ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
20 december 2017 ( *1 )
„Hogere voorziening – Staatssteun – Digitale televisie – Steun voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden – Steun ten behoeve van de exploitanten van digitale terrestrische televisieplatformen – Besluit waarbij de steunmaatregelen gedeeltelijk met de interne markt onverenigbaar worden verklaard – Begrip ‚staatssteun’ – Voordeel – Dienst van algemeen economisch belang – Omschrijving – Beoordelingsruimte van de lidstaten”
In de gevoegde zaken C‑66/16 P tot en met C‑69/16 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 februari 2016,
Comunidad Autónoma del País Vasco,
Itelazpi SA, gevestigd te Zamudio (Spanje) (C‑66/16 P),
Comunidad Autónoma de Cataluña,
Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI), gevestigd te Hospitalet de Llobregat (Spanje) (C‑67/16 P),
Navarra de Servicios y Tecnologías SA, gevestigd te Pamplona (Spanje) (C‑68/16 P),
Cellnex Telecom SA, voorheen Abertis Telecom SA, gevestigd te Barcelona (Spanje),
Retevisión I SA, gevestigd te Barcelona (Spanje) (C‑69/16 P),
vertegenwoordigd door J. Buendía Sierra, A. Lamadrid de Pablo en M. Bolsa Ferruz, abogados,
rekwiranten,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková, É. Gippini Fournier en B. Stromsky als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
SES Astra SA, gevestigd te Betzdorf (Luxemburg), vertegenwoordigd door F. González Díaz en V. Romero Algarra, abogados, en F. Salerno, avocat,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 september 2017,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorzieningen van de Comunidad Autónoma del País Vasco (autonome regio Baskenland, Spanje) en Itelazpi SA (zaak C‑66/16 P) (hierna: „rekwiranten in zaak C‑66/16 P”), de Comunidad Autónoma de Cataluña (autonome regio Catalonië, Spanje) en Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI) (zaak C‑67/16 P), Navarra de Servicios y Tecnologías SA (zaak C‑68/16 P) (hierna: „rekwirante in zaak C‑68/16 P”), en Cellnex Telecom SA en Retevisión I SA (zaak C‑69/16 P) (hierna tezamen: „rekwiranten”) strekken tot vernietiging van respectievelijk:
–
in zaak C‑66/16 P, het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 november 2015, Comunidad Autónoma del País Vasco en Itelazpi/Commissie (T‑462/13, EU:T:2015:902; hierna: „arrest T‑462/13”);
–
in zaak C‑67/16 P, het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 november 2015, Comunidad Autónoma de Cataluña en CTTI/Commissie (T‑465/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:900; hierna: „arrest T‑465/13”);
–
in zaak C‑68/16 P, het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 november 2015, Navarra de Servicios y Tecnologías/Commissie (T‑487/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:899; hierna: „arrest T‑487/13”);
–
in zaak C‑69/16 P, het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 november 2015, Abertis Telecom en Retevisión I/Commissie (T‑541/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:898; hierna: „arrest T‑541/13”) (hierna tezamen: „bestreden arresten”)
houdende verwerping van hun beroepen tot nietigverklaring van besluit 2014/489/EU van de Commissie van 19 juni 2013 betreffende de door het Koninkrijk Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.28599 [(C 23/2010) (ex NN 36/2010, ex CP 163/2009)] voor de ontwikkeling van digitale terrestrische televisie in afgelegen en minder verstedelijkte gebieden (met uitzondering van Castilië-La Mancha) (PB 2014, L 217, blz. 52; hierna: „litigieus besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
2
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten zijn door het Gerecht uiteengezet in de punten 1 tot en met 22 van de bestreden arresten. Ten behoeve van de onderhavige procedure kunnen zij als volgt worden samengevat.
3
De onderhavige hogere voorzieningen hebben betrekking op een reeks maatregelen van de Spaanse autoriteiten in het kader van de overschakeling in Spanje van analoge op digitale omroepuitzendingen op het gehele Spaanse grondgebied, met uitzondering van de Comunidad Autónoma de Castilla-La Mancha (autonome regio Castilië-La Mancha) (hierna: „betrokken maatregel”).
4
Het Koninkrijk Spanje heeft de regelgeving ter bevordering van de overschakeling van analoge op digitale omroepuitzendingen ingevoerd door uitvaardiging van onder meer Ley 10/2005 de Medidas Urgentes para el Impulso de la Televisión Digital Terrestre, de Liberalización de la Televisión por Cable y de Fomento del Pluralismo (wet 10/2005 houdende spoedmaatregelen met het oog op de ontwikkeling van de digitale terrestrische televisie, de liberalisering van kabeltelevisie en de bevordering van het pluralisme) van 14 juni 2005 (BOE nr. 142 van 15 juni 2005, blz. 20562) en Real Decreto 944/2005 por el que se aprueba el Plan técnico nacional de la televisión digital terrestre (koninklijk besluit 944/2005 houdende goedkeuring van het nationale technische plan voor de digitale terrestrische televisie) van 29 juli 2005 (BOE nr. 181 van 30 juli 2005, blz. 27006). Bij dit koninklijk besluit is de nationale particuliere en publieke omroeporganisaties de plicht opgelegd om ervoor te zorgen dat 96 % respectievelijk 98 % van de bevolking digitale terrestrische televisie (hierna: „DTT”) zou ontvangen.
5
Teneinde de overschakeling van analoge terrestrische televisie op DTT mogelijk te maken, hebben de Spaanse autoriteiten het Spaanse grondgebied in drie afzonderlijke zones ingedeeld, die worden aangeduid met respectievelijk „zone I”, „zone II” en „zone III”. Zone II, die in de onderhavige zaken in geding is, omvat minder verstedelijkte en afgelegen gebieden die 2,5 % van de Spaanse bevolking vertegenwoordigen. In die zone hebben de omroepen wegens gebrek aan commercieel belang niet in digitalisering geïnvesteerd, reden waarom de Spaanse autoriteiten voor overheidsfinanciering hebben gezorgd.
6
In september 2007 heeft de Consejo de Minsitros (raad van ministers, Spanje) het nationale plan voor de overschakeling op DTT vastgesteld. Dit had tot doel om een even hoge dekking van de Spaanse bevolking met de DTT-dienst te bereiken als met de analoge televisie in 2007, namelijk meer dan 98 % van deze bevolking en de gehele of nagenoeg gehele bevolking van de autonome regio’s Baskenland, Catalonië en Navarra (Spanje).
7
Teneinde de voor DTT vastgestelde dekkingsdoelstellingen te bereiken hebben de Spaanse autoriteiten besloten overheidsfinanciering toe te kennen, met name ter ondersteuning van de terrestrische digitalisering in zone II en meer bepaald in de gewesten binnen de autonome regio’s in deze zone.
8
In februari 2008 heeft het Ministerio de Industria, Turismo y Comercio (het Spaanse ministerie van Industrie, Toerisme en Handel; hierna: „MITH”) een besluit vastgesteld met het oog op de verbetering van de telecommunicatie-infrastructuur en tot vaststelling van de criteria en verdeling van de financiering voor de initiatieven ten behoeve van de ontwikkeling van de informatiemaatschappij in het kader van een plan dat „Plan Avanza” werd genoemd. Het budget dat op grond van dit besluit is goedgekeurd, was voor een deel bestemd voor de digitalisering van de televisie in zone II.
