ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 juli 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk visserijbeleid – Verordening (EU) nr. 1380/2013 – Artikel 16, lid 6, en artikel 17 – Toewijzing van vangstmogelijkheden – Nationale wetgeving die voorziet in een op objectieve en transparante criteria berustende methode – Ongelijke concurrentievoorwaarden tussen marktdeelnemers – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 16 en 20 – Vrijheid van ondernemerschap – Gelijke behandeling – Evenredigheid”
In zaak C‑540/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 17 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2016, in de procedure
„Spika” UAB,
„Senoji Baltija” AB,
„Stekutis” UAB,
„Prekybos namai Aistra” UAB
tegen
Žuvininkystės tarnyba prie Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerijos,
in tegenwoordigheid van:
Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerija,
„Sedija” BUAB,
V. Malinausko gamybinė-komercinė firma „Stilma”,
„Starkis” UAB,
„Banginis” UAB,
„Baltijos šprotai” UAB,
„Monistico” UAB,
„Ramsun” UAB,
„Rikneda” UAB,
„Laivitė” AB,
„Baltijos jūra” UAB,
„Baltlanta” UAB,
„Grinvita” UAB,
„Strimelė” UAB,
„Baltijos žuvys” UAB,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
–
„Banginis” UAB, vertegenwoordigd door E. Bernotas, L. Sesickas en J. Poderis, advokatė,
–
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en G. Taluntytė als gemachtigden,
–
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,
–
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, S. Horrenberger en E. de Moustier als gemachtigden,
–
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 5, onder c), artikel 16, lid 6, en artikel 17 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 22), en de artikelen 16 en 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Spika” UAB, „Senoji Baltija” AB, „Stekutis” UAB en „Prekybos namai Aistra” UAB (hierna samen: „Spika e.a.”), vier Litouwse marktdeelnemers uit de visserijsector, en de Žuvininkystės tarnyba prie Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerijos (dienst voor de visserij, ressorterend onder het ministerie van Landbouw van de Republiek Litouwen) over de toewijzing door deze dienst van aanvullende individuele vangstmogelijkheden in de Oostzee voor het jaar 2015.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 2, leden 1, 2 en 5, van verordening nr. 1380/2013, betreffende de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, bepaalt:
„1. Het gemeenschappelijk visserijbeleid staat er borg voor dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.
2. In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt de voorzorgsbenadering toegepast op het visserijbeheer en wordt ernaar gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.
[...]
5. Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft specifiek tot doel:
[...]
c)
de voorwaarden te creëren om de visserijsector en de verwerkende industrie, alsmede visserijgerelateerde activiteiten aan land economisch levensvatbaar en concurrerend te maken;
d)
te voorzien in maatregelen om, in overeenstemming met lid 2 de vangstcapaciteit van de vloten en de vangstmogelijkheden op elkaar af te stemmen, met het oog op economisch levensvatbare vloten zonder overexploitatie van de biologische rijkdommen van de zee;
[...]
f)
bij te dragen tot een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten;
[...]
i)
de kustvisserij te stimuleren, met inachtneming van sociaaleconomische aspecten;
[...]”
4
Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt in lid 1:
„In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
4)
‚vissersvaartuig’: elk vaartuig dat is uitgerust voor de commerciële exploitatie van biologische rijkdommen van de zee of een blauwvintonnara;
5)
‚Unievissersvaartuig’: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;
[...]
30)
‚marktdeelnemer’: natuurlijke of rechtspersoon die een bedrijf exploiteert of bezit waarvan de activiteiten betrekking hebben op een stadium van de productie-, verwerkings-, afzet-, distributie‑ en detailhandelsketen voor visserij‑ en aquacultuurproducten;
[...]”
5
Artikel 16 van die verordening, „Vangstmogelijkheden”, bepaalt in lid 6:
„Elke lidstaat beslist de wijze waarop de hem toegewezen vangstmogelijkheden die niet onder een systeem van overdraagbare visserijconcessies vallen, kunnen worden toegewezen aan vaartuigen die zijn vlag voeren, bijvoorbeeld door het instellen van individuele vangstmogelijkheden. De lidstaat deelt de toewijzingsmethode aan de Commissie mee.”
