ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
13 september 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van personen – Artikel 45 VWEU – Toetredingsakte van 2003 – Bijlage XII, hoofdstuk 2 – Mogelijkheid voor een lidstaat om af te wijken van artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 en artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38/EG – Poolse onderdaan die niet gedurende twaalf maanden geregistreerd werk heeft verricht in het gastland”
In zaak C‑618/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) [rechter in tweede aanleg (kamer voor hoger beroep in bestuursrechtelijke zaken), Verenigd Koninkrijk] bij beslissing van 21 november 2016, ingekomen bij het Hof op 29 november 2016, in de procedure
Rafal Prefeta
tegen
Secretary of State for Work and Pensions,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, A. Tizzano (rapporteur), vicepresident van het Hof, E. Levits, A. Borg Barthet en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 januari 2018,
gelet op de opmerkingen van:
–
Prefeta, vertegenwoordigd door J. Power, solicitor, T. Royston, barrister, en R. Drabble, QC,
–
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Fadoju en C. Crane als gemachtigden, bijgestaan door K. Apps en D. Blundell, barristers,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en J. Tomkin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van bijlage XII bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33; hierna: „toetredingsakte van 2003”), van artikel 7, lid 2, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, blz. 1) en van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Rafal Prefeta en de Secretary of State for Work and Pensions (minister van Arbeid en Pensioenen, Verenigd Koninkrijk; hierna: „minister”) over het feit dat deze laatste heeft geweigerd hem een inkomensafhankelijke werk‑ en bijstandsuitkering toe te kennen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Toetredingsakte van 2003
3
De toetredingsakte van 2003 bepaalt de toetredingsvoorwaarden voor onder meer de Republiek Polen en voorziet in aanpassingen van de Verdragen.
4
Artikel 1 van deze akte bepaalt in het tweede en vijfde streepje:
„In de zin van deze Akte:
[...]
–
worden met de uitdrukking ‚huidige lidstaten’ bedoeld het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
[...]
–
worden met de uitdrukking ‚nieuwe lidstaten’ bedoeld de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek;
[...]”
5
Het vierde deel van de toetredingsakte van 2003 bevat de tijdelijke bepalingen in verband met de nieuwe lidstaten, waaronder artikel 24, dat bepaalt:
„De in de bijlagen V tot en met XIV van deze Akte genoemde maatregelen zijn ten opzichte van de nieuwe lidstaten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlagen.”
6
Bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 heeft als opschrift „Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen”. Hoofdstuk 2 van die bijlage gaat over het vrij verkeer van personen, en bepaalt in de punten 1, 2, 5 en 9:
„1. Wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 96/71/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1)] tussen Polen enerzijds en België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, anderzijds, zijn artikel [45] en de eerste alinea van artikel [56] [VWEU] slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.
2. In afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van verordening (EEG) nr. 1612/68 [van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2)] en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Polen, zullen de huidige lidstaten nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Poolse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding.
Poolse onderdanen die op de datum van toetreding legaal in een huidige lidstaat werkten, en wier toelating tot de arbeidsmarkt van die lidstaat voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer gold, hebben toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, maar niet tot de arbeidsmarkt van andere lidstaten die nationale maatregelen toepassen.
Poolse onderdanen die na de toetreding gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt van een huidige lidstaat zijn toegelaten, genieten dezelfde rechten. De in de tweede en derde alinea bedoelde Poolse onderdanen verliezen de aldaar vermelde rechten als zij de arbeidsmarkt van de betrokken huidige lidstaat vrijwillig verlaten.
Poolse onderdanen die op de datum van toetreding of gedurende een periode waarin nationale maatregelen werden toegepast, legaal werkten, en die tot de arbeidsmarkt van die lidstaat waren toegelaten voor minder dan 12 maanden, genieten deze rechten niet.
[...]