9
Tot die digitalisering is tussen juli en november 2008 overgegaan. Het MITH heeft de middelen vervolgens overgemaakt naar de autonome regio’s, die zich ertoe verbonden de overige kosten van de operatie te voldoen uit hun eigen begrotingen.
10
In oktober 2008 heeft de ministerraad besloten om aanvullende middelen ter beschikking te stellen om het bereik van DTT groter te maken en te vervolledigen in het kader van de overschakelingsprojecten die in de eerste helft van 2009 moesten worden uitgevoerd.
11
Daarna zijn de autonome regio’s met de uitbreiding van DTT begonnen. Daartoe hebben zij aanbestedingen georganiseerd of deze uitbreiding aan particuliere ondernemingen toevertrouwd. In sommige gevallen hebben de autonome regio’s de gemeenten gevraagd om voor de uitbreiding te zorgen.
12
Op 18 mei 2009 heeft de Commissie een klacht ontvangen van SES Astra, die betrekking had op een steunregeling die de Spaanse autoriteiten hadden vastgesteld ten behoeve van de overschakeling van analoge terrestrische televisie op DTT in zone II. Volgens SES Astra behelsde de steunregeling niet-aangemelde steun die tot een verstoring van de mededinging tussen platforms voor satelliet- en terrestrische transmissie kon leiden.
13
Bij brief van 29 september 2010 heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van de steun in kwestie de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden voor het gehele Spaanse grondgebied, met uitzondering van de autonome regio Castilië-La Mancha, voor welke regio een aparte procedure werd ingeleid.
14
Vervolgens heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld. In artikel 1 van het dispositief daarvan is verklaard dat de steun die aan de exploitanten van het terrestrische televisieplatform is verleend ten behoeve van de invoering, het onderhoud en de exploitatie van het digitale terrestrische televisienetwerk in zone II, met uitzondering van de steun die in overeenstemming met het criterium van technologische neutraliteit is toegekend, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU uitgevoerd en onverenigbaar met de interne markt. In artikel 3 van dat besluit is de terugvordering van de onrechtmatige steun van de DTT-exploitanten gelast, ongeacht of zij die steun direct of indirect hadden ontvangen.
15
In de motivering van het litigieuze besluit heeft de Commissie in de eerste plaats geoordeeld dat de verschillende op centraal niveau vastgestelde instrumenten en de tussen het MITH en de autonome regio’s gesloten overeenkomsten de basis vormden van de steunregeling voor de DTT-uitbreiding in zone II. In de praktijk hadden de autonome gemeenschappen dus de richtsnoeren van de Spaanse regering inzake de uitbreiding van DTT toegepast.
16
In de tweede plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de betrokken maatregel moest worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. De Commissie heeft er in dat verband in het bijzonder op gewezen dat de Spaanse autoriteiten alleen het voorbeeld van de autonome regio Baskenland hadden gegeven om aan te voeren dat volgens de voorwaarden die het Hof heeft geformuleerd in het arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415; hierna: arrest „Altmark”), geen sprake was van steun. Volgens de Commissie was echter niet voldaan aan de eerste voorwaarde in dat arrest (hierna: „eerste Altmark-voorwaarde”), namelijk dat de begunstigde onderneming daadwerkelijk moet zijn belast met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en dat die verplichtingen duidelijk moeten zijn omschreven. Aangezien voorts niet was gewaarborgd dat de kosten voor die regio in het algemeen belang tot een minimum werden beperkt, was ook niet voldaan aan de vierde voorwaarde in dat arrest (hierna: „vierde Altmark-voorwaarde”).
17
In de derde plaats heeft de Commissie geoordeeld dat de betrokken maatregel niet kon worden beschouwd als met de interne markt verenigbare steun krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, ondanks dat de maatregel bedoeld was om een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang te bereiken en er sprake was van marktfalen. Volgens haar was deze maatregel, omdat hij niet in overeenstemming was met het beginsel van technologische neutraliteit, onevenredig en was hij geen geschikt instrument om de ontvangst van vrij te ontvangen zenders door de bewoners van zone II te waarborgen.
18
In de vierde plaats heeft de Commissie geoordeeld dat de betrokken maatregel niet op grond van artikel 106, lid 2, VWEU kon worden gerechtvaardigd omdat de exploitatie van een terrestrisch platform niet duidelijk genoeg als een openbare dienst was aangemerkt.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
19
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 30 augustus 2013 (zaken T‑462/13 en T‑465/13), 6 september 2013 (zaak T‑487/13) en 9 oktober 2013 (zaak T‑541/13), hebben rekwiranten beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
20
Tot de middelen die rekwiranten ter ondersteuning van hun respectieve beroepen hadden ingeroepen, behoorde steeds een middel ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU.
21
Het Gerecht heeft dit middel in de bestreden arresten ongegrond geacht.
22
Daartoe heeft het Gerecht met name het betoog van rekwiranten afgewezen dat de betrokken maatregel niet kon worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU omdat aan de begunstigden geen economisch voordeel was toegekend en omdat was voldaan aan de voorwaarden van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415).
23
Wat de eerste Altmark-voorwaarde betreft, heeft het Gerecht in de bestreden arresten geoordeeld dat rekwiranten niet hadden aangetoond dat de Commissie ten onrechte tot het oordeel was gekomen de exploitatie van een terrestrisch netwerk niet duidelijk was omschreven als een openbare dienst, zodat niet aan die voorwaarde was voldaan.
24
Het Gerecht heeft in dat verband geconstateerd dat de betrokken lidstaat de exploitatie van het netwerk voor omroepuitzendingen via DTT in zone II niet had omschreven als een dienst van algemeen economisch belang (hierna: „DAEB”) in de zin van het Unierecht, en dit noch op nationaal niveau noch op het niveau van de autonome regio Baskenland, in de daarmee gesloten interinstitutionele overeenkomsten.
25
Ten aanzien van de andere autonome regio’s dan Baskenland heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie in overweging 114 van het litigieuze besluit mocht vaststellen dat geen van de autonome regio’s waarvoor de Spaanse autoriteiten het bestaan van een DAEB hadden ingeroepen, een betoog hadden gehouden dat kon aantonen dat de exploitatie van een terrestrisch netwerk een openbare dienst was.
26
In de punten 78 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 79 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en 106 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) heeft het Gerecht de rekwiranten in de zaken die tot die arresten hebben geleid, evenwel gevolgd in hun betoog dat de Commissie het recht had geschonden door in overweging 121 van het litigieuze besluit subsidiair vast te stellen dat de Spaanse autoriteiten een kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt bij de definitie van een bepaald platform voor de exploitatie van netwerken voor omroepuitzendingen.
27
Het Gerecht is echter tot de conclusie gekomen dat, hoewel de Commissie ten onrechte had geoordeeld dat de definitie van een bepaald platform voor de exploitatie van netwerken voor omroepuitzendingen een kennelijk fout van de Spaanse autoriteiten vormde, niet was voldaan aan de eerste Altmark-voorwaarde, aangezien er geen duidelijke en nauwkeurige omschrijving van de betrokken dienst als openbare dienst was, zoals de Commissie had geconstateerd in de overwegingen 119 tot en met 125 van het litigieuze besluit.
28
In punt 88 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) en in punt 123 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) heeft het Gerecht het betoog van de rekwiranten in de zaken die tot die arresten hebben geleid ten aanzien van de vierde Altmark-voorwaarde verworpen. Dat betoog hield in dat de Commissie een fout had begaan door in het litigieuze besluit te beslissen dat aan die voorwaarde niet was voldaan.