6
Artikel 17 van deze verordening luidt als volgt:
„Bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden, bedoeld in artikel 16, maken de lidstaten gebruik van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard. De criteria kunnen onder meer betrekking hebben op de gevolgen van de visserij op het milieu, de naleving in het verleden, de bijdrage aan de lokale economie en vangstniveaus uit het verleden. De lidstaten trachten, binnen het kader van de hun toegewezen vangstmogelijkheden, te zorgen voor stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruik maken van minder milieubelastende visserijtechnieken, zoals een lager energieverbruik of minder schade aan de habitats.”
Litouws recht
7
De Lietuvos Respublikos žuvininkystės įstatymas (Litouwse wet inzake de visserij), zoals gewijzigd en aangevuld bij wet nr. XII‑1523 van 23 december 2014, die in werking is getreden op 1 januari 2015 (hierna: „wet inzake de visserij”), beoogt met name de omzetting van verordening nr. 1380/2013 in nationaal recht. Artikel 171 van deze wet voorziet in de algemene beginselen van de verdeling van de vangstmogelijkheden in de Oostzee.
8
Artikel 171, lid 1, van de wet inzake de visserij bepaalt de procedure voor het toewijzen van individuele vangstmogelijkheden aan marktdeelnemers die beschikken over een vissersvaartuig dat de vlag van Litouwen voert. Volgens deze bepaling dient in dit verband voor iedere marktdeelnemer de gemiddelde vangst van de verschillende betrokken vissoorten te worden berekend over drie kalenderjaren, die de marktdeelnemer zelf kiest uit de afgelopen zeven kalenderjaren (hierna: „historisch aandeel”).
9
Krachtens artikel 171, lid 4, van deze wet komen de aan een marktdeelnemer toegewezen individuele vangstmogelijkheden overeen met zijn historisch aandeel, dat kan worden verkleind of vergroot op grond van de volgende criteria:
–
het historisch aandeel wordt met 0,1 % vergroot voor elk aandeel, percentueel gezien, in de verkoop van visserijproducten van de betrokken soort op het grondgebied van Litouwen. Dit aandeel wordt bepaald aan de hand van alle visserijproducten van die soort die de marktdeelnemer gedurende de referentiejaren heeft gevangen.
–
teneinde rekening te houden met de geringere gevolgen van de commerciële visserijactiviteiten van een marktdeelnemer voor het milieu, wordt het historisch aandeel vergroot met 5 % voor het gebruik van commercieel vistuig en visserijtechnieken die habitats ontzien, en met 5 % voor vissersvaartuigen die minder milieuvervuilend zijn en minder energie verbruiken.
–
het historisch aandeel wordt met 2 % verkleind voor elke ernstige inbreuk die in een referentiejaar is begaan, en met 0,5 % voor elke niet als ernstig aangemerkte inbreuk op de regelgeving inzake commerciële visserij.
10
Overeenkomstig artikel 171, lid 6, van voornoemde wet, kan een individuele marktdeelnemer niet beschikken over meer dan 40 % van de voor een bepaalde vissoort aan de Republiek Litouwen toegewezen vangstmogelijkheden.
