah, wonende te Birmingham (Verenigd Koninkrijk),
Taher Nasuf, wonende te Manchester (Verenigd Koninkrijk),
Sanabel Relief Agency Ltd, gevestigd te Birmingham,
vertegenwoordigd door N. Garcia-Lora, solicitor, en E. Grieves, barrister,
rekwiranten,
de andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Ronkes Agerbeek, D. Gauci en J. Norris-Usher als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Étienne, J.‑P. Hix en H. Marcos Fraile als gemachtigden,
interveniënt in eerste aanleg,
wijst HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken Al-Bashir Mohammed Al-Faqih, Ghunia Abdrabbah en Taher Nasuf alsmede Sanabel Relief Agency Ltd om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 oktober 2015, Al-Faqih e.a./Commissie (T‑134/11, niet gepubliceerd; hierna: „bestreden arrest”, EU:T:2015:812), waarbij hun beroep is verworpen tot nietigverklaring van, ten eerste verordening (EU) nr. 1138/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot 140e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB 2010, L 322, blz. 4), en, ten tweede, verordening (EU) nr. 1139/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot 141e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB 2010, L 322, blz. 6) (hierna: „litigieuze handelingen”), voor zover die handelingen hen betreffen.
Voorgeschiedenis van het geding
2
De voorgeschiedenis van het geding, zoals door het Gerecht uiteengezet in de punten 4 tot en met 20 van het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.
3
Rekwiranten zijn, in het kader van de uitvoering van resolutie 1390 (2002) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, beperkende maatregelen tot bevriezing van hun tegoeden en andere financiële activa opgelegd, welke zijn vastgesteld ingevolge verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al‑Qa’ida‑netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (PB 2002, L 139, blz. 9). Deze verordening was vastgesteld teneinde uitvoering te geven aan artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt 2002/402/GBVB van de Raad van 27 mei 2002 betreffende beperkende maatregelen tegen Osama bin Laden, de leden van de Al-Qa’ida-organisatie, de Taliban en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van de gemeenschappelijke standpunten 96/746/GBVB, 1999/727/GBVB, 2001/154/GBVB en 2001/771/GBVB (PB 2002, L 139, blz. 4).
4
Zij zijn voor het eerst opgenomen in de lijst van personen, entiteiten en organismen waarop de bij artikel 2 van verordening nr. 881/2002 opgelegde bevriezing van tegoeden, vermeld in bijlage I bij die verordening, is gericht (hierna: „litigieuze lijst”), bij verordening (EG) nr. 246/2006 van de Commissie van 10 februari 2006 tot 63e wijziging van verordening nr. 881/2002 (PB 2006, L 40, blz. 13). Deze laatste verordening was vastgesteld naar aanleiding van een besluit van het Sanctiecomité van de Verenigde Naties (hierna: „Sanctiecomité”) van 7 februari 2006 tot wijziging van de lijst van personen, groepen en entiteiten wier tegoeden en andere economische middelen moesten worden bevroren, opgesteld om uitvoering te geven aan resolutie 1390 (2002), door het hierin opnemen van meer bepaald de naam van rekwiranten.
5
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461), heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1286/2009 van 29 december 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 (PB 2009, L 346, blz. 42) vastgesteld, teneinde een procedure voor opname in de lijst in te stellen die de fundamentele rechten van de verdediging van betrokkenen en in het bijzonder hun recht om te worden gehoord, eerbiedigt.
6
Bij arrest van 29 september 2010, Al-Faqih e.a./Raad (T‑135/06–T‑138/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:412), heeft het Gerecht artikel 2 van verordening nr. 881/2002 nietig verklaard, voor zover het betrekking had op verzoekers.
7
Bij verordening nr. 1138/2010 heeft de Europese Commissie Sanabel Relief Agency opnieuw opgenomen in de litigieuze lijst. In overweging 3 van die verordening staat dat de Commissie Sanabel Relief Agency in augustus 2009 in kennis heeft gesteld van de motivering van het Sanctiecomité en daarna, in juli 2010, van een „daarmee verband houdende motivering” en dat Sanabel Relief Agency haar opmerkingen over deze twee motiveringen heeft ingediend.
8
Bij verordening nr. 1139/2010 heeft de Commissie ook Al-Faqih, Abdrabbah en Nasuf in die lijst opgenomen. In overweging 3 van die verordening staat dat de Commissie hen op 22 september 2009, 7 augustus 2009 en 11 augustus 2009 in kennis heeft gesteld van de motivering, nadat het beroep was ingesteld dat heeft geleid tot het arrest van 29 september 2010, Al-Faqih e.a./Raad (T‑135/06–T‑138/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:412).
9
Naar aanleiding van een besluit van het Sanctiecomité van 22 juni 2011 heeft de Commissie later, bij haar uitvoeringsverordening (EU) nr. 640/2011 van 30 juni 2011 tot 152e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 (PB 2011, L 173, blz. 1), de namen van Al-Faqih, Nasuf en Abdrabbah van de litigieuze lijst geschrapt.