5. Een lidstaat die aan het einde van de in punt 2 bedoelde periode van vijf jaar nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen handhaaft, mag in geval van ernstige verstoringen van zijn arbeidsmarkt of het dreigen daarvan en na kennisgeving aan de Commissie deze maatregelen tot aan het einde van het zevende jaar na de datum van toetreding van Polen blijven toepassen. Bij gebreke van een dergelijke kennisgeving zijn de artikelen 1 tot en met 6 van verordening [nr. 1612/68] van toepassing.
9. Voor zover sommige bepalingen van richtlijn 68/360/EEG [van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 13)] onlosmakelijk verbonden zijn met de bepalingen van verordening [nr. 1612/68] waarvan de toepassing uit hoofde van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 wordt opgeschort, kunnen Polen en de huidige lidstaten van eerstgenoemde bepalingen afwijken voor zover zulks voor de toepassing van de punten 2 tot en met 5 en de punten 7 en 8 nodig is.”
Verordening nr. 492/2011
7
Hoofdstuk I van verordening nr. 492/2011 heeft als opschrift „Tewerkstelling, gelijkheid van behandeling en familie van de werknemers”.
8
Afdeling 1 van dat hoofdstuk heeft als opschrift „Arbeid in loondienst” en omvat de artikelen 1 tot en met 6 van die verordening. Deze artikelen verbieden in wezen alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve handelwijzen van een lidstaat die de aanbiedingen van en aanvragen om werk, de toegang tot arbeid in loondienst en de uitoefening daarvan door onderdanen van andere lidstaten, beperken of aan voorwaarden onderwerpen die niet voor de eigen onderdanen van die lidstaat gelden.
9
In afdeling 2 van dat hoofdstuk, met als opschrift „Verrichten van arbeid en gelijkheid van behandeling”, bepaalt artikel 7 in de leden 1 en 2:
„1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers, wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”
10
Artikel 41 van verordening nr. 492/2011 bepaalt:
„Verordening [nr. 1612/68] wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.”
Richtlijn 2004/38
11
Artikel 7 van richtlijn 2004/38, met als opschrift „Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden”, luidt als volgt:
„1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
a)
indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is, [...]
[...]
3. Voor de toepassing van lid 1, onder a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:
a)
hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;
b)
hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;
c)
hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;
d)
hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.”
[...]
12
Artikel 38 van diezelfde richtlijn heeft als opschrift „Intrekking” en bepaalt in de leden 2 en 3:
„2. De richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG worden met ingang van 30 april 2006 ingetrokken.
3. Verwijzingen naar de ingetrokken bepalingen worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn.”
Recht van het Verenigd Koninkrijk
13
De Immigration (European Economic Area) Regulations 2006/1003 [bepalingen betreffende immigratie 2006/1003 (Europese Economische Ruimte); hierna: „regeling van 2006”], die zijn vastgesteld ter omzetting van richtlijn 2004/38, hebben de Accession (Immigration and Worker Registration) Regulations 2004/1219 (toetredingsbepalingen 2004/1219 inzake immigratie en registratie van werknemers) gewijzigd. Bij deze laatste, aldus gewijzigde, bepalingen (hierna: „regeling van 2004”) werd in het Verenigd Koninkrijk de toepassing van de Unieregels van vrij verkeer van werknemers opgeschort ten aanzien van onderdanen van acht van de tien landen die op 1 mei 2004 tot de Unie toetraden, waaronder de Republiek Polen. Deze uitzonderingsmaatregelen werden vastgesteld op grond van artikel 24 van de toetredingsakte van 2003 en zijn van kracht gebleven tot en met 30 april 2011.
14
Voor de onderdanen van die acht toetredende staten die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2011 in het Verenigd Koninkrijk werkten, voorzag de regeling van 2004 in een registratieregeling [Accession State Worker Registration Scheme (registratieregeling voor werknemers van toetredende staten)].