11
Artikel 171, leden 7 en 8, voorziet in de toewijzing van individuele vangstmogelijkheden door middel van veilingen. Het gedeelte van de aan de Republiek Litouwen toegewezen vangstmogelijkheden dat resteert na afloop van de toewijzing op grond van het historisch aandeel en na aftrek van de vangstmogelijkheden die bestemd zijn voor de kleinschalige kustvisserij, wordt, indien dit resterende gedeelte niet minder dan 5 % van het totale aantal toegewezen vangstmogelijkheden vormt, geveild aan marktdeelnemers met een Litouws visvaartuig, mits hierdoor niet de bovengrens van de vangstcapaciteit die door het ministerie van Landbouw voor de betrokken geografische vangstgebieden is vastgesteld, wordt overschreden.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat volgens de notulen van een op 11 maart 2015 gehouden vergadering van de Zvejybos Baltijos jurije kvotu skyrimo komisija (commissie voor de toewijzing van vangstmogelijkheden voor de Baltische Zee, Litouwen), die is opgericht bij besluit nr. VI-24 van 18 maart 2013 van de directeur van de dienst voor de visserij, ressorterend onder het ministerie van Landbouw, deze commissie volgens de volgende verdeling aanvullende individuele vangstmogelijkheden heeft toegewezen aan marktdeelnemers die hiertoe een aanvraag hadden ingediend:
–
„Banginis” UAB: 175 ton haring en 252 ton sprot;
–
„Grinvita” UAB: 29 ton haring en 49 ton sprot;
–
„Baltlanta” UAB: 23 ton haring en 16 ton sprot, en
–
„Baltijos šprotai” UAB: 202 ton haring en 285 ton sprot.
13
Spika e.a. hebben de rechtmatigheid van de toewijzing van aanvullende vangstmogelijkheden voor haring en sprot betwist en een beroep tot nietigverklaring van bovenvermelde notulen ingesteld bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg, Vilnius, Litouwen). Zij voerden hierbij aan dat het de aan Grinvita, Baltlanta, Banginis en Balijos šprotai toegewezen individuele vangstmogelijkheden ontbrak aan een wettelijke grondslag.
14
Deze rechter heeft het beroep van Spika e.a. bij uitspraak van 6 november 2015 verworpen. Vervolgens hebben zij hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen), strekkende tot vernietiging van de uitspraak in eerste aanleg en tot vaststelling van een nieuwe beslissing waarbij hun beroep wordt toegewezen.
15
De verwijzende rechter benadrukt in de eerste plaats dat de wet inzake de visserij met name uitvoering geeft aan verordening nr. 1380/2013 en stelt vast dat op grond van deze wet marktdeelnemers niet op gelijke voet worden behandeld wat de toewijzing van vangstmogelijkheden betreft. In dergelijke omstandigheden en bij afwezigheid van een objectieve rechtvaardiging, vormt de discriminatie van bepaalde marktdeelnemers een schending van de Litouwse grondwettelijke beginselen van vrije mededinging en gelijke behandeling.
16
In de tweede plaats vraagt deze rechter zich af of de door artikel 16, lid 6, van verordening nr. 1380/2013 aan de lidstaten toegekende beoordelingsbevoegdheid hen toestaat om criteria voor de toewijzing van vangstmogelijkheden vast te stellen die leiden tot ongelijke omstandigheden voor de marktdeelnemers die met elkaar in concurrentie treden wat de verkrijging van die vangstmogelijkheden betreft.
17
De verwijzende rechter meent namelijk dat deze beoordelingsbevoegdheid niet onbegrensd is, aangezien artikel 17 van die verordening bepaalt dat lidstaten transparante en objectieve criteria moeten vaststellen, waaronder criteria van ecologische, sociale en economische aard. Meer in het bijzonder vraagt hij zich af of een nationale regeling zoals de wet inzake de visserij als „objectief” kan worden beschouwd. Deze wet stelt immers een methode voor toewijzing van de individuele vangstmogelijkheden vast die voornamelijk is gebaseerd op historische gegevens met betrekking tot vangsthoeveelheden en daarom kan leiden tot voornoemde ongelijke omstandigheden. Hiernaast vraagt de verwijzende rechter zich af of de uit deze methode voortvloeiende beperkingen van de mededinging niet onverenigbaar zijn met het Unierecht, ook al voldoet die methode aan de voorwaarden van objectiviteit en transparantie van artikel 17 van verordening nr. 1380/2013.