29
In punt 85 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en in punt 63 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) heeft het Gerecht niettemin geoordeeld dat de Commissie in het eerste van die arresten het recht had geschonden en in het tweede daarvan haar motiveringsplicht niet was nagekomen door het onderzoek van de naleving van de vierde Altmark-voorwaarde te beperken tot alleen het geval van de autonome regio Baskenland, terwijl zij zich ervan bewust was dat in andere autonome regio’s aanbestedingen waren uitgeschreven voor de uitbreiding van het bereik van de DTT. In aanmerking nemend dat de voorwaarden van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), cumulatieve voorwaarden zijn, is het Gerecht evenwel tot de conclusie gekomen dat er geen reden tot nietigverklaring van het litigieuze besluit was, omdat niet was voldaan aan de eerste Altmark-voorwaarde.
30
Aangezien geen van de overige door rekwiranten aangevoerde middelen kon worden aanvaard, heeft het Gerecht alle beroepen tot nietigverklaring van rekwiranten verworpen.
Conclusies van partijen
31
In hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof:
–
de bestreden arresten te vernietigen;
–
hun beroepen definitief af te doen en het litigieuze besluit nietig te verklaren, en
–
de Commissie te verwijzen in de kosten.
32
De Commissie en SES Astra verzoeken het Hof de hogere voorzieningen af te wijzen en rekwiranten te verwijzen in de kosten.
33
Bij beslissing van het Hof van 28 maart 2017 zijn de zaken C‑66/16 P tot en met C‑69/16 P gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Hogere voorzieningen
34
Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren rekwiranten een enig middel aan dat in elk van de hogere voorzieningen vergelijkbaar is verwoord.
35
Dit middel betreft een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de artikelen 14 VWEU, 107, lid 1, VWEU en 106, lid 2, VWEU alsmede Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang en Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten. Dit middel valt uiteen in zes onderdelen.
36
Het eerste onderdeel is ontleend aan niet-inachtneming van de grenzen van het toezicht op kennelijke fouten in het kader van het onderzoek van de verschillende handelingen tot omschrijving en toewijzing van de taak van een DAEB. Met het tweede onderdeel wordt een onjuiste rechtsopvatting gesteld doordat de lidstaten in de bestreden arresten zijn beperkt in hun beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de modaliteiten voor het verrichten van de DAEB in de omschrijving daarvan. Het derde middel ziet op blijken van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de analyse van de relevante bepalingen van nationaal recht voor de omschrijving van de DAEB. Het vierde middel betreft een blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat de omschrijving en de toekenning aan één of meerdere ondernemingen van de taak van DAEB bij meerdere handelingen kan plaatsvinden. Het vijfde onderdeel is ontleend aan een blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht niet tot het oordeel is gekomen dat de omschrijving en de toewijzing van de taak van DAEB niet vereisen dat een specifieke formule of uitdrukking wordt gebruikt. Het zesde onderdeel ziet op een blijk van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht de toepasselijkheid van Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten niet heeft willen aanvaarden.
Opmerkingen vooraf
Ontvankelijkheid van de hogere voorzieningen
37
SES Astra geeft te kennen dat de hogere voorzieningen in hun geheel niet-ontvankelijk zijn omdat rekwiranten het Hof met hun enige middel verzoeken om de door het Gerecht verrichte beoordeling van de feiten en het bewijs te toetsen, zonder op enig moment een onjuiste opvatting daarvan aan te voeren, en zonder dat zij aanduiden tegen welke delen van de bestreden arresten hun bezwaren zijn gericht.
38
Zonder vooruit te lopen op het afzonderlijke onderzoek van de ontvankelijkheid van elk van de onderdelen van het enige middel van deze hogere voorzieningen, moet worden geoordeeld dat deze hogere voorzieningen niet in hun geheel niet-ontvankelijk kunnen worden geacht.
39
In ten minste sommige onderdelen van het enige middel van genoemde hogere voorzieningen worden immers rechtsvragen opgeworpen omdat daarmee wordt opgekomen tegen de uitlegging die het Gerecht aan de eerste Altmark-voorwaarde heeft gegeven en de omvang van het door hem uitgeoefende rechterlijke toezicht voor zover het die voorwaarde betreft, en wordt met de vereiste nauwkeurigheid aangewezen tegen welke delen van de bestreden arresten de kritiek zich richt.
40
Bijgevolg moeten de door SES Astra aangevoerde argumenten ter ondersteuning van de stelling dat de hogere voorzieningen niet-ontvankelijk zijn, in hun geheel worden afgewezen.
Onwerkzaamheid van het enige middel van de hogere voorziening in de zaken C‑66/16 P en C‑68/16 P
41
De Commissie geeft te kennen dat het enige middel van de hogere voorzieningen in de zaken C‑66/16 P en C‑68/16 P geen doel treft voor zover dit op schending van artikel 107, lid 1, VWEU betrekking heeft. SES Astra meent op haar beurt ook dat dit middel niet ter zake dienend is, voor zover het schending van artikel 106, lid 2, VWEU betreft.
42
Deze partijen stellen in wezen dat genoemd middel niet tot de vernietiging van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) of arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) kan leiden, aangezien dit middel alleen betrekking heeft op de eerste Altmark-voorwaarde. Gelet op het feit dat de voorwaarden in het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), cumulatieve voorwaarden zijn, zou het ook wanneer het Hof het enige middel van de hogere voorziening zou aanvaarden, nog steeds zo zijn dat het Gerecht de beoordeling van de Commissie inzake het niet voldoen aan de vierde Altmark-voorwaarde heeft bekrachtigd.
43
Rekwiranten in zaak C‑66/16 P en rekwirante in zaak C‑68/16 P zijn van mening dat zelfs wanneer de vierde Altmark-voorwaarde niet zou zijn vervuld, het enige middel tot vernietiging van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) en arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) kan leiden, aangezien het Gerecht zich voor de bevestiging van het oordeel van de Commissie dat de steun niet als verenigbaar kon worden beschouwd wanneer die aan artikel 106, lid 2, VWEU werd getoetst, heeft gebaseerd op het vermeende ontbreken van een duidelijke omschrijving van de DAEB.
– Enig middel voor zover dit ziet op schending van artikel 107, lid 1, VWEU
44
Er zij aan herinnerd dat voor de kwalificatie als „staatssteun” vereist is dat is voldaan aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU gestelde voorwaarden. Zo moet volgens deze bepaling voor de kwalificatie als staatssteun sprake zijn van een voordeel dat aan een onderneming wordt toegekend (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, EasyPay en Finance Engineering, C‑185/14, EU:C:2015:716, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een overheidsmaatregel die wordt beschouwd als een compensatie die de tegenprestatie vormt voor de prestaties die de begunstigde ondernemingen hebben verricht om openbaredienstverplichtingen na te komen, zodat deze ondernemingen in werkelijkheid geen financieel voordeel ontvangen en voormelde maatregel dus niet tot gevolg heeft dat deze ondernemingen vergeleken met concurrerende ondernemingen in een gunstiger mededingingspositie worden geplaatst, volgens vaste rechtspraak van het Hof niet onder artikel 107, lid 1, VWEU valt (arrest van 22 oktober 2015, EasyPay en Finance Engineering, C‑185/14, EU:C:2015:716, punt 45en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Opdat een dergelijke compensatie in een concreet geval evenwel niet als staatssteun kan worden aangemerkt, moet zijn voldaan aan de voorwaarden in de punten 88 tot en met 93 van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415).