10
Naar aanleiding van een besluit van het Sanctiecomité van 8 oktober 2013 heeft de Commissie tevens, bij haar uitvoeringsverordening (EU) nr. 996/2013 van 17 oktober 2013 tot 205e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 (PB 2013, L 277, blz. 1), de naam van Sanabel Relief Agency van de litigieuze lijst geschrapt.
Bestreden arrest
11
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 maart 2011, hebben Al-Faqih, Abdrabbah en Nasuf alsmede Sanabel Relief Agency beroep ingesteld tot nietigverklaring van de verordeningen nr. 1138/2010 en nr. 1139/2010, voor zover deze handelingen hen betreffen.
12
Tot staving van hun beroep hadden rekwiranten vier middelen aangevoerd, waarvan een betrekking had op het nieuwe onderzoek door de Commissie naar Sanabel Relief Agency en de drie overige op dat naar Al-Faqih, Abdrabbah en Nasuf.
13
Het Gerecht heeft in punt 46 van het bestreden arrest geoordeeld dat niet meer hoefde te worden beslist op het beroep dat was gericht tegen verordening nr. 1138/2010, waarbij Sanabel Relief Agency opnieuw in de litigieuze lijst was opgenomen, aangezien zij, volgens een brief van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk van 26 september 2013, rechtens niet langer bestond en derhalve niet langer bekwaam was in rechte op te treden.
14
Het heeft daarentegen het beroep tegen verordening nr. 1139/2010, waarbij de drie andere rekwiranten, Al-Faqih, Abdrabbah en Nasuf, opnieuw in de litigieuze lijst zijn opgenomen, ontvankelijk verklaard. Het heeft in de punten 47 tot en met 51 van het bestreden arrest geoordeeld dat deze laatsten nog steeds belang hadden bij een beroep tot nietigverklaring van die verordening, ook al was hun naam later bij uitvoeringsverordening nr. 640/2011 van die lijst geschrapt. Desondanks heeft het de drie middelen verworpen die hierop betrekking hadden, inzake respectievelijk onrechtmatigheid van het nieuwe onderzoek door de Commissie, schending van de krachtens artikel 296 VWEU vereiste motiveringsplicht, alsmede schending van het eigendomsrecht en van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Conclusies van partijen
15
Rekwiranten verzoeken het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen;
—
de litigieuze handelingen nietig te verklaren, en
—
de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten.
16
De Raad verzoekt het Hof:
—
het beroep te verwerpen en
—
rekwiranten te verwijzen in de kosten.
17
De Commissie verzoekt het Hof:
—
het beroep te verwerpen en
—
rekwiranten te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
18
Ter onderbouwing van de hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan.
19
Met hun eerste drie middelen betwisten zij de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven van een van de middelen die zij in eerste aanleg hebben opgeworpen alsook de toetsing van het Gerecht van, ten eerste, de rechtmatigheid van hun hernieuwde opname op de lijst en, meer bepaald, de beoordeling die de Commissie heeft gemaakt van de gegevens die deze heropname rechtvaardigden in het licht van de beginselen die door het Hof zijn vastgesteld in het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518), en, ten tweede, de motivering van de litigieuze handelingen.
20
Met hun vierde middel betwisten rekwiranten, in wezen, de vaststelling door het Gerecht dat Sanabel Relief Agency rechtens niet bestaat en niet bekwaam is in rechte op te treden. In dat verband voeren zij primair aan dat, aangezien Sanabel Relief Agency in de litigieuze lijst is opgenomen, moet worden erkend dat zij een recht van beroep heeft tot betwisting van de opname op deze lijst, ofschoon zij later van deze lijst is geschrapt.
21
Het vierde middel moet als eerste worden onderzocht.
Vierde middel
Argumenten van partijen
22
Met hun vierde middel stellen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat niet meer op het beroep hoefde te worden beslist voor zover dat Sanabel Relief Agency betreft, aangezien deze laatste rechtens niet meer bestond in de zin van artikel 78, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in de versie ervan die van kracht was op de datum van uitspraak, en dus niet langer bekwaam was in rechte op te treden.
23
Zij zijn namelijk van mening dat het Gerecht zich in dat verband niet mocht baseren op artikel 78 van zijn Reglement voor de procesvoering alsmede op de brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Commonwealth van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 26 september 2013, waarin stond dat Sanabel Relief Agency rechtens niet meer bestond, aangezien het sinds 2007 niet langer was opgenomen in het handelsregister van het Verenigd Koninkrijk (Companies House Register) en op 28 januari 2012 was doorgehaald in het register van de goededoelencommissie van het Verenigd Koninkrijk (Charity Commission Register).
24
Ten eerste is artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht irrelevant, aangezien deze bepaling slechts de procedure voor indiening van gedinginleidende verzoekschriften beheerst.
25
Ten tweede, en in wezen, kan de rechtspersoonlijkheid van een entiteit niet worden toegekend of afgenomen door de inschrijving of doorhaling in het handelsregister of het register van de goededoelencommissie van het Verenigd Koninkrijk. Was dat het geval, dan had Sanabel Relief Agency niet de rechtspersoonlijkheid gehad om al in 2007 te verzoeken van de litigieuze lijst te worden gehaald. In ieder geval betogen zij dat noch de feiten op grond waarvan goededoelencommissie heeft besloten Sanabel Relief Agency door te halen in haar register, noch de motivering voor deze doorhaling naar voren komen uit het besluit tot doorhaling van 28 januari 2012.