15
Artikel 2 van de regeling van 2004 had als opschrift „Registratieplichtige werknemer van een toetredende staat” en bepaalde:
„(1) Onverminderd de volgende leden van dit artikel wordt onder ‚registratieplichtige werknemer van een toetredende staat’ verstaan een onderdaan van een betreffende toetredende staat die gedurende de toetredingsperiode in het Verenigd Koninkrijk werkt.
[...]
(4) Een onderdaan van een betreffende toetredende staat die ononderbroken gedurende een periode van twaalf maanden, geheel of gedeeltelijk na 30 april 2004, legaal in het Verenigd Koninkrijk werkt, wordt aan het einde van die periode van twaalf maanden niet meer aangemerkt als registratieplichtige werknemer van een toetredende staat.
[...]
(8) Voor de toepassing van de leden 3 en 4 wordt iemand geacht ononderbroken gedurende een periode van twaalf maanden in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt indien hij aan het begin en het einde van die periode legaal in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt en de tussenliggende perioden waarin hij niet legaal in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt in totaal niet meer dan 30 dagen beslaan.
[...]”
16
Artikel 4, lid 2, van die regeling luidde:
„Een onderdaan van een betreffende toetredende staat die de status van werknemer zou hebben van een toetredende staat die registratieplichtig was als hij in het Verenigd Koninkrijk ging werken, heeft geen recht om als werkzoekende in het Verenigd Koninkrijk te verblijven met het doel daar werk te zoeken.”
17
Artikel 5 van die regeling bepaalde in de leden 3 en 4:
„(3) onverminderd lid 4, is artikel 6, lid 2, van de regeling van 2006 niet van toepassing op een registratieplichtige werknemer van een toetredende staat die ophoudt te werken.
(4) wanneer een registratieplichtige werknemer van een toetredende staat in de periode van één maand vanaf het tijdstip van aanvang van zijn werk ophoudt te werken voor een vergunninghoudende werkgever in omstandigheden als bedoeld in artikel 6, lid 2, van de regeling van 2006, is dat artikel gedurende de rest van die periode van één maand van toepassing op die werknemer.”
18
Artikel 6, lid 1, van de regeling van 2006 beschreef in welke situaties onderdanen van lidstaten van de Europese Economische Ruimte recht konden hebben op voortgezet verblijf in het Verenigd Koninkrijk, en bepaalde in de versie die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding:
„1) In deze regelgeving wordt onder ‚in aanmerking komende persoon’ verstaan eenieder die EER-onderdaan is en in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd als:
[...];
b)
werknemer;
[...]”
19
Artikel 6, lid 2, van die regeling bepaalde aan welke voorwaarden een persoon die zijn werk had onderbroken, moest voldoen om de status van werknemer in de zin van lid 1, onder b), van datzelfde artikel te kunnen behouden:
„Onverminderd artikel 7A, lid 4, blijft iemand die niet meer werkt, voor de toepassing van lid 1, onder b), als werknemer aangemerkt indien
a)
hij als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt is;
b)
hij zich, na in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid bevindt en zich als werkzoekende heeft ingeschreven bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening en hij
i)
alvorens werkloos te worden ten minste één jaar heeft gewerkt;
ii)
nog niet langer dan zes maanden werkloos is; of
iii)
kan bewijzen dat hij werk zoekt in het Verenigd Koninkrijk en een reële kans maakt om te worden aangeworven;
[...]”
20
Artikel 7A, lid 4, van de regeling van 2006 bepaalde:
„Artikel 6, lid 2, is van toepassing op een werknemer uit een toetredende staat wanneer
a)
artikel 5, lid 4, van de [regeling van 2004] op 30 april 2011 op hem van toepassing was; of
b)
hij na 1 mei 2011 arbeidsongeschikt is geworden, werkloos is geworden of is opgehouden te werken, al naargelang van het geval.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21
Prefeta, een Poolse onderdaan, is het Verenigd Koninkrijk binnengekomen in 2008 en heeft er gewerkt van 7 juli 2009 tot en met 11 maart 2011, de datum waarop zijn dienstverband werd beëindigd omdat hij buiten het werk om een blessure had opgelopen.