47
Ten eerste moet de begunstigde onderneming daadwerkelijk zijn belast met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en moeten die verplichtingen duidelijk zijn omschreven. Ten tweede moeten de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf op een objectieve en transparante manier zijn vastgesteld. Ten derde mag de compensatie niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen geheel of gedeeltelijk te dekken. Ten vierde moet de noodzakelijke compensatie worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming, die zodanig is uitgerust dat zij aan de vereisten van de openbare dienst kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren.
48
Daaruit volgt dat een overheidsmaatregel die niet aan één of meer van voormelde voorwaarden voldoet, moet worden beschouwd als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 24 juli 2003, Altmark,C‑280/00, EU:C:2003:415, punt 94).
49
Gelet op het feit dat de voorwaarden van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), cumulatieve voorwaarden zijn, kan de omstandigheid dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan een van die voorwaarden niet is voldaan, derhalve niet tot de vernietiging van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) of arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) leiden, wanneer het Gerecht daarnaast nog zonder een blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft geoordeeld dat ook aan een andere van die voorwaarden niet is voldaan.
50
In casu moet erop worden gewezen dat het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel tot nietigverklaring, inzake het ontbreken van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, in de punten 89 en 90 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) heeft afgewezen op grond dat op geen moment cumulatief was voldaan aan alle voorwaarden van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415). Het heeft zich in dat verband gebaseerd op een analyse van de eerste en de vierde Altmark-voorwaarde, waarna het Gerecht het oordeel van de Commissie dat die voorwaarden niet waren vervuld, in respectievelijk de punten 79 en 88 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) heeft bevestigd.
51
In arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) heeft het Gerecht de eerste en de vierde Altmark-voorwaarde op vergelijkbare wijze beoordeeld in het kader van het tweede middel tot nietigverklaring dat rekwirante in eerste aanleg had aangevoerd, inzake schending van artikel 106, lid 2, VWEU. Na afwijzing van het argument van die rekwirante dat aan die beide voorwaarden was voldaan, heeft het Gerecht in punt 126 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) geoordeeld dat de Commissie, gezien het feit dat de voorwaarden in het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), cumulatieve voorwaarden waren, het recht niet had geschonden door ten eerste vast te stellen dat sprake was van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en ten tweede dat deze steun niet op grond van artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar was met de interne markt.
52
Aangezien met het enige middel van de hogere voorziening alleen wordt opgekomen tegen het oordeel van het Gerecht ten aanzien van de eerste Altmark-voorwaarde, zonder daarnaast ook het oordeel ten aanzien van de vierde Altmark-voorwaarde te bekritiseren, moet worden vastgesteld dat dit middel niet als zodanig tot de ongeldigheid van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) en arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) kan leiden voor zover het het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU betreft, en derhalve ook niet tot de vernietiging van die arresten.
53
Bijgevolg moet het enige middel van de hogere voorzieningen in de zaken C‑66/16 P en C‑68/16 P als niet ter zake dienend worden beschouwd voor zover het aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU is ontleend.
– Enig middel voor zover het aan schending van artikel 106, lid 2, VWEU is ontleend
54
Artikel 106, lid 2, VWEU bepaalt dat de ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang vallen onder de regels van de Verdragen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert, en de ontwikkeling van het handelsverkeer niet wordt beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.
55
Wat de onderlinge samenhang tussen de voorwaarden in de rechtspraak die is voortgevloeid uit het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), en de toetsing van een steunmaatregel aan artikel 106, lid 2, VWEU betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de controle of de voorwaarden van die rechtspraak zijn vervuld, plaats vindt in een eerder stadium, namelijk bij het onderzoek of de betrokken maatregelen als staatssteun moeten worden aangemerkt. Die vraag gaat immers vooraf aan het in voorkomend geval te voeren onderzoek of een onverenigbare steunmaatregel overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU desondanks noodzakelijk is voor de vervulling van de aan de begunstigde van de betrokken maatregel opgedragen taak (zie in die zin arrest van 8 maart 2017, Viasat Broadcasting UK/Commissie,C‑660/15 P, EU:C:2017:178, punt 34).
56
Aangezien de voorwaarden van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), en die voor de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU dus in beginsel verschillende doelstellingen nastreven, heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie bij het onderzoek van een maatregel overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU niet verplicht is na te gaan of is voldaan aan de tweede en de derde voorwaarde in de rechtspraak die is voortgevloeid uit het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415) (zie in die zin arrest van 8 maart 2017, Viasat Broadcasting UK/Commissie, C‑660/15 P, EU:C:2017:178, punt 33). Zoals de advocaat-generaal heeft benadrukt in punt 97 van zijn conclusie, neemt dat niet weg dat de eerste Altmark-voorwaarde, die inhoudt dat de begunstigde onderneming daadwerkelijk moet zijn belast met duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen, ook van toepassing is wanneer de afwijking in artikel 106, lid 2, VWEU wordt ingeroepen (zie in die zin arresten van 21 maart 1974, BRT en Société belge des auteurs, compositeurs et éditeurs, 127/73, EU:C:1974:25, punt 22, en van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 56).
57
In de onderhavige zaak volgt uit punt 99 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) dat het Gerecht naar de punten 42 tot en met 79 van dat arrest, over de eerste Altmark-voorwaarde, heeft verwezen voor zijn vaststelling dat de Commissie tot het oordeel kon komen dat de exploitanten van de terrestrische netwerken voor zover het de autonome regio Baskenland betrof, niet waren belast met de uitvoering van een duidelijk omschreven DAEB. Het Gerecht heeft daaruit dan ook afgeleid dat deze instelling het recht niet had geschonden door in overweging 172 van het litigieuze besluit te oordelen dat de uitzondering in artikel 106, lid 2, VWEU niet kon worden ingeroepen.
58
Het Gerecht heeft in punt 126 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) op vergelijkbare wijze uit het ontbreken van een deugdelijke omschrijving van een DAEB afgeleid dat de Commissie geen fout had begaan door te overwegen dat de betrokken maatregel niet op grond van artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar was met de interne markt.
59
Daaruit volgt dat het Gerecht zijn beoordeling van artikel 106, lid 2, VWEU in het arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) en arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) heeft gebaseerd op de eerste Altmark-voorwaarde.
60
Derhalve moet worden vastgesteld dat het enige middel van de hogere voorziening in de zaken C‑66/16 P en C‑68/16 P, aangezien dat betrekking heeft op de eerste Altmark-voorwaarde, kan leiden tot de vernietiging van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) en arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899), voor zover het is ontleend aan schending van artikel 106, lid 2, VWEU.
61
In die omstandigheden moeten de verschillende onderdelen van dit middel worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op de omschrijving van de DAEB in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU, ondanks dat het enige middel van de hogere voorzieningen in de zaken C‑66/16 P en C‑68/16 P niet ter zake dienend is voor zover het is ontleend aan schending van artikel 107, lid 1, VWEU.
Enige middel
Eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
62
Met het eerste onderdeel van hun enige middel verwijten verzoeksters het Gerecht een onjuiste toepassing van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht die inhoudt dat de omschrijving van DAEB’s door een lidstaat enkel in geval van een kennelijke fout door de Commissie ter discussie kan worden gesteld.