26
Zij benadrukken voorts dat het systeem van de Verenigde Naties, op grond waarvan de naam van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren wordt opgenomen in de lijst die is opgesteld overeenkomstig resolutie 1390 (2002), berust op eigen criteria die losstaan van het nationale recht en dat het Hof om die reden in zijn arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32) had geoordeeld dat een formele benadering niet gepast was en dat een entiteit die in een lijst was opgenomen kon verzoeken om hieruit te worden geschrapt.
27
Zij merken tevens op dat het Gerecht, door in punt 45 van het bestreden arrest te vermelden dat Sanabel Relief Agency sinds 17 oktober 2013 geen onderwerp meer was van beperkende maatregelen, zijn beslissing om Sanabel Relief Agency onbekwaam te verklaren in rechte op te treden lijkt te baseren op een geheel andere rechtsgrondslag. Zo zou het hebben geoordeeld dat de rechtspraak naar aanleiding van het arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32), op grond waarvan een entiteit rechtens bestaat zodra beperkende maatregelen jegens haar worden getroffen, niet van toepassing was op een liefdadigheidsinstelling als Sanabel Relief Agency, aangezien deze laatste sinds 17 oktober 2013 geen onderwerp meer was van beperkende maatregelen. Zij menen tevens dat het Gerecht Sanabel Relief Agency had moeten verzoeken om haar procesbelang aan te tonen, nu het dit had verzocht aan rekwiranten die natuurlijke personen waren.
28
Tot slot verwijten rekwiranten het Gerecht geen rekening te hebben gehouden met hun opmerkingen ten aanzien van de memorie in interventie van de Raad, waarbij zij stelden dat de oplossing uit het arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331), ook in het onderhavige geval van toepassing was.
29
De Raad en de Commissie betogen dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat Sanabel Relief Agency rechtens niet langer bestond en niet langer bekwaam was in rechte op te treden en dat het dientengevolge terecht heeft geoordeeld dat wat haar betrof geen uitspraak meer behoefde te worden gedaan. Voorts menen zij dat Sanabel Relief Agency geen beroep kan doen op het arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32), aangezien zij zich in een geheel andere situatie bevindt dan de Kurdistan Workers’ Party (PKK), omdat zij geen illegale organisatie is.
Beoordeling door het Hof
30
Het Gerecht heeft in de punten 42 en 46 van het bestreden arrest geoordeeld dat niet meer op het beroep behoefde te worden beslist voor zover het Sanabel Relief Agency betrof, aangezien zij rechtens niet meer bestond in de zin van artikel 78, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering, in de versie die van toepassing was op de dag van uitspraak, en zij dus niet langer bekwaam was in rechte voor het Gerecht op te treden.
31
Hiertoe heeft het, in punt 41 van het bestreden arrest, vastgesteld dat uit een brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Commonwealth van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 26 september 2013 naar voren kwam dat Sanabel Relief Agency sinds 2007 niet meer stond vermeld in het handelsregister van het Verenigd Koninkrijk en in de loop van 2012 was doorgehaald in het register van de goededoelencommissie van het Verenigd Koninkrijk.
32
In dat verband zij eraan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, in de versie ervan die van kracht was op het tijdstip dat dit laatste uitspraak heeft gedaan, privaatrechtelijke rechtspersonen hun bestaan rechtens moeten aantonen door bij hun verzoekschrift een bewijs voor dit bestaan rechtens te voegen, zoals een uittreksel uit het handelsregister, uittreksel uit het verenigingsregister of enig ander officieel stuk. Dit vereiste geldt ook voor rechtspersonen die beroep instellen tot nietigverklaring van een handeling van de Unie waarbij hun beperkende maatregelen worden opgelegd.
33
In casu blijkt uit het dossier dat, ofschoon Sanabel Relief Agency op verzoek van het Gerecht haar bestaan rechtens heeft aangetoond door het overleggen van een document uit het register van de goededoelencommissie, dat bewijs in de loop van het geding echter is ontkracht door een brief van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Commonwealth van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, waarbij het Gerecht in kennis werd gesteld van haar doorhaling in zowel het handelsregister als het register van de goededoelencommissie van het Verenigd Koninkrijk.
34
In het kader van hun hogere voorziening beperken rekwiranten zich tot het betoog dat niet kon worden geconcludeerd dat Sanabel Relief Agency rechtens niet meer bestond wegens het loutere feit dat zij in deze twee registers was doorgehaald. Zij betogen daarentegen in het geheel niet dat de beoordeling van het Gerecht inzake het bestaan rechtens van Sanabel Relief Agency berustte op materieel onjuiste gegevens of voortkwam uit een onjuiste opvatting van de bewijzen die hem ter kennis waren gebracht.
35
In deze omstandigheden moet als vaststaand worden beschouwd dat Sanabel Relief Agency rechtens niet langer bestond en dus ten tijde van de uitspraak van het Gerecht onbekwaam was om in rechte op te treden.