22
Bij zijn aankomst in het Verenigd Koninkrijk kreeg Prefeta de status van „registratieplichtige werknemer van een toetredende staat” in de zin van artikel 2, lid 1, van de regeling van 2004. Aangezien hij pas op 5 januari 2011 een certificaat van registratie als werknemer heeft verkregen, heeft hij in totaal slechts gedurende twee maanden en zes dagen een geregistreerde activiteit uitgeoefend.
23
Na 11 maart 2011 is Prefeta onvrijwillig werkloos geworden – wat naar behoren werd vastgesteld – en heeft hij zich bij de bevoegde nationale dienst laten inschrijven als werkzoekende. Hij heeft dan ook vanaf 20 maart 2011 een werkloosheidsuitkering ontvangen.
24
Op 20 oktober 2011 heeft Prefeta bij de minister een verzoek ingediend om een inkomensafhankelijke werk‑ en bijstandsuitkering te verkrijgen.
25
Volgens de verwijzingsbeslissing is die uitkering bedoeld voor personen wier arbeidsgeschiktheid wordt beperkt door hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid, en kan die niet aan werkzoekenden worden toegekend maar enkel aan werknemers in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 2, van de regeling van 2006.
26
De minister heeft Prefeta’s verzoek dan ook afgewezen, van oordeel dat laatstgenoemde niet had aangetoond dat hij, voordat hij werkloos was geworden, gedurende een ononderbroken aangemelde periode van minstens twaalf maanden had gewerkt overeenkomstig de regeling van 2004, waardoor het hem zou zijn toegestaan zijn status van werknemer te behouden in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 2, van de regeling van 2006.
27
Prefeta heeft tegen de beslissing van de minister beroep ingesteld bij de First-tier Tribunal (Social Entitlement Chamber) [rechter in eerste aanleg (kamer voor sociale uitkeringen), Verenigd Koninkrijk], die dat beroep heeft verworpen. Daarop heeft hij hoger beroep ingesteld bij de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) [rechter in tweede aanleg (kamer voor hoger beroep in bestuursrechtelijke zaken), Verenigd Koninkrijk].
28
In hoger beroep voert Prefeta in wezen aan dat artikel 5, lid 3, van de regeling van 2004 belette dat onderdanen van de betrokken toetredende staten die geen twaalf maanden ononderbroken met een registratiecertificaat in het Verenigd Koninkrijk hadden gewerkt, hun status van werknemer konden behouden in de zin van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 en aldus aanspraak konden maken op de in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 bedoelde gelijke behandeling. Volgens Prefeta kon een met de twee laatstgenoemde bepalingen strijdige nationale regeling echter niet worden gerechtvaardigd op basis van de toetredingsakte van 2003, aangezien deze akte geen afwijkingen van die bepalingen toestond.
29
Volgens de minister daarentegen was de regeling van 2004 verenigbaar met de toetredingsakte van 2003. Hij merkt in dit verband op dat punt 2 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij die akte bepaalt dat Poolse onderdanen die gedurende een periode waarin nationale maatregelen werden toegepast, legaal in een lidstaat werkten maar voor minder dan twaalf maanden tot de arbeidsmarkt van die lidstaat waren toegelaten, niet de rechten genieten die werknemers op grond van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 kunnen doen gelden.
30
Daarop heeft de Upper Tribunal (Administrative Appeals Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Was het de lidstaten op grond van bijlage XII bij [de toetredingsakte van 2003] toegestaan om Poolse onderdanen uit te sluiten van de voordelen die aan artikel 7, lid 2, van verordening [nr. 492/2011] en artikel 7, lid 3, van richtlijn [2004/38] worden ontleend, wanneer een werknemer, hoewel hij, zij het te laat, had voldaan aan de nationale eis om zijn tewerkstelling te laten registreren, nog niet gedurende een ononderbroken aangemelde periode van twaalf maanden had gewerkt?