18
In de derde plaats brengt de verwijzende rechter in herinnering dat een lidstaat bij de uitvoering van een verordening van de Unie het Handvest dient te eerbiedigen. Hij vraagt zich dan ook af of de artikelen 16 en 20 van het Handvest, betreffende vrijheid van ondernemerschap en het beginsel van gelijkheid voor de wet, eraan in de weg staan dat een lidstaat een methode voor toewijzing van de visserijquota vaststelt waarbij marktdeelnemers in ongelijke omstandigheden worden geplaatst voor het verkrijgen van vangstmogelijkheden, ook al is deze methode gebaseerd op de criteria van artikel 17 van verordening nr. 1380/2013.
19
In de vierde en laatste plaats wilt deze rechter vernemen of, gelet op de conflicterende doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, artikel 2, lid 5, onder c), van verordening nr. 1380/2013 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling de lidstaten verbiedt om te kiezen voor een methode van verdeling van visserijquota die leidt tot ongelijke omstandigheden voor marktdeelnemers die met elkaar in concurrentie treden voor het verkrijgen van meer vangstmogelijkheden, zelfs al berust deze methode op een transparant en objectief criterium.
20
In deze omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 17 en artikel 2, lid 5, onder c), van verordening [nr. 1380/2013], in het licht van de artikelen 16 en 20 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat het een lidstaat bij de uitoefening van de hem op grond van artikel 16, lid 6, van deze verordening toekomende beoordelingsbevoegdheid verboden is om een zodanige methode voor toewijzing van de hem toegewezen visquota te hanteren dat daaruit vanwege een grotere hoeveelheid vangstmogelijkheden ongelijke mededingingsvoorwaarden resulteren voor de [marktdeelnemers], ook al berust die methode op een transparant en objectief criterium?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bevoegdheid van het Hof
21
Banginis voert aan dat het Hof niet bevoegd is om de gestelde vraag te beantwoorden. Volgens deze onderneming vindt het Unierecht namelijk geen toepassing in het hoofdgeding, aangezien de Republiek Litouwen bij het vaststellen van een methode ter toewijzing van individuele vangstmogelijkheden geen Unierecht ten uitvoer legt, maar een eigen exclusieve bevoegdheid uitoefent.
22
Om te bepalen of een nationale regeling Unierecht ten uitvoer legt, moet onder meer worden nagegaan of zij de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet (zie in die zin arrest van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 25).
23
Wanneer de lidstaten de methode vaststellen voor de verdeling van de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden, oefenen zij een bevoegdheid uit die hen in het kader van de verwezenlijking van het gemeenschappelijk visserijbeleid uitdrukkelijk is verleend door een Unierechtelijke bepaling, te weten artikel 16, lid 6, van verordening nr. 1380/2013.
24
Er moet dan ook worden geoordeeld dat de Republiek Litouwen bij het vaststellen van de methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden aan vaartuigen die de vlag van Litouwen voeren, Unierecht ten uitvoer legt. Dientengevolge is het Hof bevoegd om de gestelde vraag te beantwoorden.
Ten gronde
25
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 6, en artikel 17 van verordening nr. 1380/2013 en de artikelen 16 en 20 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij deze lidstaat een methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden vaststelt die kan leiden tot een ongelijke behandeling van de marktdeelnemers die beschikken over vissersvaartuigen die zijn vlag voeren.
26
Teneinde deze vraag te kunnen beantwoorden dient in de eerste plaats te worden vastgesteld of een methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden zoals die in het hoofdgeding, voldoet aan de voorwaarden van artikel 17 van verordening nr. 1380/2013.
27
Volgens artikel 16, lid 6, van deze verordening beslist iedere lidstaat de wijze waarop de hem toegewezen vangstmogelijkheden worden toegewezen aan vaartuigen die zijn vlag voeren. In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof inzake artikel 20, lid 3, van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB 2002, L 358, blz. 59), welk artikel overeenstemt met artikel 16, lid 6, van verordening nr. 1380/2013, dat lidstaten bij de uitvoering van laatstgenoemde verordening over een beoordelingsmarge beschikken (zie in die zin beschikking van 5 mei 2009, Atlantic Dawn e.a./Commissie, C‑372/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:287, punt 41).