36
Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat iemand wiens naam op een lijst staat van personen die onderwerp zijn van beperkende maatregelen, ten minste een moreel belang moet worden toegekend om zijn naam te laten schrappen, gelet op de gevolgen voor zijn eer en goede naam, ook wanneer zijn naam van deze lijst is geschrapt (zie arresten van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 70‑72, en 8 september 2016, Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad, C‑459/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:646, punt 12).
37
In het geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon moet deze echter rechtens bestaan, dan wel het beroep door haar rechthebbenden worden ingediend.
38
Ten eerste staat, zoals uit punt 35 van het onderhavige arrest naar voren komt, vast dat Sanabel Relief Agency op de datum van uitspraak van het Gerecht rechtens niet meer bestond. Ten tweede hebben rekwiranten op geen enkel moment betoogd dat hun beroep wat Sanabel Relief Agency betreft was ingediend door andere natuurlijke of rechtspersonen die zich presenteerden als haar rechthebbenden, en meer bepaald door haar oprichters en voormalige bestuursleden, waaronder Abdrabbah en Nasuf, respectievelijk tweede en derde rekwirant in de hogere voorziening (zie met name arresten van 20 oktober 1983, Gutmann/Commissie, 92/82, EU:C:1983:286, punt 2, en 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punten 15‑18).
39
Sanabel Relief Agency kan, aangezien vaststaat dat zij rechtens niet meer bestond op de datum van uitspraak van het Gerecht, evenmin in aanmerking komen voor de oplossing die door het Hof is gekozen in zijn arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32).
40
Het Hof heeft in punt 112 van dat arrest inderdaad geoordeeld dat, zodra de wetgever van de Europese Unie van mening is dat een organisatie aan wier bestaan wordt getwijfeld nog steeds voldoende substantie heeft om het voorwerp te zijn van beperkende maatregelen, de samenhang en de billijkheid gebieden te erkennen dat die entiteit nog steeds voldoende substantie heeft om die maatregel te betwisten. Elke andere conclusie zou immers tot gevolg hebben dat een organisatie in de litigieuze lijst zou kunnen worden opgenomen zonder daartegen beroep te kunnen instellen.
41
Niettemin verschilt de situatie waarin Sanabel Relief Agency verkeert totaal van die van de PKK, daar het Hof in punt 53 van dat arrest heeft geoordeeld dat de feitelijke vaststellingen door het Gerecht in de beschikking waartegen hogere voorziening was ingesteld, dat de PKK was ontbonden, onjuist waren en een onjuiste opvatting vormden van de bewijsmiddelen die ter beschikking van het Gerecht stonden.
42
Dientengevolge heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat wat Sanabel Relief Agency betreft niet meer op het beroep behoefde te worden beslist.
43
Derhalve moet het vierde middel van de hogere voorziening ongegrond worden verklaard.
Eerste middel
Argumenten van partijen
44
Met hun eerste middel verwijten rekwiranten het Gerecht het derde door hen aangevoerde middel inzake schending van het eigendomsrecht en van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onjuist te hebben opgevat. Zij verwijten het Gerecht dat het in de punten 81 tot en met 90 van het bestreden arrest, het middel op grond van artikel 44 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft verworpen, zonder de door hen overgelegde gegevens inhoudelijk te onderzoeken. Hierdoor heeft het Gerecht hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen niet in aanmerking genomen en/of de beginselen geschonden die zijn geformuleerd in het arrest van 14 april 2015, Ayadi/Commissie (T‑527/09 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:205).
45
Met dit derde middel betogen zij nauwkeurig te hebben gesteld dat de Raad en de Commissie onevenredig inbreuk hadden gemaakt op hun eigendomsrecht en op hun recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zij menen dat het Gerecht hierdoor een beoordeling had moeten maken van de feitelijke elementen die zij naar voren hadden gebracht ten aanzien van de elementen die de instellingen tegen hen hadden gebruikt. In dat verband benadrukken zij een bepalend feit te hebben aangevoerd, namelijk dat het Verenigd Koninkrijk, de lidstaat die ervoor had gezorgd dat zij waren opgenomen in de lijst van personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is, van mening was dat zij niet langer aan de criteria voor opname op deze lijst voldeden. Zij benadrukken in punt 94 van hun inleidend verzoekschrift te hebben vermeld dat uit deze elementen bleek dat de Commissie niet genoegzaam had aangetoond dat zij de criteria van resolutie 1617 (2005) vervulden, zodat de inbreuk op hun rechten noodzakelijkerwijs onevenredig was.
46
Voorts menen zij dat het standpunt dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft ingenomen onverenigbaar is met het arrest van 14 april 2015, Ayadi/Commissie (T‑527/09 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:205), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat de verzoeker de beoordeling van de feiten door de Commissie niet „expliciet” had betwist, het er niet van weerhield na te gaan of deze feiten materieel juist waren, aangezien verzoeker deze beoordeling voortdurend in zijn opmerkingen en impliciet in de andere aangevoerde middelen had betwist.
47
De Raad en de Commissie betogen dat het Gerecht het derde middel van rekwiranten terecht heeft verworpen, omdat hun verzoekschrift niet voldoet aan de nodige vereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid.