2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan een werknemer met de Poolse nationaliteit in de omstandigheden als bedoeld in vraag 1 zich dan beroepen op artikel 7, lid 3, van richtlijn [2004/38], dat het behoud van de status van werknemer betreft?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
31
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bijlage XII, hoofdstuk 2, bij de toetredingsakte van 2003 aldus moet worden uitgelegd dat het het Verenigd Koninkrijk op grond daarvan was toegestaan om gedurende de daarin bepaalde overgangsperiode een Poolse onderdaan die niet voldeed aan de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarde gedurende een ononderbroken aangemelde periode van twaalf maanden op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, uit te sluiten van de voordelen van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011.
32
In dit verband moet er vooraf op worden gewezen dat punt 1 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 bepaalt dat wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers tussen Polen en de huidige lidstaten, artikel 39 en de eerste alinea van artikel 49 van het EG-Verdrag [thans respectievelijk artikel 45 en de eerste alinea van artikel 56, VWEU] slechts volledig van toepassing zijn onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14 van datzelfde hoofdstuk. Die overgangsregelingen voorzien in wezen in afwijkingen van de artikelen 1 tot en met 6 van verordening nr. 1612/68 en, onder bepaalde voorwaarden, van richtlijn 68/360.
33
Stellig wordt in hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 noch naar richtlijn 2004/38 noch naar verordening nr. 492/2011 verwezen. Die teksten zijn immers na de inwerkingtreding van de toetredingsakte vastgesteld. Uit de bewoordingen van artikel 38, lid 3, van die richtlijn en artikel 41 van die verordening als zodanig blijkt echter dat verwijzingen naar verordening nr. 1612/68 en richtlijn 68/360, welke door die twee handelingen zijn ingetrokken, moeten worden gelezen als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van respectievelijk richtlijn 2004/38 en verordening nr. 492/2011.
34
Ter beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter moet dus worden nagegaan of het het Verenigd Koninkrijk op grond van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 was toegestaan om artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 buiten toepassing te laten in omstandigheden als in het hoofdgeding. De toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, volgens hetwelk een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de nationale werknemers, vooronderstelt immers dat een persoon als Prefeta, die is opgehouden al dan niet in loondienst te werken, niettemin zijn werknemersstatus kan behouden op basis van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38.
35
In dit verband zij erop gewezen dat overeenkomstig bijlage XII, hoofdstuk 2, punt 9, bij de toetredingsakte van 2003 de Republiek Polen en de huidige lidstaten slechts van sommige bepalingen van richtlijn 2004/38 kunnen afwijken wanneer die onlosmakelijk verbonden zijn met de bepalingen van verordening nr. 492/2011 waarvan de toepassing uit hoofde van de punten 2 tot en met 5, 7 en 8 van hoofdstuk 2 van de toetredingsakte wordt opgeschort, en voor zover dat voor de toepassing van deze punten noodzakelijk is.
36
Bijgevolg moet ten eerste worden nagegaan of artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 los kan worden beschouwd van de artikelen 1 tot en met 6 van verordening nr. 492/2011 waarvan de toepassing aldus werd opgeschort.
37
In dit verband zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft aangegeven, dat een burger van de Unie die zijn activiteiten als werknemer of zelfstandige tijdelijk heeft gestaakt, zijn werknemersstatus op basis van artikel 7, lid, 3, van richtlijn 2004/38 enkel kan behouden – alsook het volgens artikel 7, lid 1, van die richtlijn bijbehorende verblijfsrecht – indien hij beschikbaar is en binnen een redelijk tijdsbestek weer kan deelnemen aan de arbeidsmarkt van het gastland (zie naar analogie arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punten 38-41).
