ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
17 mei 2017 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Zelfstandige handelsagenten — Richtlijn 86/653/EEG — Provisie van de handelsagent — Artikel 11 — Gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de derde en de principaal — Gevolgen voor het recht op provisie — Begrip ‚omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn’”
In zaak C‑48/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresný súd Dunajská Streda (rechter voor het district Dunajská Streda, Slowakije) bij beslissing van 23 november 2015, ingekomen bij het Hof op 27 januari 2016, in de procedure
ERGO Poist’ovňa a.s.
tegen
Alžbeta Barlíková,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en M. Hellmann als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K.‑P. Wojcik, A. Tokár en L. Malferrari als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB 1986, L 382, blz. 17).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ERGO Poist’ovňa a.s. (hierna: „ERGO”) en Alžbeta Barlíková over een door ERGO aan Barliková gericht verzoek tot terugbetaling van een bedrag van 11421,42 EUR aan provisies.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In de tweede en derde overweging van richtlijn 86/653 wordt verklaard:
„Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de [Europese Unie] de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie”.
4
Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt het volgende:
„Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ,principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.”
5
Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De handelsagent dient in de uitoefening van zijn bezigheden te waken over de belangen van de principaal en loyaal en te goeder trouw te handelen.”
6
Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„In zijn betrekkingen met de handelsagent moet de principaal zich loyaal en te goeder trouw gedragen.”
7
Hoofdstuk III van richtlijn 86/653, met als opschrift „Beloning”, omvat met name de toepasselijke regels indien de handelsagent op provisiebasis wordt beloond. Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze richtlijn worden „[a]lle elementen van de beloning die variëren naargelang van het aantal zaken of de waarde daarvan” geacht een provisie te zijn in de zin van deze richtlijn.
8
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie:
a)
indien de transactie is gesloten dankzij zijn optreden,
of
b)
indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie.”
9
In lid 1 van artikel 10 van deze richtlijn wordt bepaald:
„De provisie is verschuldigd zodra en voor zover een van de volgende omstandigheden zich voordoet:
a)
de principaal heeft de transactie uitgevoerd,
b)
de principaal had de transactie krachtens de overeenkomst met de derde moeten uitvoeren,
c)
de derde heeft de transactie uitgevoerd.”
10
Artikel 11 van richtlijn 86/653 luidt:
„1. Het recht op provisie kan slechts vervallen indien en voor zover:
—
vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd
en
—
de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.
2. Provisie die de handelsagent reeds heeft ontvangen, wordt terugbetaald als het desbetreffende recht is vervallen.
3. Van lid 1 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.”
Slowaaks recht
Wetboek van koophandel
11
§ 642 van de Obchodný zákonník (wetboek van koophandel), dat betrekking heeft op bemiddelingsovereenkomsten, bepaalt het volgende:
„Een bemiddelingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de tussenpersoon activiteiten verricht die ertoe leiden dat een belanghebbende partij de gelegenheid wordt geboden een bepaalde overeenkomst te sluiten met een derde en de belanghebbende partij gehouden is de tussenpersoon een beloning (provisie) voor de bemiddeling te betalen.”
12
Richtlijn 86/653 is in Slowaaks recht omgezet bij §§ 652 en volgende van het wetboek van koophandel. § 652, lid 1, van dit wetboek preciseert:
„Een handelsagentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij een handelsagent zich als handelaar ertoe verbindt voor de principaal activiteiten te verrichten die leiden tot het sluiten van een bepaald type overeenkomsten (‚transacties’), dan wel te onderhandelen over transacties om die vervolgens in naam en voor rekening van de principaal aan te gaan, en waarbij de principaal zich ertoe verbindt de handelsagent een provisie te betalen.”
13
In § 660, leden 1 en 2, van dit wetboek wordt bepaald:
„1. De provisie is verschuldigd zodra […]:
a)
de principaal de transactie heeft uitgevoerd, of
b)
de principaal de transactie krachtens de overeenkomst […] had moeten uitvoeren, of
c)
de derde zijn uit de transactie voortvloeiende verplichtingen is nagekomen.