63
Rekwiranten geven te kennen het Gerecht zich voor zijn bekrachtiging van het oordeel van de Commissie ten aanzien van de eerste Altmark-voorwaarde in de punten 79 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 80 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 101 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 110 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) uitsluitend heeft gebaseerd op de vaststelling dat de omschrijving van de betrokken DAEB door de Spaanse autoriteiten niet voldoende „duidelijk en nauwkeurig” was, zonder daarnaast ook te oordelen dat die omschrijving „kennelijk onjuist” was. Het Gerecht heeft juist zelf erkend dat er op de betrokken markt sprake was van marktfalen en dat de betrokken dienst een activiteit was die als DAEB kon worden aangemerkt.
64
Daarbij heeft het Gerecht de grenzen van het toezicht op kennelijke fouten als voorzien in de artikelen 14 VWEU, 106, lid 2, VWEU, 107, lid 1, VWEU en Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang duidelijk overschreden.
65
De Commissie is van mening dat het eerste onderdeel van het enige middel niet ter zake dienend of in elk geval ongegrond is.
66
SES Astra is van mening dat het eerste onderdeel van het middel niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
67
Met het eerste onderdeel van hun enige middel geven rekwiranten in wezen te kennen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan de eerste Altmark-voorwaarde niet was voldaan omdat een duidelijke en nauwkeurige omschrijving van de betrokken dienst als DAEB ontbrak, zonder na te gaan of de omschrijving van die DAEB kennelijk onjuist was. Door zo te handelen is het Gerecht voorbij gegaan aan de discretionaire bevoegdheid waarover de lidstaten bij de bepaling van de DAEB’s beschikken, die enkel in geval van een kennelijk fout kan worden beperkt.
68
In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat, daar waar in het kader van dit onderdeel moet worden nagegaan of het Gerecht passend rechterlijk toezicht heeft gehouden op de beoordeling van de Commissie ten aanzien van de eerste Altmark-voorwaarde, rekwiranten een rechtsvraag opwerpen die het Hof in het kader van een hogere voorziening bevoegd is te onderzoeken. Bijgevolg moet het argument van SES Astra inzake de vermeende niet-ontvankelijkheid van dit onderdeel worden verworpen.
69
In de tweede plaats moet er ten gronde aan worden herinnerd dat de lidstaten het recht hebben om, met inachtneming van het recht van de Unie, de omvang en de organisatie van hun DAEB’s te omschrijven, waarbij zij rekening kunnen houden met doelstellingen van hun nationale beleid (zie in die zin arrest van 21 december 2011, ENEL, C‑242/10, EU:C:2011:861, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
De lidstaten beschikken in dat verband over een beoordelingsmarge (zie in die zin arrest van 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 88), die enkel in geval van een kennelijke fout door de Commissie ter discussie kan worden gesteld (zie in die zin arrest van 18 februari 2016, Duitsland/Commissie, C‑446/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:97, punt 44).
71
Zoals het Gerecht juist heeft geoordeeld in de punten 51 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 51 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 98 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 80 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898), kan de bevoegdheid van de lidstaten om de DAEB’s te definiëren echter niet onbeperkt zijn.
72
Uit punt 89 van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415), volgt dat de eerste Altmark-voorwaarde in dat verband hoofdzakelijk is bedoeld om te bepalen of de begunstigde onderneming ook daadwerkelijk is belast met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en of die verplichtingen duidelijk zijn omschreven in het nationale recht.
73
Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft benadrukt in de punten 112 en 114 tot en met 117 van zijn conclusie, wordt met die voorwaarde een doel van transparantie en rechtszekerheid nagestreefd, waarvoor moet zijn voldaan aan minimumcriteria op het punt van het bestaan van een of meerdere overheidsbesluiten waarin de aard, de duur en de omvang van de openbaredienstverplichtingen voor de met de uitvoering daarvan belaste ondernemingen voldoende duidelijk zijn omschreven. Wanneer die criteria onvoldoende duidelijk zijn omschreven, kan immers niet worden gecontroleerd of een bepaalde activiteit onder het begrip DAEB kan vallen.
74
Daaruit volgt dat het Gerecht, anders dan rekwiranten betogen, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting wat de omvang van het door hem te houden toezicht op de omschrijving van een dienst als DAEB door een lidstaat betreft, door te oordelen dat aan de eerste Altmark-voorwaarde niet is voldaan wanneer een duidelijke omschrijving van de betrokken dienst als DAEB in het nationale recht ontbreekt.
75
Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het argument van rekwiranten dat vaststaat dat er op de betrokken markt sprake was van marktfalen en dat de betrokken dienst een activiteit is die als DAEB kan worden aangemerkt. Zoals de advocaat-generaal heeft onderstreept in punt 122 van zijn conclusie, zijn dergelijke omstandigheden immers irrelevant wanneer moet worden bepaald of de betrokken ondernemingen daadwerkelijk bij een overheidsbesluit zijn belast met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en of die verplichtingen duidelijk zijn omschreven.
76
In die omstandigheden is het eerste onderdeel van het enige middel ongegrond.
Tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
77
Met het tweede onderdeel van hun enige middel menen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de omschrijving van een dienst als DAEB noodzakelijkerwijs de technologie moet omvatten waarmee die dienst wordt geleverd, om die technologie te kunnen beschouwen als vallend onder de ruime beoordelingsbevoegdheid die de lidstaten worden geacht te hebben.
78
Volgens rekwiranten beschikken de lidstaten niet alleen voor de „definitie” van de DAEB over een dergelijke beoordelingsbevoegdheid, maar ook voor het „verrichten, doen verrichten en organiseren” daarvan, wat noodzakelijkerwijs de mogelijkheid omvat om een concrete technologie voor de verrichting daarvan te kiezen. Die bevoegdheid vloeit voort uit Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang en Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten, alsook uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht.
79
Rekwiranten in de zaken C‑66/16 P, C‑67/16 P en C‑69/16 P geven voorts nog te kennen dat er in arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) sprake is van een incoherentie, aangezien het Gerecht daarin bovendien nog heeft geoordeeld dat de Spaanse autoriteiten de overige platformen niet mochten discrimineren bij de omschrijving van de dienst van de exploitatie van het DTT-netwerk als DAEB.
80
De Commissie en SES Astra menen dat het tweede onderdeel van het enige middel niet ter zake dienend is.
– Beoordeling door het Hof
81
Met het tweede onderdeel van hun enige middel uiten rekwiranten in wezen kritiek op de bestreden arresten omdat het Gerecht de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten heeft beperkt tot alleen de omschrijving van de DAEB’s, waarmee het eraan voorbij is gegaan dat een dergelijke bevoegdheid ook bestaat ten aanzien van de keuze van de concrete modaliteiten voor het verrichten van die DAEB’s.
82
Vastgesteld moet worden dat dit argument berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten.
83
In de eerste plaats geven rekwiranten zelf toe dat het Gerecht in de punten 50 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 50 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 97 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 79 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898), onder verwijzing naar artikel 1, eerste streepje, van Protocol nr. 26 betreffende de diensten van algemeen belang uitdrukkelijk heeft erkend dat de nationale, regionale en lokale autoriteiten beschikken over een ruime discretionaire bevoegdheid om DAEB’s te verrichten, te doen verrichten en te organiseren op een manier die zoveel mogelijk in overeenstemming is met de behoeften van de gebruikers.
84
In de tweede plaats, en anders dan rekwiranten stellen, volgt uit de bestreden arresten geenszins dat het Gerecht tot het oordeel is gekomen dat de kwalificatie van een dienst als DAEB noodzakelijkerwijs de technologie moet omvatten waarmee die dienst moet worden geleverd.