28
Krachtens artikel 17 van verordening nr. 1380/2013 zijn de lidstaten bij de uitoefening van deze beoordelingsmarge evenwel ertoe gehouden „transparante en objectieve” criteria te hanteren.
29
In het onderhavige geval heeft de Republiek Litouwen ervoor gekozen om de aan haar toegewezen vangstmogelijkheden toe te wijzen middels een methode die hoofdzakelijk is gebaseerd op het criterium van „vangstniveaus uit het verleden”. Overeenkomstig dit criterium wordt het merendeel van deze vangstmogelijkheden toegewezen op grond van de gemiddelde vangst van een vissoort door een marktdeelnemer gedurende drie kalenderjaren die door deze marktdeelnemer worden gekozen uit de afgelopen zeven kalenderjaren.
30
Dit criterium wordt uitdrukkelijk genoemd in artikel 17 van verordening nr. 1380/2013 in de opsomming van de criteria die de lidstaten voor de toewijzing van de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden kunnen kiezen. Bovendien maakt dit criterium deel uit van een wettelijke bepaling, te weten artikel 171 van de wet inzake de visserij, dat verwijst naar het historisch aandeel van de betrokken marktdeelnemers en zo gebaseerd is op objectieve en meetbare gegevens die de bevoegde autoriteiten kunnen verifiëren.
31
Derhalve moet worden vastgesteld dat een methode voor toewijzing van vangstmogelijkheden zoals die in het hoofdgeding, voldoet aan de voorwaarden van transparantie en objectiviteit van artikel 17 van verordening nr. 1380/2013.
32
In de tweede plaats moet worden nagegaan of het vaststellen van een dergelijke toewijzingsmethode schending van de artikelen 16 en 20 van het Handvest met zich brengt, ingeval die methode leidt tot gunstigere voorwaarden voor marktdeelnemers die beschikken over een historisch aandeel vangstniveaus (hierna: „gevestigde marktdeelnemers”), ten nadele van marktdeelnemers die willen toetreden tot de markt of hun productie willen verhogen, maar niet over een dergelijk historisch aandeel beschikken (hierna: „niet-gevestigde marktdeelnemers”).
33
Volgens de gegevens waarover het Hof beschikt en die de verwijzende rechter dient te verifiëren, kunnen gevestigde marktdeelnemers vangstmogelijkheden verkrijgen door simpelweg hun vangstniveaus uit het verleden mee te delen aan de bevoegde autoriteiten, terwijl niet-gevestigde marktdeelnemers enkel de residuele vangstmogelijkheden toegewezen krijgen, afhankelijk van het saldo van de aan de Republiek Litouwen toegewezen quota na de toewijzingen overeenkomstig het historisch aandeel. Een dergelijke toewijzingsmethode kan dus, ten eerste, afbreuk doen aan de vrijheid van ondernemerschap van niet-gevestigde marktdeelnemers door hun recht om te opereren op de betrokken markt te beperken en, ten tweede, leiden tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van de verschillende types marktdeelnemers.
34
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, volgens artikel 16 van het Handvest, de vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie. De bij dit artikel verleende bescherming omvat de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de contractsvrijheid en de vrije mededinging (arrest van 17 oktober 2013, Schaible, C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 25).
35
Verder voorziet artikel 20 van het Handvest in het algemene Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling, dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (arrest van 5 juli 2017, Fries, C‑190/16, EU:C:2017:513, punt 30).
36
Uit artikel 52, lid 1, van het Handvest blijkt dat beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden alleen toelaatbaar zijn als zij bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Hiernaast kunnen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel alleen dergelijke beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen.
37
Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat in casu vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde methode voor toewijzing van vangstmogelijkheden in een wet is vastgelegd, te weten de wet inzake de visserij.
38
Verder voorziet deze wet in een veilingmechanisme waardoor niet-gevestigde marktdeelnemers niet-toegewezen vangstmogelijkheden kunnen verkrijgen op grond van het saldo van de aan de Republiek Litouwen toegewezen quota na de toewijzingen overeenkomstig het historisch aandeel. Genoemde wet bepaalt tevens dat aan iedere marktdeelnemer maximaal 40 % van de vangstmogelijkheden voor een vissoort kunnen worden toegewezen. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toewijzingsmethode niet leidt tot een volledige afsluiting van de betrokken markt, eerbiedigt deze dus de wezenlijke inhoud van de door artikel 16 van het Handvest gewaarborgde vrijheid.
