ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
7 maart 2018 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid – Moederschapsuitkering – Berekening van het bedrag op basis van het inkomen van de verzekerde over een referteperiode van twaalf maanden – Persoon die in die periode heeft gewerkt bij een instelling van de Europese Unie – Nationale regeling die bepaalt dat het betrokken bedrag wordt vastgesteld op 70 % van het gemiddelde socialeverzekeringsloon – Beperking van het vrije verkeer van werknemers – Beginsel van loyale samenwerking”
In zaak C‑651/16,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākā tiesa (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 9 december 2016, ingekomen bij het Hof op 19 december 2016, in de procedure
DW
tegen
Valsts sociālās apdrošināšanas aģentūra,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: E. Levits, kamerpresident, A. Borg Barthet en F. Biltgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen ingediend door:
–
DW, zichzelf vertegenwoordigend,
–
de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kucina en A. Bogdanova als gemachtigden,
–
de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,
–
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Naglis en M. Kellerbauer als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 45 VWEU en artikel 4, lid 3, VEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DW en de Valsts sociālās apdrošināšanas aģentūra (nationaal bureau voor sociale verzekeringen, Letland; hierna: „nationaal bureau voor sociale verzekeringen”) met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de moederschapsuitkering die haar moest worden toegekend.
Toepasselijke bepalingen
3
Artikel 31 van de Likums „Par maternitātes een slimības apdrošināšanu” (wet op de ziekte- en moederschapsverzekering, Latvijas Vēstnesis, 1995, nr. 182, blz. 465) bepaalt in de leden 1, 6 en 7:
„1) Het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat dient ter berekening van de hoogte van een door de Staat betaalde socialezekerheidsuitkering wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde socialeverzekeringsloon van de verzekerde gedurende de referteperiode van twaalf maanden die eindigt twee maanden vóór de maand waarin het verzekerde risico zich voordoet […].
[…]
6) Indien de verzekerde gedurende een gedeelte van de periode die in aanmerking wordt genomen ter bepaling van het gemiddelde socialeverzekeringsloon als bedoeld in lid 1 […], niet stond geregistreerd als persoon die was aangesloten bij de nationale sociale zekerheid dan wel op onbetaald verlof was, […] bedraagt het gemiddelde socialeverzekeringsloon over dit gedeelte van de periode, alsmede over de periode waarin de persoon geen gemiddeld socialeverzekeringsloon heeft gehad wegens onbetaald verlof, met uitzondering van het onbetaald verlof om een kind te verzorgen, 70 % van het in de Staat vastgestelde gemiddelde maandelijkse socialeverzekeringsloon.
7) Indien de verzekerde gedurende een gedeelte van de periode die in aanmerking wordt genomen ter bepaling van het gemiddelde socialeverzekeringsloon als bedoeld in lid 1 […], geen gemiddeld socialeverzekeringsloon heeft gehad wegens arbeidsongeschiktheid, zwangerschaps- en bevallingsverlof, vaderschapsverlof, onbetaald verlof om een kind te verzorgen, of ouderschapsverlof, is het gemiddelde socialeverzekeringsloon gelijk aan dat over de referteperiode verminderd met het aantal dagen van arbeidsongeschiktheid, zwangerschaps- en bevallingsverlof, vaderschapsverlof, onbetaald verlof, met uitzondering van onbetaald verlof om een kind te verzorgen, of ouderschapsverlof.”
4
Artikel 7 van de Ministru Kabineta noteikumi Nr. 270 „Vidējās apdrošināšanas iemaksu algas aprēķināšanas kārtība un valsts sociālās apdrošināšanas pabalstu piešķiršanas, aprēķināšanas un izmaksas kārtība” (besluit nr. 270 van de ministerraad inzake de wijze van berekening van het gemiddelde socialeverzekeringsloon en de wijzen van toekenning, berekening en betaling van nationale socialezekerheidsuitkeringen) van 27 juli 1998 (Latvijas Vēstnesis, 1998, nr. 223/224, blz. 1284) luidt als volgt:
„7. Voor de berekening van het gemiddelde socialeverzekeringsloon van een werknemer bestaat het socialeverzekeringsloon uit het volledige socialeverzekeringsloon dat de werknemer heeft genoten in de referteperiode als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de wet op de ziekte- en moederschapsverzekering:
7.1.
als werknemer in loondienst
7.1.1.
bij een werkgever met wie de werknemer bij het zich voordoen van het risico één van de in artikel 1, lid 2, van de wet op de sociale verzekeringen genoemde rechtsbetrekkingen heeft waarop het socialeverzekeringsloon berust.”