85
Zoals volgt uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel is het Gerecht alleen nagegaan of aan de eerste Altmark-voorwaarde was voldaan, in casu voor de dienst van de exploitatie van het DTT-netwerk. Het Gerecht heeft in dat verband onderzocht of die dienst voldeed aan het vereiste van een duidelijke omschrijving van de DAEB in de zin van die voorwaarde, door te trachten te achterhalen of er sprake was van de in punt 73 van dit arrest bedoelde minimumcriteria. Daarmee heeft het zich niet uitgesproken over hoe de betrokken dienst concreet in het nationale recht had moeten worden omschreven om aan de eerste Altmark-voorwaarde te kunnen voldoen.
86
In die omstandigheden kunnen de rekwiranten in de zaken C‑66/16 P, C‑67/16 P en C‑69/16 P zich evenmin beroepen op een vermeende incoherentie in de arresten T‑462/13 (EU:T:2015:902), T‑465/13 (EU:T:2015:900) en T‑541/13 (EU:T:2015:898).
87
Bijgevolg is het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond.
Derde onderdeel
– Argumenten van partijen
88
Met het derde onderdeel van hun enige middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat het de bepalingen van de toepasselijke nationale wetgeving en de daarop betrekking hebbende rechtspraak onjuist heeft opgevat en dat het daarom vaststellingen heeft gedaan die kennelijk tegen de inhoud daarvan indruisen en aan bepaalde aspecten een strekking heeft gegeven die hun niet toekwam.
89
Rekwiranten geven in de eerste plaats te kennen dat het Gerecht de bewoordingen van de nationale voorschriften, waar het overigens ook nog selectief naar heeft verwezen, onjuist heeft opgevat. Meer bepaald is de exploitatie van netwerken voor de transmissie van radio- en televisiesignalen in Ley 32/2003, General de Telecomunicaciones (algemene wet 32/2003 inzake telecommunicatie) van 3 november 2003 (BOE nr. 264 van 4 november 2003, blz. 38890; hierna: „wet 32/2003”), gekwalificeerd als „dienst van algemeen belang”. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 57 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 57 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 104 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 86 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898), kunnen DAEB-verplichtingen worden opgelegd aan alle ondernemers in een sector, met name om ervoor te zorgen dat de dienst universeel is. Dat is wat de Spaanse omroepwetgeving feitelijk wil bereiken, door minimumdekkingsverplichtingen op te leggen die voor de hele sector in kwestie gelden. De verschillende door de Spaanse autoriteiten vastgestelde wetgevingshandelingen verwijzen voorts expliciet naar de terrestrische technologie, anders dan de uitlegging die het Gerecht daaraan heeft gegeven.
90
Rekwiranten stellen in de tweede plaats dat de bestreden arresten verklaringen bevatten die kennelijk indruisen tegen de elementen die voor onderzoek zijn voorgelegd aan het Gerecht. Dat laatste is tot de onjuiste vaststelling gekomen dat rekwiranten op geen enkel moment in staat waren gebleken om te bepalen welke openbaredienstverplichtingen aan de exploitanten van de DTT-netwerken waren opgelegd, zij het in de Spaanse wetgeving of in de exploitatieovereenkomsten, laat staat dat zij daar het bewijs van hebben geleverd [punten 72 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 73 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 115 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 103 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898)]. Rekwiranten verwijzen in dat verband naar de overeenkomsten die de Baskische autoriteiten hebben gesloten met Itelazpi (zaak C‑66/16 P), naar de openbare overeenkomst tussen de Catalaanse autoriteiten en Retevisión en het daarop betrekking hebbend bestek (zaak C‑67/16 P), naar de overeenkomsten van de regering van Navarra (zaak C‑68/16 P) en naar de overeenkomst en het bestek betreffende de aanbesteding die is uitgeschreven door de Comunidad autónoma de La Rioja (autonome regio La Rioja, Spanje) (zaak C‑69/16 P).
91
Volgens rekwiranten volstaan die handelingen voor de conclusie dat er sprake is van een juist omschreven en opgedragen DAEB in de zin van de rechtspraak van het Hof en artikel 4 van beschikking 2005/842/EG van de Commissie van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel [106, lid 2, VWEU] op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PB 2005, L 312, blz. 67). Genoemde handelingen zijn in de administratieve fase en in de procedure voor het Gerecht vermeld.
92
Wat voorts de andere autonome regio’s dan Baskenland betreft, heeft het Gerecht op onjuiste wijze in de punten 62 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 113 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 92 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) verklaard dat die handelingen niet waren overgelegd tijdens de administratieve fase en dat de Commissie niet verplicht was die te onderzoeken in het kader van de analyse van de inachtneming van de eerste Altmark-voorwaarde, aangezien zij wist van de aanbestedingen die in die autonome regio’s waren georganiseerd, zij over de daarop betrekking hebbende bestekken had beschikt en zij wist wie de aanbestedende diensten waren. Volgens rekwiranten had het Gerecht tegen de Commissie moeten optreden omdat zij niet op dezelfde wijze rekening had gehouden met die aanbestedingen als zij in punt 85 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en punt 60 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) had gedaan voor zover het de vierde Altmark-voorwaarde betrof.
93
Rekwiranten stellen ook dat de vaststelling in de punten 58 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 58 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 105 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 87 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898), dat de exploitatie van het DTT-netwerk in die handelingen niet geldig als DAEB kon zijn gekwalificeerd omdat wet 32/2003 een verplichting tot naleving van het beginsel van technologische neutraliteit oplegt, een onjuiste opvatting van de inhoud van die wet vormt, aangezien dat beginsel daarin als een gewone leidraad is geformuleerd en niet als een norm ter beperking van de bevoegdheid van de openbare autoriteiten.
94
In de derde plaats is het Gerecht met betrekking tot het bestaan van een DAEB tot een onjuiste conclusie gekomen omdat het alleen wet 32/2003 heeft geanalyseerd, terwijl er in het nationale recht andere elementen zijn waarin die wet nader is uitgewerkt en waarover voor het Gerecht is gedebatteerd. Het Gerecht had dus rekening moeten houden met de rechtspraak van het Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) over de betrokken maatregel en de relevante Spaanse wetgeving. Ook heeft het Gerecht Ley 31/1987 de Ordenación de las Telecomunicaciones (wet 31/1987 inzake de inrichting van de telecommunicatie) van 18 december 1987 (BOE nr. 303 van 19 december 1987, blz. 37409), waarin de terrestrische technologie specifiek als openbare dienst is gekwalificeerd, ten onrechte niet in aanmerking genomen in de punten 71 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 72 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en 102 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898), op grond dat die niet aan hem was overgelegd.
95
De Commissie en SES Astra menen dat het derde onderdeel van het enige middel kennelijk niet-ontvankelijk is.
– Beoordeling door het Hof
96
Met het derde onderdeel van hun enige middel menen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van meerdere onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de bepalingen van nationaal recht die de betrokken dienst volgens hen duidelijk omschreven als DAEB.