39
Tevens doet de wet inzake de visserij geen afbreuk aan het beginsel van gelijke behandeling en voorziet deze wet met name in artikel 171, lid 4, ervan in bepalingen die het mogelijk maken om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waarin marktdeelnemers zich kunnen bevinden. Deze methode eerbiedigt aldus ook de wezenlijke inhoud van de rechten die de verschillende types marktdeelnemers ontlenen aan artikel 20 van het Handvest.
40
Evenwel dient nog te worden nagegaan of dergelijke beperkingen van de in de artikelen 16 en 20 van het Handvest neergelegde vrijheden beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang van de Unie en, indien dit het geval is, of zij in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel.
41
Wat betreft de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving bijdraagt tot de verwezenlijking van een algemeen belang van de Unie, dient te worden opgemerkt dat deze de vangstmogelijkheden bepaalt voor vaartuigen die de vlag van Litouwen voeren, en daarmee de toegang tot de visserij reguleert. Deze maatregelen worden dan ook gerechtvaardigd door de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1380/2013 vermelde doelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid, om te garanderen dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn.
42
Bovendien moet worden vastgesteld dat de methode voor toewijzing van vangstmogelijkheden in het hoofdgeding, die hoofdzakelijk is gebaseerd op het historisch aandeel, beoogt dat deze vangstmogelijkheden in de eerste plaats worden toevertrouwd aan marktdeelnemers die beschikken over een vloot van vaartuigen waarvan de vangstcapaciteit in beginsel geschikt is om te beantwoorden aan een vangsthoeveelheid die met die mogelijkheden overeenstemt. Deze methode wordt derhalve gerechtvaardigd door de in artikel 2, lid 5, onder d), van verordening nr. 1380/2013 vermelde doelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en maakt het, zoals voorgeschreven door deze bepaling, tevens mogelijk de economische levensvatbaarheid van vloten te handhaven.
43
De vaststelling van een dergelijke toewijzingsmethode wordt tevens gerechtvaardigd door de sociaaleconomische doelstelling van artikel 2, lid 5, onder f), van verordening nr. 1380/2013, aangezien de handhaving van de economische levensvatbaarheid van vloten het voor gevestigde marktdeelnemers mogelijk maakt te blijven opereren op de betrokken markt en aldus bijdraagt aan een redelijke levensstandaard voor degenen die afhankelijk zijn van visserijactiviteiten.
44
Ingeval een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid nastreeft, zoals vastgelegd in verordening nr. 1380/2013, moet worden vastgesteld dat deze beantwoordt aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
45
Vervolgens dient te worden nagegaan of de beperkingen die een dergelijke wettelijke regeling met zich meebrengt het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen, in die zin dat zij geschikt zijn om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken en niet verder gaan dan wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking ervan.
46
Uiteraard staat het in casu aan de verwijzende rechter om, op grond van een volledige beoordeling van alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden, na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling voldoet aan de in het voorgaande punt uiteengezette voorwaarden. Het is echter aan het Hof om hem daartoe alle elementen voor de uitlegging van het Unierecht te verstrekken die hem in staat stellen uitspraak te doen (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Global Starnet, C‑322/16, EU:C:2017:985, punt 52).
47
Wat betreft de geschiktheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling om de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang te bereiken, dient te worden opgemerkt dat deze regeling middels de daarbij vastgestelde methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden het in bijzonder mogelijk maakt om te voorkomen dat de biologische rijkdommen van de zee worden overbevist en hun herstel wordt verstoord of verhinderd. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het historisch aandeel wordt vergroot met 5 % indien marktdeelnemers visserijtechnieken gebruiken die habitats ontzien, en zelfs nog eens met 5 % wanneer deze marktdeelnemers vissersvaartuigen gebruiken die minder milieuvervuilend zijn en minder energie verbruiken.