2. Het recht op provisie ontstaat uiterlijk op het tijdstip waarop de derde zijn deel van de contractuele verplichtingen heeft uitgevoerd, of daartoe verplicht was indien de principaal zijn deel van de contractuele verplichtingen heeft uitgevoerd. Indien de derde zijn contractuele verplichting echter pas dient uit te voeren nadat meer dan zes maanden zijn verstreken vanaf de datum waarop de overeenkomst is gesloten, heeft de handelsagent recht op provisie bij het sluiten van de transactie.”
14
§ 662, leden 1 en 3, van het wetboek van koophandel luidt:
„1. Het recht op provisie vervalt indien vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd en de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn, behoudens andersluidende bepalingen in de overeenkomst.
[…]
3. Van de in lid 1 vastgestelde regeling betreffende het recht op provisie kan in de overeenkomst enkel worden afgeweken in het voordeel van de handelsagent.”
Burgerlijk wetboek
15
In § 801, leden 1 en 2, van de Občiansky zákonník (burgerlijk wetboek) wordt bepaald:
„1. De verzekeringsovereenkomst eindigt wanneer de premie voor het eerste verzekeringstijdvak of de eenmalige premie niet is betaald binnen een termijn van drie maanden vanaf het tijdstip waarop deze premie opeisbaar is geworden.
2. De verzekeringsovereenkomst eindigt ook wanneer de premie voor het volgende verzekeringstijdvak niet is betaald binnen een termijn van één maand vanaf de datum waarop de verzekeraar de verzekeringsnemer een aanmaning tot betaling heeft doen toekomen, indien de premie niet voor die datum is betaald. […]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
Op 13 maart 2012 hebben ERGO, een vennootschap die actief is in de verzekeringssector, en Alžbeta Barlíková een overeenkomst gesloten met als titel „Bemiddelingsovereenkomst met een verbonden financiële agent” (hierna: „litigieuze overeenkomst”). In deze overeenkomst werd verwezen naar § 642 van het wetboek van koophandel.
17
In deze overeenkomst heeft Barlíková zich ertoe verbonden „bemiddelingsactiviteiten in de verzekeringssector” te verrichten voor ERGO. Deze activiteiten bestonden met name in het werven van klanten en het uitbrengen van offertes voor het sluiten van een verzekeringsovereenkomst met deze vennootschap. Barlíková was eveneens gemachtigd om overeenkomsten in naam en voor rekening van ERGO te sluiten.
18
Als tegenprestatie had Barlíková voor elke gesloten verzekeringsovereenkomst recht op een provisie, die bestond in een bepaald percentage van de premie voor een bepaald verzekeringstijdvak of van de jaarpremie voor een dergelijke overeenkomst. Zij had recht op een vooruitbetaling van deze provisie bij het sluiten van de overeenkomst met de klant. Het recht op provisie was echter pas definitief verworven indien de verzekeringsovereenkomst niet binnen drie of vijf jaar werd opgezegd.
19
Voorts was in de litigieuze overeenkomst bepaald dat het recht op provisie verviel indien de klant de premies gedurende de eerste maanden van uitvoering van de verzekeringsovereenkomst niet betaalde, en dat de provisie pro rata werd verminderd indien de klant de premies na drie maanden van uitvoering van de verzekeringsovereenkomst niet meer betaalde.
20
Barlíková heeft bij ERGO verscheidene klanten aangebracht. In overeenstemming met de bepalingen van de litigieuze overeenkomst heeft zij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomsten met die klanten een vooruitbetaling van de haar verschuldigde provisies ontvangen. Drie tot zes maanden na het ondertekenen van deze verzekeringsovereenkomsten heeft een aantal klanten de premies voor deze overeenkomsten echter niet meer betaald en geen gevolg gegeven aan de door ERGO verstuurde aanmaning tot betaling. Dientengevolge zijn die overeenkomsten van rechtswege beëindigd op grond van § 801 van het burgerlijk wetboek. Sommige klanten hebben ERGO ingelicht dat zij deze premies niet meer hadden betaald nadat zij hun vertrouwen in deze vennootschap – dat er aanvankelijk was – hadden verloren, omdat zij hen ongepast had behandeld.