Beoordeling door het Hof
48
Het Gerecht heeft, in de punten 81 tot en met 90 van het bestreden arrest, geoordeeld dat het derde middel dat rekwiranten in hun verzoekschrift hadden aangevoerd niet voldeed aan de vereisten van artikel 44, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, zoals gewijzigd, en derhalve moest worden verworpen.
49
Het heeft er in dat verband in de eerste plaats aan herinnerd dat deze vereisten inhielden dat de essentiële elementen feitelijk en rechtens waarop een beroep wordt gebaseerd, op samenhangende en begrijpelijke wijze uit de tekst van het verzoekschrift zelf naar voren moesten komen en dat dit verzoekschrift hierdoor expliciet moest vermelden waaruit het middel waarop het beroep is gebaseerd bestond en dat de loutere abstracte vermelding daarvan niet aan die vereisten voldeed.
50
Het heeft vervolgens vastgesteld dat de argumenten die rekwiranten ontleenden aan schending van het eigendomsrecht niet waren uitgewerkt, daar de enige in het verzoekschrift genoemde punten verwezen naar de vereisten die op strafrechtelijk gebied aan bewijs wordt gesteld. Daarenboven heeft het vermeld dat het rekwiranten ter terechtzitting had ondervraagd over de strekking van hun middel en dat deze hadden benadrukt de gegrondheid te willen betwisten van de motiveringen waarop de Commissie haar besluit tot heropname op de litigieuze lijst had gebaseerd en in dat verband hadden verwezen naar de punten 65, 94 en 95 van hun verzoekschrift en naar de opmerkingen inzake de gevolgen van het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518), die zij hadden ingediend op 9 september 2013, na de indiening van hun verzoekschrift.
51
Tot slot heeft het, ten eerste, vastgesteld dat de verwijzingen in de punten 94 en 95 van het verzoekschrift zuiver abstract waren en niet waren gericht op enig punt in het bijzonder van de motivering waarop de Commissie haar besluit tot heropname in de litigieuze lijst had gebaseerd. Ten tweede heeft het opgemerkt dat de onbegrijpelijkheid van de middelen die in het verzoekschrift werden uiteengezet niet kon worden verholpen door een verwijzing naar de bijlagen daarbij, zoals in punt 65 van het verzoekschrift werd voorgesteld.
52
In deze omstandigheden blijkt niet dat het Gerecht in de motivering waarmee het het derde middel van rekwiranten heeft verworpen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
53
Krachtens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat van toepassing is op het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut, en artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991, zoals gewijzigd, moet het verzoekschrift immers met name het voorwerp van het geschil, de conclusies en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten.
54
Ook moet er in dat verband aan worden herinnerd dat het, ten eerste, voor de ontvankelijkheid van een beroep voor het Gerecht noodzakelijk is dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Het verzoekschrift kan weliswaar op specifieke punten worden onderbouwd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde uittreksels uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere geschriften, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de essentiële elementen van het juridische betoog, die in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken (arresten van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 40, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 50).
55
Ten tweede impliceert de summiere uiteenzetting van de middelen die op grond van die artikelen in ieder verzoekschrift moet zijn opgenomen, dat dit verzoekschrift duidelijk dient te laten uitkomen wat het aan het beroep ten grondslag liggende middel inhoudt (arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 39).
56
Uit het onderzoek van het verzoekschrift dat in eerste aanleg door rekwiranten is ingediend blijkt echter dat, ofschoon het derde middel door het opschrift ervan formeel was ontleend aan schending van het eigendomsrecht en van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de zeer summiere toelichting ter onderbouwing van dat middel uitsluitend de beoordeling ter discussie stelde die de Commissie had gemaakt van het bewijs dat hun opname op de litigieuze lijst rechtvaardigde.
57
Rekwiranten stelden namelijk dat de Commissie geen rekening had gehouden met het feit dat zij naar mening van het Verenigd Koninkrijk al lang niet meer voldeden aan de criteria van resolutie 1617 (2005) voor opname op deze lijst. Hun argumentatie had dus hoofdzakelijk betrekking op de in het strafrecht vereiste bewijsnorm en niet op het eigendomsrecht.
58
Het Gerecht heeft derhalve terecht geoordeeld dat het derde middel van rekwiranten niet voldeed aan de vereisten uit artikel 44 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, zoals gewijzigd.
59
Voorts kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht dit middel onjuist zou hebben opgevat, aangezien rekwiranten, in hun verzoekschrift, geen enkele band hebben aangetoond tussen de vereisten op het gebied van bewijs die zij doen gelden, en de schending van hun eigendomsrecht en van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
60
Hieruit volgt dat het Gerecht, bij het verwerpen van het derde middel van rekwiranten in punt 90 van het bestreden arrest, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
61
Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
62
Met hun tweede middel, gericht tegen de punten 78 en 79 van het bestreden arrest, betogen rekwiranten dat het Gerecht niet de rechterlijke toetsing heeft verricht waartoe het was gehouden op grond van het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P,EU:C:2013:518, punten 120 en 121). Het heeft noch geëist dat de door de Commissie gestelde feiten werden onderbouwd, noch nagegaan of de tegen hen geuite aantijgingen niet te oud waren. Het heeft evenmin akte genomen van de gedetailleerde opmerkingen die zij hadden gestuurd aan zowel de Commissie als het Gerecht en waarin zij de gegrondheid van de jegens hen geuite beweringen ter discussie stelden.