5
Artikel 8 van datzelfde besluit bepaalt:
„In alle in artikel 7 van dit besluit genoemde gevallen wordt het gemiddelde socialeverzekeringsloon, voor het toekennen van socialezekerheidsuitkeringen, berekend aan de hand van de volgende formule:
Vd = (A1 + A2 + A12)/D, waarbij
Vd = het gemiddelde socialeverzekeringsloon per kalenderdag […]
A1, A2 ... = het met arbeid in loondienst verdiende socialeverzekeringsloon van de desbetreffende maand van de referteperiode van twaalf maanden als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de wet op de ziekte- en moederschapsverzekering, met uitzondering van premies, bonussen, uitkeringen en andere toelagen die de werkgever overeenkomstig het bepaalde in een collectieve arbeidsovereenkomst of een arbeidsovereenkomst aan de betrokkene heeft betaald tijdens de periode dat deze tijdelijk arbeidsongeschikt was, of zwangerschaps- of bevallingsverlof, ouderschapsverlof of onbetaald verlof om een kind te verzorgen genoot;
D = het aantal kalenderdagen van de referteperiode als bedoeld in artikel 31, lid 1, van de wet op de ziekte- en moederschapsverzekering, met uitzondering van de kalenderdagen waarop sprake is van tijdelijke arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot een uitkering bij ziekte, een zwangerschaps- of bevallingsuitkering, een uitkering wegens vaderschapsverlof, ouderschapsverlof of onbetaald verlof om voor een kind te zorgen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Op 2 januari 2014 heeft DW bij het nationaal bureau voor sociale verzekeringen een aanvraag ingediend tot toekenning van een zwangerschapsuitkering tijdens haar zwangerschapsverlof. Op 2 april 2014 heeft zij tevens een aanvraag ingediend tot toekenning van een bevallingsuitkering tijdens haar bevallingsverlof.
7
Het nationaal bureau voor sociale verzekeringen heeft verzoekster de gevraagde uitkeringen toegekend van respectievelijk 2 januari tot en met 12 maart 2014 en 13 maart tot en met 21 mei 2014. De hoogte van de zwangerschapsuitkering werd vastgesteld op 80 % van verzoeksters gemiddelde socialeverzekeringsloon per kalenderdag, waarbij werd uitgegaan van het inkomen van DW in de periode van twaalf maanden van 1 november 2012 tot en met 31 oktober 2013 en het aantal kalenderdagen van die periode. Aangezien DW gedurende elf maanden van de referteperiode van twaalf maanden voor een Europese instelling heeft gewerkt en dus niet als werkneemster in Letland was geregistreerd, heeft het nationaal bureau voor sociale verzekeringen krachtens artikel 31, lid 6, van de wet op de ziekte- en moederschapsverzekering voor elk van die maanden het socialeverzekeringsloon vastgesteld op 70 % van het gemiddelde socialeverzekeringsloon in de betrokken lidstaat, namelijk op 395,70 EUR. Voor de maand waarin DW in Letland in loondienst heeft gewerkt en premiebijdragen heeft betaald, werd daarentegen gekeken naar haar daadwerkelijke socialeverzekeringsloon van die maand, namelijk 1849,73 EUR.
8
DW heeft bij de administratīvā rajona tiesa (regionale bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) een verzoek ingediend tot herberekening van haar uitkering. Deze rechter heeft dit verzoek toegewezen op grond van zowel het bepaalde in verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1), als het bepaalde in het VWEU betreffende het vrije verkeer van werknemers.