21
Nadat de betrokken verzekeringsovereenkomsten aldus waren geëindigd, heeft ERGO op grond van de litigieuze overeenkomst van Barlíková terugbetaling gevorderd van de vooraf op grond van de verzekeringsovereenkomsten ontvangen provisies, voor een totaalbedrag van 11421,42 EUR. Aangezien Barlíková dit bedrag niet heeft betaald, heeft ERGO de Okresný súd Dunajská Streda verzocht haar te veroordelen tot betaling van dit bedrag.
22
Voor deze rechter heeft Barlíková aangevoerd dat de beëindiging van deze verzekeringsovereenkomsten aan ERGO te wijten was. Uit brieven die verscheidene klanten aan deze vennootschap hebben doen toekomen, blijkt immers dat deze vennootschap hen onredelijk heeft behandeld, met name door hun te verzoeken veel vragen te beantwoorden, zelfs nadat de verzekeringsovereenkomst was gesloten, en hun herinneringsbrieven te sturen hoewel de premie reeds was betaald.
23
Tegen deze achtergrond wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of § 662 van het wetboek van koophandel, dat artikel 11 van richtlijn 86/653 uitvoert, zich verzet tegen de bedingen van de litigieuze overeenkomst krachtens welke niet-betaling van de in de overeenkomst tussen de principaal en de derde voorziene premies, naargelang het geval, het recht op provisie doet vervallen of aanleiding geeft tot een vermindering van die provisie pro rata de duur van uitvoering van deze overeenkomst.
24
Daartoe wenst de verwijzende rechterlijke instantie enerzijds te vernemen of artikel 11, lid 1, eerste streepje, van deze richtlijn toestaat dat rekening wordt gehouden met de kenmerken van langlopende overeenkomsten. Zij merkt dienaangaande op dat deze richtlijn niet ziet op de situatie waarin de overeenkomst niet volledig wordt uitgevoerd. Anderzijds is de verwijzende rechterlijke instantie van oordeel dat de woorden „die aan de principaal te wijten zijn” in de zin van artikel 11, lid 1, tweede streepje, van deze richtlijn moeten worden verduidelijkt. Volgens haar is een dergelijke verduidelijking van belang in de onderhavige zaak wegens de in § 801, lid 2, van het burgerlijk wetboek vervatte bijzondere regeling die van toepassing is op de beëindiging van verzekeringsovereenkomsten. Volgens deze bepaling kunnen verzekeringsnemers de overeenkomst beëindigen door de premies niet te betalen, terwijl zij de overeenkomst op de gebruikelijke manier zouden kunnen beëindigen zoals door ontbinding of opzegging. Vanuit juridisch oogpunt is de rechtsgrondslag voor de beëindiging van de overeenkomst in dat geval de niet-betaling van de premies, hetgeen in strijd is met de verplichtingen van de verzekeringsnemer. Aan dat verzuim kunnen echter verschillende redenen ten grondslag liggen die de verzekeringsnemer ertoe hebben gebracht aldus te handelen.
25
In die omstandigheden heeft de Okresný súd Dunajská Streda de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
„1)
Moeten de woorden ‚de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd’ in artikel 11 van richtlijn 86/653 aldus worden uitgelegd dat daaronder
a)
de volledige niet-uitvoering van de overeenkomst wordt verstaan, dat wil zeggen noch de principaal noch de derde heeft de bepalingen van de overeenkomst ook maar gedeeltelijk uitgevoerd, of
b)
kan daaronder ook de gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst worden verstaan, dat wil bijvoorbeeld zeggen dat het aantal beoogde transacties niet tot stand is gekomen of dat de overeenkomst wordt beëindigd vóórdat de overeengekomen duur ervan is verstreken?
2)
Indien de uitlegging onder b) van de eerste vraag juist is, moet artikel 11, lid 2, van richtlijn 86/653 dan aldus worden uitgelegd dat een beding van een handelsagentuurovereenkomst volgens welke de agent gehouden is een evenredig deel van zijn provisie terug te betalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, in die zin dat de uitvoering achter is gebleven bij wat aanvankelijk was beoogd of wat in de handelsagentuurovereenkomst was overeengekomen, geen afwijking in het nadeel van de agent is?