48
Voornoemde regelgeving is dan ook geschikt om, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1380/2013, de ecologische duurzaamheid van de visserij te waarborgen.
49
Hieraan dient te worden toegevoegd dat het feit dat bij toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toewijzingsmethode rekening wordt gehouden met de vangstniveaus uit het verleden, maakt dat gevestigde marktdeelnemers voor de toekomst kunnen rekenen op een relatief stabiel volume aan vangstmogelijkheden ten opzichte van voorgaande jaren. Dit stelt marktdeelnemers in staat de vaak aanzienlijke investeringen die zij hebben gedaan om te kunnen opereren op de betrokken markt af te schrijven en de nodige activiteiten te plannen ter waarborging van de doeltreffendheid van hun vloten.
50
Derhalve zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regelgeving en de daarbij vastgestelde methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden eveneens geschikt voor de verwezenlijking van de sociaaleconomische doelstellingen die ten grondslag liggen aan artikel 2, lid 5, onder d) en f), van verordening nr. 1380/2013.
51
Wat betreft de vraag of deze methode al dan niet beperkingen met zich meebrengt op de in de artikelen 16 en 20 van het Handvest neergelegde vrijheden die verder gaan dan wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen die worden nagestreefd door de nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding, blijkt uit de verwijzingsbeslissing allereerst dat het historisch aandeel kan worden verhoogd of verlaagd op grond van bepaalde criteria, met name criteria van ecologische aard of criteria die bijdragen aan de ontwikkeling van de lokale economie. Hiernaast wijst de verwijzende rechter erop dat het historisch aandeel voor elke ernstige of niet-ernstige inbreuk tijdens de in artikel 171, lid 1, van de wet inzake de visserij bedoelde referentiejaren wordt verlaagd met respectievelijk 2 % of 0,5 %.
52
Verder kan een individuele gevestigde marktdeelnemer niet beschikken over meer dan 40 % van de voor een vissoort aan de Republiek Litouwen toegewezen vangstmogelijkheden.
53
Ten slotte, zoals reeds uiteengezet in punt 38 van het onderhavige arrest, wordt het deel van de vangstmogelijkheden dat niet reeds is toegewezen aan gevestigde marktdeelnemers, wanneer dit op zijn minst 5 % van de aan de Republiek Litouwen toegewezen vangstmogelijkheden vormt, door middel van een veilingsmechanisme toegewezen aan andere marktdeelnemers die in het bezit zijn van een vissersvaartuig dat de vlag van Litouwen voert.
54
In deze omstandigheden leidt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden niet tot het voorbehouden van de vangstmogelijkheden louter aan gevestigde marktdeelnemers op grond van hun respectief historisch aandeel, maar maakt deze het bovendien mogelijk om die aandelen bij te stellen op grond van een aantal objectieve factoren.
55
Aldus gaat deze toewijzingsmethode niet verder dan wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van algemeen belang die de nationale wettelijke regeling in het hoofdgeding nastreeft, en schendt zij derhalve niet het evenredigheidsbeginsel.
56
Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 16, lid 6, en artikel 17 van verordening nr. 1380/2013 en de artikelen 16 en 20 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij deze lidstaat een methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden vaststelt die, ook al is deze gebaseerd op een transparant en objectief verdelingscriterium, kan leiden tot een ongelijke behandeling van marktdeelnemers die beschikken over vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, voor zover die methode één of meerdere door de Unie erkende algemene belangen nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 16, lid 6, en artikel 17 van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad, en de artikelen 16 en 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij deze lidstaat een methode voor toewijzing van de vangstmogelijkheden vaststelt die, ook al is deze gebaseerd op een transparant en objectief verdelingscriterium, kan leiden tot een ongelijke behandeling van marktdeelnemers die beschikken over vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, voor zover die methode één of meerdere door de Europese Unie erkende algemene belangen nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Litouws.
Full & Egal Universal Law Academy