38
In artikel 7, lid 3, van die richtlijn gaat het immers, ten eerste, onder a), over de situatie van een Unieburger die wegens ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt is, wat inhoudt dat hij opnieuw als werknemer of zelfstandige kan gaan werken zodra hij weer arbeidsgeschikt is. Ten tweede wordt in artikel 7, lid 3, onder b) en c), van die richtlijn van een economisch inactieve Unieburger verlangd dat hij zich als werkzoekende laat inschrijven bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening, en wordt hem onder d) van datzelfde lid opgelegd om onder bepaalde voorwaarden te starten met een beroepsopleiding.
39
Artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 ziet dus op situaties waarin de kans reëel is dat de Unieburger binnen een redelijke termijn opnieuw deelneemt aan de arbeidsmarkt in het gastland. Bijgevolg kan deze bepaling niet onafhankelijk worden toegepast van de bepalingen van verordening nr. 492/2011 die de toegang tot arbeid van onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten regelen, te weten de artikelen 1 tot en met 6 ervan.
40
Ten tweede moet worden nagegaan of het voor de toepassing van de afwijkingen in de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 5, 7 en 8 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003, noodzakelijk is af te wijken van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38.
41
Dienaangaande zij erop gewezen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de overgangsregelingen van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij die akte bedoeld zijn om te voorkomen dat zich na de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Unie verstoringen voordoen op de arbeidsmarkt van de oude lidstaten ten gevolge van de onmiddellijke komst van een groot aantal werknemers die onderdaan van die nieuwe lidstaten zijn (zie in die zin arrest van 10 februari 2011, Vicoplus e.a., C‑307/09–C‑309/09, EU:C:2011:64, punt 34en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie in hun geschreven opmerkingen beklemtonen, heeft de betrokken lidstaat de regeling van 2004 in casu vastgesteld op grond van de afwijkingen in de overgangsregelingen van de punten 2 en 9 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003.
43
De eerste alinea van punt 2 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij die akte bepaalt in wezen dat in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van verordening nr. 492/2011 en in de overgangsperiode na de toetredingsdatum, de „huidige” lidstaten maatregelen toepassen om de toegang van Poolse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.
44
Op die basis dus werd met artikel 2 van de regeling van 2004 in de Britse rechtsorde de status van „registratieplichtige werknemer van een toetredende staat” ingevoerd voor onderdanen van toetredende staten die tijdens de periode van toepassing van die regeling in het Verenigd Koninkrijk werkten. Die regeling bepaalde dat de betrokken werknemers de status van registratieplichtige verloren zodra zij gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden – geheel of gedeeltelijk na 30 april 2004 – een geregistreerde activiteit hadden uitgeoefend op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk.
45
Onderdanen van betrokken toetredende staten moesten voor de periode dat zij die status hadden, een certificaat van registratie van hun tewerkstelling verkrijgen van de bevoegde nationale instanties, en genoten niet alle rechten die het Unierecht verleent aan onderdanen van lidstaten die zich naar andere lidstaten verplaatsen om er te werken. De artikelen 4 en 5 van de regeling van 2004 beperkten in het bijzonder hun recht om als werkzoekenden in het Verenigd Koninkrijk te verblijven om er werk te zoeken en hun mogelijkheid om de status van werknemer – en het bijbehorende verblijfsrecht – te behouden wanneer zij ophielden met werken als werknemer of zelfstandige.
46
Zoals de Commissie in haar geschreven opmerkingen in wezen heeft opgemerkt, was de door het Verenigd Koninkrijk ingevoerde afwijking van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 bijgevolg noodzakelijk om volle werking te kunnen verlenen aan de maatregelen die het had genomen krachtens de afwijkingen in de overgangsregelingen van de punten 2 en 9 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003.