3)
Kunnen in gevallen als die van het hoofdgeding bij de beoordeling van de vraag of de niet-uitvoering terug te voeren is op omstandigheden die ,aan de principaal te wijten’ zijn in de zin van artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653,
a)
enkel juridische gronden in aanmerking worden genomen die rechtstreeks leiden tot het einde van de overeenkomst (de overeenkomst eindigt bijvoorbeeld omdat de derde een daarin opgenomen verplichting niet is nagekomen), of
b)
kan daarbij ook in aanmerking worden genomen of die juridische omstandigheden het gevolg waren van gedragingen van de principaal in het kader van de rechtsverhouding met die derde welke ertoe zouden hebben geleid dat de derde zijn vertrouwen in de principaal heeft verloren en daarom zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen?”
Bevoegdheid van het Hof
26
Vooraf dient ten eerste te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, ERGO voor de verwijzende rechterlijke instantie betoogt dat richtlijn 86/653 niet van toepassing is op het hoofdgeding aangezien de litigieuze overeenkomst, gelet op de titel en de verwijzing naar § 642 van het wetboek van koophandel, geen handelsagentuurovereenkomst is maar een bemiddelingsovereenkomst.
27
Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat uit dit verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter van oordeel is dat de litigieuze overeenkomst als een handelsagentuurovereenkomst moet worden aangemerkt en niet als een bemiddelingsovereenkomst. In het onderhavige arrest wordt dus uitgegaan van deze laatste hypothese.
28
Ten tweede dient te worden opgemerkt dat deze overeenkomst inderdaad niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/653 valt, die volgens de definitie van het begrip „handelsagent” van artikel 1, lid 2, enkel van toepassing is op handelsagenten die permanent belast zijn met het tot stand brengen, of met het tot stand brengen en afsluiten, van de verkoop of aankoop van goederen. Een handelsagent wiens activiteiten bestaan in het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop van verzekeringsdiensten, zoals in het hoofdgeding, valt dus niet onder de definitie van dit artikel 1, lid 2.
29
Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het Unierecht gekozen oplossingen, teneinde met name discriminatie ten nadele van nationale onderdanen of mogelijke verstoring van de mededinging te voorkomen, of in vergelijkbare situaties één enkele procedure te verzekeren, is er volgens vaste rechtspraak evenwel een zeker belang om de overgenomen bepalingen of begrippen van Unierecht op eenvormige wijze uit te leggen ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (arrest van 3 december 2015, Quenon K., C‑338/14, EU:C:2015:795, punt 17en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In dit verband heeft de verwijzende rechterlijke instantie verklaard zich bewust te zijn van het feit dat het aan haar voorgelegde geding buiten de werkingssfeer van het Unierecht valt. Door te verwijzen naar het arrest van het Hof van 16 maart 2006, Poseidon Chartering (C‑3/04, EU:C:2006:176), heeft zij echter aangegeven dat de voorschriften van richtlijn 86/653 van toepassing waren op het onderhavige geval, dat een handelsagentuurovereenkomst voor verzekeringsdiensten betreft.
31
Zoals in punt 12 van dit arrest is opgemerkt, is richtlijn 86/653 in Slowaaks recht omgezet in §§ 652 en volgende van het wetboek van koophandel. Zoals de Slowaakse regering naar voren heeft gebracht, zien deze artikelen niet enkel op de koop en verkoop van goederen maar hebben zij ook betrekking op dienstverleningsovereenkomsten. Door de bepalingen van deze richtlijn aldus in nationaal recht om te zetten, heeft de Slowaakse wetgever dan ook besloten agentuurovereenkomsten voor goederen en agentuurovereenkomsten voor diensten op dezelfde manier te behandelen.
32
Derhalve moet worden vastgesteld dat het Hof bevoegd is om zich over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing uit te spreken.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
33
Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het niet alleen geldt voor gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst tussen een principaal en een derde maar ook voor gevallen van gedeeltelijke niet-uitvoering van deze overeenkomst, bijvoorbeeld wanneer het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de duur van de overeenkomst niet wordt nageleefd.
34
In de meeste taalversies wordt in artikel 11, lid 1, eerste streepje, van deze richtlijn bepaald dat het recht op provisie slechts kan vervallen „indien en voor zover” vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd.
35
Het gebruik van het voegwoord „voor zover” geeft aan dat rekening moet worden gehouden met de mate waarin de overeenkomst nog niet is uitgevoerd om vast te stellen of het recht op provisie vervallen is. Uit het gebruik van dit voegwoord kan dus worden afgeleid dat artikel 11, lid 1, eerste streepje, van deze richtlijn zowel geldt voor gevallen van volledige niet-uitvoering als voor gevallen van gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst.