63
De Raad voert primair aan dat het tweede middel van rekwiranten onnauwkeurig is en overwegingen die betrekking hebben op de externe wettigheid van de litigieuze handelingen, meer bepaald de motiveringsplicht – een substantiële formaliteit – en die welke betrekking hebben op de interne wettigheid ervan, inzake op de gegrondheid van de redenen voor opname op de litigieuze lijst, met elkaar vermengt. Derhalve voldoet dit middel niet aan vormvereisten van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en moet het als kennelijk niet-ontvankelijk worden verworpen. Subsidiair meent de Raad dat rekwiranten met dit middel louter een herformulering aandragen van het eerste middel van de hogere voorziening inzake de betwisting ten gronde van de motivering waarop de Commissie zich heeft gebaseerd voor de opname van rekwiranten in de litigieuze lijst en dat dit middel dus in ieder geval moet worden verworpen om dezelfde redenen als die welke in het kader van het onderzoek van het eerste middel van de hogere voorziening waren aangevoerd.
64
Volgens de Commissie is dit middel, gericht op de punten 78 en 79 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat in verordening nr. 1139/2010 was voldaan aan de motiveringsplicht, kennelijk ongegrond. Het Gerecht heeft juist toepassing gemaakt van de criteria van het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 116), die vereisen dat de motivering de individuele, specifieke en concrete redenen aangeeft waarom de bevoegde autoriteiten van mening zijn dat tegen de betrokken persoon beperkende maatregelen moeten worden vastgesteld. Zij voegt hieraan toe dat de punten 120 en 121 van dit laatste arrest geen betrekking hebben op de motiveringsplicht, maar op de inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde motivering, zodat „rekwiranten hun pijlen de verkeerde kant op richten”.
Beoordeling door het Hof
65
Het Gerecht heeft in punt 80 van het bestreden arrest het tweede middel van rekwiranten inzake schending door de Commissie van de motiveringsplicht van de litigieuze handelingen, ongegrond verklaard. Met dit middel betwistten zij de vaagheid en de ontoereikendheid van de motivering waarop de Commissie zich had gebaseerd om hen opnieuw op de litigieuze lijst te plaatsen.
66
Onder herinnering in de punten 74 tot en met 76 van dat arrest aan de vereisten die voortvloeien uit de motiveringsplicht die krachtens artikel 296 VWEU op de instellingen rust ten aanzien van bezwarende handelingen, heeft het Gerecht met name benadrukt dat, overeenkomstig punt 116 van het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518), deze verplichting impliceerde dat die motivering onder alle omstandigheden, ook wanneer de motivering van de Uniehandeling overeenkwam met de door een internationale instantie uiteengezette redenen, de individuele, specifieke en concrete redenen aangeeft waarom de bevoegde autoriteiten van mening zijn dat tegen de betrokken persoon beperkende maatregelen moeten worden vastgesteld.
67
Het Gerecht heeft hieruit, in punt 77 van dat arrest, afgeleid dat het „mogelijk zou zijn om zich enkel te baseren op de motivering om de naam van belanghebbenden op de litigieuze lijst te plaatsen, mits die motivering de individuele, specifieke en concrete redenen aangeeft die geldig blijven in het licht van de opmerkingen van diegenen die op de lijst staan”.
68
Zoals naar voren komt uit de punten 78 en 79 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht, ten eerste, aangegeven dat verordening nr. 1139/2010 vermeldde dat de motivering aan rekwiranten was medegedeeld en dat zij in dat verband opmerkingen hadden kunnen indienen en, ten tweede, de motivering getoetst en in casu geoordeeld dat deze voldeed aan de vereisten die voortvloeiden uit het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 116), aangezien zij de individuele, specifieke en concrete redenen bevatte die rechtvaardigden dat rekwiranten in de litigieuze lijst werden opgenomen.
69
Derhalve kan niet worden beweerd dat het Gerecht, bij de in die punten vermelde motivering, waarin het Gerecht de motivering van heropname van rekwiranten in de litigieuze lijst heeft getoetst, niet heeft nagegaan of de Commissie haar plicht tot motivering van de litigieuze handelingen heeft vervuld.
70
Aangezien rekwiranten niet hebben gesteld dat het Gerecht het tweede middel van hun beroep in eerste aanleg onjuist heeft opgevat, moet het tweede middel van de hogere voorziening dientengevolge ongegrond worden verklaard.
Derde middel
Argumenten van partijen
71
Met hun derde middel betogen rekwiranten dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie zorgvuldig, onpartijdig en autonoom onderzoek heeft verricht, voor haar eigen rekening, naar de feiten die in de motivering van de litigieuze handelingen waren aangevoerd, alsmede naar het door hen aangevoerde ontlastende bewijs en de door hen aangevoerde opmerkingen. Zij benadrukken in dat verband dat het Gerecht geen rekening lijkt te hebben gehouden met de schriftelijke en mondelinge opmerkingen die zij in de loop van de procedure hebben ingediend, aangezien het op geen van de door hen aangevoerde argumenten heeft gereageerd.