97
Om te beginnen is het vaste rechtspraak van het Hof dat dit laatste, wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, krachtens artikel 256 VWEU uitsluitend bevoegd is een toetsing te verrichten van de juridische kwalificatie van de feiten door het Gerecht en van de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde bewijzen (zie met name arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98
Het Hof is dus, wat de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot het nationale recht betreft, in hogere voorziening enkel bevoegd te onderzoeken of dat recht onjuist is opgevat (arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 44en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99
In dit verband moet een onjuiste opvatting duidelijk blijken uit de stukken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (zie met name beschikking van 9 maart 2017, Simet/Commissie, C‑232/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:200, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100
Wat ten eerste de beoordeling van wet 32/2003 betreft, heeft het Gerecht er in de punten 57 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 57 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 104 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 86 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) op gewezen dat de kwalificatie als dienst van algemeen belang in die wet betrekking had op alle telecommunicatiediensten, waaronder de netwerken voor de transmissie van radio- en televisiesignalen. Er is reeds geoordeeld dat het enkele feit dat een dienst naar nationaal recht wordt aangewezen als dienst van algemeen belang niet betekent dat elke marktdeelnemer die deze verricht, belast is met de uitvoering van duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen in de zin van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415). Voorts is vastgesteld dat uit wet 32/2003 niet blijkt dat alle telecommunicatiediensten in Spanje een DAEB in de zin van dat arrest zijn en dat die wet uitdrukkelijk bepaalt dat de diensten van algemeen belang in de zin van die wet moeten worden verleend in een stelsel van vrije marktwerking.
101
Vastgesteld moet worden dat rekwiranten niets hebben aangevoerd waaruit duidelijk blijkt dat het Gerecht de inhoud van wet 32/2003 onjuist zou hebben opgevat.
102
Voor zover rekwiranten voorts ook kritiek uiten op de conclusie die het Gerecht uit de algemene aard van die wet heeft getrokken, namelijk dat op basis daarvan niet tot het oordeel kon worden gekomen dat de exploitanten van een terrestrisch netwerk duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen waren opgelegd overeenkomstig de eerste Altmark-voorwaarde, moet erop worden gewezen dat met die conclusie, afgaand op de in punt 100 van dit arrest genoemde dubbelzinnigheden in die wet, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting wordt gegeven.
103
Ten tweede moet bij het argument van rekwiranten dat het Gerecht vaststellingen heeft gedaan die kennelijk indruisen tegen de door de Spaanse autoriteiten vastgestelde wetgevingshandelingen die uitdrukkelijk verwijzen naar de terrestrische technologie, een onderscheid worden gemaakt tussen het geval van Baskenland en dat van de overige autonome regio’s.
104
Wat om te beginnen Baskenland betreft, geven rekwiranten te kennen dat in de overeenkomsten die in die autonome regio zijn gesloten, de op de begunstigde, Itelazpi, rustende openbaredienstverplichtingen rechtens genoegzaam zijn gepreciseerd, doordat daarin een definitie is opgenomen van met name de aard en de duur van de openbaredienstverplichtingen, de betrokken onderneming, het betrokken grondgebied, de aard van de exclusieve rechten en de universaliteit van de taak.
105
Dienaangaande volgt uit de punten 62 en 63 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902) dat het Gerecht die overeenkomsten heeft beoordeeld. Het is evenwel in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten van de zaak tot het besluit gekomen dat in geen van de bepalingen van die overeenkomsten is uiteengezet dat de exploitatie van het terrestrische netwerk als een openbare dienst werd beschouwd.
106
In dat verband blijkt niet uit de beoordeling die het Gerecht van die overeenkomsten heeft verricht, dat het de inhoud daarvan onjuist heeft opgevat. Meer bepaald wordt in het kader van het betoog ter ondersteuning van dit onderdeel niet aangetoond dat de lezing van die overeenkomsten door het Gerecht materieel kennelijk onjuist is.
107
Wat vervolgens de andere autonome regio’s dan Baskenland betreft, betogen rekwiranten in de zaken C‑67/16 P, C‑68/16 P en C‑69/16 P dat het Gerecht in de arresten T‑465/13 (EU:T:2015:900), T‑487/13 (EU:T:2015:899) en T‑541/13 (EU:T:2015:898) voorbij is gegaan aan het bestaan van de in punt 90 van dit arrest bedoelde officiële handelingen, waarin de betrokken dienst als DAEB is omschreven.
108
Dit betoog is niet ter zake dienend. Uit de punten 62 en 63 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 113 en 114 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 92 en 93 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) blijkt immers dat het Gerecht er niet mee heeft volstaan om de argumenten van rekwiranten ten aanzien van die handelingen af te wijzen op grond dat de Spaanse autoriteiten die tijdens de administratieve fase niet hadden overgelegd als voorbeelden van het opdragen van een taak van openbare dienst. Het heeft in subsidiaire orde de door rekwiranten aangevoerde elementen inhoudelijk onderzocht en geoordeeld dat geen van de gegevens in die documenten de conclusie toelieten dat de betrokken dienst een DAEB was in de zin van het arrest van 24 juli 2003, Altmark (C‑288/00, EU:C:2003:415). Rekwiranten zijn echter niet opgekomen tegen de juridische beoordeling van het Gerecht in die punten, laat staan dat zij elementen hebben aangedragen waaruit naar voren kwam dat het Gerecht bij die beoordeling de inhoud van die elementen onjuist heeft opgevat.
109
In de derde plaats is er reden tot verwerping van het argument van rekwiranten dat het Gerecht heeft gedwaald ten aanzien van bepaalde elementen van het nationale recht die als bewijs zijn overgelegd in de loop van de procedure bij het Gerecht, waardoor het de strekking van wet 32/2003 onjuist heeft opgevat.
110
Er dient immers aan te worden herinnerd dat het uitsluitend aan het Gerecht staat om het aan hem overgelegde bewijs te beoordelen. Het Gerecht kan, behoudens de verplichting de algemene beginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering te eerbiedigen en de bewijsmiddelen niet verkeerd te interpreteren, niet worden verplicht zijn beoordeling van de waarde van elk aan hem voorgelegd bewijsstuk uitdrukkelijk te motiveren, inzonderheid wanneer het van oordeel is dat die bewijzen voor de beslechting van het geschil niet van belang of irrelevant zijn (zie in die zin arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie, C‑237/98 P, EU:C:2000:321, punten 50 en 51).
111
Ten eerste formuleren rekwiranten in dat verband geen verwijten van vermeende niet-inachtneming van de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering. Ten tweede blijkt niet kennelijk uit hetgeen rekwiranten hebben aangevoerd, dat de betrokken handelingen relevant waren voor de beoordeling of de dienst gelegen in de exploitatie van terrestrische netwerk een DAEB was.
112
Ook moet worden benadrukt dat het argument dat rekwiranten ontlenen aan vermeende niet-inachtneming van wet 31/1987, niet ter zake dienend is. Uit de punten 71 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 72 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900) en 102 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) volgt namelijk dat het Gerecht niet louter omdat die wet niet aan hem was overgelegd, het argument van rekwiranten inzake die wet heeft verworpen. Het heeft zich in subsidiaire orde ook uitgesproken over de relevantie van die wet. Het heeft dienaangaande geoordeeld dat het feit dat radio- en televisieomroepdiensten via de grond ingevolge deze wet openbare diensten zijn, hoe dan ook niet de conclusie toeliet dat wet 31/1987 ook de betrokken dienst als openbare dienst omschreef. Rekwiranten beroepen zich in het kader van deze hogere voorzieningen echter niet op een onjuiste opvatting van de inhoud van wet 31/1987 door het Gerecht.
113
Bijgevolg is het derde onderdeel van het enige middel ten dele niet-ontvankelijk, ten dele ongegrond en ten dele niet ter zake dienend.