9
Het hoger beroep van het nationaal bureau voor sociale verzekeringen is toegewezen door de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland). Deze rechter was van oordeel dat verordening nr. 883/2004, waarin wordt bepaald dat de vervulde perioden voor het verkrijgen van een recht moeten worden samengeteld, niet van toepassing is op het onderhavige geval, aangezien het Letse recht voor de toekenning van het recht op de moederschapsuitkering geen voorafgaande periode van aansluiting bij het Letse socialezekerheidsstelsel vereist. Hij heeft daaruit afgeleid dat deze uitkering naar behoren was berekend in het licht van uitsluitend het Letse recht.
10
DW heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Augstākā tiesa (hoogste rechterlijke instantie, Letland) met het betoog dat de berekeningsmethoden van deze uitkering strijdig waren met de artikelen 45 tot en met 48 VWEU en de rechtspraak van het Hof (arrest van 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107). Volgens DW moet bij de berekening van de toe te kennen uitkering geen rekening worden gehouden met perioden van verzekering die zijn vervuld bij de instellingen van de Unie en moet het bedrag van de uitkering worden opgeteld bij het bedrag dat zij zou hebben ontvangen indien zij gedurende de gehele referteperiode in Letland had gewerkt. Deze conclusie zou worden bevestigd door het doel van de betrokken uitkering, namelijk het opwaarderen van de moederschapsuitkering van personen die hebben gewerkt en het tegelijk garanderen van een minimuminkomen voor mensen zonder werk.
11
Het nationaal bureau voor sociale verzekeringen meent op zijn beurt dat de rechtspraak van het Hof betreffende de samentelling van perioden van arbeid voor de vaststelling van het recht op ouderschapstoelagen niet van toepassing is op het onderhavige geval, dat de berekening van de hoogte van de moederschapsuitkering betreft.
12
De verwijzende rechter heeft twijfels over de vraag of de bepalingen van het Letse recht inzake de berekening van het bedrag van de moederschapsuitkering in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. Dienaangaande stelt hij vast dat DW in een nadeliger positie verkeert na haar recht van vrij verkeer te hebben uitgeoefend door te gaan werken voor een instelling van de Unie. Het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat krachtens het Letse recht wordt toegepast over de elf maanden waarin DW in dienst was van een instelling van de Unie ligt immers aanzienlijk lager dan datgene dat is gebruikt voor de resterende maand waarin DW in Letland heeft gewerkt. Volgens de verwijzende rechter komt de methode die is toegepast ter berekening van de moederschapsuitkering er in feite op neer dat de hoogte van die uitkering afhankelijk wordt gesteld van de duur dat de betrokken werknemer in Letland heeft gewerkt.
13
De verwijzende rechter herinnert in deze context aan de rechtspraak van het Hof op grond waarvan een dergelijke regeling een door artikel 45 VWEU verboden belemmering van het vrij verkeer van werknemers kan vormen. Deze regeling is evenmin aanvaardbaar in het licht van de plicht tot loyale samenwerking en bijstand die op de lidstaten rust en die tot uitdrukking komt in de verplichting van artikel 4, lid 3, VEU (arresten van 16 december 2004, My, C‑293/03, EU:C:2004:821, punten 45‑48; 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punten 16 en 17, en 4 februari 2015, Melchior, C‑647/13, EU:C:2015:54, punten 26 en 27).
14
In deze omstandigheden heeft de Augstākā tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moeten artikel 4, lid 3, VEU en artikel 45, leden 1 en 2, VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, die voor de referteperiode van twaalf maanden waarover het gemiddelde socialeverzekeringsloon wordt berekend dat bij de bepaling van de hoogte van de bevallingsuitkering wordt gebruikt, wel rekening houdt met de maanden waarin betrokkene bij een instelling van de Europese Unie heeft gewerkt en onder het gemeenschappelijke verzekeringsstelsel van de [Unie] viel, maar tegelijk ervan uitgaat dat betrokkene tijdens die periode niet in Letland was verzekerd en daarom haar inkomen gelijkstelt met het in de Staat vastgestelde gemiddelde socialeverzekeringsloon, met als gevolg dat de toegekende bevallingsuitkering mogelijkerwijs aanzienlijk lager uitvalt dan de uitkering die zij had kunnen ontvangen indien zij tijdens de referteperiode niet bij een instelling van de […] Unie, maar in Letland had gewerkt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 3, VEU en artikel 45 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die voor de vaststelling van het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat wordt gebruikt ter berekening van de moederschapsuitkering, de maanden van de referteperiode waarin de betrokkene heeft gewerkt voor een instelling van de Unie en waarin zij niet was aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat, gelijkstelt met een periode van werkloosheid en op deze maanden het in die lidstaat vastgestelde gemiddelde socialeverzekeringsloon toepast, hetgeen leidt tot een aanzienlijke verlaging van het bedrag van de moederschapsuitkering dat aan die persoon wordt toegekend ten opzichte van het bedrag waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij alleen in die lidstaat een beroepsactiviteit had uitgeoefend.