72
Zij menen dat de Commissie ten tijde van de vaststelling van de litigieuze handelingen louter de schijn heeft gewekt het dossier te controleren. Zij heeft de rechten van de verdediging van rekwiranten in wezen slechts zuiver formeel geëerbiedigd, zonder te overwegen de beoordelingen van het Sanctiecomité in het licht van hun opmerkingen ter discussie te stellen, een houding die het Gerecht al eerder had afgekeurd in zijn arrest van 30 september 2010, Kadi/Commissie (T‑85/09, EU:T:2010:418, punt 71), en vervolgens in zijn arresten van 21 maart 2014, Yusef/Commissie (T‑306/10, EU:T:2014:141, punten 103 en 104), en van 14 april 2015, Ayadi/Commissie (T‑527/09 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:205, punten 72 en 73). Uit het feit dat de Commissie geheel geen contact heeft opgenomen met het Verenigd Koninkrijk, de lidstaat die toch aan de wieg had gestaan van hun opname in de lijst van personen op wie bevriezing van tegoeden van toepassing is en die niet langer voorstond dat zij ten tijde van de vaststelling van de litigieuze handelingen opnieuw in de lijst werden opgenomen, blijkt dat daadwerkelijk van deze houding sprake is.
73
Het Gerecht zou zich, in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest, hebben beperkt tot de vaststelling dat de Commissie de redenen voor de heropname op 16 april 2010„opnieuw had onderzocht” en op 27 mei, 14 september en 26 oktober 2010 met het Sanctiecomité had gecommuniceerd. Het kan echter niet aan de hand van enig gegeven worden vastgesteld dat de Commissie de ontlastende gegevens en de gegrondheid van de aangevoerde motivering daadwerkelijk heeft beoordeeld. Aan de hand van het feit dat de opmerkingen van rekwiranten op 27 mei 2010 alleen aan het Sanctiecomité zijn medegedeeld en dat dit is verzocht om een toelichting op de redenen dat rekwiranten niet van de litigieuze lijst zijn geschrapt, kan niet worden vastgesteld dat de Commissie de gegevens in bezit van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor eigen rekening had onderzocht. Zo heeft het Gerecht, in de punten 66 tot en met 70 van het bestreden arrest, een „irrationele” beoordeling van de feiten bekrachtigd.
74
De Raad is van mening dat het derde middel van rekwiranten is gericht op feitelijke vaststellingen van het Gerecht en dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij betoogt dat het Gerecht, op basis van het door de Commissie gevoerde toetsingsproces, geen van de feiten die waren aangevoerd in het kader van het eerste en het tweede middel dat in eerste aanleg door rekwiranten waren opgeworpen, onjuist heeft opgevat. Rekwiranten hebben, in het kader van de hogere voorziening, onvoldoende gegevens aangevoerd om aan te tonen dat het Gerecht het bewijs met betrekking tot de feiten inzake de door de Commissie gevoerde procedure kennelijk onjuist had opgevat: de Commissie zou de in het arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518) geformuleerde beginselen hebben geëerbiedigd.
75
De Commissie betoogt tevens dat rekwiranten, die het Hof in wezen verzoeken het bewijs en de feiten die aan de basis staan van hun opname in de litigieuze lijst opnieuw te onderzoeken, geen specifiek document hebben aangewezen dat aantoont dat de beoordelingen van het Gerecht inhoudelijk onjuist zijn of aantoont dat het Gerecht het bewijs dat aan hem was overgelegd onjuist had opgevat, zodat hun derde middel in hun hogere voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
76
Ook zijn volgens haar de drie zeer algemene argumenten die door rekwiranten zijn aangevoerd tot staving van hun grief dat het Gerecht de feiten irrationeel zou hebben getoetst, ongegrond. Allereerst kan de bewering dat de reden in punt 70 van het bestreden arrest niet zou zijn onderbouwd, niet slagen, omdat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat, ten eerste, de Commissie een nauwgezet, autonoom en kritisch onderzoek had uitgevoerd naar de opmerkingen van rekwiranten en hun opname in de lijst van personen op wie de door het Sanctiecomité vastgestelde restrictieve maatregelen waren gericht en, ten tweede, zij de conclusies van dit comité niet automatisch had overgenomen. Verder zijn de argumenten van rekwiranten, dat de motivering in de punten 66 tot en met 70 van het bestreden arrest onverenigbaar is met de arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518); 21 maart 2014, Yusef/Commissie (T‑306/10, EU:T:2014:141), en 14 april 2015, Ayadi/Commissie (T‑527/09 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2015:205), ongegrond, omdat het bestaan van schending van de rechten van de verdediging en van het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van ieder geval. Tot slot is het argument dat in de punten 66 tot en met 70 van het bestreden arrest is blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien op geen enkel moment enig contact was opgenomen met het Verenigd Koninkrijk, ongegrond. De Commissie is op basis van deze rechtspraak namelijk geenszins gehouden contact op te nemen met het Verenigd Koninkrijk. In ieder geval heeft de Commissie het beheerscomité van de Unie geraadpleegd, waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd.