Vierde onderdeel
– Argumenten van partijen
114
Met het vierde onderdeel van hun enige middel menen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 57 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 57 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 104 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 86 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) de omschrijving van de DAEB zoals neergelegd in wet 32/2003 van de hand te wijzen omdat die geen opdracht tot het verrichten van een openbare dienst omvat.
115
Het Gerecht heeft daarmee de begrippen handelingen waarbij een „definitie” van een DAEB wordt gegeven en handelingen waarbij een „opdracht tot het verrichten” van een DAEB wordt gegeven, met elkaar verward. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, kunnen dat twee afzonderlijke handelingen zijn, afhankelijk van de bevoegdheidsverdeling binnen de betrokken lidstaat.
116
De Commissie en SES Astra betogen dat dit vierde onderdeel van het enige middel niet-ontvankelijk is.
– Beoordeling door het Hof
117
Voor zover rekwiranten het Gerecht met het vierde onderdeel van hun enige middel verwijten dat het heeft geëist dat de handeling waarbij de betrokken DAEB wordt gedefinieerd ook een handeling is waarbij de opdracht tot het verrichten van die DAEB aan een of meerdere ondernemingen wordt gegeven, moet worden vastgesteld dat dit onderdeel betrekking heeft op de door het Gerecht voorgestane uitlegging van de eerste Altmark-voorwaarde, welke uitlegging een rechtsvraag is. Het argument van de Commissie en SES Astra dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is, moet dus worden afgewezen.
118
Wat de beoordeling ten gronde betreft, moet erop worden gewezen dat het argument dat rekwiranten aan het vierde onderdeel van het enige middel ten grondslag leggen, uitgaat van een kennelijk onjuiste lezing van de bestreden arresten. Anders dan rekwiranten betogen, heeft het Gerecht niet uitgesloten dat verschillende handelingen worden gebruikt om de DAEB te omschrijven en om de taken in verband met die DAEB toe te bedelen.
119
In de punten 52 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 52 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 99 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 81 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) heeft het Gerecht expliciet erkend dat de verantwoordelijkheid voor het beheer van een DAEB door middel van een of meer officiële besluiten aan de betrokken onderneming kan worden toegekend, waarvan de vorm door elke lidstaat kan worden bepaald en waarin met name de aard en de duur van de openbaredienstverplichtingen en de betrokken ondernemingen en het betrokken grondgebied moeten zijn bepaald.
120
Zoals is vastgesteld in punt 100 van dit arrest, heeft het Gerecht daarna eerst geoordeeld dat het enkele feit dat in wet 32/2003 een dienst wordt aangewezen als dienst van algemeen belang, niet betekent dat elke marktdeelnemer die deze verricht, belast is met de uitvoering van duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen in de zin van de eerste Altmark-voorwaarde.
121
Zoals is opgemerkt in de punten 103 tot en met 108 van dit arrest, heeft het Gerecht vervolgens onderzocht of er andere handelingen dan wet 32/2003 waren, waarbij de marktdeelnemers waarop de betrokken maatregel betrekking had, daadwerkelijk waren belast met duidelijk omschreven openbaredienstverplichtingen. Het is evenwel tot de conclusie gekomen dat de Spaanse autoriteiten niet hadden aangetoond dat dit voor de betrokken dienst het geval was.
122
Derhalve is het vierde onderdeel van het enige middel kennelijk ongegrond.
Vijfde onderdeel
– Argumenten van partijen
123
Met het vijfde onderdeel van hun enige middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat hun betoog dat aan de eerste Altmark-voorwaarde was voldaan, hoofdzakelijk heeft afgewezen omdat in de handelingen waarbij de betrokken DAEB is omschreven en toegekend, formeel niet de woorden „openbare dienst” zijn gebruikt. Volgens rekwiranten blijkt uit de punten 63 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 58 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 91 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 93 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) dat het Gerecht heeft geëist dat de omschrijving van de DAEB in het nationale recht uitdrukkelijk verwijst naar de woorden „openbare dienst” om als voldoende duidelijk en nauwkeurig te kunnen worden beschouwd.
124
De Commissie benadrukt, zonder specifiek voor te stellen hoe dit vijfde onderdeel van het enige middel zou moeten worden behandeld, dat het Gerecht in de bestreden arresten niet het gebruik van een bepaalde formule voor de omschrijving van de DAEB heeft geëist, maar is nagegaan of de levering van de netwerkdienst in de nationale wetgeving was omschreven als een DAEB.
125
SES Astra meent dat het vijfde onderdeel van het enige middel kennelijk niet-ontvankelijk is.
– Beoordeling door het Hof
126
Met het vijfde onderdeel van hun enige middel verwijten rekwiranten het Gerecht in wezen dat het een formalistische benadering heeft gekozen door te eisen dat de bepalingen van nationaal recht waarbij de DAEB wordt omschreven en de DAEB-taken worden toebedeeld, de woorden „openbare dienst” moeten bevatten, willen zij aan de eerste Altmark-voorwaarde voldoen.
127
Vastgesteld moet worden dat dit argument berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten. Uit de punten 63 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 58 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 91 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 93 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) blijkt namelijk geenszins dat het Gerecht de eis zou hebben gesteld dat de woorden „openbare dienst” moeten worden gebruikt om aan de eerste Altmark-voorwaarde te voldoen.
128
In die omstandigheden is het vijfde onderdeel van het enige middel ongegrond.
Zesde onderdeel
– Argumenten van partijen
129
Met het zesde onderdeel van hun enige middel verwijten rekwiranten het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 69 en 70 van arrest T‑462/13 (EU:T:2015:902), 70 en 71 van arrest T‑465/13 (EU:T:2015:900), 110 en 111 van arrest T‑487/13 (EU:T:2015:899) en 100 en 101 van arrest T‑541/13 (EU:T:2015:898) te oordelen dat Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten geen betrekking heeft op de in geding zijnde financiering van de exploitanten van de platformen voor de uitzending van signalen, op grond dat dit Protocol uitsluitend verwijst naar publieke omroepen.
130
Volgens de Commissie is dit onderdeel niet ter zake dienend en in elk geval ongegrond.
131
Volgens SES Astra is het zesde onderdeel van het enige middel kennelijk niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
132
Met het zesde onderdeel van hun enige middel verwijten rekwiranten het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van meerdere onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten in de onderhavige zaak niet van toepassing is.
133
Dit onderdeel is niet ter zake dienend. Zoals de Commissie te kennen geeft, zetten rekwiranten niet uiteen hoe de toepassing van Protocol nr. 29 betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten, de conclusie zou toelaten dat de begunstigden van de betrokken maatregel daadwerkelijk met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen zijn belast en dat die verplichtingen duidelijk zijn omschreven in het nationale recht.
134
Aangezien geen van de zes onderdelen van het enige middel dat rekwiranten ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen hebben aangevoerd, is aanvaard, moeten zij in hun geheel worden afgewezen.
Kosten
135
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
136
Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie en SES Astra in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1)
De hogere voorzieningen worden afgewezen.
2)
De Comunidad Autónoma del País Vasco, Itelazpi SA, de Comunidad Autónoma de Cataluña, Centre de Telecomunicacions i Tecnologies de la Informació de la Generalitat de Catalunya (CTTI), Navarra de Servicios y Tecnologías SA, Cellnex Telecom SA en Retevisión I SA worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Spaans.