16
Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat hoewel de lidstaten bevoegd blijven om hun stelsels van sociale zekerheid in te richten, met name door het vaststellen van de voorwaarden voor de toekenning van socialezekerheidsuitkeringen, zij niettemin bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht moeten eerbiedigen, in het bijzonder de bepalingen van het VWEU betreffende het vrije verkeer van werknemers (zie in die zin arresten van 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering, C‑212/06, EU:C:2008:178, punt 43; 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 38, en 6 oktober 2016, Adrien e.a., C‑466/15, EU:C:2016:749, punt 22).
17
Bijgevolg dient te worden nagegaan of de bepalingen van het VWEU met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers toepasselijk zijn op een situatie als die in het hoofdgeding. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden vastgesteld of een nationale regeling als die in het hoofdgeding een belemmering vormt voor het vrije verkeer van werknemers en zo ja, of deze belemmering gerechtvaardigd is.
18
Wat in de eerste plaats de toepasselijkheid betreft van de bepalingen van het VWEU met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak iedere onderdaan van de Unie, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, die gebruikmaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en in een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt (arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 14, en 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 11en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
Voorts valt een onderdaan van de Unie die in een andere lidstaat dan zijn staat van herkomst werkt en een betrekking bij een internationale organisatie heeft aanvaard, eveneens onder de werkingssfeer van deze bepaling (zie in die zin met name arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 15; 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 12en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 juli 2013, Gardella, C‑233/12, EU:C:2013:449, punt 25). Een dergelijke onderdaan verliest namelijk niet zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 45 VWEU doordat hij een functie bij een internationale organisatie vervult (arrest van 4 juli 2013, Gardella, C‑233/12, EU:C:2013:449, punt 26).
20
Daaruit volgt dat de situatie van DW onder de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.
21
Met betrekking tot, in de tweede plaats, de vraag of de toepassing van een nationale regeling als die in het hoofdgeding leidt tot een belemmering van het vrije verkeer van werknemers, moet eraan worden herinnerd dat alle Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen het de onderdanen van de Unie gemakkelijker dienen te maken, op het gehele grondgebied van de Unie elk willekeurig beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen uitoefenen (arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 17; 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 14en aldaar aangehaalde rechtspraak; 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering, C‑212/06, EU:C:2008:178, punt 44, en 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 39).
22
Zo leveren nationale bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn staat van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, belemmeringen van die vrijheid op, ook wanneer zij ongeacht de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 18, en 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 15en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Artikel 45 VWEU heeft immers met name tot doel te voorkomen dat een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer en in meer dan één lidstaat heeft gewerkt, zonder objectieve rechtvaardiging minder gunstig wordt behandeld dan een werknemer die al zijn arbeidsjaren in één lidstaat heeft vervuld (zie in die zin met name arresten van 7 maart 1991, Masgio, C‑10/90, EU:C:1991:107, punt 17, en 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 42).
24
In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat, volgens het toepasselijke nationale recht, de werkneemster die tijdens de referteperiode van twaalf maanden niet is geregistreerd als aangeslotene bij het nationale socialezekerheidsstelsel omdat zij heeft gewerkt in dienst van een instelling van de Unie, wordt gelijkgesteld met iemand zonder beroepsactiviteit en een minimale moederschapsuitkering ontvangt die is bepaald op basis van het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat in de betrokken lidstaat is vastgesteld, terwijl de moederschapsuitkering die wordt betaald aan de werkneemster die haar hele loopbaan in deze lidstaat heeft gewerkt wordt bepaald op basis van de verzekeringsbijdragen aan het nationale socialezekerheidsstelsel in de referteperiode.