47
Indien werknemers van toetredende staten die hun beroepsactiviteiten als werknemer of zelfstandige beëindigden alvorens zij in het Verenigd Koninkrijk gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden geregistreerd hadden gewerkt, zich zouden hebben kunnen beroepen op artikel 7, lid 3, van de voormelde richtlijn om de status van werknemer – en het volgens artikel 7, lid 1, van die richtlijn bijbehorende verblijfsrecht – te behouden, zou het Verenigd Koninkrijk immers geen volle werking hebben kunnen verlenen aan die uitzonderingsmaatregelen, die met name bedoeld waren om het recht van economisch inactieve onderdanen van toetredende staten om op zijn grondgebied te verblijven om er werk te zoeken, te beperken.
48
Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het het Verenigd Koninkrijk op grond van bijlage XII, hoofdstuk 2, punten 2 en 9, bij de toetredingsakte van 2003 was toegestaan om artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 buiten toepassing te laten in omstandigheden als in het hoofdgeding.
49
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat Prefeta, vóór de onderbreking van het tijdvak waarin hij beroepsmatig actief was, gedurende ongeveer twintig maanden, in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt, namelijk van 7 juli 2009 tot en met 11 maart 2011.
50
Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 tot en met 71 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt uit de derde alinea van punt 2 van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 dat Poolse onderdanen aan twee cumulatieve voorwaarden moesten voldoen om te ontsnappen aan de op grond van die tekst vastgestelde uitzonderingsmaatregelen, namelijk, ten eerste, twaalf maanden ononderbroken hebben gewerkt en, ten tweede, toegelaten zijn tot de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat.
51
Wat die tweede voorwaarde betreft, moet erop worden gewezen dat de betrokkene volgens de regeling van 2004 een registratiecertificaat moest hebben verkregen van de bevoegde nationale instanties om tot de arbeidsmarkt te kunnen worden toegelaten.
52
Uit de stukken waarover het Hof beschikt, blijkt echter dat Prefeta pas op 5 januari 2011 een registratiecertificaat heeft verkregen van de bevoegde nationale instanties van het Verenigd Koninkrijk, zodat hij in feite slechts gedurende een periode van in totaal twee maanden en zes dagen was toegelaten tot de arbeidsmarkt van die lidstaat, dus minder dan de twaalf maanden die worden vereist in bijlage XII, hoofdstuk 2, punt 2, derde alinea, bij de toetredingsakte van 2003.
53
Aangezien Prefeta zich in die omstandigheden niet op artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38 kon beroepen om de status van werknemer te behouden nadat hij was opgehouden met werken, kon hij evenmin profiteren van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011, welke bepaling geldt voor onderdanen van een lidstaat die de voormelde status hebben (zie in die zin arresten van 18 juli 2007, Geven, C‑213/05, EU:C:2007:438, punt 16, en 21 februari 2013, N., C‑46/12, EU:C:2013:97, punten 48 en 49).
54
Bijgevolg hoeft niet te worden nagegaan of het het Verenigd Koninkrijk op grond van hoofdstuk 2 van bijlage XII bij de toetredingsakte van 2003 was toegestaan om artikel 7, lid 2, van verordening nr. 492/2011 in een situatie zoals die in het hoofdgeding buiten toepassing te laten.
55
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat bijlage XII, hoofdstuk 2, bij de toetredingsakte van 2003 aldus moet worden uitgelegd dat het het Verenigd Koninkrijk op grond daarvan was toegestaan om gedurende de daarin bepaalde overgangsperiode een Poolse onderdaan, zoals Prefeta, die niet voldeed aan de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarde gedurende een ononderbroken aangemelde periode van twaalf maanden op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, uit te sluiten van de voordelen van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38.
Tweede vraag
56
Rekening houdend met het antwoord op de eerste vraag, hoeft niet te worden geantwoord op de tweede vraag.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Bijlage XII, hoofdstuk 2, bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, moet aldus worden uitgelegd dat het het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland op grond daarvan was toegestaan om gedurende de daarin bepaalde overgangsperiode een Poolse onderdaan, zoals Rafal Prefeta, die niet voldeed aan de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarde gedurende een ononderbroken aangemelde periode van twaalf maanden op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, uit te sluiten van de voordelen van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy