ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
24 januari 2018 ( *1 )
„Hogere voorziening – Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Woordmerk FITNESS – Afwijzing van de vordering tot nietigverklaring”
In zaak C‑634/16 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 7 december 2016,
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door M. Rajh als gemachtigde,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
European Food SA, gevestigd te Drăgănești (Roemenië), vertegenwoordigd door I. Speciac, avocat,
verzoekster in eerste aanleg,
Société des produits Nestlé SA, gevestigd te Vevey (Zwitserland), vertegenwoordigd door A. Jaeger-Lenz en S. Cobet-Nüse, Rechtsanwältinnen, en A. Lambrecht, Rechtsanwalt,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, J.‑C. Bonichot, S. Rodin en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met zijn hogere voorziening verzoekt het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 september 2016, European Food/EUIPO – Société des produits Nestlé (FITNESS) (T‑476/15, EU:T:2016:568; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht heeft beslist tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 juni 2015 (R 2542/2013‑4) (hierna: „litigieuze beslissing”), gewezen in het kader van een nietigheidsprocedure tussen European Food SA en Société des produits Nestlé SA.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 2868/95
2
Regel 37, onder b), iv), van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1041/2005 van de Commissie van 29 juni 2005 (PB 2005, L 172, blz. 4) (hierna: „verordening nr. 2868/95”), bepaalt:
„Een vordering bij het Bureau tot vervallen-, respectievelijk nietigverklaring van een [Uniemerk] overeenkomstig artikel 55 van de verordening behelst:
[…]
b)
met betrekking tot de gronden waarop de vordering berust:
[…]
iv)
een opgave van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze gronden worden aangevoerd”.
3
Regel 40 van die verordening luidt:
„1.
Iedere vordering tot vervallen- of nietigverklaring die wordt geacht te zijn ingediend, wordt ter kennis gebracht van de [Uniemerk]houder. Wanneer het Bureau de vordering ontvankelijk verklaart, verzoekt het de [Uniemerk]houder binnen een door het Bureau te stellen termijn zijn opmerkingen in te dienen.
2.
Indien de [Uniemerk]houder geen opmerkingen indient, kan het Bureau op grond van het bewijsmateriaal waarover het beschikt, over de vervallen- of over de nietigverklaring een beslissing nemen.
3.
Het Bureau deelt alle door de [Uniemerk]houder ingediende opmerkingen aan de verzoeker mede en nodigt hem uit, wanneer het dit nodig acht, deze binnen een door het Bureau te stellen termijn te beantwoorden.”
4
Regel 50, lid 1, van die verordening bepaalt:
„Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen die de procedure regelen bij behandeling door de instantie die de beslissing heeft genomen waartegen beroep wordt ingesteld, van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure.
Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die in een oppositieprocedure is genomen, is artikel 78 bis van de verordening evenwel niet van toepassing op de ingevolge artikel 61, lid 2, van de verordening gestelde termijnen.
Wanneer het beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van een oppositieafdeling, beperkt de kamer van beroep het onderzoek van het beroep tot feiten en bewijsstukken die binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijnen in overeenstemming met de verordening en deze regels zijn voorgelegd, tenzij de kamer van beroep van oordeel is dat ingevolge artikel 74, lid 2, van de verordening rekening moet worden gehouden met aanvullende feiten en bewijsstukken.”
Verordening nr. 207/2009
5
Artikel 7 van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), met als opschrift „Relatieve weigeringsgronden”, bepaalt in lid 1:
„Geweigerd wordt inschrijving van:
[…]
b)
merken die elk onderscheidend vermogen missen;
c)
merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[…]”
6
Artikel 41, lid 1, van die verordening luidt:
„Binnen een termijn van drie maanden na de dag waarop de aanvrage om een [Uniemerk] is gepubliceerd, kan tegen de inschrijving van dit merk oppositie worden ingesteld op grond van het feit dat de inschrijving van het merk krachtens artikel 8 moet worden geweigerd, […]
[…]”
7
In afdeling 3, met als opschrift „Nietigheidsgronden”, van titel VI van die verordening, bepaalt artikel 52, met als opschrift „Absolute nietigheidsgronden”:
„1. Het [Uniemerk] wordt op vordering bij het Bureau of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard, wanneer
a)
het is ingeschreven in strijd met artikel 7;
b)
de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.
2. Wanneer het [Uniemerk] is ingeschreven in strijd met artikel 7, lid 1, onder b), c) of d), kan het echter niet nietig worden verklaard wanneer het door het gebruik dat er na de inschrijving van gemaakt is, onderscheidend vermogen heeft verkregen voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is.
[…]”
8
Artikel 57, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Bij het onderzoek van de vordering tot vervallenverklaring of nietigverklaring verzoekt het Bureau zo dikwijls als nodig de partijen binnen een door het Bureau te stellen termijn te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van het Bureau zelf.”
9
Artikel 60 van titel VII, met als opschrift „Beroepsprocedure”, van verordening nr. 207/2009 luidt:
„Het beroep wordt schriftelijk ingesteld bij het Bureau binnen twee maanden na de dag waarop de beslissing is meegedeeld. Het beroep wordt pas geacht te zijn ingesteld, nadat de beroepstaks betaald is. Een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep moet worden ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de beslissing meegedeeld is.”
10
Artikel 63 van deze verordening, met als opschrift „Onderzoek van het beroep”, bepaalt in lid 2:
„Bij het onderzoek van het beroep verzoekt de kamer van beroep zo dikwijls als nodig de partijen, binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf.”
11
Artikel 76, met als opschrift „Ambtshalve onderzoek van de feiten”, in afdeling 1, met als opschrift „Algemene bepalingen”, van titel IX, met als opschrift „Procedureregels”, van die verordening luidt:
„1. Tijdens de procedure onderzoekt het Bureau ambtshalve de feiten; in procedures inzake relatieve afwijzingsgronden blijft dit onderzoek echter beperkt tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering.
2. Het Bureau hoeft geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.”
12
Artikel 78, lid 1, van die verordening bepaalt:
„In de procedure voor het Bureau zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen toegelaten:
a)
horen van partijen;
b)
inwinnen van inlichtingen;
c)
overleggen van documenten en monsters;
d)
getuigenverhoor;
e)
deskundigenonderzoek;
f)
schriftelijke verklaringen die onder ede of belofte zijn afgelegd of overeenkomstig het recht van de staat waar zij afgelegd zijn een soortgelijke werking hebben.”
Voorgeschiedenis van het geding
13
In het bestreden arrest heeft het Gerecht de feiten die ten grondslag liggen aan het aanhangig gemaakte geding, als volgt samengevat:
„1
Op 20 november 2001 heeft interveniënte, [Société des produits Nestlé], bij het [EUIPO] een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening [nr. 207/2009].
2
De inschrijvingsaanvraag betreft het woordteken FITNESS.
3
De waren waarvoor de merkaanvraag werd ingediend, behoren tot de klassen 29, 30 en 32 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt:
–
klasse 29: ‚Melk, room, boter, kaas, yoghurt en overige voedingspreparaten op basis van melk, surrogaten voor melkproducten, eieren, geleien, vruchten, groenten, proteïnepreparaten voor menselijke consumptie’;
–
klasse 30: ‚Graan en graanpreparaten; kant-en-klare graanproducten; ontbijtgranen; voedingsmiddelen op basis van rijst of meel’;
–
klasse 32: ‚Niet-koolzuurhoudend water, gazeuse wateren of spuitwater, bronwater, minerale wateren, water met een smaakstof, vruchtendranken, vruchtensappen, nectar, limonades, sodawater en andere alcoholvrije dranken, siropen en andere preparaten voor de bereiding van siropen en andere preparaten voor de bereiding van dranken’.
4
Op 30 mei 2005 werd het aangevraagde merk onder nummer 2470326 als Uniemerk ingeschreven voor de in punt 3 hierboven bedoelde waren (hierna: ‚litigieus merk’).
5
Op 2 september 2011 heeft verzoekster, [European Food], een vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk ingesteld op grond van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder b) en c), van deze verordening.
6
Op 18 oktober 2013 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring in haar geheel afgewezen.
7
Op 16 december 2013 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.
8
Bij beslissing van 19 juni 2015 (hierna: ‚bestreden beslissing’) heeft de vierde kamer van beroep van het EUIPO dit beroep verworpen.
9
De kamer van beroep heeft geoordeeld dat in een nietigheidsprocedure verzoekster tot nietigverklaring het bewijs diende te leveren dat het litigieuze merk elk onderscheidend vermogen miste of beschrijvend was in de zin van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de relevante datum waarop de bewijzen betrekking dienden te hebben, de datum was waarop het litigieuze merk was aangevraagd, te weten 20 november 2001. Voorts was zij van mening dat het aandachtsniveau van het relevante publiek lager dan gemiddeld was, aangezien het ging om goedkope consumptiegoederen.
10
Wat het vermeende beschrijvend karakter betreft, was de kamer van beroep van oordeel dat het merendeel van de voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen dateerde van na de relevante datum of betrekking had op het grondgebied van Roemenië vóór de toetreding van dit land tot de Europese Unie. Met betrekking tot de afschriften van woordenboeken met de term ‚fitness’ heeft zij geoordeeld dat deze term uit het oogpunt van de consument in 2001 geen intrinsiek kenmerk van de betrokken waren aanduidde. Volgens haar was deze term voor de betrokken waren suggestief en vaag. Derhalve volstonden de voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen niet om het beschrijvend karakter van het litigieuze merk aan te tonen.
11
Verder heeft de kamer van beroep een reeks bewijzen die voor het eerst voor haar waren overgelegd, buiten beschouwing gelaten, op grond dat deze te laat waren overgelegd. In dit verband heeft zij regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening [nr. 2868/95], gelezen in samenhang met regel 37, onder b), iv), van deze verordening, naar analogie toegepast.
12
De kamer van beroep was tevens van oordeel dat de term ‚fitness’ geschikt was om de waren waarop het litigieuze merk betrekking had, als afkomstig van interveniënte te identificeren en bijgevolg deze waren van die van andere ondernemingen te onderscheiden, aangezien deze term een suggestieve en dubbelzinnige betekenis had. Derhalve heeft zij geconcludeerd dat verzoekster niet had aangetoond dat dit merk elk onderscheidend vermogen miste.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
14
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 augustus 2015 heeft European Food beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld.
15
Ter ondersteuning van haar beroep heeft European Food drie middelen aangevoerd, die betrekking hebben op, ten eerste, de weigering van de kamer van beroep om de voor het eerst voor haar overgelegde bewijzen in aanmerking te nemen, ten tweede, het beschrijvend karakter van het litigieuze merk en, ten derde, het ontbreken van onderscheidend vermogen van dit merk.
16
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze beslissing vernietigd en het EUIPO verwezen in zijn eigen kosten en in die van European Food.
Conclusies van partijen voor het Hof
17
Met zijn hogere voorziening verzoekt het EUIPO het Hof:
–
het bestreden arrest te vernietigen en
–
European Food te verwijzen in de kosten.
18
European Food verzoekt het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen en
–
het EUIPO te verwijzen in de kosten van deze procedure.
Hogere voorziening
Eerste middel: schending van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 juncto regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95
Argumenten van partijen
19
Het eerste middel bestaat in wezen uit vier onderdelen.
20
Met het eerste onderdeel van dit middel stelt het EUIPO dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest ten onrechte heeft aangegeven dat de verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 geen bepalingen bevatten die een termijn stellen voor de overlegging van bewijzen in het kader van een vordering tot nietigverklaring op basis van absolute nietigheidsgronden.
21
Hoewel er geen in de verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 uitdrukkelijk bepaalde vooraf vastgestelde termijn bestaat, beschikt het EUIPO overeenkomstig artikel 57, lid 1, van verordening nr. 207/2009 en regel 40 van verordening nr. 2868/95 toch over de bevoegdheid om termijnen vast te stellen in het kader van maatregelen tot organisatie van de procedure.
22
Bijgevolg geldt de mogelijkheid voor het EUIPO om overeenkomstig artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd, zowel voor de termijnen die rechtstreeks door de verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 zijn vastgesteld, als voor de termijnen die het EUIPO vaststelt in het kader van maatregelen tot organisatie van de procedure.
23
Bovendien is dit artikel van toepassing op alle soorten procedures voor het EUIPO en maakt het dus geen onderscheid tussen oppositie- en nietigheidsprocedures.
24
Met het tweede onderdeel van dat middel stelt het EUIPO dat het Gerecht in de punten 57 en 58 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijzen, bij gebreke van na te leven termijnen, op elk ogenblik, met inbegrip van de beroepsfase mochten worden ingediend.
25
Met het derde onderdeel van het eerste middel merkt het EUIPO op dat de draagwijdte van regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95 niet beperkt is tot oppositieprocedures, aangezien deze bepaling de aard van de betrokken procedure niet aangeeft. Door zijn redenering te concentreren op regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95, die uitdrukkelijk verwijst naar oppositieprocedures, heeft het Gerecht het voorschrift in de eerste alinea van deze regel geschonden, volgens hetwelk, tenzij anders is bepaald, de bepalingen die de procedure regelen bij behandeling door de instantie die de beslissing heeft genomen waartegen beroep wordt ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedure. Bijgevolg is artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 ook van toepassing in de context van een nietigheidsprocedure.
26
Ten slotte stelt het EUIPO in het kader van het vierde onderdeel van het eerste middel dat het bestreden arrest de kamer van beroep de bevoegdheid ontzegt die artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 haar verleent. Dienaangaande stelt het EUIPO dat de ontvankelijkheid van aanvullend bewijs dat aan de nietigheidsafdeling is overgelegd na de sluiting van de schriftelijke behandeling afhangt van de uitoefening van de door artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 verleende discretionaire bevoegdheid door de nietigheidsafdeling.
27
Volgens het EUIPO moest de kamer van beroep, gelet op de door de nietigheidsafdeling vastgestelde termijnen en om European Food in staat te stellen te antwoorden op de door Société des produits Nestlé aangedragen feiten en argumenten, haar discretionaire bevoegdheid krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 uitoefenen om te beslissen of rekening moest worden gehouden met de voor het eerst voor haar overgelegde bewijzen. Het EUIPO merkt echter op dat de kamer van beroep na een grondig onderzoek van alle relevante omstandigheden van het geval heeft vastgesteld dat de respectievelijke bewijzen noch aanvullend noch complementair waren, maar alleen nieuw en, bijgevolg, niet-ontvankelijk.
28
Bijgevolg was de kamer van beroep niet verplicht rekening te houden met de bewijzen inzake de nietigheidsgrond, aangezien deze bewijzen niet tijdig waren aangevoerd in het kader van de nietigheidsprocedure.
29
European Food betwist het betoog van het EUIPO.
Beoordeling door het Hof
30
Met het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel, die samen moeten worden behandeld, stelt het EUIPO, ten eerste, dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest ten onrechte heeft vastgesteld dat de verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 geen bepalingen bevatten die een termijn stellen voor de overlegging van bewijzen in het kader van een vordering tot nietigverklaring wegens een absolute weigeringsgrond en, ten tweede, dat het Gerecht in de punten 57 en 58 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat bij gebreke van termijnen voor de overlegging van bewijzen in het kader van een vordering tot nietigverklaring wegens een absolute nietigheidsgrond, de bewijzen op elk moment konden worden overgelegd, met inbegrip van de beroepsfase.
31
Volgens artikel 52 van verordening nr. 207/2009 kan een merk, na inschrijving als Uniemerk, in bepaalde omstandigheden en, onder meer, wanneer het is ingeschreven in strijd met artikel 7 van deze verordening, op vordering bij het EUIPO nietig worden verklaard. Overeenkomstig regel 37, onder b), iv), van verordening nr. 2868/95 moet deze vordering een opgave behelzen van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze vordering worden aangevoerd. Overeenkomstig de artikelen 57 en 78 van verordening nr. 207/2009 verzoekt het EUIPO de partijen tijdens het verloop van de procedure bovendien zo dikwijls als nodig binnen de door het EUIPO te stellen termijnen te antwoorden, en kan het ook maatregelen van instructie bevelen, zoals het aanvoeren van feiten of het overleggen van bewijzen.
32
Uit deze bepalingen vloeit voort dat in het kader van een nietigheidsprocedure wegens absolute nietigheidsgronden weliswaar geen termijn is vastgesteld om te verzoeken om de inschrijving van een merk nietig te verklaren – anders dan het geval is in artikel 41 van verordening nr. 207/2009, inzake oppositie tegen de inschrijving van een merk wegens relatieve weigeringsgronden, volgens hetwelk de termijn om oppositie in te stellen drie maanden bedraagt – maar voor het overleggen van de bewijzen in het kader van een vordering tot nietigverklaring toch een termijn is bepaald of door het EUIPO kan worden bepaald, krachtens zijn bevoegdheid tot organisatie van de procedure.
33
Bijgevolg heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 56 van het bestreden arrest te verklaren dat verordening nr. 207/2009 geen enkele bepaling bevat die een termijn stelt voor de overlegging van bewijzen. Uit vaste rechtspraak van het Hof vloeit echter voort dat wanneer blijkt van een schending van het Unierecht in de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, de hogere voorziening moet worden afgewezen (arrest van 21 juli 2016, EUIPO/Grau Ferrer, C‑597/14 P, EU:C:2016:579, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Dat is in casu het geval. Inzonderheid heeft het Gerecht de vernietiging van de litigieuze beslissing niet gebaseerd op het ontbreken van een termijn voor het overleggen van bewijzen, maar op het feit dat de kamer van beroep ten onrechte heeft beslist dat met de door verzoekster voor het eerst voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen geen rekening mocht worden gehouden, omdat deze niet tijdig waren overgelegd.
35
Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd dat het Gerecht – anders dan het EUIPO stelt – in punt 58 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met regel 37, onder b), iv), van verordening nr. 2868/95, niet inhoudt dat de kamer van beroep moet oordelen dat bewijzen die voor het eerst voor haar zijn overgelegd, te laat zijn aangedragen.
36
Vervolgens blijkt uit de rechtspraak dat geen enkele principiële reden in verband met het soort procedure dat voor de kamer van beroep wordt gevolgd, of in verband met de bevoegdheid van deze instantie, zich ertegen verzet dat deze kamer bij haar uitspraak op het bij haar ingestelde beroep rekening houdt met feiten of bewijzen die voor het eerst in het stadium van dat beroep worden aangevoerd (arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 49).
37
Overigens vloeit uit artikel 64, lid 1, van verordening nr. 207/2009 voort dat de kamer van beroep, wanneer bij haar beroep is ingesteld, de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen en in dit kader het beroep dus opnieuw volledig ten gronde dient te onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk (arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 57).
38
Zoals volgt uit de artikelen 63 en 78 van verordening nr. 207/2009, verzoekt de kamer van beroep bij het onderzoek ten gronde van het bij haar ingestelde beroep de partijen zo dikwijls als nodig, binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf, en kan zij ook maatregelen van instructie bevelen, zoals het aanvoeren van feiten of het overleggen van bewijzen. Uit deze bepalingen blijkt dat het mogelijk is dat de feitelijke context in de diverse stadia van de procedure voor het EUIPO wordt verruimd (arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 58).
39
In de punten 60 en 61 van het arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul (C‑29/05 P, EU:C:2007:162), heeft het Hof inderdaad opgemerkt dat artikel 59 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), waarvan de inhoud gelijk is aan die van artikel 60 van verordening nr. 207/2009, waarin de voorwaarden voor het instellen van beroep bij de kamer van beroep zijn omschreven, geen melding maakt van de mogelijkheid om feiten of bewijzen aan te voeren, doch alleen van een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep die binnen vier maanden moet worden ingediend, en bijgevolg niet aldus kan worden uitgelegd dat het de partij die een dergelijk beroep heeft ingesteld, recht geeft op een nieuwe termijn om feiten en bewijzen ter ondersteuning van haar oppositie aan te voeren.
40
Uit het arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul (C‑29/05 P, EU:C:2007:162), kan evenwel niet worden afgeleid dat alle voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen in alle omstandigheden tardief moeten worden geacht.
41
Enerzijds dient te worden vastgesteld dat, anders dan de onderhavige zaak, de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul (C‑29/05 P, EU:C:2007:162), een oppositieprocedure tegen de inschrijving van een merk betrof. Overeenkomstig regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 beperkt de kamer van beroep, wanneer een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van een oppositieafdeling, het onderzoek van het beroep tot feiten en bewijsstukken die binnen de door de oppositieafdeling vastgestelde termijnen zijn voorgelegd. Bijgevolg worden in deze context de voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen als tardief beschouwd en kan daarmee, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 toch rekening worden gehouden.
42
Anderzijds is het onverminderd de in regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 bedoelde specifieke regel die geldt voor oppositieprocedures, steeds mogelijk om tijdig voor het eerst voor de kamer van beroep bewijzen over te leggen, voor zover deze bewijzen strekken tot betwisting van de door de nietigheidsafdeling in de bestreden beslissing vastgestelde gronden. Deze bewijzen zijn dus hetzij bewijzen die de in de procedure voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen aanvullen, hetzij bewijzen die betrekking hebben op een nieuw element dat in deze procedure niet kon worden aangevoerd.
43
Overigens zij benadrukt dat het aan de partij staat die de bewijzen voor het eerst voor de kamer van beroep overlegt, om te rechtvaardigen waarom deze bewijzen in deze fase van de procedure worden overgelegd, en om aan te tonen dat het niet mogelijk was deze over te leggen in de loop van de procedure voor de nietigheidsafdeling.
44
Ten slotte, zoals in punt 38 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kunnen de voor het eerst voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen op haar verzoek worden overgelegd, als maatregelen van instructie en binnen de voor partijen gestelde termijnen.
45
Daaruit volgt dat het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de kamer van beroep niet in alle omstandigheden moest oordelen dat de voor het eerst voor haar overgelegde bewijzen te laat waren aangedragen.
46
Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel moeten dus worden afgewezen.
47
Met het derde onderdeel van het eerste middel stelt het EUIPO dat in het bestreden arrest blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat in punt 60 ervan wordt overwogen dat de draagwijdte van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 beperkt is tot oppositieprocedures.
48
Dienaangaande zij opgemerkt dat regel 50, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2868/95, opgenomen in titel X, met als opschrift „Beroepsprocedure”, weliswaar het beginsel formuleert dat de bepalingen die de procedure regelen bij behandeling door de instantie die de beslissing heeft genomen waartegen beroep wordt ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedure, maar de derde alinea van dezelfde bepaling een bijzondere regel vormt waarbij wordt afgeweken van dat beginsel. Deze bijzondere regel is eigen aan de procedure van beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling en preciseert de regeling, voor de kamer van beroep, inzake de feiten en bewijzen die na het verstrijken van de in eerste instantie vastgestelde termijnen zijn aangevoerd of overgelegd (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Rintisch/BHIM, C‑120/12 P, EU:C:2013:638, punt 28).
49
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat deze bijzondere regel van regel 50, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2868/95 niet van toepassing was in het kader van een nietigheidsprocedure wegens absolute nietigheidsgronden.
50
Daaruit volgt dat het derde onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.
51
Met het vierde onderdeel van het eerste middel stelt het EUIPO dat het bestreden arrest de kamer van beroep de bevoegdheid ontzegt die artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 haar verleent, om te beoordelen of rekening kon worden gehouden met de voor het eerst voor haar overgelegde bewijzen.
52
Dit betoog van het EUIPO berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
53
Uit punt 66 van het bestreden arrest blijkt immers niet dat het EUIPO geen gebruik mocht maken van zijn beoordelingsbevoegdheid, maar dat de kamer van beroep blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bewijzen die European Food voor het eerst voor haar had overgelegd, niet in aanmerking mochten worden genomen omdat deze te laat waren aangedragen.
54
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het EUIPO krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.
55
Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat de partijen, in de regel en behoudens andersluidende bepaling, nog feiten en bewijzen kunnen aanvoeren na afloop van de termijnen die daarvoor in verordening nr. 207/2009 zijn bepaald, en dat het het EUIPO niet verboden is om rekening te houden met feiten en bewijzen die niet tijdig zijn aangevoerd of overgelegd (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 42).
56
Uit deze bewoordingen blijkt evenwel met even grote zekerheid dat een partij die feiten en bewijzen niet tijdig aanvoert, op grond van deze bepaling er niet onvoorwaardelijk aanspraak op kan maken dat het EUIPO met deze feiten of bewijzen rekening houdt. Aangezien artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 preciseert dat het EUIPO in een dergelijk geval geen rekening „hoeft” te houden met dergelijke feiten en bewijsmiddelen, beschikt het EUIPO immers over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te beslissen of het daarmee rekening houdt, op voorwaarde dat het zijn beslissing op dat punt motiveert (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 43).
57
Opgemerkt zij dat het gerechtvaardigd kan zijn dat het EUIPO met niet tijdig aangevoerde feiten en bewijzen rekening houdt wanneer het van oordeel is dat deze gegevens prima facie werkelijk relevant kunnen zijn en dat bovendien het stadium van de procedure en de omstandigheden waarin deze gegevens niet tijdig zijn aangevoerd, niet eraan in de weg staan dat er rekening mee wordt gehouden (zie in die zin arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 44, en 3 oktober 2013, Rintisch/BHIM, C‑120/12 P, EU:C:2013:638, punt 38).
58
De eventuele inaanmerkingneming van die aanvullende bewijzen vormt dus geen „gunst” ten behoeve van de ene of de andere partij, maar dient het resultaat te zijn van de objectieve en gemotiveerde uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid die dit artikel 76, lid 2, het EUIPO verleent (arrest van 26 september 2013, Centrotherm Systemtechnik/BHIM en centrotherm Clean Solutions, C‑610/11 P, EU:C:2013:593, punt 111).
59
Hieruit volgt dat het vierde onderdeel van het eerste middel eveneens moet worden afgewezen.
60
Het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: verstoring van het evenwicht tussen de procedurele rechten van partijen en schending van de beginselen van proceseconomie en behoorlijk bestuur
Argumenten van partijen
61
Het EUIPO stelt dat het bestreden arrest het evenwicht tussen de procedurele rechten van partijen in procedures inter partes voor het EUIPO verstoort en bovendien strijdig is met de beginselen van proceseconomie en behoorlijk bestuur, aangezien partijen ervoor kunnen kiezen om in het kader van „onachtzaamheids- of vertragingstactieken” geen bewijzen over te leggen of opmerkingen in te dienen, of bepaalde aspecten daarvan voor zichzelf te houden.
62
European Food antwoordt dat het tweede middel ongegrond is en louter op speculatie is gebaseerd, zonder de minste verwijzing naar enige relevante juridische bepaling.
Beoordeling door het Hof
63
Overeenkomstig artikel 168, lid 1, onder b), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 29).
64
Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat als kennelijk niet-ontvankelijk moet worden afgewezen, een middel dat louter algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt betreffende de punten van het bestreden arrest waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt (zie in die zin arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 30).
65
Het tweede middel van de hogere voorziening heeft niet specifiek betrekking op punten van het bestreden arrest, maar bevat louter een algemene kritiek daarop zonder de punten aan te geven waaruit een onjuiste rechtsopvatting blijkt. Een dergelijk middel moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
66
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
67
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
68
Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van European Food te worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.