Beoordeling door het Hof
77
Het Gerecht heeft het eerste middel van rekwiranten, inzake de onrechtmatigheid van het heronderzoek door de Commissie, na onderzoek van dit middel in punten 59 tot en met 70 van het bestreden arrest, verworpen.
78
In de eerste plaats heeft het, in de punten 59 tot en met 65 van het bestreden arrest, herinnerd aan de bewoordingen waarin het Hof, in zijn arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518), een omschrijving heeft gegeven van de verplichtingen die op de instellingen rusten met betrekking tot de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, wanneer zij een besluit vaststellen houdende opname van de naam van een persoon in een lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn.
79
In de tweede plaats heeft het, in de punten 66 tot en met 70 van het bestreden arrest, de verschillende stadia onderzocht van de procedure die door de Commissie is gevolgd voor de vaststelling van verordening nr. 1139/2010 waarbij de namen van verzoekers opnieuw in de litigieuze lijst zijn opgenomen.
80
Het heeft hieruit afgeleid dat de Commissie de drie procedurele waarborgen had geëerbiedigd die door het Hof in zijn arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518) zijn bedoeld, door een zorgvuldig, autonoom en kritisch heronderzoek uit te voeren van de opmerkingen van partijen en de door het Sanctiecomité besloten opname op de lijst en door de conclusies van dat comité diepgaand en persoonlijk te onderzoeken. Het heeft derhalve, in punt 71 van dat arrest, geoordeeld dat het eerste middel van rekwiranten moest worden verworpen.
81
In het kader van hun derde middel van de hogere voorziening hebben rekwiranten echter geen enkel element aangevoerd waarmee kan worden aangetoond dat de beoordelingen van het Gerecht berustten op materieel onjuiste elementen of op een onjuiste opvatting van het hem overgelegde bewijs.
82
Zij beperken zich namelijk tot het betoog dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat de Commissie hun zaak zorgvuldig, onpartijdig en autonoom had onderzocht. Zij baseren zich in dat verband op de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk, dat aan de wieg had gestaan van hun opname in de lijst van de Verenigde Naties, vanaf november 2009 radicaal van standpunt was veranderd, alsmede op de briefwisseling die vanaf september 2009 had plaatsgevonden tussen de Commissie en het Sanctiecomité.
83
Niettemin moet worden vastgesteld dat ofschoon een dergelijke omstandigheid kon rechtvaardigen dat zij van de litigieuze lijst werden geschrapt, hetgeen uiteindelijk met de vaststelling van uitvoeringsverordening nr. 640/2011 is gebeurd, deze omstandigheid op zich het Gerecht echter niet kon brengen tot het oordeel dat de Commissie door de vaststelling van verordening nr. 1139/2010 de op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen en de rechten van de verdediging van rekwiranten had geschonden.
84
Er zij namelijk allereerst aan herinnerd dat rekwiranten voor de eerste keer in de litigieuze lijst zijn opgenomen bij verordening nr. 246/2006, naar aanleiding van een besluit van het Sanctiecomité van 7 februari 2006 waarbij zij waren opgenomen in de lijst van personen of entiteiten die zijn onderworpen aan beperkende maatregelen, vastgesteld ingevolge resolutie 1390 (2002). Artikel 2 van verordening nr. 881/2002 is vervolgens, wat rekwiranten betreft, nietig verklaard bij het arrest van het Gerecht van 29 september 2010, Al-Faqih e.a./Raad (T‑135/06–T‑138/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:412), genoemd in punt 6 van het onderhavige arrest. Vervolgens zijn zij opnieuw in de litigieuze lijst opgenomen bij verordening nr. 1139/2010, voorwerp van het beroep tot nietigverklaring dat bij het bestreden arrest door het Gerecht is verworpen. Tot slot zijn zij van de litigieuze lijst geschrapt bij uitvoeringsverordening nr. 640/2011, die is vastgesteld naar aanleiding van een besluit van het Sanctiecomité van 22 juni 2011 waarbij zij van de lijst van de Verenigde Naties zijn geschrapt.
85
Zoals naar voren komt uit de overwegingen 2 tot en met 6 ervan, had verordening nr. 1139/2010 terugwerkende kracht, omdat zij hoofdzakelijk diende om in de plaats te komen van verordening nr. 881/2002, zoals gewijzigd bij verordening nr. 246/2006, voor wat rekwiranten betrof. In artikel 2, tweede alinea, van verordening nr. 1139/2010 stond uitdrukkelijk dat die verordening van toepassing werd met ingang van 11 februari 2006.
86
Het betoog van rekwiranten moet dientengevolge als niet ter zake dienend worden aangemerkt.
87
Het derde middel van de hogere voorziening faalt derhalve.
Kosten
88
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
89
Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen Al-Bashir Mohammed Al-Faqih, Ghunia Abdrabbah en Taher Nasuf overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Al-Bashir Mohammed Al-Faqih, Ghunia Abdrabbah en Taher Nasuf worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.