25
In dit verband zij opgemerkt dat, hoewel de toepasselijke nationale wetgeving aan het recht op moederschapsuitkering niet als zodanig de voorwaarde stelt dat een werkneemster gedurende de referteperiode aangesloten is geweest bij de nationale sociale zekerheid, dit evenwel niet wegneemt dat de toepassing van de regels voor de berekening van de betreffende uitkering tot een soortgelijke uitkomst leidt, aangezien de uitkering die wordt toegekend aan een werkneemster die in dienst van een instelling van de Unie heeft gewerkt aanzienlijk lager is dan de uitkering waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij had gewerkt op het grondgebied van de betrokken lidstaat en premie had betaald aan het socialezekerheidsstelsel van die staat.
26
Het Hof heeft overigens geoordeeld dat een nationale regeling die voor de berekening van het bedrag van ouderschapstoelagen geen rekening houdt met de perioden van arbeid die zijn vervuld onder het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Unie, de onderdanen van een lidstaat ervan kan doen afzien deze staat te verlaten om bij een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde instelling van de Europese Unie een beroepsactiviteit uit te oefenen, aangezien zij door hun indiensttreding bij een dergelijke instelling geen aanspraak meer zouden kunnen maken op een gezinstoelage uit hoofde van het nationale stelsel van ziektekostenverzekering waarop zij wel recht zouden hebben gehad indien zij deze betrekking niet hadden aanvaard (arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 19, en 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 16).
27
Hieruit volgt dat een nationale regeling als die in het hoofdgeding de uitoefening van een beroepsactiviteit buiten de betrokken lidstaat, ongeacht of deze activiteit plaatsvindt in een andere lidstaat dan wel bij een instelling van de Europese Unie, kan belemmeren en bijgevolg ontmoedigen, aangezien een werkneemster die tevoren of daarna was aangesloten bij het nationale socialezekerheidsstelsel, op grond van dat stelsel in aanmerking komt voor een uitkering die aanzienlijk lager is dan die waarop zij recht zou hebben gehad indien zij haar recht op vrij verkeer niet had uitgeoefend.
28
Bijgevolg vormt een dergelijke nationale regeling een belemmering van het vrije verkeer van werknemers die in beginsel ingevolge artikel 45 VWEU verboden is.
29
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van de Letse regering dat tijdelijke uitkeringen, zoals de moederschapsuitkering, geen grote belemmering kunnen vormen wanneer een werknemer beslist om een betrekking te aanvaarden bij een instelling van de Unie of op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van oorsprong. In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat de beperking van het vrije verkeer van werknemers niet wordt beoordeeld in het licht van de blijvende aard van de betrokken uitkering. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof vormen de Verdragsartikelen betreffende het vrije verkeer van personen immers fundamentele regels voor de Unie, en is elke belemmering van deze vrijheden, hoe gering ook, verboden (arrest van 15 februari 2000, Commissie/Frankrijk, C‑34/98, EU:C:2000:84, punt 49).
30
Om een volledig antwoord te geven aan de verwijzende rechter, moet in de derde plaats worden onderzocht of er een eventuele rechtvaardiging van de belemmering van het vrije verkeer van werknemers bestaat.
31
In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een maatregel waarbij door het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheden worden beperkt, slechts gerechtvaardigd kan zijn indien hij een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt. Daartoe moet een dergelijke maatregel geschikt zijn om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en mag hij niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie onder meer arresten van 16 februari 2006, Rockler, C‑137/04, EU:C:2006:106, punt 22, en 16 februari 2006, Öberg, C‑185/04, EU:C:2006:107, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
De Letse regering betoogt in deze context dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, is gebaseerd op redenen van algemeen belang en dat de moederschapsuitkering, die op het beginsel van solidariteit berust, is ingesteld om de stabiliteit van het nationale socialezekerheidsstelsel te waarborgen. Dit systeem, dat zelffinancierend is dankzij het rechtstreekse verband tussen de betaalde premies en de hoogte van de toegekende moederschapsuitkering, zou de verbetering van de demografische situatie bevorderen.
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat, hoewel redenen van zuiver economische aard geen dwingende reden van algemeen belang vormen die een beperking van een door het Verdrag gegarandeerde fundamentele vrijheid kunnen rechtvaardigen, een nationale regeling een belemmering van een fundamentele vrijheid kan rechtvaardigen wanneer zij is ingegeven door redenen van economische aard die een doelstelling van algemeen belang nastreven. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een gevaar voor een ernstige aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel mogelijk een dwingende reden van algemeen belang vormt die kan rechtvaardigen dat inbreuk wordt gemaakt op de bepalingen van het Verdrag inzake het recht van vrij verkeer van werknemers (arrest van 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het echter aan de bevoegde nationale autoriteiten om bij de vaststelling van een maatregel die afwijkt van een beginsel dat in het recht van de Unie is verankerd, in elk concreet geval te bewijzen dat deze maatregel geschikt is ter verzekering dat de genoemde doelstelling wordt verwezenlijkt en niet verder gaat dan daartoe nodig is. De rechtvaardigingsgronden die een lidstaat kan aanvoeren, moeten dus gepaard gaan met deugdelijk bewijs of een onderzoek van de geschiktheid en evenredigheid van de door die lidstaat genomen beperkende maatregel, alsmede met specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog. Een dergelijke objectieve, uitvoerige en cijfermatige analyse moet met behulp van ernstige, gelijkluidende en bewijskrachtige gegevens kunnen aantonen dat er daadwerkelijk risico’s voor verstoring van het evenwicht van het socialezekerheidsstelsel bestaan (arrest van 21 januari 2016, Commissie/Cyprus, C‑515/14, EU:C:2016:30, punt 54).
35
Vastgesteld moet worden dat in het onderhavige geval een dergelijke analyse ontbreekt. In haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft de Letse regering immers louter algemene beweringen aangevoerd, echter zonder concreet bewijs aan te voeren ter onderbouwing van haar betoog dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang. De vermeende rechtvaardiging dat rechtstreeks verband bestaat tussen de betaalde premie en de hoogte van de toegekende uitkering kan niet worden aanvaard, aangezien aan de toekenning van de uitkering zelf niet de voorwaarde wordt gesteld dat premie is betaald.
36
Bijgevolg, en gelet op de gegevens in het dossier dat aan het Hof is overgelegd, kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belemmering van het vrije verkeer van werknemers niet worden gerechtvaardigd.
37
Aangezien is vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling onverenigbaar is met het beginsel van vrij verkeer van werknemers zoals gewaarborgd door artikel 45 VWEU, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de uitlegging van artikel 4, lid 3, VEU (arrest van 6 oktober 2016, Adrien e.a., C‑466/15, EU:C:2016:749, punt 37).
38
Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die voor de vaststelling van het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat wordt gebruikt ter berekening van de moederschapsuitkering, de maanden van de referteperiode waarin de betrokkene heeft gewerkt voor een instelling van de Unie en waarin zij niet was aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat, gelijkstelt met een periode van werkloosheid en op deze maanden het in deze lidstaat vastgestelde gemiddelde socialeverzekeringsloon toepast, hetgeen leidt tot een aanzienlijke verlaging van het bedrag van de moederschapsuitkering dat aan die persoon wordt toegekend ten opzichte van het bedrag waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij alleen in die lidstaat een beroepsactiviteit had uitgeoefend.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die voor de vaststelling van het gemiddelde socialeverzekeringsloon dat wordt gebruikt ter berekening van de moederschapsuitkering, de maanden van de referteperiode waarin de betrokkene heeft gewerkt voor een instelling van de Europese Unie en waarin zij niet was aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat, gelijkstelt met een periode van werkloosheid en op deze maanden het in deze lidstaat vastgestelde gemiddelde socialeverzekeringsloon toepast, hetgeen leidt tot een aanzienlijke verlaging van het bedrag van de moederschapsuitkering dat aan die persoon wordt toegekend ten opzichte van het bedrag waarop zij aanspraak had kunnen maken indien zij alleen in die lidstaat een beroepsactiviteit had uitgeoefend.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.