36
De Tsjechische, Letse en Slowaakse versie van artikel 11, lid 1, van richtlijn 86/653 bevatten echter geen uitdrukking die kan worden vertaald als „voor zover”.
37
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de Unierechtelijke bepalingen uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht verschillen bestaan, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 1 maart 2016, Alo en Osso, C‑443/14 en C‑444/14, EU:C:2016:127, punt 27).
38
Hieruit volgt dat artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653, gelet op de in punt 36 van dit arrest vermelde divergentie, moet worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling van deze richtlijn.
39
Wat in de eerste plaats de algemene opzet van richtlijn 86/653 betreft, wordt in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaald dat de handelsagent met name recht heeft op de provisie indien de transactie is gesloten dankzij zijn optreden. In artikel 10, lid 1, van deze richtlijn wordt niettemin gepreciseerd dat de provisie verschuldigd is „zodra en voor zover” de transactie is uitgevoerd of had moeten zijn uitgevoerd. Uit het gebruik van het voegwoord „voor zover” kan echter geen enkele conclusie worden getrokken omdat dit voegwoord niet in alle taalversies van deze bepaling voorkomt.
40
Uit de artikelen 7, lid 1, en 10, lid, 1, van richtlijn 86/653, in onderlinge samenhang gelezen, volgt echter dat, hoewel de handelsagent recht heeft op de provisie voor de transacties die de principaal met de door hem aangebrachte klanten sluit, dit recht pas concreet wordt op het moment van de uitvoering van de betrokken transacties of op het moment waarop zij hadden moeten zijn uitgevoerd. Hieruit kan worden afgeleid dat de provisie verworven is naargelang deze uitvoering, die in geval van langlopende overeenkomsten met opeenvolgende prestaties – zoals de verzekeringsovereenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn – gespreid is in de tijd. Zo de provisie slechts verworven is in de mate waarin deze transacties zijn uitgevoerd, dan vervalt het recht op provisie voor zover deze transacties niet zijn uitgevoerd. Derhalve dient artikel 11, lid 1, eerste streepje, van deze richtlijn aldus te worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op gevallen waarin de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd.
41
Wat in de tweede plaats de doelstelling van richtlijn 86/653 betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze richtlijn blijkens de tweede en de derde overweging beoogt de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen te beschermen (zie in die zin arrest van 3 december 2015, Quenon K., C‑338/14, EU:C:2015:795, punt 23).
42
Uit artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van deze richtlijn vloeit echter voort dat de handelsagent en de principaal loyaal en te goeder trouw moeten handelen in hun wederkerige betrekkingen. Evenzeer volgt uit artikel 10, lid 1, van deze richtlijn dat de wetgever de verwerving van de provisie afhankelijk heeft willen stellen van de uitvoering en niet van de sluiting van de overeenkomst.
43
Mocht artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653 aldus worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst, dan zou deze uitlegging echter in strijd zijn met de doelstelling van de in het voorgaande punt van dit arrest vermelde bepalingen van deze richtlijn en van deze richtlijn in haar geheel indien voor langlopende overeenkomsten – zoals de verzekeringsovereenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde zijn – de provisie van de agent integraal was gegarandeerd vanaf het begin van de uitvoering van deze overeenkomsten, zonder dat rekening wordt gehouden met een mogelijke gedeeltelijke niet-uitvoering ervan.
44
Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het niet alleen betrekking heeft op gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de principaal en de derde maar ook op gevallen waarbij deze overeenkomst niet volledig is uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de duur van deze overeenkomst niet wordt nageleefd.
Tweede vraag
45
Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 11, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een handelsagentuurovereenkomst op grond waarvan de agent verplicht is, een evenredig deel van zijn provisie terug te betalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, een „afwijking ten nadele van de handelsagent” is in de zin van artikel 11, lid 3, van deze richtlijn.
46
In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 11, lid 3, van richtlijn 86/653 verbiedt om bij overeenkomst af te wijken van artikel 11, lid 1, van deze richtlijn ten nadele van de handelsagent.
47
Het feit dat de handelsagentuurovereenkomst de agent ertoe verplicht, een evenredig deel van zijn provisie terug te betalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, kan in beginsel echter niet worden beschouwd als een „afwijking ten nadele van de handelsagent” in de zin van artikel 11, lid 3, van richtlijn 86/653. Integendeel, deze verplichting voldoet aan de voorschriften van artikel 11, leden 1 en 2, van deze richtlijn.
48
Uit het antwoord op de eerste vraag vloeit immers voort dat artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het recht op provisie van de handelsagent ook kan vervallen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd. Voorts worden krachtens artikel 11, lid 2, van deze richtlijn de door de handelsagent reeds ontvangen provisies terugbetaald als het desbetreffende recht is vervallen. Bijgevolg mag volgens deze bepalingen van de agent worden vereist dat hij de reeds betaalde provisies terugbetaalt voor zover de overeenkomst tussen de principaal en de klant niet is uitgevoerd.
49
Niettemin moet worden gepreciseerd dat de verplichting tot terugbetaling van de provisie strikt evenredig moet zijn aan de mate van niet-uitvoering van de overeenkomst. Een verplichting om een deel van de provisie terug te betalen dat verhoudingsgewijs groter is dan de mate van deze niet-uitvoering, zou immers een door artikel 11, lid 3, van richtlijn 86/653 verboden afwijking ten nadele van de agent zijn. Daarentegen blijft een afwijking mogelijk ten voordele van de agent, waarbij terugbetaling wordt gevorderd van een deel van de provisie dat verhoudingsgewijs kleiner is dan de mate van niet-uitvoering van de overeenkomst.
50
Voorts volgt uit artikel 11, lid 3, van richtlijn 86/653 dat niet bij overeenkomst mag worden afgeweken van de tweede, in artikel 11, lid 1, vastgestelde voorwaarde volgens welke het recht op provisie slechts vervalt indien de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn. Een contractueel beding waarin wordt bepaald dat het recht op provisie vervalt wanneer de niet-uitvoering van de overeenkomst terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn, zou bijgevolg in strijd zijn met dit artikel 11, lid 3.
51
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 11, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een handelsagentuurovereenkomst op grond waarvan de agent een evenredig deel van zijn provisie moet terugbetalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig wordt uitgevoerd, geen „afwijking ten nadele van de handelsagent” in de zin van artikel 11, lid 3, is indien het terug te betalen deel van de provisie evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van deze overeenkomst en op voorwaarde dat deze niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.
Derde vraag
52
Met haar derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” enkel betrekking hebben op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst tussen de principaal en de derde hebben geleid dan wel op alle aan de principaal te wijten juridische en feitelijke omstandigheden die aan de niet-uitvoering van deze overeenkomst ten grondslag liggen.
53
In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens de verwijzingsbeslissing de niet-uitvoering van de verzekeringsovereenkomsten in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak – die volgens ERGO grond is voor de terugbetaling van de door Barlíková ontvangen provisies – voortvloeit uit de niet-betaling van de premies voor de desbetreffende overeenkomsten door bepaalde klanten. Volgens het Slowaakse recht heeft deze omstandigheid overeenkomstig § 801 van het burgerlijk wetboek op zich tot gevolg dat de betrokken overeenkomsten van rechtswege beëindigd zijn. Volgens de verwijzende rechterlijke instantie hebben de betrokken klanten deze premies in het hoofdgeding niet betaald omdat zij hun vertrouwen hadden verloren in de principaal die hen niet professioneel zou hebben behandeld.
54
Het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” is niet gedefinieerd in richtlijn 86/653. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is artikel 11, lid 1, tweede streepje, van deze richtlijn in sommige taalversies, met name de Franse, neutraal geformuleerd en wordt in dit artikel enkel gesteld dat de niet-uitvoering van de overeenkomst met de derde niet aan de principaal te wijten mag zijn. In andere taalversies van de richtlijn daarentegen, met name de Slowaakse, wordt in deze bepaling verwezen naar de schuld van de principaal.
55
Hieruit volgt dat artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653, gelet op de in punt 37 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, moet worden uitgelegd met name in het licht van de doelstelling van deze richtlijn.
56
In de punten 41 en 42 van dit arrest is opgemerkt dat deze richtlijn in het bijzonder beoogt de handelsagent te beschermen en bovendien verwijst naar de betrekkingen tussen de handelsagent en de principaal, die op loyaliteit en goede trouw zijn gebaseerd. De voorwaarde dat de niet-uitvoering niet terug te voeren mag zijn op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn, draagt ertoe bij dat deze doelstellingen worden verwezenlijkt doordat wordt verhinderd dat deze principaal wordt ontheven van zijn verplichting aan de agent de provisie te betalen terwijl hij de niet-uitvoering van de transactie heeft teweeggebracht.
57
Een enge definitie van het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” die enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst hebben geleid, ongeacht de juridische en feitelijke omstandigheden waardoor deze beëindiging wordt verklaard, zou niet stroken met deze doelstellingen. Bij een dergelijke enge definitie zou immers niet kunnen worden beoordeeld of de principaal in werkelijkheid de beëindiging van de overeenkomst heeft teweeggebracht en evenmin of de niet-uitvoering van deze overeenkomst aan hem te wijten is. Dit zou tot situaties leiden waarin de principaal de provisie niet hoeft te betalen terwijl de beëindiging het gevolg is van zijn eigen gedrag.
58
Dit zou met name het geval zijn wanneer in een wettelijke regeling – als die in het hoofdgeding – wordt bepaald dat de betrokken verzekeringsovereenkomsten overeenkomstig § 801 van het burgerlijk wetboek van rechtswege eindigen door de niet-betaling van de premies. Volgens een dergelijke wettelijke regeling is de beëindiging van de overeenkomst immers te wijten aan de niet-naleving van de contractuele verbintenissen door de derde, die de premies voor de overeenkomst niet meer betaalt, zonder dat echter rekening wordt gehouden met de reden waarom die premies niet meer worden betaald.
59
Daaruit volgt dat het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” in artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653 niet enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks de beëindiging van de overeenkomst hebben veroorzaakt maar verwijst naar de redenen die tot deze beëindiging hebben geleid, waarbij die redenen door de nationale rechterlijke instantie moeten worden beoordeeld op grond van alle relevante juridische en feitelijke omstandigheden teneinde te kunnen vaststellen of de niet-uitvoering van de overeenkomst niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.
60
Aangaande meer bepaald de feiten van het hoofdgeding dient de verwijzende rechterlijke instantie bij haar uitspraak op de door ERGO ingediende vordering tot terugbetaling van de provisies en het mogelijke verval van Barlíková’s recht op provisie alle feiten van de zaak in aanmerking te nemen – en dus niet enkel de niet-nakoming van de verplichting van de verzekerden om de premies voor de verzekeringsovereenkomsten te betalen – om vast te stellen of de niet-uitvoering van deze overeenkomsten niet aan deze vennootschap te wijten is.
61
Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” niet enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst tussen de principaal en de derde hebben geleid maar ziet op alle aan de principaal te wijten juridische en feitelijke omstandigheden die aan de niet-uitvoering van deze overeenkomst ten grondslag liggen.
Kosten
62
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 11, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten moet aldus worden uitgelegd dat het niet alleen betrekking heeft op gevallen van volledige niet-uitvoering van de overeenkomst tussen de principaal en de derde maar ook op gevallen waarin deze overeenkomst niet volledig is uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het aantal beoogde transacties niet is bereikt of de duur van deze overeenkomst niet wordt nageleefd.
2)
Artikel 11, leden 2 en 3, van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat een beding in een handelsagentuurovereenkomst op grond waarvan de agent een evenredig deel van zijn provisie moet terugbetalen indien de overeenkomst tussen de principaal en de derde niet volledig is uitgevoerd, geen „afwijking ten nadele van de handelsagent” in de zin van dit artikel 11, lid 3, is indien het terug te betalen deel van de provisie evenredig is aan de mate van niet-uitvoering van deze overeenkomst en op voorwaarde dat deze niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.
3)
Artikel 11, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn” niet enkel betrekking heeft op de juridische gronden die rechtstreeks tot de beëindiging van de overeenkomst tussen de principaal en de derde hebben geleid maar ziet op alle aan de principaal te wijten juridische en feitelijke omstandigheden die aan de niet-uitvoering van deze overeenkomst ten grondslag liggen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Slowaaks.